TRISTESSE ANDERLECHTOISE

DSC_0224.JPG

“…aangezien elektrische stroom kostbaar is en een in zijn eigen autonomie ingesponnen mens het best zonder dat licht kan stellen, heb ik lange nachten.”
Hermann Broch, Huguenau of de zakelijkheid

Als ik vanuit mijn werkkamer naar buiten kijk zie links van me de bomen van het Astridpark en een stukje van het stadion van Anderlecht. Aan dat stadion heb ik me jarenlang geërgerd omdat het zoveel ruimte van het park in beslag neemt. Maar die ergernis is langzaam weggeëbd. Eerst is er berusting voor in de plaats gekomen, daarna heb ik mij stilzwijgend met de mastodont verzoend. Voor mij mag het hele Astridpark nu voetbalstadion worden. Dan kan ik er ooit misschien nog eens een keer naar U2 gaan kijken, of naar Lady Gaga.
Het stadion is zowat het enige wat in deze buurt nog enige aantrekkingskracht uitoefent. Ik heb nooit van voetbal gehouden – maar ik ben er ook niet tegen. Dat zou absurd zijn. Soms gebeurt het zelfs dat ik opga in een match. Dan voel ik mij een echte Belg, een Rode Duivel, of afhankelijk van waar ik mij bevind nog iets anders, vorig jaar in Parijs bijvoorbeeld was ik nog een Portugees. Als het stadion er niet zou zijn zou deze buurt helemaal doodbloeden.  Nu zijn er nog wat supporterscafés en als er een match is staan er kraampjes met frieten en Anderlecht-parafernalia. Voor de rest is er niets en zeker niets dat me uitnodigt tot een wandeling. Ik zou op zijn minst een uur per dag moeten wandelen, niet alleen voor het heil van mijn lichaam maar zeker ook voor dat van mijn geest. (Het is zelfs dom onderscheid te maken tussen die twee). Waar echter kan ik naartoe? Het Pajottenland is pittoresk, maar om daar te geraken moet ik langs drukke steenwegen lopen en dan nog eens de ziekmakende Ring oversteken. Al die razende monsters daar beneden, meestal met maar één inzittende. Een ding is zeker: mocht ik er ooit een eind aan maken zou het niet daar zijn. Het is er veel te afzichtelijk. Stel je voor dat er leven is na de dood en dat je je alleen maar je allerlaatste indrukken zou herinneren, tot in de eeuwigheid. Geen sprake van. Als ik ooit zelfmoord zou plegen zou het op een van de Bovenwindse Eilanden zijn. Ik vermoed namelijk dat het daar mooi is. Maar vrees niet: ik wil vooral leven. Gisteren hoorde ik nog een mooi liedje, ‘Live Til You Die’ van Emitt Rhodes. Die titel is mijn levensmotto. Ik kan dan wel somber en melancholisch zijn – en dat duurt nu al een zestal maanden – , ik kan ook tevreden zijn met kleine dingen. Ik moet deze kamer niet eens verlaten. Nu zie ik bijvoorbeeld de oranje en bruine dakpannen van het huis aan de overkant van de straat en de grijze duif op datzelfde dak, die daar rustig zit. Te wachten wilde ik schrijven. Maar ik denk niet dat ze wacht, ze zit alleen maar. Kijk, nu is ze weg. Waarom zou ik hier dan niet gewoon maar wat zitten, zonder meer. Ach ja, omdat mijn huisarts me aanraadt om een uur per dag te wandelen. En hij heeft natuurlijk gelijk. Soms zie ik op Instagram foto’s van mensen die wandelingen maken. ‘My daily walk’ staat er dan onder. Je ziet beelden van het mooiste dat de aarde te bieden heeft: bloemen, bomen, schilderachtige paadjes, zachtaardige dieren, een rivier… Wat ben ik dan jaloers. Als ik wil gaan wandelen in een betoverende omgeving moet ik eerst een kwartier naar de metro door fijn stof lopen. Dan op de metro stappen, hopend dat niemand zich opblaast, en vervolgens is het nog bijna een uur tot Hermann-Debroux, waar mijn gezonde wandeling eindelijk kan beginnen. Het is goed mogelijk dat de zon schijnt als ik hier buitenkom en dat het regent als ik in metrostation Hermann-Debroux boven de grond kom. Of dat ik onderweg ergens moet uitstappen omdat die hele Hermann-Debroux in rook is opgegaan. Ik vraag me altijd af naar wie dat station is genoemd. Waarschijnlijk naar een schepen of een voorzitter van iets. Een zakkenvuller, zoals de mensen zeggen. Waarom niet naar Hermann Hesse, of liever nog naar de geniale schrijver Hermann Broch? Wie nooit iets van hem gelezen heeft raad ik ten stelligste de slaapwandelaarstrilogie aan (bestaande uit ‘Pasenow of de romantiek’, ‘Esch of de anarchie’ en ‘Huguenau of de zakelijkheid).

