DONKERE DAG, HELDERE NACHT

anselm-kiefer-the-orders-of-the-night-die-orden-der-nacht-1996.jpg

Dit is je gelukt overdag: wat licht werk aan je minuscule tuin in de zon; zonnebloemen, wat klaprozen, groenachtig gras. Onkruid gewied. Om twaalf uur stipt valt de stilte. Niemand zingt, zelfs niet de gewillige varens, als de hand Gods slaat en het hart van slag raakt. Een te hoge dosis van dit of van dat, te veel Ethiopische koffie? Een hond ligt lui uitgestrekt in de schaduw van een onooglijke maar gevaarlijke bar.

Ja, overdag ben je radeloos. Je wist het al lang: geen miniatuur vervangt de natuur. Nooit valt een vrouw je in de armen als je in een nuchtere bui de wolken bekijkt of als je aan de rand van de afgrond  je adolescentenjaren staat te verschonen. Nooit daagt een vriend op, een raadgever, als je daar niets staat te zijn. Als je zegt: ik ben de woorden die ik niet ken. Zie mijn wanhoop in dit treurige reservaat.

Als in die gouden tijd de avond viel zongen we zo graag samen en huppelden soms in het rond met onze handen op onze knieën. Zilveren rook om onze hoofden. Aardbeien, sinaasappels uit China, jasmijnthee. De geur van sandelhout ons enige gebed. Van wie waren jouw knieën, haar enkels, mijn tenen? Onherstelbaar viel onze grote spiegel al spoedig uiteen. Verweesd keken we een tijdje naar zijn scherven. Nergens was er nog iets om vat op te krijgen. Loden dagen waren op komst, avonden vol zinsverbijstering.

Om tien uur binnenskamers, bij kunstlicht, staat zwart op wit beeldig. Op dat uur nog buiten verliezen je zinnen hun zin. In slecht verlichte straten onthouden oude en nieuwe boeken je hun gefluister. Suf gecatalogiseerd werpt zich een bibliothecaris op weg naar zijn woning onder tram 56, de traagste van alle. In de stilte van zijn vertrek verminkte hij zijn vingerafdrukken, wiste zijn wachtwoorden, elimineerde zijn existentie.
Op dun papier in Consolas 11 lees je de namen van zijn erfgenamen. De stuiptrekkingen van zijn geslacht. Gewillige varens, giftige digitalis vergaren schaduw in je minuscule tuin. Wie zou zich liever niet onttrekken aan de onontkoombare nacht?

‘s Nachts verklaar je niets. Geen mysterium tremendum, geen brakende albatros. Wat omklemt je donkere hand? Welke woorden prevelen je blauwe mond? Niets weet je, niets ben je, het is donker in je ziel en daarbuiten, ook al staat daar aan de hemel de stille Poolster te schitteren – en boven de stad heerst de heldere nacht.

Ω

Afbeelding: Anselm Kiefer, Die Orden der Nacht, 1996

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (8)

Posada-bike-small_1.jpg

Dag 5: 6 november 2016

Omdat mijn tijd vaker versnelt dan vertraagt, omdat de werking van mijn geheugen aan dat tijdsverloop is gekoppeld, wil ik even terugkomen op deze reeks teksten die ik ‘Tien dagen die mijn wereld deden wankelen’ noemde.

De eerste dag schreef ik dit: “Een uur is kort, tien dagen kunnen lang duren. Tien dagen zijn kort, een uur kan lang duren.” Dat was een nogal intuïtieve vooropstelling, maar ze blijkt nog niet aan inflatie onderhevig te zijn.

En ik voegde er dit aan toe: “Niet alleen grote gebeurtenissen schudden je wereld door elkaar. Neem nu een obsessie: die kan met iets kleins beginnen, met een muggenbeet, met de geur van ether of, al wat groter, met een vlucht wilde eenden, et cetera. Meestal is wat in je omgaat of wat je bepaalt een combinatie van kleine en grote dingen. Zelfs als je het niet wilt leef je toch in de grote wereld. Je zit of staat of loopt altijd rond in een netwerk, een systeem, een macrokosmos. Of je zit gevangen in een web. Soms is het een doolhof, zoals bij Jack Torrance in ‘The Shining’. Daar kom je meestal niet levend uit.” Ook aan die woorden wens ik niets te wijzigen.

