TIM HARDIN : EEN VERLOREN DROOM

tim hardin
Foto: Martin Pulaski

Ik wil al heel lang iets schrijven over Tim Hardin, een van mijn antihelden, (waarvan ik er nogal wat heb, geloof ik). Antihelden zijn vaak de echte helden, net omdat ze geen echte helden zijn. Je kunt Arthur Rimbaud toch moeilijk een held noemen? Rambo? President John F. Kennedy? De zeven samoerai? Koningin Fabiola? Ach, laat maar, ik mag vooral de draad niet verliezen, terwijl ik daar nu net zoveel zin in heb. Verdwalen in vreemde woorden, in vertrouwde zinnen, als in gevaarlijke steegjes, na middernacht.  ‘Cul-de-sac’ heb ik overigens altijd al een mooie uitdrukking gevonden. Maar mijn wijze van verdwalen is geen echt dwalen, ik blijf meestal op mijn hoede, mijn bewustzijn is minder vaak uitgeschakeld dan je wel eens zou kunnen denken. Ik ben meestal voorzichtig, in steden net zo goed als in woestijnen. Ja, en ook in wat ik schrijf ben ik een voorzichtige jongen, en beland ik al snel weer op het juiste pad.

Dinsdagavond ben ik aan dit stukje begonnen, maar door allerlei toestanden, waaronder aangename, een etentje met een goede vriendin, en onaangename, fijn stof in het appartement, de indringende geur van verf, een bezoek aan het UZ in Jette (waarover later misschien meer), heb ik niet door kunnen werken. Schrijven is inderdaad werken, ook als is het maar voor een blog (iets waar Supermannen als Serge Simonart op neerkijken), ook al is het een aangenaam tijdverdrijf. Schrijven is niet wachten op inspiratie, want die komt niet. Schrijven is bedenken, combineren, uitvinden. Is het niet vooral vragen stellen?

Nu wil ik dit ‘verhaal’ toch afwerken. Gisteren liep ik na het bezoek aan het ziekenhuis even een consumptietempel binnen, en daar vond ik een zeer ontroerende langspeelplaat, getiteld ‘The Future Is Unwritten – Joe Strummer’. Joe Strummer bewonder ik mateloos. Dank zij hem en enkele van zijn geestverwanten ben ik destijds opnieuw naar rock & roll gaan luisteren. Tot mijn spijt heb ik Joe’s radioprogramma nooit kunnen beluisteren. Deze soundtrack van een documentaire film van Julien Temple is een hulde aan de muzikant Joe Strummer, maar ook aan de radiomaker van Radio Clash. Waarom vertel ik dit nu eigenlijk? Omdat een van de songs op de soundtrack, toevallig of niet, ‘Black Sheep Boy’ van Tim Hardin is. En deze middag kreeg ik een sms van mijn vriend, mister Koen, verblijvend in het Verre Westen van België, of ik niet eens een best-of-cd van Tim Hardin wil samenstellen (en aan mijn Laura vragen welke liederen van Hardin zij het liefste hoort). Toevalligheden.

Zoals je weet of niet weet ben ik al zeer lang een bewonderaar van John Lennon. Maar was het niet zielig – en typisch – dat niemand, ook ik niet, treurde toen Tim Hardins dode lichaam een paar dagen na de moord op John werd aangetroffen, als ik me nog goed herinner in een stinkend appartement ergens aan de Westkust, waarschijnlijk in Los Angeles. Onze vreselijke woede en onze ontzaglijke droefheid waren uitsluitend naar een dode held, gevallen aan de ingang van de New Yorkse Dakota Building gegaan, en we wisten meteen dat ‘Rosemary’s Baby’ daar voor een deel was gefilmd en dat die en die er hadden gewoond of nog woonden, onder meer Lauren Bacall. Over John Lennon wisten we alles, maar dan ook alles.

Wat wisten we over Tim Hardin? Laat in december 1980 drong het tot me door dat hij dood was, gestorven van de drugs waar hij al jaren mee knoeide. Sinds hij als vrijwilliger (‘marine’) gevochten had in een of andere kleine smerige oorlog, waar het Amerikaanse bestel – ook nu nog – zo in excelleert. Misschien vocht hij ook helemaal nergens tegen niemand, want Tim was net zoals Bob Dylan zeer goed in het verzinnen van zijn biografie. Tim Hardin beweerde ooit dat hij een rechtstreekse afstammeling was van de bloeddorstige outlaw John Wesley Hardin. Wat wisten we nog meer? Dat hij een bewonderaar was van Hank Williams, hij had er een lied over geschreven, waarin hij hem ‘mijn vriend’ noemde. En Nico had ongetwijfeld veel van Tim Hardin gehouden, vermoedden we. Zij was geen ‘hypnotist collector’ maar verzamelde gretig singer-songwriters zoals onder meer de jonge Jackson Browne, John Cale, Lou Reed, Jim Morrison, en wie weet wie nog allemaal. Haar mooiste elegie zong ze voor een andere junkie, Lenny Bruce. Het was een song van Tim Hardin. Zo staat het toch op de hoes van ‘Nico: Chelsea Girl’. De originele versie heb ik nooit gehoord. Arnold Rijpens zal daar wel meer over weten.

Ik hield van de songs van Tim Hardin en hoe ouder ik word hoe meer ik er van houd. Ik weet niet meer hoe ik de zanger ontdekt heb, maar zeer waarschijnlijk door zijn songs. Want daar was hij een meester in. Hoewel hij heel vaak stal, zoals alle folkzangers en singer-songwriters en rock & rollers deden en nog altijd doen. Maar waren het the Four Tops met ‘If I Were A Carpenter’, of was het de halve crooner / halve rock & roller en deeltijdse folkie Bobby Darin, (herinner je ‘Splish Splash’ en ‘Dream Lover’) door wie ik hem op het spoor kwam? Er waren tevens uitstekende beatgroepen die zijn composities coverden, zoals the Small Faces (‘Red Balloon’, ‘If I Were A Carpenter’),  en Tee-Set (‘Hang On To A Dream’). Dan was er nog de cover van ‘Reason To Believe’ door the Youngbloods, die mij tot tranen bewoog. Rod Stewarts versie van dat nummer is trouwens ook erg mooi.

Ongetwijfeld heb ik Tim Hardin voor het eerst gehoord op Radio London of in het Nederlandse radioprogramma Superclean Dream Machine. En het was zeker in Amsterdam, op het Waterlooplein, op een zeer koude dag in maart of april 1970, dat ik de eerste keer een elpee van Tim Hardin kocht. Ik bezit ze nog altijd en zal er pas afscheid van nemen als de tijd is gekomen. Maar laten we niet melodramatisch worden. Ik heb mijn cd’s al op een stapeltje gelegd. Straks of morgen begin ik aan die compilatie. Ik zal er wat mooie covers tussen mixen, ‘Black Sheep Boy’ door Scott Walker, ‘Shiloh Town’ door Mark Lanegan, een nummer dat ik als ik met wat vrienden heb zitten drinken soms ook wel eens stukzing. Ik kan namelijk helemaal niet zingen. Maar je moet slechts enkele akkoorden kennen om het te kunnen spelen. En voldoende whisky drinken om er zeker van te zijn dat je het kunt zingen.

Tim Hardin was een tedere, echt mannelijke zanger. Daarom denk ik dat alle vrouwen hem graag horen. Zoals de mooie actrice die zijn geliefde werd en waarover hij zo aandoenlijk zingt in ‘Lady Came From Baltimore’. Her name was Susan Moore. Maar in werkelijkheid enigszins anders gespeld. Zoals de ‘John Wesley Harding’ van Bob Dylan.

Als je niets van Tim Hardin bezit raad ik deze compilaties aan:
Hang On To A Dream: The Verve Recordings (Polydor / Chronicles)
Simple Songs Of Freedom : The Tim Hardin Collection (Columbia / Legacy)

De Verve-opnamen werden geproduceerd door Erik Jacobsen, die ook met the Lovin’ Spoonful samenwerkte, en later tegen de tijdsgeest van de jaren tachtig in voor de fijne sound van Chris Isaak zou zorgen. Ik vergat nog te vermelden dat Tim Hardins ‘You’ve Got A Reputation’ een stevige country-uitvoering kreeg van the Byrds, met Gram Parsons als zanger. Het was bedoeld voor hun ‘Sweetheart Of the Radio’, maar werd uiteindelijk niet geselecteerd. Pas in 1990 gaf Columbia het nummer vrij, op de eerste Byrds box.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de compilatie ‘Hang On To A Dream’, een absolute aanrader, nog maar moeilijk te vinden is. Zelf heb ik deze dubbel-cd in een klein winkeltje in Cambridge, vlakbij de Harvard universiteit, gevonden. Vreselijk duur, want het was in een tijd dat een dollar heel veel geld kostte. Bovendien is Cambridge geen goedkoop stadje. Maar Tim Hardin was die prijs en die reis waard.

Φ

Foto boven: Martin Pulaski. Op de foto A. met ‘The Best Of Tim Hardin’, de elpee die ik op het Waterlooplein vond. De ‘figurante’ komt niet uit Baltimore, en het is nooit mijn bedoeling geweest haar geld en juwelen te stelen, en toch kreeg ik haar liefde.
 

 

ARBEIDERS

arbeiders

Laura en ik wonen in een appartement dat we huren. Dat is ongewoon voor mensen van onze leeftijd. Zowat iedereen die we kennen bezit een huis, een auto, soms zelfs een ‘buitenverblijf’. Voor mijn autoloos bestaan heb ik een duidelijke uitleg. Ik heb nooit willen rijden. Op mijn negentiende ben ik in de hoofdstad gaan wonen, en daar is een auto meer een last dan een lust. Voor grote afstanden maakte ik gebruik van mijn duim. Dat ging heel goed in die dagen. Nu zijn er goedkope vluchten, zolang het nog duurt. Ik was een groene jongen toen er nog maar weinig groene jongens waren, hoewel iemand als Stephen Stills al wel een ‘Ecology Song’ had, en er was natuurlijk ook ‘Big Yellow Taxi’ van Joni Mitchell, wat later nog eens gecoverd werd door Bob Dylan.

Waarom we geen huis hebben heeft voor een deel met vroegere armoede, te maken, werkloosheid, economische crisis in de jaren zeventig, maar ook met onverschilligheid en verkeerde keuzes. En ik dacht altijd, je kunt het toch niet met je meenemen op je laatste reis. En was eigendom geen vorm van diefstal?