Mijn oplossing is: af en toe een reis maken. Op de plaats van bestemming wandel ik dan ongeveer vijf uur per dag. Zo haal ik mijn schade in en zie ik ook de schoonheid van de grotere wereld. Dan hoef ik mij niet tevreden te stellen met een dakpan of met een boek van een van de vele Hermannen. Zeker is het nooit mijn ambitie geweest duivenmelker te worden. Mijn vader was duivenmelker. Kort voor zijn dood heeft hij al zijn duiven een voor een de strot omgewrongen.

DSC_0242.JPG

Foto’s: Martin Pulaski, Anderlecht, 2008

WAPENSTILSTAND

cohen

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN
(hoofdstuk 13)

Dag 10: 11 november 2016

“Ik wil steeds meer leren, het noodzakelijke aan de dingen als het schone beschouwen – zo zal ik een van diegenen zijn die de dingen schoonheid verlenen. Amor fati: dat zij van nu af aan mijn liefde! Ik wil geen oorlog voeren tegen al wat lelijk is. Ik wil niet aanklagen, ik wil niet eens de aanklagers aanklagen. Wegkijken zij mijn enige ontkenning! En, alles bij elkaar en in het groot: ooit wil ik nog eens uitsluitend iemand zijn die ja zegt!”*

Een talloos aantal werelden en zeker één die wankelt. En een zee van mogelijkheden. “Morgen zal ik niet schrijven”, schreef ik gisteren. Hoe lang heeft dat morgen geduurd? Ik wil er niet over nadenken, nooit goed geweest in rekenkunde. Ik zou kunnen opsommen wat ik allemaal gedaan en gelaten heb. Lijstjes maken. Een boek van Henri Bergson gekocht, dat heb ik, ‘Tijd en vrije wil’, niet toevallig een beschouwing over de tijd. De objectiveerbare, meetbare tijd tegenover de duur (la durée), die niet meetbaar is, omdat zij voortdurend stroomt en verandert. Gelezen heb ik het nog niet, maar dat zal niet lang meer duren… En voor de rest? Mijn ogen en oren gebruikt, gelegen, gezeten. Opgestaan is plaats vergaan.

BERGSON-TRANQUILLOU.jpg

Vandaag wapenstilstand, maar wat betekent dat nog? Bijna overal oorlog, moord en doodslag. Wat ooit ‘rebels without a cause’, hippies en yippies waren zijn nu jihadi’s. Hetzelfde fundamentele ongenoegen, een vergelijkbaar radicalisme, maar een andere ‘strijd’. ‘Terreur’ wordt dat fenomeen voorbij goed en kwaad, voorbij het humanisme, genoemd; maar is terreur wel de juiste term? We kennen de terreur van de Franse revolutie, het schrikbewind, omdat dàt tot de geschiedenis behoort, maar datgene waarvoor we nu bang zijn – en door de machthebbers bang voor worden gemaakt – is een nieuw fenomeen, het is in beweging, niet meetbaar, we kunnen er geen vat op krijgen. We kunnen er zelfs niet over nadenken, vandaar al die meningen en opinies. Van wapenstilstand geen sprake. Er zijn wapens, er worden aan de lopende band wapens geproduceerd, dus worden ze gebruikt. Opslagplaatsen zijn duur.

Leonard Cohen is dood. Gestorven op 7 november, net voor Donald Trump de Amerikaanse verkiezingen zou winnen. Op die dag schreef ik over Isabelle Huppert en de film ‘L’Avenir’, over vulgaire verkiezingsshows, over Karst Woudstra en August Strindberg. Bovendien zat ik me af te vragen of er tussen mij en Trump maar “six degrees of separation” bestaan. Indien dat zo is, wat houdt mij dan tegen om naar hem toe te gaan en hem op andere gedachten te brengen? Zoveel mogelijkheden. In ‘Being There’ van Jerzy Kosinski kan een tuinier zelfs president worden. Overigens vind ik de filmversie (Hal Ashby) beter. Maar het boek, in Nederlandse vertaling, wordt hier in huis gekoesterd: mijn Laura kreeg het in mei 1981 cadeau van onze vriend Joseph.

