IK HOOR THE MARVELETTES ZINGEN

postbode,antwerpen,sixties,vrijheid,pop,vriendschap,liefde,telefoon,rock,scheepvaart,popcultuur,namen,bob dylan,spelen,autobiografie,fotografie,surrealisme,tanden,eenzaam,soul,rolling stones,the beatles,k,songs,stoned,motown,nico,facebook,beach boys,barack obama,aretha franklin,brian jones,bulle ogier,francois brouns,matti b,marvelettes,jacques dutronc,les tricheurs,smokey robinson,schipperszoon,schippersleven,straatsburgdok,herbert tobias,supremes

Ik hoor the Marvelettes zingen. Er zit teveel vis in de zee en er gaat iets mis met de post. Postman, stuur me een brief! Wat gebeurt er toch met deze wereld, als de jager gevangen wordt door zijn wild? The Beatles waren gek op the Marvelettes, en op Smokey Robinson, volgens Bob Dylan de beste dichter ooit. Later vroeg hij zich af of hij niet te zat, te stoned,  was geweest en eigenlijk Rimbaud had bedoeld. Ik denk het niet. De wereld is surrealistisch of is niet. Je moet gevaarlijk leven, liefhebben als een gek en spelen. Spelen en een tricheur zijn, zoals Jacques Dutronc en Bulle Ogier. Noem ik teveel namen? Wil je dat ik persoonlijker word? Het privé-leven uitgestald. Nee. Ik ben het Noorden niet kwijt, evenmin als het Zuiden, zeker het Zuiden niet, waar zij leven die hun hoofd onder een oksel dragen.

Altijd gaat het zo: beste postbode, is er een brief voor mij? Nee. Voor jou niet, wanhopige jongen, je zou beter wat minder drinken, je stinkt uit je bek, mag ik zo eerlijk zijn? Wacht nog even, postbode, ik zal mijn tanden poetsen met mineralen, gemalen bisschoppenruggengraat, vlinderstof, op mijn gouden borstel diamanten… Maar is er geen nieuws van K.? Met de donkere ogen, met de twistende letters. Ik keek naar een portret van Nico in ‘Cocktailkleid von Oestergaard’, een foto van een onvolprezen fotograaf, Herbert Tobias.

The Marvelettes zingen nu over een playboy, maar laat die maar passeren.  K. met de donkere ogen heeft bezit van mijn gedachten genomen. Mijn telefoonnummer is “Beechwood 4-5789, any old time”. Een hese stem, en ik, mijn lichaam, afstevenend op de dood, zoals dat van iedereen die je nu kent of niet kent. Alleen weet ik wat een voorsteven is, een boot, de voorkant, het Straatsburgdok, Strawberry Fields Forever. Die dingen komen altijd terug. Een leven lang. Alles verandert maar tegelijk verandert niets. Vreemd, ik weet het. Daar aankomen, in het Straatsburgdok, met die pure popmuziek op de transistorradio, God Only Knows, Like A Rolling Stone, Reflections, en niemand die van iets weet. De freaks moeten nog vanonder de stenen komen. Dat zullen ze doen, en dan is alles om zeep (die ze zelden gebruiken). Ik ben weer een Steve Marriott, een Otis Redding, een Aretha Franklin, een Brian Jones. Nu. Niet gelukkig en niet ongelukkig, maar in het moment.

Dank aan the Marvelettes. Dank aan Barack Obama. Dank aan facebook en aan alle vrienden die me inspireren. Dank aan rock & roll. I love you, that’s the way that it goes. Forever. For sentimental reasons.

nico - herbert tobias

Afbeeldingen:
Boven: The Marvelettes
Onder: Nico – Ohne Titel (Nico im Cocktailkleid von Oestergaard) / Herbert Tobias.