Op dit ogenblik wordt er aan het huis gewerkt. Al meer dan vijf jaar slapen wij in een vochtige slaapkamer. Vocht sijpelde er binnen, het was er klam, koud, heel ongezond. In mijn werkkamer, waar het grootste deel van mijn boeken staat, regende het zelfs binnen. Al die jaren hebben wij de eigenaar gebeld en aangetekende brieven gestuurd.  Dat er iets moest gebeuren, dat ik elk jaar zieker werd. Er gebeurde niets. En nu opeens, als mijn vakantie begint, als ik wat wil schrijven, van de rust genieten, staan de arbeiders voor de deur. Het dak is een paar weken geleden hersteld. Daar hebben we geen last van gehad. De dakwerkers gingen via een ladder het dak op. Ik heb hen maar enkele keren gezien. Nu wordt er binnen gewerkt. De schimmel en het rot moet van de muren, er moet opnieuw worden geplamuurd. Overal verfschilfers, overal stof. Ik kan maar moeilijk ademhalen. En ik voel me niet op mijn gemak. Als ik een boterham wil eten voel ik me bijna een indringer in mijn eigen keuken, want daar wordt ook gewerkt, daar ligt ook overal stof.

Aan een vriendin schreef ik: “ Ik ben een socialist. Maar dat is niet meer dan theorie. De praktijk is dat ik overgevoelig ben;  hoe erg, dat besef ik nu pas. Ik wist het wel, maar dat het mij tot in mijn kern kon raken, dat wist ik niet. Dat belet me niet om respect te hebben voor arbeiders. Maar ik kan met hen niet op een ongedwongen wijze omgaan, ik ken hun taal niet, hun codes; ik heb het nooit geleerd.”

Destijds toen ik klein was mocht ik van mijn vader nooit iets doen op het schip, schoonmaken na het lossen van een vracht, de stuurhut verven, binnen vernissen, geen sprake van, want ik was zogenaamd zwak en ziek. Ik was een astmalijdertje. Maar die houding van mijn vader heeft me pas écht zwak gemaakt. Wat mijn vader natuurlijk niet wist, hij was geen psycholoog, zijn bedoelingen waren goed. Het hard labeur was voor mijn oudere, veel sterkere broer ( hij heeft evenmin een eigen huis).  Ik moest maar lezen of naar muziek luisteren. Of fietsen met de vrienden. Of, later, toneelstukjes spelen. Toch jeukten mijn vingers om een verfborstel vast te houden, toch wilde ik de handen uit de mouwen steken. En nu verdraag ik niets meer.

Daaruit concluderen dat ik mij verheven voel boven een arbeider, dat zou verkeerd zijn, want het is gewoonweg niet zo. Ik vind dat iemand die boeken leest ook niet beter is dan iemand die geen boeken leest. Nee, ik ben gewoonweg anders. Het is een hypergevoeligheid, en die is niet alleen lichamelijk.

Nu wacht ik op het einde van de zomer, de rustige dagen van de herfst. Op een tijd dat ik eindelijk mijn meesterwerk kan schrijven. Ja.

arbeiders2

Foto’s: Martin Pulaski, juni 2008.

EEN HALF JAAR WACHTEN

Ik zou vertellen over mijn aankopen. Maar ik ben verstrikt geraakt in de woorden van Cormac McCarthy. Ik heb al veel van hem gelezen in de jaren negentig, maar dit, ‘The Road’ overtreft alles. Wat lijkt een lijst van mijn aankopen nu zinloos. Vroeg of laat vergaat het allemaal. Van ons blijft niets over, van de dingen evenmin. Als onze tijd gekomen is zullen de dingen onze sporen zijn, maar niet lang, want zij zullen eerst hun betekenis verliezen en dan vergaan. Vroeg of laat. Als je dat boek van Cormac McCarthy leest weet je het wel zeker. Daarom zullen we gedurende de tijd die we hier doorbrengen maar best vrolijk wezen en liederen zingen. Gedichten schrijven, films maken. Het lelijke en het slechte de rug toekeren.

Om mijn aankopen te verklaren moet ik eerst vertellen wat ik de voorbije weken en maanden heb gedaan. Dat is niet veel. Tot midden april heb ik mijn woning nauwelijks verlaten. Er waren enkele concerten, Iron & Wine, en Mavis Staples. Met mijn beste vrienden heb ik gegeten en gedronken. Maar ik ben vaker bij artsen geweest dan bij vrienden. Graag had ik mijn broer in Limburg een keer bezocht maar ik blijf het uitstellen. Met mijn vriend Koen ben ik naar een lezing van Kamiel Vanhole geweest. Reisverhalen, subtiel en vol humor en ironie. De man, die ik helaas niet heb leren kennen, is inmiddels overleden. Ik zal die avond niet snel vergeten, omdat er ondanks de ziekte en de aangekondigde dood euforie in de lucht hing. Ik ontmoette zielsverwanten. We praatten over muziek, over Peter Guralnick, over Greil Marcus, over ‘Matty Groves’ van Fairport Convention. Midden april ging ik weer werken, halftijds. Het viel me zwaar, omdat de depressie of wat het ook moge wezen wat ik heb, niet weg was. De dagen dat ik niet ging werken sliep ik vooral. Ik ben altijd moe. Antidepressiva schijnen geen vat te hebben op mijn aandoening. Een belangrijke deel van mijn budget ging naar grotendeels overbodige geneesmiddelen. Maar je hoopt natuurlijk dat ze wel werken. Vitamines en voedingssupplementen kosten eveneens veel geld. Omega-3, een wondermiddel, zo wordt beweerd.
Werken was moeilijk, niet werken was ook moeilijk. Ik maakte geen foto’s meer en schreef weinig. Ik ging niet naar de bioscoop, dat was toch al een besparing. Naar het theater ging ik evenmin: ik was bang voor de mensen. Ik was niet bij machte om tegen iemand iets te zeggen. Eind mei verbleef ik twee nachten in een ziekenhuis, voor een slaaponderzoek. Ik kocht een pyjama en een kamerjas. Dat waren kledingstukken die ik niet bezat. Natuurlijk moest ik ook boeken hebben om te lezen in het ziekenhuis. Ik moet altijd boeken hebben, ook al ben ik veel te moe om te lezen. Aan boeken en muziek ben ik verslaafd. Maar dat weet je al langer. Ik kocht boeken van alle schrijvers die ik ken en goed vind en die nieuwe boeken uit hadden. Ik kocht ook boeken van dode schrijvers, zoals Shakespeare en Stendhal. Het beste boek dat ik dit jaar las was Lucien Leuwen van Stendhal. Tenzij ik een ander werk over het hoofd zie. Over tien jaar zal ik misschien zeggen dat het dat van Cormac McCarthy was, maar nu niet.

Om naar Porto te gaan kocht ik geen nieuwe boeken, want ik had nog een hele stapel, en onze reisgids (Rough Guide) was nog niet echt verouderd. Zo’n gids kost al gauw 25 euro. Ik kocht wel nieuwe schoenen, maar ik ben er niet echt tevreden mee. Dat is vreemd want ik ben al jaren wel tevreden met de schoenen die ik koop. Ik kocht sokken en onderbroeken: dat doe ik altijd als ik op reis ga. Ik gaf geld uit aan tassen voor toiletgerief en voor medicijnen. Ik neem altijd massa’s medicijnen mee als ik op reis ga, zelfs als het maar voor een week is. Ik kocht een nieuw pak. Als ik dat aan heb voel ik mij een beetje een nieuwe man. In Porto droeg ik het om de toeristen belachelijk te maken. Zelfs op het vliegtuig had ik mijn pak aan. De meeste mannen zaten in hun onderbroek in het vliegtuig, en op hun sandalen. Ook in de kathedraal van Braga zag ik mannen met blote benen. Maar ik werd berispt omdat ik mijn Panamahoed op had op de patio van diezelfde kathedraal. Nochtans was ik, al ben ik ongelovig, blootshoofds voor het altaar verschenen. Ik had zelfs geknield, maar dat was om een foto te maken van de grote voeten van Jezus. (De foto is mislukt). Ik ben natuurlijk zelf ook een toerist, maar wat haat ik toeristen! En als ik het patois van Vlamingen hoor maak ik me snel uit de voeten. In del uchthaven van Porto heb ik Patrick en Johan gehoord, je weet wel. Patrick belde, niet met zijn dochter, maar met zijn zoon, ergens in de Kempen. Ach, het vaderland. In Porto kocht ik hemden en T-shirts en boeken en cd’s. Fado…

Vorige woensdag zijn we naar een filmvoorstelling van de jongste film van Paul Auster geweest. We zaten vlak bij het hoge podium. Annelies Beck stelde Auster een aantal grotendeels overbodige en onbenullige vragen, maar de schrijver bleef er charmant en geestig op antwoorden. Hij heeft zowat de mooiste ogen die ik ooit bij een man heb gezien en zijn stem is de stem van een verteller. Je verstaat elk woord, elke zin, niets ontsnapt aan je aandacht. Als mijn dokter een dergelijke stem had, dan was ik al lang kerngezond. Er waren ongeveer tweeduizend bewonderaars van Paul Auster in het Paleis voor Schone Kunsten bijeengekomen om naar de voorstelling van ‘The Inner Life Of Martin Frost’ te kijken. Een interessante mislukking, waarvan het verhaal voor degenen die ‘The Book Of Illusions’ hebben gelezen weinig verrassends te bieden heeft. Aan de mooie beelden, de montage, de stem van de verteller en het schitterende acteerwerk zie je natuurlijk wel meteen dat Paul Auster van film houdt. Na de voorstelling stonden honderden mensen in een rij aan te schuiven om zijn nieuwe boek, ‘Man in het duister’ te laten signeren. Zijn echtgenote, Siri Hustvedt heeft ook een nieuwe roman uit. Ze zat naast haar man. Door het raam zag ik de energie die van de ene naar de gaat en weer terug, twee energiebronnen die elkaar versterken. Wij hebben ons echter vlug uit de voeten gemaakt. Ik had het boek niet gekocht en wilde ook niet in zo’n lange rij staan. Ik dacht, ik wacht op de Engelse vertaling, die in september verschijnt. Maar gisteren kon ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en ben ik toch maar de Nederlandse vertaling gaan kopen. Dat ik geen handtekening heb vind ik niet erg, maar ik had de grote schrijver wel graag de hand gedrukt. En als ik dan Siri Hustvedt ook nog had mogen zoenen…

Toen ik dit stuk begon dacht ik een lijst te zullen maken van alle cd’s die ik dit jaar al heb gekocht. Maar het toeval heeft mij in een andere richting gestuurd. En daarover hoor je mij niet klagen. Voor een lijst heb ik nog alle tijd van de wereld. ‘The Inner Life Of Martin Frost’ werd in Portugal gedraaid. Er staan enkele foto’s uit Porto op flickr.

