OH LAZARUS, OH MY LOVER

Jede_nacht_besucht_uns_ein_traum

Soms lijkt het wel alsof je in een parallelle tijd en ruimte leeft. Als je door de straten van je stad loopt heeft het er alle schijn van dat het gedroomde straten zijn in een gedroomde stad. Je bent je eigen schaduw, die zich zo vaak in die andere wereld bevindt. Als je in de spiegel kijkt, vind je dat je veel weg hebt van Claus Patera. Ga je aan je werktafel zitten vloeien er regels uit je pen die je niet als de jouwe herkent. Je gebruikt het woord pen maar weet dat men weet dat je op een toetsenbord schrijft. Je gebruikt het woord pen uit romantische overwegingen. Daar ben je je bewust van, maar niet van wat er ontstaat. De zinnen slapen in jou, dromen in jou en komen vanzelf tevoorschijn, of nee, niet helemaal vanzelf, eerder is het alsof iemand ze toeroept: “laat me je zien, ik wil je bewonderen, ik wil je verafschuwen.” Er groeit inderdaad een andere wereld uit je lichaam dat in een andere wereld leeft. Zo kost het geen moeite om te verdwalen. In een oogwenk loop je door de gangen van een glazen zeereus. De geur van grote, veelkleurige vissen dringt door de kieren naar binnen. Tramhaltes vind je niet. En je vraagt  je af hoe je weer thuis zal geraken. Je moest toch nog bij je broer op bezoek? Dan herinner je je, een wonde die opengaat, dat je broer al dood is. Je vader, je moeder. Blijf je door de glazen gangen zwerven? Of waag je een sprong in de diepte?

Soms komt door de kieren van de tijd de wereld waarvan wordt gezegd dat het de echte is de jouwe binnen. Iemand is gestorven. Een groot schrijver die door velen wordt geminacht. Een jonge reus wordt in je wakker. Een die in woede, in razernij losbarst. Woede in de werkelijke wereld, tegen kleine schepsels die wat boven hen uittorent verachten. Tegen afgunstige insecten, opgeblazen van het gif, zoals in een film van David Cronenberg. Wat ook kan is dat je een stem hoort zingen. “Lazarus”, hoor je, “graaf jezelf een graf”. En je hoort, “oh my lover!” Tijdens die momenten valt je wereld samen met de wereld, je schaduw met je lijf en leden, je vrolijkheid met je verdriet, je zinnen met je zin.

Afbeelding: Jede nacht besucht uns ein traum (1900) van Alfred Kubin

DIMITRI VERHULST EN HET GELUK

Gisteravond zag ik Dimitri Verhulst op televisie (alias cinema Eden). Ja, ik geef het toe, ik heb het weer gedaan, maar het was toevallig. Ik had zitten kijken naar de vierde episode van Fassbinders ‘Berlin Alexanderplatz’. ‘Een handjevol mensen in de diepste stilte’ heet dat deel. Eigenlijk is het niet geschikt voor melancholische mensen. Of juist wel, omdat het een tegengif is? Franz Biberkopf, het hoofdpersonage uit het boek en de film, is weg van zijn vriendin Lina en wil niemand meer zien; hij zuipt zich te pletter. Het is onwaarschijnlijk hoeveel die man kan zuipen. Af en toe kijkt hij door zijn raam en dan ziet hij alleen maar slechte mensen. En hij kaart met Satan.

Daarna zag ik ook nog de film ‘A History Of Violence’ van David Cronenberg. Ik houd van het werk van de Canadese regisseur, maar hij wordt almaar commerciëler. Dat is al begonnen met ‘Spider’. Waar is de tijd van films als ‘Videodrome’ en ‘Crash’? Toch heb ik mij kunnen verplaatsen in het donkere, spannende verhaal, vooral omdat er zo goed in geacteerd wordt. De cameo van William Hurt is werkelijk verbluffend. Toen die dvd afgelopen was zag ik plots het hoofd van Dimitri Verhulst opduiken. Wat heeft die man vettige haren. Of zou het gel zijn? Ik vond desondanks dat hij een aangename stem had, en bleef geboeid kijken. Mijn vriend Marc Didden, ere wie ere toekomt, heeft mij een paar maanden geleden Verhulsts ‘De helaasheid der dingen’ aanbevolen. Het is er nog niet van gekomen, maar ik zal de roman zeker lezen. Maar! Wat ben ik afgunstig op deze schrijver! Of is het gewoonweg jaloers? Waarom zou ik toch jaloers of afgunstig zijn? Omdat Dimitri Verhulst gelukkig is (dat zegt hij zelf) en ik ben het niet. En hij heeft zelfvertrouwen en ik niet. En hij kan zich verplaatsen in zijn fictionele wereld en ik niet.

Ik zit in mijn biografie opgesloten. In mijn huid waar ik niet uitgeraak. En om mijn huid zit nog een ander omhulsel, waardoorheen ik de anderen niet meer kan bereiken, en de anderen mij niet. En fictie? Soms zoek ik nog wel naar personages, maar ik vind ze niet en ik kan ze niet uitvinden. Ik heb geen toegang tot dat gedeelte van mijn hersens waar mijn fictieve personages worden bedacht. Toch ben ik op de eerste plaats jaloers / afgunstig op Dimitri Verhulst omdat hij zo gelukkig is. Met zijn vrouw en zijn werkkamer en zijn boeken en zijn vettige haren. Of is het gel? Wat niet betekent dat ik de schrijver zijn geluk niet gun. Alleen zou ik ook graag zo gelukkig zijn. Ik heb eveneens een vrouw en een werkkamer en vettige haren (zij een veel kleiner aantal dan Verhulst). Waar wacht ik dan op? Wat houdt me tegen? Misschien moet ik toch eerst eens dat boek lezen, en staat daar in hoe ik het geluk kan vinden.