Eigenlijk mag je nooit vergelijken. Ik wil ik dat zeker niet doen met twee kunstenaars, de ene een starman en de andere een beautiful loser – de enige duidelijke overeenkomst is dat beiden nu dood zijn. Of wacht, er is nog een overeenkomst: ook bij de dood van Leonard Cohen lijkt het erop of heel de wereld in rouw is. Over mijn gevoelens over Cohens overlijden wil ik niet veel zeggen. Heel lang geleden heb ik ‘Beautiful Losers’ gelezen. Voor mij was Leonard Cohen een dichter. Een dichter die zijn recitaties begeleidde – of liet begeleiden – met gitaar, met enkele andere instrumenten, met een tweede of derde stem. In het begin hield ik veel van ‘Sisters of Mercy’ en ‘Bird on a Wire’. Vervolgens duurde het tientallen jaren eer ik Leonard Cohen opnieuw ging beluisteren. Ik luisterde naar zijn teksten. Ik las ze in een bundel. Ik verslond ze. Het waren parels, juwelen. Leonard Cohen was een goudsmid. Hij kon alles. Het mooiste aan de man vond ik dat hij deed alsof hij een niemendal was. En zelfs dat deed hij niet. Leonard Cohen leek op mij – of ik op hem: hij was er niet, is er niet en ik ben er ook niet**. Ooit ben ik er geweest, maar dat is lang geleden. Het was in de dagen dat ik naar ‘Sisters of Mercy’ en ‘Bird on the Wire’ luisterde. En meer nog naar ‘Sitting By the Window’, maar dat is een ander verhaal voor een andere dag. Deze tiende en laatste dag van mijn tien dagen in de ‘woestijn van de werkelijkheid’ wil ik afsluiten met woorden van Leonard Cohen:

Now I greet you from the other side of sorrow and despair, with a love so vast
And so shattered, it will reach you everywhere.
And I sing this for the captain whose ship has not been built, for the mother in
Confusion, her cradle still unfilled.
For the heart with no companion, for the soul without a king. for the prima
Ballerina who cannot dance to anything.
Through the days of shame that are coming, through the nights of wild distress,
Though your promise counts for nothing, you must keep it nonetheless.
You must keep it for the captain whose ship has not been built. for the mother in
Confusion her cradle still unfilled.
For the heart with no companion, for the soul without a king, for the prima
Ballerina who cannot dance to anything.***

* Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, 276

**Versta me niet verkeerd: ik wil me op geen enkele manier met Leonard Cohen vergelijken en al zeker niet als dichter. Het gaat om een manier van in de wereld zijn. Maar zelfs mijn vorm van afwezig zijn, van onzichtbaar zijn is niet vergelijkbaar. Voor Leonard Cohen heb ik alleen maar respect. Voor mezelf? Dat denk ik niet. You’re invisible now, you got no secrets to conceal.

***Leonard Cohen, Heart With No Companion

THE TIME IS OUT OF JOINT

tijd

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (hoofdstuk 11)

Dag 8: 9 november 2016

Met welk persoonlijk voornaamwoord deze dag te lijf gaan? Ik, jij, wij? Aangezien het vandaag 19 december is en de dag in kwestie 9 november zouden wij de eerste persoon meervoud kunnen gebruiken: niet alleen ik of jij weet wat er die dag is gebeurd, iedereen weet het, we weten het met z’n allen. De uitslag ligt onherroepelijk in het verleden. Een voorwerp dat stuk is kan soms nog worden hersteld, een gebeurtenis in het verleden kan niet ongedaan worden gemaakt. Wat was was, wat niet hetzelfde is als wat zal zijn, zal zijn.

Wij werden samen wakker, maar niet allemaal tegelijk. Ik ontwaakte uit een onrustige slaap, moe en futloos. Ik vroeg me af of er nog van die heerlijke winkels voor bureaubenodigdheden zouden bestaan maar kon er mij geen enkele voor de geest halen. Straks eens opzoeken, dacht ik. En dan drong het tot me door. Tot mij ja, want ik was alleen; Laura was op visite bij haar zus. Eigenlijk wilde ik er niet over nadenken, ik wilde het zelfs niet weten. Want ik had een voorgevoel, sterker dan de voorbije dagen. Ik wist bijna zeker wie het geworden was, die verdomde president-elect. Ik wilde niet uit ons bed komen en naar de keuken gaan om op de radio mijn voorgevoel te horen bevestigd worden. Geen radio vandaag, geen televisie! Nee, ik bleef lekker liggen. Lekker? Helemaal niet lekker, wel ongemakkelijk, bitter gestemd, boosheid in mijn ziel. Woede. Razernij. Terwijl ik nog niets wist. Na ongeveer een half uur begon ik toch wat hoop te krijgen. Zo gaat dat altijd bij mij. Eerst de hel, dan het purgatorium, dan (heel af en toe) het paradijs. Hoewel ik geen bewonderaar ben van Hillary Clinton, wel integendeel, hoopte ik toch dat niet hij maar zij de overwinning behaald zou hebben. Better the devil you know than the devil you don’t. Hoewel je natuurlijk nooit iemand echt kent, zeker de duivel niet. Op het nachtkastje ligt bijna altijd mijn smartphone. Die zette ik aan en om niet meteen met meningen en opinies overvallen te worden ging ik eens kijken op Instagram. Daar zie je weinig tekst en hoor je weinig geleuter. Trump. Donald Trump.
Ik blijf de hele dag in bed, dacht ik meteen. Mij krijg je er niet uit. Ik maakte een foto van mijn dekbed en postte die op Instagram, met als onderschrift “Feeling miserable on a miserable day. Better stay in bed. #trump #depression #elections #americanelections #usa