NAAR PARAMARIBO

Na lang aarzelen besliste ik om toch maar een Duvel te drinken. Ik moest die avond naar het ziekenhuis en wist dat ik na tien uur niet meer uit bed zou kunnen. Ja, om halfzeven ’s morgens, dat gelukkig nog wel. Zo weinig mogelijk drinken, had ik me ingeprent. Maar het mooie weer, de terrasjes… Het centrum van Brussel op zijn mooist. Overal zaten toeristen en jonge mensen sterk Belgisch bier te drinken, alsof het voor hen een dagelijks gebruik was.

We gingen aan een tafeltje zitten in de PP, helemaal alleen op het terras. Alleen omdat de zon niet tot daar reikte. Waar de zon scheen zaten talloze meisjes in bloei.

Laura was voor het werk naar Gent geweest. Ze vertelde me een paar ditjes en datjes, over universiteiten, over collega’s, hoe goed ze met hen kan opschieten.

“Een collega van me vertrekt binnenkort naar…”

Op dat ogenblik schoot de naam Paramaribo me te binnen.

“Paramaribo”, zei ze.

Tussen mijn gedacht en haar uitgesproken ‘Paramaribo’ was geen tijd verlopen. Haar ‘Paramaribo’ en dat van mij vielen volkomen samen.

Al gauw zouden we weer afscheid moeten nemen, zou ik alleen in mijn hospitaalbed liggen, mijn lichaam aangesloten op een machine.

Vandaag heb ik nog wat vrouwen gekocht. Maar degene die ik echt wil bezitten is onbetaalbaar. Het schrijven zit me vandaag trouwens niet in het bloed. En geld regenen doet het ook al niet. Wat een man die ouder wordt niet allemaal moet meemaken!

LANGZAAM EN KWETSBAAR OP WEG

traagheid,leven,ziekte,vermoeidheid,eels,mark oliver everett,alexander mackendrick,literatuur,roman,middlemarch,george eliot,lezen,muziek,film,geneesmiddelen,vitamines

Ik heb zo’n beetje de indruk dat ik jaren achtereen in hetzelfde boek heb zitten lezen. Gelukkig is George Eliots ‘Middlemarch’ nu uit. Negenhonderdzestien pagina’s heb ik doorgebracht in het gezelschap van Dorothea Brooke, Rosamond Vincy, Will Ladislaw, Fred Vincy, Caleb Garth (die mij altijd weer aan Garth Hudson deed denken), Edward Casaubon, de bankier Bulstrode en de onfortuinlijke dokter Lydgate, in een fictieve regio ergens in Engeland omstreeks 1830. Een geheel andere wereld dan degene waar we nu in leven, en toch maakt veel van wat er in de roman gebeurt een zeer vertrouwde indruk. De meeste personages zouden net zo goed nu kunnen leven; hun emoties, verlangens, dromen, ziektes, tegenslagen, geluksmomenten, liefdes en de tientallen misverstanden zijn helemaal van deze tijd. Daarom heb ik geen spijt van de in Middlemarch geïnvesteerde uren. Het is een onbetwist meesterwerk dat iedereen zou moeten lezen. Het is een van die zeldzame boeken die je verzoenen met de wereld en de mensen.

Al die maanden heeft er in België een politiek crisis gewoed waarmee ik nauwelijks begaan ben geweest. Mijn dagen zijn in een waas gehuld, ’s nachts jaagt de ene nachtmerrie de andere weg en word ik badend in het zweet wakker. Overdag ben ik uitgeput maar zoek ik toch naar een zin. Ik neem geneesmiddelen, massa’s vitamines, en omega-3, om aan de slag te kunnen gaan. Ik heb meerdere opdrachten; de ene, het werk, is een uiterlijke noodzaak, om te overleven en de andere, het schrijven, is een innerlijke noodzaak, om geen zelfmoord te plegen. Ik houd van het leven en wil me niet zomaar van uitputting overgeven aan leegte en uitzichtloosheid. Maar ik weet het niet. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik ben nog niet wanhopig, maar sta wel op het punt om de strijd op te geven.

Toch blijf ik cd’s en boeken kopen, alsof er niets veranderd is, alsof ik even snel en intens lees als twintig jaar geleden en de muziek mij naar even hoge sferen zal brengen als in 1968 en 1977. Die tijd is lang voorbij. Er zijn geen hogere sferen en ik bewandel mijn pad in traagheid. De warmte verandert mij in een slak, zonder beschermend huisje; neen, ik wandel naakt en kwetsbaar. Het is helemaal niet de trotse naaktheid van Moby Grape en Cat Power in ‘Naked If I Want To’. Het is een beschamende en lachwekkende naaktheid en traagheid. Ik schrijf dit neer, niet als zelfbeklag maar als een stand van zaken. Straks drink ik wijn bij het eten en luister naar the Gutter Twins en Karen Dalton. Straks lees ik  de wederwaardigheden van een andere loser, maar dan wel een loser met succes, ik bedoel de autobiografie van Mark Oliver Everett, ‘Things the Granchildren Should Know’. Straks kijk ik voor de zoveelste keer naar de genadeloze film ‘Sweet Smell Of Success’ van Alexander Mackendrick. Straks val ik in een diepe, droomloze slaap. En volgende week laat ik mijn fiets herstellen. Want wat ik vooral mis is beweging. Leven is niet alleen luisteren en lezen, maar zeker ook bewegen.

“Ver weg in de welvende lucht was het parelmoeren licht en ze voelde de grootheid van de wereld en de menigvuldigheid van het ontwaken van mensen tot arbeid en lijdzaamheid. Ze maakte deel uit van dat onbewuste, kloppende leven en kon er vanuit haar comfortabele onderkomen niet zomaar als toeschouwer naar kijken, noch haar ogen afwenden in zelfbeklag.”
George Eliot, Middlemarch

EEN ‘WISKUNDIG’ LEVEN

william burroughs the job 2

Ik heb discipline nodig. Dat is altijd al het geval geweest. En nu met die verdomde depressie is dat nog meer het geval. In ‘The Job’ van William Burroughs las ik deze naar mijn aanvoelen enigszins ironische passage:

“You are now going to learn how to dress and undress. You may think you already know this. Chances are you don’t. You may have heard of the man mentioned in Lord Chesterfield’s letters who killed himself because he could not stand to dress and undress himself and wash and shave. It wasn’t the monotony of these operations that killed him. It was the fact that he was not performing them properly. Any action not properly performed becomes increasingly painful. He was not performing these simple actions properly because he was not there. He considered these actions unimportant so he was thinking about something else while performing them. If you are thinking about something else while you do something you won’t do it right. That is why you fumble with your shoes and socks. That is why you leave your shirt half-buttoned to look for your tie or cuff links. That is why you wander out into the hall with one shoe on to see if there is any mail. In dressing as in any other operation always complete a cycle of action.”

Ironisch of niet, ik kan er veel uit leren. Veel van mijn dagelijks gedrag lijkt op wat hierboven beschreven staat. Terwijl ik dit noteer zit ik bijvoorbeeld al te denken aan mijn radioprogramma, dat ik dat nog moet voorbereiden, en aan de boodschappen die ik straks moet doen. Ik verwacht een telefoontje. Ik moet me nog scheren. Het wordt tijd dat ik eens wat nieuwe hemden koop. En zo gaat dat de hele dag door. Mijn sokken liggen in een ladenkast in de badkamer, mijn t-shirts in mijn kleerkast in de slaapkamer. Dat is ’s morgens altijd een gedoe. Neem ik, nog half slapend, al een t-shirt uit de kleerkast of keer ik na mijn douche met mijn sokken en mijn onderbroek al aan naar de koude slaapkamer terug om er een geschikt t-shirt te kiezen? Ondertussen vraag ik me af of ik de knop van het koffiezetapparaat wel heb aangezet. Brood is er, dat weet ik. Er is altijd brood.
Wat mij niet meer lukt – en wat ik eigenlijk nooit goed heb gekund – is een goede volgorde aanhouden, en met mijn gedachten bij zelfs de allerkleinste daad blijven. Deze vorm van discipline en controle voor de kleine dingen heb je ook nodig voor belangrijker werk, zoals schrijven of muziek maken. Het komt me echter voor dat met het toenemen van de leeftijd het almaar moeilijker wordt om orde in je leven te brengen en bij alles wat je doet, zoals William Burroughs zegt, aanwezig te zijn. Voor mij is dat altijd al moeilijk geweest, omdat ik, of ik het nu wilde of niet, heel vaak afwezig was. Tijdens de lessen wiskunde, zeven uur per week, was ik er zelden bij. Mijnheer Pulaski zit weer te dromen, zei de dog dan. De dog was de naam die wij de leraar wiskunde gaven. Niemand wist waarom precies. Ik heb in die periode, toen ik wiskunde studeerde, drie jaar de tijd gehad om te leren erbij te zijn, me de formules eigen te maken, zodat ik ze niet altijd weer moest gaan opzoeken, maar dat heb ik niet gedaan. Ik zat te dagdromen, van mooie meisjes, van reizen naar Istanbul, of ik zat met een regel voor een gedicht in mijn hoofd. Het is mijn mening dat ik als ik bij de wiskundeles was gebleven nu een geordend en gedisciplineerd leven zou leiden, wat voor mijn schrijven veel voordelen zou hebben gehad. Het heeft echter geen zin daar nu nog om te treuren. Wellicht kan ik mijn toestand nog veranderen. Time changes everything, zingt Bill Monroe. Tijd verandert alles, ten goede en ten kwade.

LUGARES COMMUNES

murakami2008

Hoe breng ik mijn dag door? Het is al moeilijk om me vandaag nog te herinneren wat ik gisteren deed. Ik noem een aantal dingen die me bijgebleven zijn, wellicht omdat ze nogal eens terugkomen. (Maar herhaling of niet, toch is elke daad ook uniek.) Ik luister naar de melancholische stem van Bob Lind en overdenk dat producer Jack Nitzsche echt een genie was. “In the ocean of your arms I won’t be lonely”. Violen, Hal Blaine, de perfecte pop-drummer.

Drie, vier, vijf keer op een dag krijg ik video’s toegestuurd van Luk Paard, die de poëzie heruitvindt. Ik word er niet goed van, hoe goed en echt en onvoorwaardelijk hij met woorden omgaat, hoe heel zijn gezicht poëzie wordt als hij leest. Hij is een echte dichter, hij leeft voor niets anders. Simon Vinkenoog zag ik op televisie, ter gelegenheid van het boekenbal. Wat ziet die man er nog goed uit, op zijn leeftijd, met die lange opstandige lokken en altijd slanke gestalte. Geen grammetje verraad zit in die man. Maar een genie is en was hij niet. Hij was een soort van orakel. Uit mannen als Simon Vinkenoog, Allen Ginsberg en Bob Dylan zijn mijn jaren zestig ontstaan.