THERESE RÊVANT

therese revant balthus

Op ‘t eerste gezicht valt het aardse bruin op
Waarin het meisje in dagdroom verzonken ligt.
Op de voorgrond likt een zwangere poes ‘n bord leeg.
Het meisje leunt achterover in het licht

Alsof niemand in de kamer aanwezig is:
Rode pantoffels, een been opgetrokken.
Haar rode rok omhoog geschoven; gefluisterd

Wordt nog over de vouwen in haar onderbroek,
Sneeuwwit als de dagdroom van een meisje.
Achter haar handen samengevouwen

Op haar bruine haren, die donkere gordijnen
Waarachter – ongetwijfeld – een meute toekijkt
Tot zij haar ogen opent. Tot zij iets doet.

Tot zij eindelijk iets anders doet dan dromen.
Haar rok glad strijken, haar onderbroek weg.
Opdat de wereld weer wereld, weer wereld

Worden zou, mogelijke dreiging als een deken
Opgevouwen en elke zucht, elke vloek in het gelid.
Wie wil niet dat groene kussen zijn dat haar rug

De wereld biedt? Dicht tegen haar ruggengraat
Waar al haar stemmen klinken en haar hart klopt.

 

Voor Thérèse, en alle poezen die dit (waarschijnlijk) niet kunnen lezen.

 

 

HOE WORD IK WEER ZICHTBAAR?

 

muziek,werken,lichaam,feest,pop,vriendschap,stront,geheim,vergeten,droom,verbergen,wereld,geluk,zwijgen,identiteit,seks,woorden,onzichtbaar,bob dylan,spreken,blik,absurd,huid,behoefte,oppervlakte,zelf,ejaculatie,ondoorgrondelijk,grond,geheimen,zichtbaarheid,plooi,the who,bestaan,heidegger,like a rolling stone,iris dement,caspar david friedrich,ambiguiteit,doorgrondelijk,ondergrond,gestel,gesteldheid,faeces
The invisible man, 1933.

Bob Dylan zong meer van veertig jaar geleden, bijna triomfantelijk, ook al was het ambigu, “you’re invisible now, You’ve  got no secrets to conceaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaal’.
Iedereen maar dan ook iedereen kent het lied. Alleen dat al kan een moment van geluk veroorzaken. Grote tevredenheid, verzoening met de wereld en de vele domme streken van de mensen. Maar ik twijfel eraan of onzichtbaarheid een goede zaak is. In feite ben ik er zeker van dat het geen goede zaak is. Evenmin is het aangenaam als je je geheimen niet kunt verbergen. Het is ook mogelijk dat het personage waarover Dylan zingt helemaal geen geheimen heeft, en dat is nog erger. Als je geen geheim hebt, heb je geen ‘ziel’, geen ‘zelf’, geen ‘identiteit’. Zonder geheimen word je oppervlakte, volkomen doorgrondelijk – hoewel er eigenlijk geen grond is. En nog veel minder is er zonder geheimen een ondergrond. Want zijn je geheimen niet de kern van je ondergronds bestaan? Zijn het niet je geheimen die je in leven houden, als je ademhaling het begeeft, of een of ander orgaan uitvalt? Die je helpen weerstand te bieden tegen de orkanen van de tijd en de beschaving. Je ondergronds bestaan, waarvan je je niet altijd bewust bent, of zelfs helemaal niet, nooit.

Je geheimen zijn aan elke blik onttrokken. Ze zitten in de plooien en de vouwen van je huid, van je tweede huid, in je irissen, in je hele gestel, in je gesteldheid. Je bent een individu met geheimen. ’s Nachts droom je vaak van mensen die sommige van hun geheimen prijsgeven. Ze doen hun donkere behoeften op een met zweet, bloed en tranen geweven Perzisch tapijt en ejaculeren waar je bij staat, alsof het niets is. Ze strooien hun zaad in het rond alsof het druppels afwasproduct zijn. Ze tonen hun meest intieme plooien. Terwijl ze zich ontplooien lijk jij te ontdooien, maar dat is niet zo. Je hoort de zanger zingen: ‘You’re pushing too hard on me”. Je wordt hard, en die hardheid maakt dat je ontwaakt. Eenmaal wakker ben je in je lichaam terug. Niemand weet iets van de ejaculaties en ontplooiingen die je bijwoonde. Alsof het gewoon een pornofilm was geweest en verder niets.