De tien dagen begonnen op de kalender op 2 november 2016. Allerzielen. Nu zijn we eenenveertig dagen later. Het mag inmiddels wel duidelijk wezen dat je een kroniek (of noem het verhaal, want er is nauwelijks verschil tussen fictie en non-fictie; het enige verschil, wellicht, is dat je bij fictie de namen van de personages en soms van de plaatsen verandert) niet op die manier kunt afbakenen in de tijd. Alleen al op 2 november 2016 zijn er tientallen, wellicht honderden ‘andere’ momenten – ik heb er geen idee van hoeveel – die tijdsgrens binnengedrongen. Momenten uit 1967, uit 1975, uit 2009, uit 2011, et cetera. Andere momenten die de wereld en mijn leven deden wankelen.
Maar een mens heeft imaginaire grenzen nodig, heeft een leidraad nodig, een structuur, een houvast. Vandaar die tien dagen. Die desondanks niet willekeurig gekozen zijn. We beleven ongetwijfeld een periode van voor onze generaties verontrustende veranderingen, van wereldschokkende gebeurtenissen, van bijna onbegrijpelijke chaos en van verwoestingen van ‘oude waarden’. Met die ‘oude waarden’ bedoel ik niet alleen moraal, politiek, geloof, manieren van samenleven, maar ook dorpen en steden, havens, kanalen en rivieren, heuvels en bergen, weilanden en velden, de hele natuur en de wereld zoals we haar tot vandaag kennen.

1957Alabama_bus.jpg

Ik droom dat ik op een vaste datum in de zomer, steeds op hetzelfde uur, elk jaar opnieuw met Laura in een gele autobus zit. We rijden elke keer door hetzelfde landschap, een dorpse omgeving – of eerder nog het gebied waar de stad overgaat in het platteland. Elke keer kijken we op hetzelfde moment door het enigszins vuile raam van de bus en zien daar bij een verkeerssignaal Laura staan wachten. Wil ze de straat oversteken of wacht ze op iemand? Of is ze in gedachten verzonken? Achter Laura zien we arbeidershuizen, die er elke keer als we er voorbijrijden anders uitzien. De kleur van de gevels, de grootte van de ramen, de gordijnen. Elk jaar zien ze er slechter uit, groezeliger, meer vervallen. Na een aantal ritten (of jaren) zijn de kleine huizen weg en staat er nieuwbouw. Maar het verkeerssignaal staat er nog altijd en ook Laura, die zelf niet verandert. De laatste rit voert ons naar een gigantisch grasveld, zo groen dat het pijn doet aan de ogen. Daar stappen we uit. Ver weg, ongeveer in het midden van het grasveld, zien we kleine rode stipjes, niet groter dan onzelievevrouwebeestjes (sommigen gewagen van lieveheersbeestjes; vroeger werden de diertjes ‘freyafugle’ genoemd, vogel van de godin Freya). We weten dat dat onze twee rode koffers zijn, waar we al lange tijd naar op zoek zijn. De koffers zijn open, zegt Laura. Ja, zeg ik, deze keer heb ik ze opgelaten. Waarom, vraagt Laura. Dat weet ik eigenlijk niet, zeg ik. Zo’n groot grasveld en dan die koffers openlaten, zegt Laura. Tsja, zeg ik.

tijd,geheugen,ruimte,gebeurtenissen,wereld,kalender,tien dagen,fictie,non-fictie,namen,personages,momenten,chaos,verwoestingen,droom,bus,laura,onzelievevrouwbeestjes,freya,herhaling,grasveld,koffers,rood,geel,robert musil,schrijver,hubert van herreweghen,dichter,kleuren,saudade,portugal,dood

