IRIS

Wat bleke keien op de opgegeven rafel strand
praten met je over de verdiensten van een oudere zee.
Ze laten je echo’s horen van haar uitgestorven golfslag.
Van het ruisen van een vergeten woordenstroom.

Meeuwen met hun veren grijs van de wolken
hangen bedaard boven het vale helmgras.
Ze wachten je voorbijgaan af, je terugtocht.
Dan opeens lijken ze om iets te willen gillen.

In je hoofd, zeg je, is niemand willen blijven.
Minnaar, dier, ding, niets roept je terug na je veldslag.
Je hebt geen gisteren, Iris, je hebt geen naam.
Daar ga je dan, niet in spijt, niet in uitgewist wit.