Spoedig ben je zelf die wereld vergeten. Je staat er weer alleen voor. Je vraagt je af: hoe word ik zichtbaar? Want alleen kun je niet leven. Je wilt je geheimen delen, niet alle geheimen, sommige. Je gaat de deur uit: eenzame mensen in auto’s op weg naar je weet niet waar. In het metrostation zwijgende mensen die het blaadje ‘Metro’ doorbladeren. Niemand zegt een woord. Er schijnt niemand geneigd te zijn om je te bekijken. Maar wat achter je rug gebeurt, weet je natuurlijk niet. Op het werk wordt er gewerkt, af en toe gepraat. Wat heb je aan gepraat? Wat je zoekt is een gesprek. Wat je zoekt is iemand die een geheim me je wil delen. Zoek je echter wel? Wordt niet alles wazig om je heen, de anderen onzichtbaar. Ja, ze onttrekken zich aan je blik, ze hebben geen geheimen meer over, geen geheimen om te onthullen.

Wat je zoekt is een vriend, een vriendin, een mensch – van hen hangt je leven af. Zij maken je zichtbaar, omdat ze je herkennen en erkennen. Voor hen ben je er gewoon. Geen zonderling, geen ongenaakbare, geen vreemde, geen boomstronk. Zij weten je altijd te vinden voor het weer te laat is. En dan komen ze bij je binnen en leggen een plaatje op van the Rolling Stones, van Bob Dylan. Kom, zeggen ze, monkey man, the kids are alright. Lay down your weary tune, zeggen ze. Een van de vrienden, een aantrekkelijke vrouw, probeert boven het rumoer uit te stijgen en fluistert, hotter than Mojave in my heart. En je schenkt ze nog eens vol, sharp as a formula.

Caspar_David_Friedrich
Caspar David Friedrich, Der Wanderer über dem Nebelmeer.

VOETZOEKERS OF VOETNOTEN?

Hoe ontstaat zo’n tekst als ‘Heaven’s Gate’? Je zit naar nog maar eens een miskend meesterwerk te kijken, in dit geval ‘Heaven’s Gate’, de 220 minuten durende film van Michael Cimino, gebaseerd op de Johnson County Wars in Wyoming, die plaatsvonden op het einde van de 19de eeuw. In 1980, toen de film werd uitgebracht, werd hij door vooral Amerikaanse recensenten grondig afgekraakt. Het publiek bleef massaal weg. De zeer dure film werd bijna overal een regelrechte flop, met uitzondering van een aantal Europese cultuursteden.

In ‘Heaven’s Gate’ wordt veel gedanst, gemusiceerd, en er wordt een bloederige, wrede oorlog uitgevochten tussen rijke veebaronnen en hun huurlingen enerzijds en boeren-immigranten (vooral uit Oost-Europa) anderzijds. Er is een subverhaal over de liefde van zowel Kris Kristofferson als Christopher Walken voor Isabelle Huppert, in deze film mooier dan ooit, en nog zo jong. Zij is de tragische heldin van het verhaal. Tragische heldinnen moeten sterven.

De mooiste scène is wellicht die in de danshal ‘Heaven’s Gate’, waar de boeren dansen op rolschaatsen – met op de voorgrond adembenemende muziek van de toen jonge componist en muzikant David Mansfield. Hij is trouwens meermaals te zien in de film. Dylan-bewonderaars zullen de engelachtige David Mansfield ongetwijfeld kennen; in de jaren ’70 speelde hij in Dylans begeleidingsband, onder meer op ‘Street Legal’, ‘Bob Dylan at Budokan’ en ‘Hard Rain’. Te zien is hij in Dylans ook al zeer lange film ‘Renaldo and Clara’. Zelf heb ik hem in 1993 live zien optreden in The Bottom Line in New York waar hij toen Lucinda Williams begeleidde op viool.