Op 6 november 1880 werd in Klagenfurt Robert Musil, een van mijn uitverkoren schrijvers, geboren. Eergisteren overleed in Dilbeek de Vlaamse, katholieke dichter Hubert van Herreweghen. Dat vernam ik vandaag. En van hem vond ik deze woorden terug:
“Mijn kinderen hebben nooit geweten dat ik verzen schreef. Ik las mijn verzen niet hardop. Poëzie moet je in je horen. Het hele klankspel binnensmonds – met medeklinkers en zo – lijkt op kleuren. De zang maakt duidelijk hoe het in de ziel van de dichter toegaat. Over de zang van Anton van Wilderode heb ik ooit gezegd: drink eens een borrel, dat er wat leven inkomt. Het was al prikkeldraad en doornen waar je tegenaan schuurde. Schreeuwen tegen het bestaan – innerlijk althans – heb ik voor het laatst gedaan met mijn gedichten over Portugal (Van Herreweghen maakte er een reis in 1949, red.). Ik hoorde daar Amália Rodrigues, werd getroffen door de saudade (weemoed) van de fado en heb daar gedichten bij geschreven. Dat was pas schreeuwen: machteloze revolte. Er werd muziek op gezet.””*

aleppo.jpg

*Brussel Deze Week, 24 1 2008

 

 

GUMBO

professor.jpg

Professor Longhair.

Herinneren wij ons de dagen of is het net omgekeerd? Tijd bestaat en tijd bestaat niet. Toch laten wij onze sporen na in de velden, als het regent in de modder, in de winterse sneeuw, in de zomer klaprozen en insecten vertrappelend. Wij zijn er niet lang, maar willen desondanks niet graag worden uitgewist. Toen ik nog een jongetje was vond ik het altijd erg dat de leraar wat hij met een verzorgd handschrift met krijt op een bord had geschreven weer uitwiste voor nieuwe zinnen, nieuwe algebraformules. Naarmate ik ouder werd ben ik echter het potlood gaan hanteren: eenvoudig om te noteren, nog eenvoudiger om weer weg te gommen. Bijvoorbeeld een voorstelling van Antigone of Medea, waar je zo naar had uitgekeken, maar je moest in bed blijven wegens een astma-aanval, hoge koorst, of onverklaarbare zwaarmoedigheid.

Als de dagen zich de sneeuw herinneren, en daarna het nutteloze bloedspoor, nutteloos omdat het nergens naar leidt, en het gegil van vrouwen en kinderen, hongerige ogen, prikkeldraad, dan zie jij magnolia’s in bloei. Alsof er niets ergs gebeurt; de mensen kleine vlekjes op een immens oppervlak. Je herinnert je opeens Pleasant Street, geen magnolia’s maar overal de geur van tropische planten, en in de verte het geluid van de tram ‘verlangen’. Niet zo heel ver daarvandaan viel de nacht, die zacht was en dreigend als het begin van een hevig onweer, met het enige licht dat van Tipitina’s. Vier uur lang het ivoor van Professor Longhair, die nochtans al een hele tijd dood was. Je gezellin die in die hitte zat te rillen van de koorts. Misschien zag ze de sneeuwvlokken van de voorbije winter nog neerdwarrelen.

Op het kerkhof, ’s anderendaags, was er geen voodoo, zelfs niet vlak bij het graf van Marie Laveaux. Je had een kater van de Corona’s, en van het schijnbaar eindeloze gesprek met Eddie Bo over ‘Slippin’ and Slidin”, waarna heel muzikaal New Orleans de revue passeerde, en was bang dat een ‘inboorling’ je strot zou oversnijden, zoals ze dat in dat gezegende jaar al bij zeven toeristen hadden gedaan. Maar er gebeurde niets. De ‘inboorlingen’ waren vriendelijk, wezen je de weg, verkochten je platen voor een appel en een ei, namen je mee in hun taxi’s en vertelden dat ze samen met Aaron Neville in de klas hadden gezeten. Ik kreeg de indruk dat in New Orleans ongeveer iedereen met een Neville Brother in de klas had gezeten.

Later zat je met zatte Engelsen in een bootje dat je tot diep in de swamps bracht. De alligators zagen er ongevaarlijk uit. De schipper riep ‘Viens!’ en gooide stukken kip in hun richting. Ongeveer dezelfde kip aten wij ’s avonds in onze gumbo, met grijze naar modder smakende garnalen en catfish gemixt. En met rode bonen en rijst.