Een vriendin vraagt me in een mail naar de geest van de jaren zestig. Wat voelden wij? Wij jongeren ‘voelden’ een echt revolutionaire sfeer overal om ons heen. Het was niet alleen maar pop. Het was een globaal fenomeen dat plaatsgreep, een besef dat wij alles konden veranderen. Een nieuwe, mooie wereld maken, weg van de oude generatie die alles verknoeid had. Muziek speelde daar een belangrijke rol in. De muzikanten waren boodschappers. Maar politiek was eveneens een essentiële factor, bewust of onbewust. En de alternatieve mode die ontstond. Dat antwoord ik haar, terwijl ik besef dat er van die idealen zo weinig is terechtgekomen. Inmiddels is de wereld leeggezogen, de aarde uitgeput. In plaats van mooier en beter is de menselijke werkelijkheid lelijker en slechter geworden. Het platste spektakel vult onze dagen. Maar lang geef ik me niet over dan zulke pessimistische gedachten, anders zou ik mij al lang hebben opgehangen aan de hoogste boom in het Zoniënwoud.

Aan een muziekliefhebber schrijf ik over Sandy Denny’s ‘Who Knows Where the Time Goes’; ja, ik weet het, het is van Fairport Convention, maar in dit geval wàs Sandy Denny Fairport Convention. Ik schrijf hem dat ik dit lied niet melancholisch vind. De zangeres houdt zich sterk, ze is niet bang voor de tijd, wellicht omdat ze in zichzelf een liefde voelt groeien, die wij niet kennen. En de vogels die in het begin van het lied wegvliegen komen op het einde terug.

Ik ga naar de Delhaize en koop brood en eend en Argentijnse wijn en groenten. Daarna rust ik een tweetal uur, even uitgeput als de aarde. Sinds vorige vrijdag heb ik me niet meer geschoren. Ik heb zitten huilen bij een film over een Argentijnse professor die met vervroegd pensioen wordt gestuurd. ‘Lugares Communes’ heet de mooie, gevoelige film. Want er zijn toch ook nog mooie dingen. Maar niet alle kunstenaars zijn zuiver op de graat, niet alle kunstenaars streven naar het goede of hebben edele gevoelens. Ik hoop dat Jan Fabre niet ten valt komt, hoogmoedig als hij is. En hoe kan een muzikant als Daan op zoek gaan naar popmuziek in China? China heeft geen popmuziek nodig. De tijd van de popmuziek, hoeveel ik er ook van houd, is voorbij. De tijd van Daan is voorbij. Ook Veronique Branquinho, ik houd van haar mooie Portugese naam, zag ik terugblikken, naar Ann Christy, Marie Laforêt, de betreurde An Salens. Alsof de toekomst geheel zwart is. Ik houd niet van Luc Janssen, Lux XL, en toch kijk ik er telkens weer naar; het lijkt wel of ik graag zit te walgen. Ja, ik vind die wereld van snelle wagens, champagne en cocaïne walgelijk. In Teheran kost een gram heroïne nu 2 euro, ongeveer even weinig als bij ons een brood, hoorde ik op de radio.

Ik zou orde moeten aanbrengen in deze chaotische woorden, maar de tekst vindt toch wel zijn eigen orde. Ik zet een clip van Kris Kristofferson op hoochiekoochie. Daar doe ik meer dan een uur over, omdat er zoveel clips zijn om uit te kiezen. Ik gooi Mozilla Firefox opnieuw van mijn computer af, omdat ik de indruk heb dat die browser onafgebroken een strijd op leven en dood levert met Internet Explorer. Zal ik naar cinema gaan, vraag ik mij af. Er zijn zeker vier films die ik wil zien. Nee, ik zal ze niet opsommen. Nu hoor ik Bob Linds ‘Remember the rain’: “remember the rain, when you think of the sunshine”, kan het weemoediger?

Gisteren schreef ik in verband met een tekst over Kris Kristofferson nog een keer over toeval. Ik schrijf graag over dat thema, maar probeer het toch te vermijden. Maar wat moet je dan denken als je diezelfde avond in bed nog een verhaal leest van Haruki Murakami, dat toevallig ook over toeval gaat, ‘Chance Traveller’ heet het verhaal, dat terug te vinden is in de bundel ‘Blind Willow, Sleeping Woman’. Er staan merkwaardige staaltjes van toeval in. Eén voorbeeld. Murakami woont in Cambridge, nabij Boston. Net als ik gaat hij er graag in de tweedehandsplatenwinkels snuffelen. Zo vindt hij op een keer een nog uitstekend exemplaar van Pepper Adams’ ’10 to 4 at the 5 Spot’. Hij koopt de elpee, stapt de winkel uit, een voorbijganger spreekt hem aan, vraagt hoe laat het is, Murakami kijkt op zijn horloge, tien voor vier, zegt hij. De rest moet u zelf maar lezen. Ik denk dat ik me nu toch maar eens ga scheren. En daarna de stad in, naar de tweedehandsplatenzaken. En daarna zien we wel weer.

ALWEER GEEN BLOWJOB

blow job,muziek,populaire cultuur,pop,rock,muziekwinkels,dvd s,vincent gallo,ozu,kurosawa,carole king,gerry goffin,mar-keys,kim ki-duk,pasolini,antwerpen,king curtis,don covay,jerry leiber,mike stoller,phil spector,the cake,bob lind,the brown bunny
Martin Pulaski, Zelfportret

Word ik debiel, seniel, goed gek of gaat het gewoon beter met me? Oordeel zelf maar. Vrijdagavond heb ik geboeid en geïntrigeerd naar een aflevering van ‘Het uur van de wolf’ over Johnny Hoes zitten kijken, de schrijver van bekende Nederlandstalige liedjes als ‘Cherie’ (Eddy Wally) en ‘Och was ik maar bij moeder thuisgebleven’  (door Johnny Hoes zelf naar de top van de toenmalige hitparades gezongen). De man is negentig jaar, nog steeds levenslustig en geïnteresseerd in gewone mensen als u en ik – en bovendien lijkt hij me volkomen eerlijk. In Humo las ik de volgende uitspraak, die Johnny Hoes helemaal typeert: “Moet je luisteren, mijn vader werd 102, dus misschien heb ik nog wel een tijdje te gaan. Maar goed, die dag komt zeker. Naast mijn graf mogen ze dan een jukebox zetten met al mijn grote hits, zodat bezoekers naar believen een nummer kunnen draaien. Eén euro per liedje, dan verdienen we nog wat ook.” Ik heb nu het plan opgevat om weer als vroeger rommelmarkten af te gaan schuimen en er – niet als vroeger – langspeelplaten op het Telstar-label van Johnny Hoes te zoeken. Dat belooft.

Zaterdag was ik na lange tijd nog eens in Antwerpen, de stad waar ik me altijd thuis heb gevoeld.
Een Rus zei op televisie dat hij shoppen veel leuker vond dan stemmen voor een of andere corrupte politicus. Mijn über-ich zal opperen dat ‘ik’ het daar niet mee eens ben, niet omdat ik winkelcentra haat (dat doe ik ook) maar omdat het niet politiek correct is. Onbewust echter voel ik mij aangetrokken tot alles wat glinstert, ook al is het geen goud. In plaats van te vechten in een of andere ‘dirty little war’ ga ik veel liever shoppen, ook al vind ik dat verkeerd. Een mens zit vreemd in elkaar. Een goede god zou de mens veel duidelijker en meer samenhangend hebben gemaakt, en een slechte god ook.
Op de  De Keizerlei nam ik afscheid van mijn geliefde, zij ging in navolging van Imelda Marcos schoenen kopen, en ik stapte haastig de mediamarkt binnen. Daar keek ik even naar de dure camera’s en spoedde me dan naar de afdeling dvd’s en cd’s, waar mijn oog op een plaatje van Bobbejaan Schoepen viel, de zanger van ‘Een hutje op de heide’, ‘Café zonder bier’ en ‘’k Zie zo gere mijn duivenkot’. Ik heb me de cd meteen aangeschaft en zit nu mee te zingen op ‘Zie ik de lichtjes van de Schelde’. Bangelijk, zoals ze in Antwerpen zeggen.
Maar vrees niet, beste lezers: ik gaf daarnaast veel geld uit aan ‘kwaliteit’, films van Yasujiro Ozu, Akira Kurosawa, Kim Ki-Duk,Vincent Gallo en een box met vier films van Pier Paolo Pasolini. In mijn favoriete platenwinkeltje, Fat Kat in de Lange Koepoortstraat, vond ik ongeveer alles wat ik de voorbije maanden op mijn ongeschreven lijstje had genoteerd: Bob Lind – The Complete Jack Nitzsche Sessions; Goffin & King – A Gerry Goffin & Carole King Song Collection 1961-1967; The Cake – More Of the Cake Please; Phil’s Spectre III – A Third Wall Of Soundalikes; the Leiber & Stoller Story – Volume One: Hard Times; The Leiber & Stoller Story – Volume Two: On The Horizon; The Leiber & Stoller Story – Volume Three: Shake ‘Em Up And Let ‘Em Roll; en uitstekende verzamelingen op het Atlantic-label, van the Mar-Keys, King Curtis en Don Covay.
Misschien is het nog goed dat ik aan een depressie lijd. Anders zou ik binnen de kortste keren bankroet zijn. Maar als het nodig is kan ik mijn koopgedrag uitstekend verdedigen. Overigens ga ik altijd graag stemmen, omdat ik weet dat onze politici hier in vrolijk België helemaal niet corrupt zijn. Helemaal niet.

ZONDERLINGE COMBINATIES

wandeling

Het is zondag in mijn hoofd als ik ‘dingen’ kan en mag combineren. De combinatie van John Cale / Friedrich Hölderlin, gisteren, lag niet voor de hand. Maar ‘Hanky Panky Nohow’ op de iPod zorgde voor een kortsluiting in mijn gedachtestroom met als resultaat de tekst ‘Jubel en waanzin’.