MIJN RUIMTE?

Ik verdiep mij in de wonderlijke, nutteloze en tijdrovende wereld van MySpace. Inmiddels heb ik er al vele vrienden, waaronder André Breton, Schopenhauer en Jacques Derrida. In MySpace bestaat geen dood. Het is een goed middel tegen mijn grootste angst: ik weet dat ik nu voor altijd zal voortleven. Overigens heb ik niet alleen dode vrienden in die gigantische ruimte, waar nooit iets schijnt te gebeuren, behalve dat je er – soms bizarre, soms zeer amateuristische – muziek kunt beluisteren en sporadisch downloaden. Na er zowat een maand te hebben rondgehangen heb ik al 175 vrienden, doden inclusief, en er komen er elke dag bij. Bob Dylan en Neil Young bij de eersten. David Lynch heb ik mijn vriendschap aangeboden, maar voorlopig heeft hij ze niet geaccepteerd. Eddy Wally en Eels daarentegen wel, zonder enige tegenstribbeling. Is dat laatste wel een woord? Door lang in MySpace rond te hangen dreig ik mijn geheugen en mijn woordenschat te verliezen. Het is een vreemde wereld.

Gisteren zag ik David Cronenbergs Crash. Dat is pas een echt vreemde wereld. Gelukkig is het fictie. Of niet? Mannen en vrouwen die geil worden van auto-ongevallen en de verwondingen die daar het gevolg van zijn. Maar uiteindelijk gaat het niet om die auto’s en die ongevallen, aldus Cronenberg, maar om de psyche en meer bepaalde de psyche van de begerende mens. Ik weet niet wat ik daar van moet denken. Rosanna Arquette als lustige verminkte wekte bij mij gemengde gevoelens op. Wat de hele film lang mijn aandacht heeft getrokken waren de ogen van Deborah Unger. Wat een prachtige, fascinerende ogen. Zou David Cronenberg daar ook zo van onder de indruk zijn geweest? Ik zal het hem eens moeten vragen.

rosanna arquette in crash
Rosanna Arquette in Crash

DE VAGINA ALS REMEDIE TEGEN HOOFDPIJN

ORLAC ZWART WIT

Ik ga met hoofdpijn naar bed. De ene bizarre droom verjaagt de andere. Een vrouw zit in een zetel, in een alledaagse, onverschillige houding, met de vagina wijd opengesperd, goed zichtbaar in het daglicht. Een vreemde man in een stoel recht tegenover haar lijkt heel sterk naar dat geslacht te verlangen. Voor de vrouw is er niets aan de hand. Ze werpt een blik door het open raam. Het lijkt of haar vagina nog groter wordt. De man wrijft met zijn handen over zijn slapen, wendt zijn blik af, sluit zijn ogen, en kijkt daarna weer heel geconcentreerd naar het opengesperde geslacht. Heeft hij last van migraine? Dit moet dan wel de ultieme remedie zijn: het hoofd helemaal in het lichaam van de vrouw stoppen. Zijn hoofd gaat er zonder problemen volledig in.

Wat is er gebeurd? Ik heb op een ingewikkeld toestel naar een videofilm van David Cronenberg zitten kijken. Je kunt met dat ding moeilijk vooruit en achteruit spoelen. Wat een ellende: ik kan die passage maar niet terugvinden. En nu is er visite, dan durf ik ook niet de hele tijd zitten spoelen. Ze zouden kunnen denken dat ik niet geïnteresseerd ben in hun conversatie. Dat die bezoekers nu toch maar snel weer vertrekken! Ik wil zien hoe dat afloopt, die man met zijn hoofd in de vagina van die onverschillige vrouw. Zou dat echt een goede remedie zijn? Ik heb zelf ook zulke hoofdpijn.

Ik rijd op een brommer blindelings naar het centrum. Op die brommer zit ik geconcentreerd naar mijn beeldscherm te kijken, terwijl ik nog steeds pogingen onderneem om dat fragment terug te vinden. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat ik iets belangrijks heb gemist.
Plotseling stel ik vast dat ik me op een drukke straat bevind. Ik rijd tussen gevaarlijk verkeer. Scherpe bochten, er ligt gebroken glas op de weg.

Later zit ik in een heldere kamer samen met een vriend in een groot oud Boek te bladeren. Ik herinner me dat het fascinerend is als een antieke atlas. Er zitten relikwieën in: bloed, sperma, een afgehakte hand. Het is het boek van een soldaat, denk ik.
De hand is vies, dat ik er maar niet ziek van word. Toch wil ik alles bewaren. Ik zoek een geschikte plaats om het boek in op te bergen. Een grote scheepskoffer, daarin een kleiner houten kistje dat ik van een reis naar Marokko heb meegebracht. Maar ik vrees dat de hand niet in het kistje kan.