Terwijl ik naar de film zat te kijken, een Duvel dronk en mijn emoties de vrije loop liet, werd ik opnieuw opgezweept door de soundtrack en verbluft door de Ciminos beeldenrijkdom en geweldige montage. Cimino stelt dat de Verenigde Staten gebaseerd zijn op uitbuiting, geweld, hypocrisie en verraad.

Ik nam vlug een langwerpig velletje papier om er wat woorden op te noteren. Door die langwerpige vorm moest ik de woorden onder elkaar zetten, zodat er qua vorm een gedicht ontstond.

De volgende dag heb ik eens gekeken naar wat ik neergeschreven had. Ik zag het bruin en het groen van de aarde in Wyoming en het bruin van de kleding en hoeden van de boeren.  Het asgrijs van de dood die hen boven het hoofd hing. De immigranten zagen er vermoeid uit, de aarde leek hen niet toe te lachen. Je zag beelden van een grauw en donker bestaan. Daartegenover enkele ogenblikken lichtheid, van het walsen op rolschaatsen in een grote houten danshal waar een orkestje opgewekte en tegelijk melancholische muziek speelde. De boeren waren moe, maar in zekere zin onbezorgd. Ze wisten nog niet dat de asgrauwe dood op hen wachtte.

Op mijn papiertje trof ik sporen aan van de lichte huiduitslag waar ik last van had, ten gevolge van antibioticagebruik. In de proloog van ‘Heaven’s Gate’ neemt Cimino je mee naar de universiteit van Harvard (in werkelijkheid is het Oxford, maar in film mag dat, het Vietnam van Kubrick is een oud fabrieksterrein ergens in Engeland). Er worden diploma’s uitgereikt, er wordt feest gevierd, gewalst. Harvard, een rijke, lichte wereld. De jonge mannen die hier afstuderen zullen van het nog jonge, ruwe land een beschaafde natie moeten maken. Maar zullen ze daar in slagen? Zijn de natuur en de aard van de mens niet weerbarstig en opstandig als het om cultuur en fijne manieren gaat? Worden verfijnde mensen in ruwe streken niet belachelijk gemaakt of afgeslacht? Denk maar aan Peckinpahs ‘Straw Dogs’. Denk maar aan William Wylers ‘The Big Country’.

In mijn hoofd waren de walsers aan het jiven geslagen, wat natuurlijk een anachronisme is, maar in een gedicht mag dat. De natie waar ik het over het is de VS maar het gaat uiteraard ook over België. De vader is de rector van de universiteit, en is mijn eigen vader, die toen ik klein was graag Willem II sigaren rookte. Hij is een gewone man, een boerenzoon – het praktische nut van een diploma lijkt hem gering. Je kunt er geen grond mee bewerken noch de mijnschacht in.

David Mansfield speelt de hele tijd door op de blauwe gitaar van dichter Wallace Stevens. Diens lange gedicht ‘The Man with the Blue Guitar’ is in het Nederlands vertaald door Rein Bloem. Peter Case verwees er enigszins ironisch naar in de titel van een van zijn elpees: ‘The Man with the Blue Post Modern Fragmented Neo-Traditionalist Guitar’ (op die plaat staat de schitterende song ‘Entella Hotel’ geduldig op luisteraars te wachten). De oesters verwijzen naar de als oesters levende burgers uit Hölderlins ‘Hyperion’. En het gedicht eindigt met een deuntje van Howlin’ Wolf alias Chester Burnett.