Toen ik filosofie studeerde aan de VUB, in het begin van de jaren zeventig, legde ik ook al zulke verbanden in scripties. Professoren vroegen zich dan af wie bijvoorbeeld Ray Davies of Frank Zappa was. Professor Leopold Flam bleef Bob Dylan met Dylan Thomas verwarren. Misschien zeg je nu, hij is weer bezig zijn ‘pioniersrol’ te benadrukken – o ijdele Pulaski! – maar in die dagen werd nergens hoge cultuur met lage cultuur in verband gebracht, zeker niet aan universiteiten. Ik denk dat de begrippen hoge en lage cultuur nog niet waren uitgevonden. Is het trouwens niet schandalig dàt ze zijn uitgevonden? Lage cultuur, stel je voor. De tegencultuur van die tijd – en de mogelijke tegencultuur van nu – is op zijn minst even hoog als de gevestigde cultuur. Het is met culturen zoals William Blake het formuleert in verband met godsdiensten: “All religions are one”. Geleerde heren – geleerde dames waren er nog niet veel – beschouwden tot nog niet zo lang geleden populaire muziek als iets laags, iets waar geen plaats voor was in Academia. Die geleerde heren hadden natuurlijk ‘Venus In Furs’ niet gehoord, of ‘Sad Eyed Lady Of the Lowlands’; ze hadden Jules Deelder niet horen voorlezen. Zelfs Allen Ginsberg, Jack Kerouac en William Burroughs werden niet als volwaardige dichters en schrijvers aanvaard. Als er al over gesproken werd. Op de lagere school hadden schoolmeesters mij al geleerd dat Picasso een knutselaar was, “dat kan een klein kind ook”.

Nu is alles anders, natuurlijk. Alles is cultuur, alles is het bestuderen waard, alles behoort tot het spektakel en alles is vermakelijk. Buiten de wet leven en toch eerlijk zijn, zoals Bob Dylan zong, dat gaat niet meer. Er is maar een globale wet en dat is die van het geld, en wie binnen die wet leeft is niet eerlijk. Buiten de wet sterf je zeer waarschijnlijk van honger of dorst. Elke cultuurvorm wordt opgevreten door de grote geldmachine, elk werkelijk opstandig individu wordt gebroken. Misschien – en dat hoop ik – zijn er desondanks nog tegenstemmen, zoals Hölderlin destijds, en later Paul Celan, die weerstand bieden. Maar ik ken ze niet. Waar houden ze zich op? Wat zijn hun drijfveren? Zullen ze nog in staat zijn het tij te keren? Of is het allemaal Hanky Panky?

In afwachting maak ik mystieke wandelingen naar de Delhaize en terug. Onderweg beschouw ik als iconen de reclamepanelen en overal om mij heen zijn verzoekingen. Maar als een echte heilige zeg ik ‘noli me tangere’ en loop verder, met mijn hoofd in wolken muziek. ’s Nachts vecht ik tegen monsters, die mijn ratio keer op keer weer loslaat uit hun cellen. ’s Morgens, van het vechten moe, sta ik mijn verlangen stapvoets af aan de wetten van de werkelijkheid. Medicijnen en koffie helpen mij om die wrede grens te overschrijden. Want een pionier ben ik al lang niet meer. Nee, ik ben mezelf niet, ik behoor anderen toe. Deze tijd die de mijne is, is de mijne niet werkelijk.

Foto: Mystiek wandeling naar de Delhaize, M.P.

OVER EEN BESPOTTELIJK KERELTJE EN EEN ZELFMOORDDROOM

Door al dat geschrijf over de jaren zestig en zeventig, over mijn verleden, zit ik nu met de gebakken peren. Waande ik mij een nieuwe Rousseau of zo? Dan is nu bewezen dat ik zeker op dit ogenblik niet sterk genoeg ben voor zo’n onderneming. Maar zoals in reacties al stond te lezen zal ik toch nog over dat verleden schrijven, ik kan mijn herinneringen – gelukkig maar – niet uitwissen. Voorlopig houd ik mij echter bezig met het heden, waarmee ik ook gisteren en eergisteren bedoel. Over de toekomst heb ik weinig te vertellen, ik heb geen glazen bol en houd niet van sciencefiction.

Gisteren heb ik niets geschreven omdat ik geheel van streek was door een vreselijke droom die ik gehad had. Ik wandelde met mijn oude vriend L. door de jubelende straten van Antwerpen. Mijn radeloosheid contrasteerde zeer scherp met de vrolijkheid van de toeristen. Er waren nog een vijftal andere vrienden of kennissen in ons gezelschap, maar die hadden geen gezicht. Ik was wanhopig en kon mijn wanhoop niet langer voor L. verbergen. Alles in mijn leven is mislukt, zei ik. Ik heb zelfs geen diploma filosofie, en dit is nu al de tweede keer dat ik die studies doe. L. toonde zich verbaasd dat ik in 1975 geen diploma had behaald. Nee, zei ik, mijn thesis werd te zwak gevonden, ik dacht dat je dat wist. Daarom ben ik een paar jaar geleden opnieuw begonnen te studeren, maar ik ben ermee moeten stoppen. Het gaat niet meer, ik kan niet meer verder. Al lopende keerde ik mij naar L., die me bezorgd aankeek. Vervolgens kwamen de tranen, warm en bitter. We liepen voorbij een afgrond, die me leek toe te roepen, spring, spring. Ik zag echter dat ik niet dood zou zijn, de diepte was niet diep genoeg. Snikkend zei ik tegen L., ik kan ook niet meer naar huis, naar vrouw en kind, dat is definitief voorbij. Er is niets wat mij nog aan de wereld bindt. Ik ga zelfmoord plegen. En nat van het zweet en de tranen werd ik wakker en huilde verder in het onherbergzame bed.

(In werkelijkheid studeerde ik in 1975 samen met L. af aan de VUB in het bezit van het diploma licentiaat in de wijsbegeerte, met grote onderscheiding. Mijn thesis over het einde van het gezin, viel bij heel wat mensen – niet alleen professoren – in de smaak. Mijn excuses voor deze ijdele woorden, maar ik moet dat hier vermelden.)

Omstreeks de middag had ik voldoende moed gevat, om naar de stad te gaan, waarbij het mooie weer een bijkomende stimulans was. Ik spoedde me als een blinde naar de Fnac waar ik een aantal cd’s en dvd’s kocht. Ik schafte mij opnieuw ‘I’ll Take Care Of You’ van Mark Lanegan aan, een plaatje dat op onverklaarbare wijze zoek is geraakt. Maar ik heb dat plaatje nu meer dan ooit nodig. Ik kocht kaartjes voor het concert van Mavis Staples. Omstreeks halfzes ontmoette ik mijn levensgezellin, met wie ik afgesproken had om boodschappen te doen in de Delhaize aan de Anspachlaan. In die winkel zag ik een collega terug, die ik ooit een vriend heb genoemd. We hebben elkaars verjaardagen gevierd. Laura en ik hebben hem meermaals hier in huis uitgenodigd om te komen eten en drinken. We zijn samen naar Cap Griz Nez geweest. Vele avonden hebben we over boeken en muziek gepraat. Met zijn beiden hebben we Nick Cave, Magnolia Electric Co en Devendra Banhart gezien. We gingen samen naar theater. Enkele maanden hebben we intens samengewerkt aan een project.

Maar nu zit ik in de put en wat doet mijn oude vriend? Hij maakt zich meteen uit de voeten, met de woorden ‘druk, druk, druk’ en ‘stress’. Met zijn mand vol boodschappen gaat hij zelfs in een andere rij staan, om maar niets tegen me te moeten zeggen.
Mijn geliefde was nog veel bozer dan ik. Wat een verachtelijk ventje, zei ze. En voor dat mannetje heb ik eten gemaakt, zei ze. Dat is een gastje dat er wil komen, zei ze. Waar wil hij komen, vroeg ik. Goede vraag, antwoordde ze. Heel goede vraag.
Mijn woede en verachting beginnen nu pas de kop op te steken. Maar ik schud dat kereltje van me af als een enkele kleine schilfer van mijn rechterschouder en leg een plaatje op van Drive-By-Truckers. De zon schijnt in mijn kamer en zo is het goed.

I AM A DJ I AM WHAT I PLAY

bobby bland

Gisteravond heb ik plaatjes gedraaid. Eigenlijk had ik me voorgenomen om nog eens naar een film van Truffaut te kijken, ik heb onlangs twee verzamelboxen gekocht, ongeveer twaalf films, waaronder de volledige Antoine Doinel-cyclus. De dvd’s zijn fraai uitgegeven en niet bepaald duur. Maar bij het avondeten had ik een cd opgelegd, wat ik altijd doe, het is nooit stil als wij aan tafel zitten, en cd’s hebben daarbij het voordeel dat je niet de hele tijd van tafel weg moet om ze om te draaien; zo had ik zin gekregen om nog meer muziek te beluisteren. Tussen 9 en 11 uur gisteravond was ik dus de privé-deejay van Laura. Aan tafel hadden we al geluisterd naar de volledige ‘Two Steps From the Blues’ van Bobby ‘Blue’ Bland, omdat ik daar een stukje over had geschreven, en daarna nog naar ‘Workingman’s Dead’ van the Grateful Dead. We zitten soms lang aan tafel. Misschien is dit een beetje exhibitionistisch van me, maar ik wil hier gewoon even vertellen welke songs ik daarna nog heb gedraaid. Een opsomming dan maar.