Henry_David_Thoreau_-_Dunshee_ambrotpe_1861.jpg

Een half uur later zat ik aan het ontbijt (ik was nog altijd alleen, maar voelde toch al een heel sterk ‘wij’) en hoorde Van Morrison zingen: “It ain’t why, why, why, it just is”. Die stem, die woorden gaven me wat moed. Ik nam mijn dagboek en schreef dit:
“”It ain’t why, why, why, it just is” hoor ik Van Morrison zingen. Het enige juiste antwoord? “It just is.” Waarom zou je je opwinden over iets dat nu vaststaat, dat onherroepelijk is, iets wat de hele wereld nu weet, een voldongen feit. Daar is toch niets meer op af te dingen? De strijd is gestreden en verloren. Eerst wilde ik de hele tijd in bed blijven liggen, maar dat heb ik nooit gekund, tenzij in geval van ernstige ziekte of zware kater. We moeten ons verzetten, het ‘andere’ Amerika – dat niet alleen geografisch bepaald is – moet zich verzetten. Denk aan Henry David Thoreau: civil disobedience, burgerlijke ongehoorzaamheid. De schunnige varkenskop is geen legitieme president, geen president voor alle Amerikanen, zelfs niet voor de meerderheid. “It just is”, maar dat betekent nog niet dat we ons bij die stand van zaken moeten neerleggen.”

Wat later las ik bij David Van Reybrouck het volgende:
“De wereld is er sinds vannacht een stuk onzekerder op geworden. Dit is niet alleen een electorale aardverschuiving, maar ook een geopolitieke landslide. De verkiezingsuitslag van vannacht zal naschokken door de hele wereld sturen en de kaart van decennia-oude allianties hertekenen. De verhouding tussen Europa en Amerika zal grondig veranderen. Mogelijk betekent het het einde van de Europese Unie: rechts-populisten ruiken hun kans om de Unie verder uit te kleden. De positie van Amerika als dominante speler op het wereldtoneel zal wijzigen. De verhouding Amerika-Rusland zal een nieuwe fase binnengaan. Syrië wordt het strijdperk waar die nieuwe krachtsverhoudingen zullen worden uitgeprobeerd. Het Midden-Oosten zal hertekend worden, met nieuwe machtsevenwichten tussen Turkije, Iran, Saoedi-Arabië en Egypte. “

Meer muziek om mij wat op te monteren, om mijn woede te ‘kanaliseren’! Zonder veel vreugde of strijdlust te voelen beluister ik ‘There’s a Riot Going On’ van Sly & the Family Stone, ‘What’s Going On’ van Marvin Gaye, ‘Forces Of Victory’ van Linton Kwesi Johnson, ‘London Calling’ van the Clash. Maar dat “it just is” blijft in mijn hoofd spoken. De muziek die ik hoorde kwam voort uit een geestesgesteldheid die niet veel meer is dan een herinnering. Voltooid verleden tijd. Ze biedt troost omdat ze mooi is en oprecht maar nu hebben we andere liederen, andere kunst, andere vormen van opstandigheid nodig. De eerste bemoedigende signalen vang ik op via het door velen vervloekte facebook. Daar zie ik de eerste dissidente beelden en hoor ik de eerste woorden van protest, van burgerlijke ongehoorzaamheid.

’s Avonds kunnen wij er niet aan weerstaan om naar Terzake te kijken. Daar hebben ze er niet beter op gevonden dan Filip Dewinter en Karel De Gucht als deskundigen inzake Amerikaanse politiek uit te nodigen. Dewinter noemt de verkiezing een “revolutie van de Amerikaanse kiezer”. Gelukkig heb ik bijl noch long rifle. Laura is het zo zwaar te moede dat ze meteen naar bed gaat.

Laten we een oude geest oproepen. Een film uit de gloriedagen van de film. Laten we ons verdoven met een meesterwerk van Orson Welles: ‘Othello’, een aan het waanzinnige grenzende versie, voor een groot deel gefilmd in de Marokkaanse kuststad Essaouira/Mogador. En daarna zien we wel weer. The time is out of joint, maar veel is nog mogelijk. Alles is beslist, maar er is tegelijk nog steeds een zee van mogelijkheden. Want zie je, onder de afvalmaatschappij waar we in leven is de verbeelding nog altijd aan de macht (bij wijze van spreken, want de verbeelding heft de macht op).