Denk je dat de hete, vochtige straten van New Orleans zich nog mijn voetstappen herinneren? Ik liep naar het busstation om te kijken hoe laat daar een bus naar Memphis vertrok. Vroeg – en je moest zien dat je nog veel vroeger bij de bushalte stond. First come, first served. Als de bus vol zat kon je er niet meer bij. Maar weet je, ik kom altijd te vroeg, wacht altijd op jou. En dan duren minuten uren. Vreemd toch hoe de tijd rekbaar is en zelfs niet bestaat. Wij maken de tijd. Wij delen ons leven in in minuten, uren, dagen. Ik wil nooit te laat komen, tenzij op mijn begrafenis. Maar daar zit ik niet bepaald naar uit te kijken. Nee, daar ga ik zeker te laat komen. Ik moet me nog zoveel herinneren. En zoveel moet zich mij nog herinneren, alsof de tijd, de dagen, het landschap mij betekenis moeten geven. Zoveel moet momenten in mijn leven onderlijnen, zoals studenten dat doen met sommige woorden in een zin. Een zin die ze na een dag of zo weer mogen vergeten. Maar niet allen vergeten. Sommigen vergeten nooit. Zij weten wat je onderlijnde momenten betekenen. Waarom? Omdat ze zich in die momenten herkennen. Omdat ze zich afvragen of wij ons de dagen herinneren of de dagen ons.

FEESTZALEN, CAFES EN KAMERTJES

dagboek,cafes,ab,bed,films,vrienden,feest,wijn,townes van zandt,le coq,drinken,muziek,pop,fado,misia,collega,werk,vrt,dalida,sophie calle,beck,duivel,cirio,limburg,zingen,brussel,nachtleven,pp,euforie,receptie

Ik heb een duivels oorkussen voor je meegebracht, zei ze. Ja, dat kan ik wel gebruiken, zei ik, en nu nog een devil’s haircut. Er staat anders niet veel meer op, zei ze. Nee, er staat niet veel meer op, zei ik, maar een devil’s haircut behoort toch nog tot de mogelijkheden. Dat oorkussen mocht wel, want had ik mijn week niet in ledigheid doorgebracht? Oordeel zelf maar. Maar oordeel alleen over wat ik me er van herinner. Overigens, waarom zou je eigenlijk oordelen? Het is het leven zoals het is, daar valt niet veel anders over te zeggen. ’s Morgens sta je op en ’s avonds ga je in bed en voor niets gaat de zon op.

Maandagavond, na de dagtaak, had ik met mijn Antwerpse vriend Theo afgesproken in café PP, waar we wat bier dronken. We aten kalfsvlees à la saltimbocca, lekker bereid, bij één van mijn favoriete Italianen, aan de Plattesteen. Daarna begaven we ons naar de AB voor het concert van Misia, de wonderlijke diva uit Porto. Begenadigde zangeres, begenadigde muzikanten. Het eerste deel was sobere fado gezongen door een in een lange zwarte jurk gehulde Misia, sereen en op blote voeten. Ze gaf veel uitleg bij de liederen, wat de verstaanbaarheid uiteraard ten goede kwam. Fado is droevige muziek, maar Misia heeft een bijzonder humoristische kant, waardoor een mooi evenwicht ontstaat tussen de zang en het gesproken woord. In dat opzicht deed ze me aan de diepbetreurde Townes Van Zandt denken, die de meest wanhopige songs, zoals Nothing en Waiting Around To Die, kon afwisselen met hilarische gesproken intermezzo’s. De beste galgenhumor die ik ooit heb gehoord, die van Townes.

Na de pauze keerde Misia terug in een elegant zwart mantelpakje, op hoge hakken en duidelijk bereid tot enige frivoliteit. Het publiek werd ten dans uitgenodigd in een hotelkamer in het Drama Box Hotel. Zo mochten we het ons voorstellen. Hulpmiddel: op de achtergrond een foto – in de stijl van Sophie Calle – van de hotelkamer; op het bed een ouderwetse, rode telefoon. Misia zong fado’s, bolero’s, tango’s, meestal in het Portugees, maar ook in de taal van haar moeder, het Spaans, en één keer, voor een lied van de tragische Dalida, in het Frans. Misia kreeg een staande ovatie. Nu, precies een week later hoor ik nog steeds haar pure en dramatische stem en het indringende, melancholische geluid van de Portugese gitaar.