Het onvolprezen ‘Blood In My Eyes’ uit Dylans ‘World Gone Wrong’; de originele versie is van the Mississippi Sheiks. ‘I Wish It Would Rain’ van the Temptations; een van de schrijvers van dit erg ontroerende lied, Roger Penzabene, heeft zich, een paar dagen nadat de single was verschenen, op 31 december 1967 uit liefdesverdriet een kogel door het hoofd gejaagd. Een van mijn favoriete songs, daar kom ik nooit op terug, is ‘Long Black Limousine’, een tragische ballad uit ‘From Elvis In Memphis’, Presleys beste elpee. James Browns ‘Prisoner Of Love’ bezorgt mij keer op keer kippenvel. ‘Ruler Of My Heart’ van Irma Thomas, uit New Orleans, was de blauwdruk voor Otis Reddings ‘Pain In My Heart’ (later door the Rolling Stones gecoverd). Over ‘Polly’ van Dillard & Clark heb ik het onlangs al gehad. Het is terug te vinden op de elpee ‘Through the Morning, Through the Night’ van Doug Dillard en Gene Clark en werd gecoverd door the Walkabouts en heel recent door Robert Plant & Allison Krauss. ‘He’s Got All the Whiskey’ van Bobby Charles komt uit zijn titelloze elpee die in 1972 op het Bearsville label verscheen. Zowat de hele Band (THE Band) speelt er op mee. Het is een schitterende plaat, veel te weinig bekend. Net als Bobby Charles komt Dr. John alias Mac Rebennack uit New Orleans. Een van zijn mooiste platen vind ik ‘Goin’ Back To New Orleans’, verschenen in 1992, het jaar dat ik zelf voor het eerst in New Orleans was. Ik draaide gisteren ‘I Thought I Heard Buddy Bolden Say’. De Canadese schrijver Michael Ondaatje – bekend van ‘The English Patient’ – heeft een zeer meeslepend boek geschreven over de legendarische jazzmuzikant Buddy Bolden, met als titel ‘Coming Through Slaughter’ en in het Nederlands ‘Op weg naar stilte’. Ik hoor nog altijd graag de platen die the Steve Miller Band in de jaren zestig opnam. Later produceerde hij commerciële troep. Ik draaide een oude gospel ‘Don’t Let Nobody Turn You Around’ uit Steve Millers ‘Your Saving Grace’. Uit ‘The Piper At the Gates Of Dawn’ van Pink Floyd koos ik Lucifer Sam, uiteraard een pareltje. ‘Da Capo’ was de eerste elpee van Love die ik me ooit aanschafte, in 1967. Het lang uitgesponnen ‘Revelation’ klinkt verouderd, maar het delicate, poëtische ‘Orange Skies’, van Bryan MacLean, wordt mooier met de jaren. ‘Between the Buttons’ is altijd een van mijn uitverkoren elpees geweest van the Rolling Stones. Het is een echte popplaat; ze klinkt lekker opgewonden, waarschijnlijk door de grote hoeveelheden benzedrine die de groepsleden toen slikten. Ik vind de hoesfoto bijzonder mooi; in die dagen hadden de Stones een fantastische vestimentaire smaak. Brian Jones dacht wellicht dat ‘Miss Amanda Jones’ over hem ging, vooral met de regel ‘she looks delightfully stoned’. Bij mijn verlaten eilandplaten behoort zeker ‘Paris 1919’ van John Cale, en het mooiste nummer uit de elpee vind ik ‘Hanky Panky Nohow’, gecoverd door Yo La Tengo. Na John Cale is het onvermijdelijk de beurt aan Lou Reed. Ik heb de titeltrack uit Street Hassle gedraaid, met een gastrolletje van Bruce Springsteen (‘tramps like us were born to run’ komt hij vertellen).  Na die lange, poëtische song was het tijd voor wat harder werk, hoewel ‘Ramble On’ van Led Zeppelin qua geriff nog meevalt. Het staat op Led Zeppelin II. Als ik die plaat opleg wordt ik altijd teruggevoerd naar de Karmelietenstraat in 1969-1970. Van the Clash selecteerde ik Police & Thieves, reggae waar we in Antwerpen vaak op hebben gedanst. De originele versie is van Junior Murvin en Lee Perry. Met the Specials en ‘A Message To You Rudy’ – in een productie van Elvis Costello – wilde ik herinneringen aan de 2-tone-periode oprakelen. Iedereen was toen in zwart en wit gekleed. Ik heb mijn set beëindigd met Chris Isaaks ‘Livin’ For Your Lover’, uit zijn eerste elpee, die werd geproduceerd door Erik Jacobsen. In de jaren zestig was dat de producer van the Lovin’ Spoonful. Ik zou over elke song hierboven een heel verhaal kunnen vertellen, maar dat zal ik niet doen, want dan wordt het langdradig. En het zou niet origineel zijn, Nick Hornby heeft het al voortreffelijk gedaan in zijn ’31 Songs’ en Greil Marcus heeft zelfs een volledig boek gewijd aan ‘Like A Rolling Stone’ van Bob Dylan.

buddy bolden, twee links achterste rij
Buddy Bolden is de tweede links op de achterste rij.

DE MAGERE JONGEN DIE GRAAG OP ZIJN HANDEN LIEP

mama-broer-ik

Toen ik op de middelbare school kwam, was ik zo mager dat ik heel goed op mijn handen kon lopen. Wat liep ik graag op mijn handen – en dan zo de wereld en de andere scholieren ondersteboven bekijken! Maar meestal liep ik niet op school op mijn handen. Ik deed dat liever ergens waar niemand mij zag.

Ik ben lange tijd mager gebleven, maar op mijn handen ben ik niet blijven lopen. Als ik nu nog zo jong en zo mager was zou ik veel succes hebben als fotomodel, of als filmster; meisjes zouden voor me in zwijm vallen, Kate Moss zou een verhouding met me beginnen. Maar niet zo in die dagen. Ik werd gepest omdat ik niet dik was. ‘Knookske’ noemden ze me. Dat was in het begin. Al gauw had ik enkele goede vrienden met wie ik naar singles van the Rolling Stones en Bob Dylan luisterde, en zij namen me in bescherming. Ik herinner me nog Gahr, met zijn boksijzer. Hem durfde niemand in de ogen kijken. Gahr was mijn beschermengel, een gevaarlijke kerel, afkomstig uit het verre Duitsland. Een jaar later noemden ze mij niet meer ‘Knookske’ maar ‘de dichter’, ze vielen me ook niet meer lastig: ze wisten niet wat ze met me aan moesten. Met die lange haren en die vreemde klederdracht, alsof ik uit een nog veel verder land dan Duitsland kwam. Geleidelijk aan nam ik jongere jongens in bescherming door ze laten mee te spelen in mijn toneelstukjes. Ik speelde er graag zelf in mee, om mij te laten bewonderen, als een sprookjesprins, als een broertje van Syd Barrett. Ik speelde er graag in mee, maar liep niet op mijn handen. Wat ik me afvraag is of mijn voeten de grond wel raakten.

Nu zit ik in mijn kamer en lees een boek van Joseph Roth, die zich heeft doodgedronken. ’s Avonds bekijk ik een film van Truffaut, L’homme qui aimait les femmes bijvoorbeeld, of voor de zoveelste keer Antonioni’s Cronaca di un amore met de mooie Lucia Bosé. Ik zit te wachten op telefoontjes en e-mail en geef me over aan zelfmedelijden. Overal heb ik vrienden maar ze kennen me niet en ik ken hen niet. Ik voel me zwak en er is niemand om me in bescherming te nemen. Om nu nog op mijn handen te gaan lopen ben ik niet voldoende mager meer.

Afbeelding: met mijn moeder en broer in Merksem, in het huis van grootmoeder.

HET IS NIET ALLE DAGEN FEEST

muziek,boeken,melancholie,ziekte,western,pop,country,cormac mccarthy,blood meridian,marisha pessl,nabokov,italie,velvet underground,yo la tengo,dirk roofthooft,theater,mensch

Op dit ogenblik luister ik naar Kick Up The Dust, van Blood  Meridian. De naam van de band is tegelijk de titel van een boek van de Amerikaanse schrijver van existentialistische westerns, Cormac McCarthy. Niemand anders heeft het ‘wilde westen’ met zoveel diepgang beschreven als McCarthy. Ik houd van oude westerns, maar zelfs de beste, zoals Shane en The Searchers zijn oppervlakkige vertellingen in vergelijking met de romans van de unieke Cormac McCarthy. Blood Meridian is niet zo welsprekend als hun naar ik aanneem favoriete auteur, maar ik verwacht nog wel wat van deze band.

Nu ik het toch over boeken heb. Gisteren en vandaag heb ik tussen het slapen door Marisha Pessls veelgeprezen roman Special Topics in Calamity Physics uitgelezen. Met de eerste helft van het dikke boek heb ik het moeilijk gehad, maar zo ongeveer halverwege werd mijn geduld niet langer op de proef gesteld. Pessls virtuoze stijl is een combinatie van Nabokov, hardboiled detectives (Chandler, Hammett) en The Secret History van Donna Tartt. Ik denk dat de jonge schrijfster wilde wedijveren met Lolita, maar in die wedstrijd heeft ze uiteraard het onderspit moeten delven. Het onderspit delven? Een vreemde uitdrukking… Door de vele verwijzingen naar echte en fictieve boeken doet de roman nog meer denken aan Nabokovs Pale Fire dan aan Lolita. Nabokoviaans of niet, als ik de eindredacteur was geweest zou ik de helft hebben geschrapt. Maar wie ben ik? Ik ben een ouder wordende, vaak zieke man. Ook nu ben ik weer aan mijn kamers gekluisterd. Er is niets met me aan te vangen en ik vang niets aan. Deze regels schrijven kost me veel moeite, al wil ik niet klagen. Het leven heeft mooie momenten. Die zijn kostbaar en daar probeer ik van te genieten. Ik weet dat er nog in het verschiet liggen. Momenten waarop de zon schijnt, of ik loop op straat onder de volle maan, of als mijn geliefde me onverwacht bij de hand neemt…

Mijn reis naar Italië zit nog vers in mijn geheugen. Om die reden treur ik niet over een concert dat ik zal missen. Vanavond treedt Yo La Tengo op, een band die mij zeer genegen is. Ik bezit ongeveer alle cd’s van dit door the Velvet Underground geïnspireerde trio. Ze hebben werkelijk prachtige songs opgenomen (sommige ervan, zoals Today Is the Day, gaan over mooie momenten). Maar ik heb Yo La Tengo al zien optreden en wellicht keren ze nog terug naar Brussel. Dus waarom getreurd? Nu ben ik ziek en over enkele weken ben ik weer genezen. Dat hoop ik toch.

Ik ben blij voor Dirk Roofthooft met zijn Louis D’Or, hem toegekend voor zijn opmerkelijke rol in Mephisto Forever, een stuk waarover ik in november vorig jaar vol lof heb geschreven. Die ‘bespreking’ van me heeft toen nog hevige reacties uitgelokt, waarom weet ik nog altijd niet goed.
Ik weet niet of je deze pagina’s leest, Dirk Roofthooft, maar dat geeft niet. Ik kan je ook proficiat wensen zonder dat je mijn woorden ziet staan. Laat op een avond, na een voorstelling in de Bottelarij, ik geloof dat het Rusland voor Beginners was, voelde ik me eenzaam en melancholisch. Je hebt me toen aangesproken en – misschien zonder het te weten – veel troost geboden. Je hebt me de moed gegeven om de donkere nacht in te gaan op zoek naar een taxi. Je bent niet alleen maar een uitstekend acteur, maar een echte ‘mensch’. Nog veel geluk!