Afbeeldingen: M.P.; Henry David Thoreau; ‘What’s Going On’.

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (9)

Jean-Jacques_Rousseau

Dag 6: 7 november 2016

‘L’avenir’ van Mia Hansen-Løve is een sublieme film, met Isabelle Huppert in de hoofdrol. Isabelle Huppert die nog maar eens een keer verrast. Maar hoe kan dat? Iemand die ons al zo vaak heeft verrast kan dat toch niet blijven herhalen? En toch doet ze het. Iedereen die haar van in het begin gevolgd heeft, weet het. Voor mij was het begin ‘Les valseuses’. Het was het slipje van de jonge Isabelle – van haar personage – dat die twee voyous, Patrick Dewaere en Gérard Depardieu besnuffelden. Ik twijfel er niet aan dat Isabelle Huppert zowat ieders favoriete actrice is, of ze is dat toch voor elke denkende mens, man of vrouw, die van mooie, sterke, getalenteerde en intelligente vrouwen houdt.

‘L’avenir’ behoort tot het soort van films dat er voor mij uitspringt. Er wordt een eenvoudige verhaal verteld, met een diepere onderlaag, de fotografie is uitstekend, de dialogen zijn geloofwaardig, er wordt voortreffelijk maar helemaal niet spectaculair geacteerd. Een kleine Franse film par excellence. Met ‘klein’ bedoel ik niets negatiefs, integendeel. Alain Tanner maakte ook zulke films, maar Tanner is wel een Zwitser. Aan Eric Rohmer moest ik ook denken. Je zou deze bepaalde vorm ‘lichtvoetige diepzinnigheid’ kunnen noemen. De filosofische achtergrond van ‘L’avenir’ geeft een extra dimensie aan de film. Rousseau, het katholicisme, Chateaubriand, het radicalisme tegenover het gematigde links van de neo-bourgeoisie (die haar rebellie al lang achter zich heeft). ‘L’avenir’ geeft zin, in de twee betekenissen van het woord. Ik heb alvast zin gekregen om opnieuw Rousseau te gaan lezen, vooral ‘Le contrat social’ en ‘La nouvelle Héloïse’. En alle films met Isabelle Huppert opnieuw (en opnieuw) te gaan zien.

Mevrouw De Block verhoogt de prijs van een aantal geneesmiddelen en wil op die manier “de middenklasse redden”. Net zoals de banken dat willen doen door binnenkort een negatieve rente op de spaarrekeningen in te voeren. De echte middenklasse belegt namelijk. Desnoods leent ze geld om te kunnen beleggen. De economie moet gestimuleerd worden. Het land moet groeien. Volgens Bob Dylan hebben we iets helemaal anders nodig dan duurdere geneesmiddelen en een negatieve rente op de spaarrekeningen om het land te doen groeien:
Well, my telephone rang, it would not stop
It’s President Kennedy callin’ me up
He said, “My friend Bob, what do we need to make the country grow?”
I said, “My friend John, Brigitte Bardot
Anita Ekberg
Sophia Loren
Country’ll grow.”
Bob Dylan – I Shall Be Free

Mogelijk zitten de Amerikanen (en wij met hen) binnenkort met een heel ander soort president dan John Kennedy opgescheept. Een mysogine, racistische, vuilgebekte miljardair. Maar zover zijn we nog niet. Nog even geduld, nog even wat vulgaire verkiezingsshows proberen te ontwijken, nog één keer slapen. Niet dat mevrouw Clinton mijn sympathie krijgt. Ze is dan wel geen racistische, vuilgebekte miljardair, maar ze wordt gesteund door Wall Street (waar onder meer de wapenindustrie thuis is). Maar liever nog een schouwspelkapitalist met enkele progressieve ideeën dan een onvoorspelbare casinokapitalist met niets dan obsessies en stemmingswisselingen.

Op facebook ben ik nu bevriend met Karst Woudstra, een man die ik al zo lang bewonder. Door hem heb ik het werk van Lars Noren leren kennen. Hij heeft mij opnieuw in aanraking gebracht met de (toneel)auteurs waar ik lang geleden al van hield: Henrik Ibsen en August Strindberg. Hij heeft me zonder veel opsmuk of tralala laten zien hoe geniaal beide mannen wel waren – en hoe modern, hoe hedendaags hun werk is. Het was uiteraard ik die hem als vriend vroeg. Een uurtje later aanvaardde hij mijn verzoek. Dat je zoveel van Patrick Modiano houdt volstaat voor mij om ja te zeggen, schreef hij me. (Hij had er dus geen idee van dat ik ook een bewonderaar was van Strindberg, Ibsen, Lars Noren en van de melancholische Karst Woudstra zelf). Een voorbeeld van de theorie van Frigyes Karinthy die ervan uitgaat dat alle mensen via maximaal vijf tussenpersonen en zes tussenstappen met elkaar verbonden zijn (six degrees of separation).