Dinsdagmiddag hadden we een personeelsfeestje. Daar valt niet veel over te zeggen, behalve dat we een ‘studiebezoek’ brachten aan de VRT. Een gebouw waar ik in mijn jeugd voor werd klaargestoomd, maar waar ik om velerlei redenen aan verzaakt heb. Ik zag Kurt Van Eeghem door de gang schrijden. Laura luistert graag naar zijn programma. Zelf zet ik nooit de radio aan. Het hoogtepunt van het bezoek was de set van FC De Kampioenen. What a dump, zou Elizabeth Taylor zeggen. Ik kreeg er meteen een niesbui: het bed van Carmen was niet opgemaakt. Moet dit de smaak van de doorsnee Vlaming voorstellen? Ik vrees het een beetje. Gelukkig heb ik van de serie nog geen enkele aflevering gezien. Tot slot mochten we ook even de studio van de Rode Loper binnen. Er werd ons meegedeeld dat een blauwe achtergrond onzichtbaar werd gemaakt dank zij allerlei technologische snufjes, en dat de kijker thuis dan kleurige cirkels te zien krijgt. Je mag alleen geen blauwe kleren dragen, want dan word je onzichtbaar. Hello Jim! Ik zat te reikhalzen naar die rode loper, maar die viel niet te bespeuren. Ook dat programma heb ik nooit op televisie gezien, ook niet die psychedelische cirkels, ook niet de presentatrice, Jasmine of zo. De groep Clouseau, de Vlaamse Beatles, kan mij evenmin bekoren. Ik weet trouwens niet precies waarom ik een verband leg tussen een rode loper en de broertjes Wauters.

Dinsdagavond zat ik met mijn lieve vriendin Inge in café Cirio. Het is mijn geliefkoosde plek om af te spreken. Er wordt slechte wijn geschonken en nog slechtere half en half, maar er hangt altijd een soort van hartstocht in de lucht. Ik denk dat Misia zich er goed in haar vel zou voelen. In een hoek van het café was die avond een dame onwel geworden. Haar gezellin riep dat er een ambulance moest komen. Beide dames waren zeer dronken; ze leken een tragisch leven te leiden. Het was een aangrijpend, triestig tafereel, meer nog doordat nogal wat mensen in de Cirio met deze zielige mensen zaten te lachen, zij het niet al te luid. Ongeveer een half uur laten betraden de verplegers de gelagzaal. De oude vrouw, met felle rode lippen en een blik die gaten in de ziel brandde, werd op een brancard gelegd en naar buiten gedragen; de andere dame, waarschijnlijk haar dochter, liep er jammerend achter, mamie, mamie! In het café lachte niemand meer, de meeste klanten waren al vertrokken. Er hing een sterke geur van urine.
De rest van de avond verliep vrolijker. Inge en ik dronken witte wijn in de AB, waar nog maar eens feest werd gevierd. Ook aasden we op hapjes. Na een uur of zo dronk de witte wijn ons. Ik weet niet meer met wie we allemaal praatten, wie een glas stuk liet vallen en wie Nick Lowes I love the sound of breaking glass begon te declameren. Wel weet ik nog dat ik melancholisch werd toen we herinneringen aan Lucca oprakelden. Zulke mooie zomer zullen we nooit meer meemaken, zei ik. Ik voelde mij in de zieke melancholicus Leopardi veranderen en dat wilde ik voor geen geld van de wereld.
Toen Inge al naar huis was – zij houdt zich zeer stipt aan haar tijdschema’s, wijn of geen wijn – geraakte ik in gesprek met een stel jonge Limburgers. Limburg is de coolste plek van België, bleef het meisje zoooo lang herhalen tot ik haar gelijk moest geven, hoewel ik er sinds 2001 niet meer geweest ben. Vijf jaar, dat is een lange tijd. Maar ik vermoed dat het Limburgse meisje de waarheid sprak. Bovendien zijn er twee Limburgen, als de ene provincie tegenvalt, kun je het nog altijd in de andere proberen.
Van de AB begaf ik mij op een onbestemd uur met een groepje betrouwbare nachtraven naar Le Coq. Twee meisjes in het gezelschap zongen onophoudelijk. Ook een drankje bestellen deden ze al zingend. Het was alsof ik in Les parapluies de Cherbourg was beland. De situatie was bijna even mooi als in die film. Ze hielden echt niet op, behalve om af en toe een slokje van hun wijn te nemen. Toen ik in de taxi naar huis zat hoorde ik nog steeds hun jonge, vibrerende stemmen, Purple Rain, Yesterday, Nights In White Satin.