REIZEN IN DE REGEN

Giacomo-Casanova

  1. De voorbije dagen had ik weinig dorst.
  2. Woensdag was ik om beroepsredenen in De Panne, net na de door komkommers druk becommentarieerde wolkbreuk. Het was een dwaas idee erheen te reizen met de trein, er reeds zelfs geen kusttram meer. In bijna elke straat in De Panne stond een brandweerwagen een kelder leeg te pompen. Waar ik zijn moest, kon ik niet geraken.  Ik stapte een restaurant binnen, helemaal leeg, en vroeg of ik iets kleins kon eten. Dat zou ik je afraden, antwoordde de kelner, je gaat beter op de dijk, daar zijn heel wat zaken waar kleine hapjes op het menu staan. Dat heb ik dan maar gedaan, helaas. Na een zurige sla met smakeloze garnalen en een glas even smakeloze witte wijn ben ik onverrichter zake naar Brussel teruggekeerd. Voor in de trein was nog een behaaglijk eenzame plek. Maar net toen de trein vertrok kwamen drie vreemdelingen bij me zitten, wat lichte ergernis bij me veroorzaakte, niet omdat ze vreemdelingen waren, maar omdat ik nu niet meer zou kunnen lezen. Mijn positieve was in een negatieve eenzaamheid veranderd. Ik probeerde dan maar hun nationaliteit te raden, wat niet wilde lukken. Welke taal spraken deze mannen? Net voorbij Koksijde kwam de treinbegeleidster de kaartjes nakijken. Geen van de drie reizigers had iets wat op een treinkaartje leek in zijn bezit. Ze gingen ervan uit dat ze gratis naar Brussel mochten. In Lichtervelde, een halte of twee verder, moesten ze uit de trein. Ik vraag me nog altijd af wat er met deze mensen daarna is gebeurd. Hoewel ik nu weer alleen was heb ik toch niet meer gelezen.
  3. Gisteren zijn we naar de Ardennen gereden. Ik zat achter in de auto en wierp af een toe een mistroostige blik op een beregend landschap. We moesten in Dinant zijn, in Marche-en-Famenne en nog een aantal plaatsen, ik weet al niet meer welke. Het nieuws op de autoradio ging over files, overstromingen in Duitsland en Zwitserland en Joëlle Milquet. Het Vlaamse journaille vond het een schande dat mevrouw Milquet zich voor ongeveer twaalf uur aan de politieke onderhandelingen had onttrokken om haar kinderen op te zoeken. Wat een misplaatste verontwaardiging – en dat terwijl de menselijke beschaving en de hele wereld zeer snel hun einde tegemoet snellen. In Marche-en-Famenne zijn we gestopt om een hapje te eten. Ik had aan een typisch streekgerecht gedacht, paté, boerenworst, eend, wild zwijn, paddestoelen, maar het regende, we wilden geen natte voeten krijgen en we vonden geen typisch Ardens restaurant. Op de grote markt van het stadje hebben we een Marokkaan aangetroffen en daar hebben we dan maar couscous gegeten. Wat zouden de velden en de bossen er mooi hebben uitgezien, glooiend in de zon. Nu was alles donker en grauw. Ik verlangde alleen maar naar huis. Dit was mijn laatste werkdag, het einde van een bizarre week. Alle mensen en dingen om me heen leken vreemd en ver, alsof ik er niet echt bij hoorde, alsof ik me al elders bevond.
  4. Vandaag heb ik mijn koffers gepakt. Morgen heel vroeg vertrekken we naar Charleroi en van daar naar Treviso. Daar nemen we de trein naar Triëst, waar we een week blijven. Ik heb net gezien dat het er de volgende dagen zal regenen. Een week later reizen we verder naar Ferrara, vlak bij de Po, die dan misschien al buiten zijn oevers zal zijn getreden. Maar misschien ook niet. Een van mijn uitverkoren schrijvers, Giorgio Bassani was uit Ferrara afkomstig en heeft er veel over geschreven, het mooiste in De tuin van de Finzi-Contini’s. We beëindigen onze reis in de waterige stad Venetië, waar toeristen als vee worden behandeld, heb ik gehoord. Al deze negatieve berichten schrikken me niet af. Ik vertrek met veel plezier, zoals altijd, en ik houd van Italië. Zelfs de Venetianen zal ik in mijn armen sluiten, hoewel ik nooit zal vergeten dat ze destijds de grote avonturier en meesterlijke schrijver Casanova in hun gevangenis hebben opgesloten.  En na zonsondergang sluipt door de steegjes van Venetië een zeer boosaardige rode dwerg (zie ‘Don’t Look Now’ van Nicholas Roeg).
  5. Dit kun je onmogelijk een sexy rock & roll-leven noemen. Maar maakt het uit? De aanslagen, de invasie van Irak, de oorlogen – dat alles maakt iets uit.

VOORBEREIDENDE OEFENINGEN VOOR DE DOOD II

  1. Ik heb vandaag ‘Easy Tiger’ van Ryan Adams en ‘Dear Companion’ van Meg Baird, de zangeres van Espers, gekocht. Geen van beide plaatjes verrast me nog. Ik zal niet zeggen: verveling, gegeeuw, maar wel een grote onverschilligheid. Wat was the Cake levensbevestigend in vergelijking met dit zoeken-en-niet-vinden-van-melodieën.
  2. Ik heb mijn knie tegen de trapleuning gestoten.
  3. De zon schijnt, maar hoelang nog?
  4. Ik heb vandaag afscheid genomen van een goede collega, die vandaag verjaart en op pensioen gaat.
  5. Toen ik vandaag thuis kwam lag een boekje van Paul Nougé binnen handbereik. Ik sloeg het open en las dit: “Seule une longue patience nous garde de mourir.” (uit: Quelques Bribes).
  6. Ga terug naar af, u mag de kassa niet passeren, betaal en ga terug naar de gevangenis.
  7. Louis-Ferdinand Céline.
  8. Michel Houellebeck.
  9. Auto’s, motoren, fabrieken, tabakrokende soortgenoten, madame Pijp, Petoetje en Petatje.
  10. Het idee van Irak en Afghanistan in het hoofd van Bush (en zijn trawanten).
  11. Het Belgische zakenleven in China.
  12. Het zakenleven in China.
  13. Avonturiers die orkanen trotseren, of Polen bedwingen.
  14. In de modder liggen luisteren naar het ‘wereldverbeterend’ gezeur van Peter Gabriel en het navelgezanik van Tori Amos.
  15. Elke zin van Gustave Flaubert.
  16. De films van Abel Ferrara.
  17. De prijzen van hotels in Venetië.
  18. De buurt rondom de Beurs van Brussel na middernacht (en vroeger).
  19. Mannen met haar op hun bovenlijf die bovendien graag boksijzers en andere geniepige wapens hanteren.
  20. Mannen en vrouwen die graag wapens hanteren.
  21. Huurlingen.
  22. Wapenfabrikanten.
  23. Cafébazen die niet om hun klanten geven.
  24. De foto’s van Nan Goldin.
  25. Billy the Kid en de overige helden in het Wilde Westen.
  26. Het Wilde Westen.
  27. Scholen en kazernes.
  28. Het stille leven.
  29. Het dagelijks bestaan in kleine dorpen ver weg van alles en iedereen.
  30. Om de zoveel minuten wordt een vrouw verkracht.
  31. Syd Barrett: “When I live I die.”
  32. De film ‘Thief ‘ van Michael Mann.
  33. Het evangelie van Mattheus

 

GELD MAAKT ONS KAPOT

The_Treasure_of_the_Sierra_Madre_(1947_poster)

Ik kijk door het raam naar het sombere zinken dak. Erboven een stukje blauw en een grote wolk. Ik neem een afwachtende houding aan. Aan het raam, het dak, het stukje blauw en de hemel heb ik niets. Er komen geen associaties – en die wil ik ook niet. Ik zit niet bij mijn pyschoanalyst, daar zit ik al jaren niet meer. Ik ben op mijn werk, maar ik zou elders willen zijn. Het is vier uur en ik ben het werk beu. Als je werkt voor het geld heb je niets aan je leven. Het is een vloek dat wij geld nodig hebben om te leven, dat wij vervelend werk moeten doen om aan geld te komen. Geld maakt ons kapot; als we het niet hebben omdat we er willen hebben (en omdat we dan honger en dorst lijden), als we het wel hebben omdat we bang zijn om het te verliezen en er geen meer te hebben (en honger en dorst te krijgen). In het lied Something In the Night zingt Bruce Springsteen:

You’re born with nothing and better off that way
As soon as you got something they send
Someone to try and take it away.

En in de meesterlijke film The Treasure Of the Sierra Madre van John Huston zie je hoe Humphrey Bogart verandert van een avonturier met een menselijk gezicht in een paranoïde smeerlap, zodra hij wat goud heeft vergaard. Op het einde van de film is Bogart dood en is het met zoveel moeite ontgonnen goud met de wind naar het Noorden weggewaaid, naar waar het vandaan kwam. Voor de oude goudzoeker, gespeeld door Walter Huston, vader van John Huston, is dit een immense, kosmische grap. Zijn lach werkt aanstekelijk – heel terecht won Walter Huston een Oscar – maar ik blijf er toch stil bij want ik had dat goud ook wel graag gewild. Ik speel niet op de Lotto, omdat ik niet geloof dat ik kan winnen, maar Laura speelt wel en samen met haar hoop ik dat ze ooit eens zal winnen. Een mens zit eigenaardig in mekaar.

RENE POLLESCH / L’AFFAIRE MARTIN

volksbuhne

Wie zijn toch de anderen? Dat is de vraag die René Pollesch zichzelf en ons, de anderen, stelt. De anderen blijken altijd andere anderen te zijn. Je raakt er gewoon niet uit. Ben ik niet altijd de andere, zelfs mijn eigen andere, omdat ik gescheiden ben van mijn taal en mijn denken los lijkt te zweven, zonder deel uit te maken van mijn lichaam? Ik ben als mens gescheiden van het dier dat ik desondanks ben. Over zulke dingen hebben de personages van René Pollesch het bijna de hele tijd. Wie durft nog beweren dat de Duitsers geen gevoel voor humor hebben? René Pollesch is de geniale regisseur van de Volksbühne Am Rosa-Luxemburg-Platz in Berlijn. Ik zag gisteren in het kader van het kunstenfestivaldesarts zijn stuk ‘L’affaire Martin! Occupe-toi de Sophie! Par la fenêtre, Caroline! Le mariage de Spengler. Christine est en avance’. Inderdaad, een kanjer van een titel, maar die is op zichzelf al grappig, en ik vind het bovendien leuk dat mijn naam erin voorkomt. Enkele maanden, nu jaren geleden, ben ik vanop een afstand verliefd geweest op een meisje dat Christine heette. Ik heb haar mijn liefde nooit verklaard. Maar dat doet hier niet terzake. Als u alles wilt weten over het leven van de anderen, over het verschil tussen een ouderwetse in stofjas gehulde regie-assistent en een regie-assistent met een eigen mening, over Jane Goodall en de chimpansees en hoe de Tanzanianen in de mist verdwijnen, over het leven van bacteriën en virussen, waarom de Duitsers neo-nazi’s nodig hebben, hoe dat nu eigenlijk zit met de Sileziërs en de Tsjechen en de Polen, over de ware, niet-biologische aard van Jan Ulrich en de echte betekenis van de gele trui, dan moet u vanavond naar dit stuk gaan kijken, in het Kaaitheater. Het is uitermate boeiend en het lijkt nergens anders op, ook niet op het leven van de anderen.