Om één uur, een uur voor de lunch, ga ik een uur rusten. Ik denk nu onwillekeurig aan Nietzsche, die eerst het hoofdgerecht at en pas daarna de soep. Als ik ontwaak weet ik niet welk moment van de dag het is. Ochtend? Middernacht? Het duurt even eer ik weer in de realiteit ben. Weer een uur verspild. De herfst gaat aan me voorbij zonder dat ik er deel aan heb. Ik had veel meer door het raam moeten kijken, naar de bonte herfstkleuren. Wat een decadente uitspraak! Ik had veel meer naar buiten moeten gaan, gaan wandelen in parken, in het Terkamerenbos, in het Zoniënwoud. Ik had me in de herfst moeten verliezen. In plaats van me in de werkelijkheid onder te dompelen sluit ik me er van af, om wat woorden aan mijn laptop toe te vertrouwen (en met potlood aan mijn dagboek), om enkele paragrafen te lezen, om zoals zojuist naar Bruce Springsteens ‘Tom Joad’ te luisteren, om naar een film te kijken.

Voor veel films echter moet je ook de deur uit. Van landschappen blijft bijna niets over op een klein scherm. Van paarden. Van de wijde ruimte. De kleuren van de hemel. Een vlucht wilde eenden. Maar ook van intimistische films als ‘Love’ van Gaspar Noë blijft weinig over. Bij die film moet je de lichamelijkheid kunnen voelen. De huid. Het zweet. Lichaamsappen. Sperma. Speeksel. Op het kleine scherm gebeurt er niets van dat alles en is het een vervelende film. Wat hij waarschijnlijk op het grote scherm ook is, maar dat weet ik nu niet. De beste erotische film vind ik overigens nog steeds ‘Last Tango In Paris’ van Bernardo Bertolucci, met Maria Schneider, Marlon Brando en Jean-Pierre Léaud. Maar dat is niet echt een erotische film: het is een tragedie. Een tragedie waar sommige mensen graag een klucht van zouden willen maken, of een soap. Zoals de soap die nu in de Verenigde Staten gaande is. Maar dat wordt zeer waarschijnlijk een tragedie. Misschien de ergste die wij, die babyboomers worden genoemd, ooit hebben gekend.

Afbeelding: Jean-Jacques Rousseau

 

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (8)

Posada-bike-small_1.jpg

Dag 5: 6 november 2016

Omdat mijn tijd vaker versnelt dan vertraagt, omdat de werking van mijn geheugen aan dat tijdsverloop is gekoppeld, wil ik even terugkomen op deze reeks teksten die ik ‘Tien dagen die mijn wereld deden wankelen’ noemde.

De eerste dag schreef ik dit: “Een uur is kort, tien dagen kunnen lang duren. Tien dagen zijn kort, een uur kan lang duren.” Dat was een nogal intuïtieve vooropstelling, maar ze blijkt nog niet aan inflatie onderhevig te zijn.

En ik voegde er dit aan toe: “Niet alleen grote gebeurtenissen schudden je wereld door elkaar. Neem nu een obsessie: die kan met iets kleins beginnen, met een muggenbeet, met de geur van ether of, al wat groter, met een vlucht wilde eenden, et cetera. Meestal is wat in je omgaat of wat je bepaalt een combinatie van kleine en grote dingen. Zelfs als je het niet wilt leef je toch in de grote wereld. Je zit of staat of loopt altijd rond in een netwerk, een systeem, een macrokosmos. Of je zit gevangen in een web. Soms is het een doolhof, zoals bij Jack Torrance in ‘The Shining’. Daar kom je meestal niet levend uit.” Ook aan die woorden wens ik niets te wijzigen.

De tien dagen begonnen op de kalender op 2 november 2016. Allerzielen. Nu zijn we eenenveertig dagen later. Het mag inmiddels wel duidelijk wezen dat je een kroniek (of noem het verhaal, want er is nauwelijks verschil tussen fictie en non-fictie; het enige verschil, wellicht, is dat je bij fictie de namen van de personages en soms van de plaatsen verandert) niet op die manier kunt afbakenen in de tijd. Alleen al op 2 november 2016 zijn er tientallen, wellicht honderden ‘andere’ momenten – ik heb er geen idee van hoeveel – die tijdsgrens binnengedrongen. Momenten uit 1967, uit 1975, uit 2009, uit 2011, et cetera. Andere momenten die de wereld en mijn leven deden wankelen.
Maar een mens heeft imaginaire grenzen nodig, heeft een leidraad nodig, een structuur, een houvast. Vandaar die tien dagen. Die desondanks niet willekeurig gekozen zijn. We beleven ongetwijfeld een periode van voor onze generaties verontrustende veranderingen, van wereldschokkende gebeurtenissen, van bijna onbegrijpelijke chaos en van verwoestingen van ‘oude waarden’. Met die ‘oude waarden’ bedoel ik niet alleen moraal, politiek, geloof, manieren van samenleven, maar ook dorpen en steden, havens, kanalen en rivieren, heuvels en bergen, weilanden en velden, de hele natuur en de wereld zoals we haar tot vandaag kennen.