Ω

(1. / Van mijn lippen valt schimmel / en woorden in het gruwelgrijs van de dood / van mijn lippen op de oude aarde / groen en bruin de mensen moe. // Onder de maan alleen een blauwe melodie / aan de beroemde blauwe gitaar ontlokt / een wegebbende echo nog maar / na een eeuw walsen en jiven en zweten. // 2. / De vader zit op een bank, rookt zijn sigaar / Willem II, onverrichter zake. / Boven zijn hoed wappert de vlag / van een natie de mensen moe. // Wenst me geluk met mijn diploma, / veel succes etcetera etcetera – maar, / filosofen komen niet verder dan oesters, / vertrouwt hij me toe. // Kijk naar de historie, / Wyoming, de trek naar de Far West / tot aan de Pacific, / kijk hoe dat verhaal afliep: / follow me baby, have a real good time.)

DE NACHT VAN DE LEGUAAN II – VOETNOTEN

night of the iguana

Ik was niet uitgesproken moe toen ik ‘De nacht van de leguaan’ schreef. Het ‘gedicht’ begon met de eerste zin, tijdens het nogal indrukwekkende concert van Diana Jones, die ofwel vanwege de vorm van de traditionele folksong – in de stijl van the Carter Family – terugkeert naar de religie, ofwel echt gelovig is (maar in dat geval is ze dan toch een anti-Bush gelovige, wat kan tellen). Die zinsnede bleef in mijn hoofd hangen. In het weidse Amerikaanse landschap, boven de koude grijze grond doken wilde dieren op die elkaar verscheuren, of door mensen worden verscheurd of versneden. De treurwilgen ontsproten aan weer een lied van Diana Jones, over drugverslaving – waarin dealers worden vergeleken met ‘vipers’, adders. In de laatste strofe van die song komen vooral religieuze beelden voor. Religie in plaats van drugs? Ik heb het de zangeres niet durven vragen; haar handtekening heb ik wel, alsof ik een tiener ben en handtekeningen mij zullen behoeden voor iets onnoemelijks. Vervolgens kwamen de orchideeën uit Spike Jonze’s ‘Adaptation’, de orchideeën van Susan Orlean, journaliste voor The New Yorker, en van orchideeëndief John Laroche, erin geslopen. In de film werd van orchideeën een hallucinogene drug gemaakt.
Een dag later zag ik een dvd van ‘The Night Of the Iguana’, van John Huston, gebaseerd op het stuk van Tennessee Williams. Het is een schitterende film, met John Huston en Ava Gardner die zichzelf overtreffen. Zoals bijna altijd bij Tennessee Williams gaat ook ‘The Night Of The Iguana’ over seks, drank, drugs, leugens, zelfbedrog en hypocrisie. In deze film wordt de hypocrisie van het geloof hard aangepakt. Als ik me niet vergis wordt god er een wrede, seniele delinquent in genoemd. Een ander thema van Williams, een dat me nauw aan het hart ligt, is de troost van vreemden. Hoe mensen in elkaars armen de ellende van de wereld, hun mislukking en hun wanhoop kunnen vergeten. Of hoe liefde zoveel meer is dan seks. Op het einde van de film zegt Richard Burton, een ge-excommuniceerde priester, na het voorstel van Ava Gardner om de berg af te gaan naar de zee, waaruit alle leven voortkomt: “De berg af kan ik nog wel, maar weer naar boven wellicht niet meer.” Waarop Ava Gardner: “Ik zal je wel naar boven helpen, wees gerust.” Toen boog ik mijn hoofd en huilde ik, zoals bij een degelijk Hollywood-einde gebruikelijk is.
Over de filosofische achtergrond van het gedicht kan ik nu, wegens vermoeidheid, niet uitweiden. Je zou er de scholasticus Johannes Duns Scotus bij kunnen betrekken. Het brengt trouwens niet veel aarde aan de dijk als ik zeg dat wij de wereld niet kunnen kennen.