Woensdag heb ik in bed gelegen. Ik voelde me ziekjes. Sombere gedachten joegen als de wind buiten door mijn hoofd. Koortsige taferelen verjoegen schuldgevoelens en depressie en vice versa. Ik lag te woelen in mijn bed en piekerde over het ouder worden. Hoe je lijdzaam moet ondergaan dat je, vooral op het werk, stilaan wordt uitgesloten vanwege je leeftijd. Maar je wordt van alle kanten aangespoord om langer en harder te werken. Er moet een zilverfonds worden aangelegd! Oudere werknemers zijn waardevol, vanwege hun ervaring en hun inzicht. Dat is het officiële discours. In werkelijkheid zitten bepaalde jonge arrivisten ongeduldig te wachten tot je er eindelijk de brui aan geeft of de pijp uitgaat. Sommigen, vooral intelligente jongeren, respecteren je juist omdat je ouder bent, omdat je de meest verbluffende periode van de twintigste eeuw hebt meegemaakt, ze weten dat ze wat van je kunnen leren, voor hen is het duidelijk dat je niet opeens minderwaardig bent omdat je ouder wordt; anderen vinden dat dat allemaal niets te betekenen heeft en lachen je erom uit. Dit is de beste tijd die er geweest is, zeggen ze. Ik heb nooit een slechtere tijd gekend als deze. Maar ik ben na de oorlog geboren. Ongetwijfeld zijn er nog slechtere tijden geweest. De geschiedenis is een aaneenschakeling van schandalen en bloedbaden.

De rest van de week heb ik heb films zitten bekijken. Met The Big Lebowkski heb ik nog eens goed gelachen. In een gesprek met David Lynch op de VPRO werden hem vooral domme vragen gesteld. De monotonie van zijn antwoorden verbaasde me niet echt. In bijna elk antwoord kwam het woord ‘droom’ voor. Voor David Lynch is pas iets waardevol als het hem tot dromen aanzet
Een werk van Edward Hopper bijvoorbeeld, of Elvis Presley die in de Sun opnamestudio even op de canapé gaat liggen voor hij de rock & roll ‘uitvindt’ – alsof er daar een psychoanalyse moest gebeuren. Als Elvis weer opveert uit de canapé is de zaak voor elkaar: That’s Alright Mama! Buikschuddend heb ik gelachen met de onovertroffen antiheld WC Fields. Ossessione is een vroeg meesterwerk van de marxistische aristocraat Luchino Visconti. Het is een film waarin de mannelijke lichamelijkheid centraal staat, ook al gaat het over een femme fatale. De blik van de vrouw is een voorwendsel om het bijna tot dierlijkheid herleide lichaam van de man te tonen. Overigens is het verschil van Visconti’s versie van The Postman Always Rings Twice met de andere verfilmingen dat de man geen escapade maakt met een andere vrouw, maar met een intelligente, mooie jonge man. Die mooie, jonge man is een metafoor voor de vrijheid en voor het reddende gebaar. De femme fatale is de lokroep van de gebondenheid, de verzekering en de dood. Nog een meesterwerk is A Place In The Sun van George Stevens, met Elizabeth Taylor, Shelley Winters en Montgomery Clift. The Clash heeft erover gezongen in The Right Profile. Montgomery Clift was een beetje een held voor de punks. Zelfvernietiging stond hoog aangeschreven bij die generatie. Die young, stay pretty. Wellicht hadden zij het al zien aankomen dat ouder worden maar niets is in deze tijd. Joe Strummer heeft net op tijd de pijp aan Maarten gegeven. Wie meer wil weten over A Place In The Sun beveel ik de film zelf aan, en een boek over George Stevens. Het is een film die veel twijfel zaait aangaande goed en kwaad. Bijvoorbeeld: hoe kun je iemand juist beoordelen? En meer nog: hoe kun je iemand veroordelen?

Donderdag en vrijdag heb ik hard gewerkt. Werken is vermoeiend, zoals het leven zelf. Na een dergelijke dagtaak kan ik niet veel anders meer dan een film bekijken, en zelfs dat lukt me niet altijd. Soms raak ik niet veel verder dan eten en drinken. Maar dat maakt niet uit. Er komen wel weer andere dagen, voor nieuwe ernst en nieuwe vrolijkheid. Nog een beetje geduld en een paar kleine inspanningen, vrienden!