neerharen1

Ik droom dat ik op een vaste datum in de zomer, steeds op hetzelfde uur, elk jaar opnieuw met Laura in een gele autobus zit. We rijden elke keer door hetzelfde landschap, een dorpse omgeving – of eerder nog het gebied waar de stad overgaat in het platteland. Elke keer kijken we op hetzelfde moment door het enigszins vuile raam van de bus en zien daar bij een verkeerssignaal Laura staan wachten. Wil ze de straat oversteken of wacht ze op iemand? Of is ze in gedachten verzonken? Achter Laura zien we arbeidershuizen, die er elke keer als we er voorbijrijden anders uitzien. De kleur van de gevels, de grootte van de ramen, de gordijnen. Elk jaar zien ze er slechter uit, groezeliger, meer vervallen. Na een aantal ritten (of jaren) zijn de kleine huizen weg en staat er nieuwbouw. Maar het verkeerssignaal staat er nog altijd en ook Laura, die zelf niet verandert. De laatste rit voert ons naar een gigantisch grasveld, zo groen dat het pijn doet aan de ogen. Daar stappen we uit. Ver weg, ongeveer in het midden van het grasveld, zien we kleine rode stipjes, niet groter dan onzelievevrouwebeestjes (sommigen gewagen van lieveheersbeestjes; vroeger werden de diertjes ‘freyafugle’ genoemd, vogel van de godin Freya). We weten dat dat onze twee rode koffers zijn, waar we al lange tijd naar op zoek zijn. De koffers zijn open, zegt Laura. Ja, zeg ik, deze keer heb ik ze opgelaten. Waarom, vraagt Laura. Dat weet ik eigenlijk niet, zeg ik. Zo’n groot grasveld en dan die koffers openlaten, zegt Laura. Tsja, zeg ik.

tijd,geheugen,ruimte,gebeurtenissen,wereld,kalender,tien dagen,fictie,non-fictie,namen,personages,momenten,chaos,verwoestingen,droom,bus,laura,onzelievevrouwbeestjes,freya,herhaling,grasveld,koffers,rood,geel,robert musil,schrijver,hubert van herreweghen,dichter,kleuren,saudade,portugal,dood

Op 6 november 1880 werd in Klagenfurt Robert Musil, een van mijn uitverkoren schrijvers, geboren. Eergisteren overleed in Dilbeek de Vlaamse, katholieke dichter Hubert van Herreweghen. Dat vernam ik vandaag. En van hem vond ik deze woorden terug:
“Mijn kinderen hebben nooit geweten dat ik verzen schreef. Ik las mijn verzen niet hardop. Poëzie moet je in je horen. Het hele klankspel binnensmonds – met medeklinkers en zo – lijkt op kleuren. De zang maakt duidelijk hoe het in de ziel van de dichter toegaat. Over de zang van Anton van Wilderode heb ik ooit gezegd: drink eens een borrel, dat er wat leven inkomt. Het was al prikkeldraad en doornen waar je tegenaan schuurde. Schreeuwen tegen het bestaan – innerlijk althans – heb ik voor het laatst gedaan met mijn gedichten over Portugal (Van Herreweghen maakte er een reis in 1949, red.). Ik hoorde daar Amália Rodrigues, werd getroffen door de saudade (weemoed) van de fado en heb daar gedichten bij geschreven. Dat was pas schreeuwen: machteloze revolte. Er werd muziek op gezet.””*

*Brussel Deze Week, 24 1 2008

 

 

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (6)

2016-10-27-avignon-lyon 034

Dag 3: 4 november 2016 (avond/flashbacks)

“De woorden barbaar en barbarij zijn kwaadaardige en gewaagde woorden en ik durf ze niet zonder uitleg vooraf te gebruiken: en als het waar is dat de Grieken de tongval van uitheemse volken aanduidden als gekwaak en daar dus dezelfde uitdrukking voor gebruikten als voor kikkers, dan zijn barbaren kwakers – zinloos en lelijk gebrabbel. Gebrek aan esthetische opvoeding.”*