In het programmablad zegt René Pollesch het volgende: “Mijn voorstellingen vallen bepaalde denkwerelden en beelden aan die we nog met ons meedragen en waar we ook naar willen handelen. Maar dat lukt ons niet meer. Ik ben erg geïnteresseerd in dat conflict. Als er bij mij sprake is van een desoriëntatie in de sociale omgang, dan oriënteer ik me met mijn teksten.” En ook: “Wij zijn geen autonome subjecten, zoals het klassieke drama die kent. We hebben de controle verinnerlijkt, en onze subjectiviteit is datgene waaraan we werken, wat we verkopen.”

Nu moet ik boodschappen gaan doen en daarna vertrek ik naar Antwerpen voor mijn radioprogramma. Mijn playlist hebt u nog van mij te goed. Het thema dat ik heb gekozen is de nacht. Het vervelende is dat er massa’s songs zijn over de nacht; het was dan ook moeilijk om een selectie te maken. Maar dat zijn de kleine ups en downs van het leven. Niets om over te klagen. Mijn kater daarentegen!

EEN OUD EINDE EN EEN NIEUW BEGIN

art brussels,shangri-las,graham greene,mary weiss,catherine walston,boeken,lente,2000,wijn,film

Donderdagavond, op ‘ontdekkingsreis’ in het circus genaamd Art Brussels, waar ik heel wat fake extravagante – oranje shirt, groene broek, purperen sokken – en talloze gestropdaste heren, die ongetwijfeld net hun Lamborghini’s hadden geparkeerd, zag rondwaren (de dames laat ik even buiten beschouwing, al zagen zij er voor het merendeel even lachwekkend uit), dacht ik bij het drinken van een glas wijn opeens terug aan een andere avond in april, zeven jaar geleden. We hadden op dat ogenblik de schrik voor de milleniumbug al behoorlijk verwerkt, een lachertje in vergelijking met de hindernissen die we nu op ons pad vinden.

Het was al avond toen we buitenkwamen en tot onze verrassing was de lente begonnen. We namen de metro tot aan de Naamse Poort, dronken een glas bier op een terrasje, maakten een wandeling en gingen daarna naar The End Of The Affair met Julianne Moore, Ralph Fiennes en Stephen Rea. Ik heb destijds erg genoten van Graham Greene’s The End Of The Affair, evenals van zijn andere romans; ik geloof dat ik ze allemaal heb gelezen, en het zijn er veel. De film had zijn eigen kwaliteiten, maar iedereen weet dat de film nooit beter is dan het boek. Voor de roman The End Of The Affair baseerde Greene zich op zijn verhouding met Catherine Walston, die een “Marie-Antoinette in blue jeans” werd genoemd. Over het stel werd geschreven dat ze overspel pleegden “behind every high altar in Italy”. Ik weet niet goed hoe Graham Greene dat aan zijn biechtvader opbiechtte. Overigens heb ik nooit goed begrepen waarom de schrijver zich tot het katholicisme heeft bekeerd. Normaal gezien doet een intelligent man zoiets niet. Het moet zo’n typische Britse excentriciteit geweest zijn. Ik kan het alleen op die manier begrijpen. Ik houd wel van excentrieke mensen, maar niet van fake extravagante schatrijke ‘kunstminnaars’ zoals hierboven beschreven.

De hoofdthema’s van het boek en de film zijn jaloezie en haat. De schrijver Maurice Bendrix is jaloers op Sarah. Hij verdenkt haar van ontrouw aan haar echtgenoot Harry en ‘dus’ ook aan Bendrix zelf. Uit haar dagboek blijkt echter dat ze altijd van Bendrix is blijven houden. Zijn enige rivaal is God, die hij dan ook hartsgrondig haat. Na haar dood zorgt hij ervoor dat Sarah wordt gecremeerd. Op die manier zal God het wel heel moeilijk hebben met haar verrijzenis. Waarom ik dit nu noteer weet ik niet goed. Misschien heb ik er vorige nacht over gedroomd, of verdenk ik mijn vrouw – een minnares heb ik helaas niet, of moet ik ‘gelukkig’ zeggen? –onbewust van overspel? Het zijn herinneringen die zich opdringen, zoals die aan mijn uren met Else, waar ik zeker nog meer over ga schrijven.

Deze morgen las ik een interview met Mary Weiss, leadzangeres van de beste girl-group ooit, the Shangri-Las. Naar hen heb ik destijds mijn radioprogramma genoemd en als eindtune gebruikte ik altijd hun song ‘Past, Present and Future’. Na veertig jaar stilte heeft Mary Weiss nu een nieuwe cd uitgebracht, op een klein label, waardoor het schijfje hier waarschijnlijk nooit in de rekken zal belanden. De wereld zit vreemd in elkaar. George ‘Shadow’ Morton, de door velen zeer bewonderde producer van the Shangri-Las en later van the New York Dolls, was eerst een ijsjesverkoper. Een beetje zoals Colonel Tom Parker, die voor hij manager van Elvis werd kippen deed ‘dansen’ op elektrisch verwarmde platen. Gaia bestond toen nog niet. Hoe het ook zij, ik ben blij dat Mary Weiss haar muze opnieuw ontmoet heeft.

art brussels,shangri-las,graham greene,mary weiss,catherine walston,boeken,lente,2000,wijn,film

DE BELGISCHE KUST ONTVLUCHT


Gisteren was ik voor mijn werk in De Panne, Sint-Idesbald, Koksijde en Oostduinkerke. Ooit zullen het lieflijke – en standingvolle – plekken geweest zijn aan de lieflijke – en standingvolle – Belgische kust, maar nu is het volgebouwd en volgestouwd en alles lijkt er op alles. Ja, alles lijkt er op wat het is, de schijn bedriegt er niet, schijn is er gewoon schijn; ga er daarom niet zoeken naar een wezen of een essentie. Of liever, de essentie van de Belgische kust zou een wafel kunnen zijn of een stijlloos flatgebouw. Ik ben er met de kusttram voorbij een Plopsaland gereden en een Moeder Lambic. Ik vroeg me af waarom Lambic met een c werd gespeld. De c van cojones, cabron en cunt. ‘Less is more’ kennen de Belgische kustsstreekarchitecten niet, nooit van gehoord. Hun leuze of motto lijkt ‘more is more’ te zijn. De toeristen delen die mening. Hoe meer zielen hoe meer vreugde is er variant op. Alleen zijn het dode zielen, eenzame zielen, verloren zielen. Hoe kunnen ze dan vreugde scheppen? Daar vraag je mij iets. Maar weet ik echt wel iets over de ziel van de toerist? Heb ik er niet het raden naar? Zijn die mensen niet gewoon al tevreden als de zon opgaat in de ochtend, ook al gaat die helemaal niet op, is dat alleen maar een manier van spreken? Hoe het ook zij, ik was blij dat ik niet aan de Belgische kust – met al haar verloren glorie – was als toerist maar om er mijn werk te doen. Ik moest mijn opdracht uitvoeren, helemaal niet moeilijk, en eens die missie achter de rug kon ik weer de trein op naar het zonnige en zondige Brussel, de stad die ik liefheb en veracht. Toen we Brussel-Zuid binnenreden was ik blij dat ik weer thuiskwam, thuis in Nieuw Babylon en weg uit het nieuwe artificiële paradijs, waar iedereen gelijk is en gelijk heeft. Toch zou ik niet lang blij blijven. Mijn stemmingen wisselen nogal snel. Maar dat wist u al.

 

MOOIE DAGEN IN HET VERSCHIET

sdr

Mooie dagen en vooral avonden in het vooruitzicht. Morgen ga ik met vrouw en vriend naar Bob Dylan. Daar had ik het gisteren al over. Zaterdag ben ik in Antwerpen voor mijn radioprogramma. Het thema van de maand is religie, niet omdat het zondag Pasen is, ik had daar gewoon niet bij stilgestaan toen ik het vorige maand aankondigde. Ik heb al muziek over goden, religies, ongeloof en godslastering voor meer dan vijf uur; er moet nog flink gesnoeid worden, vooral in de gospel van blank en zwart. Die gospelmuziek is nochtans zeer meeslepend. Zaterdagavond vieren Laura en ik de zoveelste verjaardag van onze eerste ontmoeting (amour fou), en nu klap ik uit de biecht en blijf in de religieuze sfeer. Zit er op mijn atheïstische ziel dan toch een gelovig laagje?

Ik geloof alvast in twee dingen: leven en liefde. Hendrik Marsman zei: ik erken maar een wet en dat is leven en the Beatles zongen All You Need Is Love. Bij mij is het een combinatie van de twee. Van een god is geen sprake in mijn leven. Aan de dood van god zijn Hölderlin en Nietzsche ten onder gegaan; in hun tijd zal dat nog een vreselijk inzicht geweest zijn, nu betekent het nog maar weinig. Dank zij Darwin en zijn leerlingen weten we nu allen waar we werkelijk vandaan komen en hoe we geworden zijn wat we zijn. ‘Allen’ is misschien wat overdreven: ik stel vast dat er nog een heleboel fundamentalisten zijn, fanatici die kennelijk niet kunnen lezen. Maar ik dwaal af.
Zondag vieren we Pasen. Waarom zouden we niet? Het is een van de mooiste dagen van het jaar, het echte begin van de lente. Daarom zullen we voor een keer ook nog eens eitjes eten, kleine, breekbare symbolen van een nieuw begin.
Maandag rusten we uit.
Dinsdag ben ik te vinden in de AB waar Danny en Dusty optreden. Danny en Dusty zijn Dan Stuart van Green On Red en Steve Wynn van the Dream Syndicate. Die twee bands bestaan al lang niet meer en Dan Stuart had zich zelfs teruggetrokken uit de muziekscène. Beide heren hebben in de jaren tachtig een prachtige elpee gemaakt, The Lost Weekend, genoemd naar een boek van Charles Jackson en een onvergetelijke film van Billy Wilder. Het onderwerp van boek en film kunt u wel raden? Alcoholisme. Ik vermoed dat Danny en Dusty in die dagen ook flink aan de drank zaten. Nu doen ze het met het oog op hun sterfelijkheid wat rustiger aan, hoewel Steve Wynn nog flink tekeer kan gaan op zijn gitaar. Ze zijn nooit beroemd geworden en ik denk dat ze dat ook nooit hebben gewild. Voor mij zijn zulke kunstenaars de ware helden. Zij vegen hun voeten aan de hele fucking business.
Ja, mooie dagen in het verschiet. Ik beëindig mijn opsomming met de première, volgende woensdag, van Onschuld in de KVS. De regie is van Alice Zandwijk, een podiumkunstenares die ik zeer waardeer. Maar genoeg. De zon schijnt. Ik moet naar buiten.

Afbeelding: Martin Pulaski