4 november 1800.Thomas Jefferson, een wijnkenner, wordt tot 3de president van de Verenigde Staten verkozen. De Amerikanen beschouwen Jefferson als de geestelijke vader van de Verenigde Staten. Hij ontwierp de grondslagen van hun natie: alle mensen zijn gelijk geschapen, volkssoevereiniteit, het recht op verzet tegen de overheid wanneer die zich zelf niet aan de wet zou houden, en het natuurlijke recht op individuele vrijheid, leven en het nastreven van geluk (the pursuit of happiness). Deze basiswaarden had hij voor een deel opgedaan uit geschriften van de Britse Verlichtingsfilosoof John Locke, bij wie hij het principe ‘natuurrecht’ vond. Spinoza was daarbij ook een inspiratiebron. Maar wacht even. Voor Jefferson waren de Indianen (‘native Americans’) kennelijk niet ‘gelijk geschapen’. Jefferson was een van de bedenkers van de Indian Removal Act. Zijn eerste stappen om de Indian Removal Act te promoten zette hij tussen 1776 en 1779, toen hij adviseerde om de Cherokee en de Shawnee van hun grondgebied te verdrijven naar het gebied ten westen van de Mississippi. Was de uitroeiing van de Indianen geen genocide? Amerikanen blijven daar nogal stil over (er zijn uitzonderingen). Heel lang geleden, toen ik nog niet kritisch denken kon, heeft Hollywood geprobeerd mij in te prenten dat zij wilden waren, geen echte mensen, eerder barbaren. En is daar sindsdien veel veranderd? Wie lag vorige nacht wakker van Standing Rock? Een handvol neo-hippies, kunstenaars en muzikanten, dat wel. Waaronder Maria McKee, de fantastische zangeres die korte tijd veel succes had maar nu al lang zo goed als onzichtbaar is geworden, with no secrets to conceal.

4 november 1918. In Duitsland begint de Novemberrevolutie. Eind oktober plande de marineleiding eigenmachtig om de Duitse vloot tegen de Britse Royal Navy ten strijde te laten trekken. Ook al kon Duitsland de oorlog niet meer winnen, moest de vloot ten minste in een heldhaftige laatste slag ondergaan. De betrokken zeelui en mariniers zagen het echter niet zitten dat ze zich voor een verloren oorlog nog moesten opofferen: ze verzetten zich tegen dit plan en kwamen in opstand. Om hen te vertegenwoordigen kozen ze raden, de Arbeiter- und Soldatenräte. Deze beweging begon op 4 november in Kiel, Wilhelmshaven en andere havensteden en zette zich door in vele Noord-Duitse en later ook Zuid-Duitse steden. In Beieren werd zelfs de koning afgezet en de linkse sociaaldemocraat Kurt Eisner riep op 7 november in München een socialistische republiek uit.

4 november 1948. T.S Eliot, een van mijn uitverkoren dichters, won de Nobelprijs literatuur. Dat was nog eens wat anders dan die Bob Dylan van nu. Een echte dichter! En vooral: hij zou tijdens een banket met vertegenwoordigers van de upperclass, bankiers en andere dieven, kortom: de nieuwe rijken, niet uit de toon vallen.
“With a bald spot in the middle of my hair —
(They will say: “How his hair is growing thin!”)
My morning coat, my collar mounting firmly to the chin,
My necktie rich and modest, but asserted by a simple pin —
(They will say: “But how his arms and legs are thin!”)”
Maar laten we aannemen dat deze verzen niet autobiografisch zijn, de titel van het gedicht is immers ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’.

4 november 1956.  Sovjettroepen trekken Hongarije binnen om de Hongaarse opstand die op 23 oktober begon, de kop in te drukken. Duizenden komen om, meer raken gewond en bijna een kwart miljoen mensen verlaten het land. Ik herinner me Mitzi, de moeder van mijn uitverkoren vriendinnetje, Henrietta P. Mitzi was een Hongaarse, aan haar keukentafel proefde ik voor het eerst paprika en goelasj. Uit haar mond hoorde ik voor het eerst het woord poesta en zo kwam ik ertoe van wilde paarden te gaan dromen. Zo werd Budapest later een van mijn uitverkoren steden. Maar dat is allemaal voorbij. Wie reist er nog af naar een land waar een fascist de scepter zwaait? Overigens is dat niets nieuws. Ooit hadden daar de Pijlkruisers (Nyilaskeresztes Párt – Hungarista Mozgalom) het voor het zeggen, een fascistische bende. Hun tegenstanders, communisten, joden werden aan de Donau langs achteren in het hoofd geschoten en vielen vervolgens voorover in de Donau. Ik kan me voorstellen dat er bij die opstandelingen van 1956 nogal wat van die Pijlkruisers betrokken waren. Maar rechtvaardigt dat de inval van de het Sovjetleger?

2016-11-20-thuis 022.JPG

4 november 1958. Kroning van Paus Johannes XXIII in Rome. Toen was ik een katholieke jongen, die elke dag naar de mis ging. Ik hield van onze Paus. Hij was de beste mens van de wereld. Was hij wel een gewone sterveling? Hij was de plaatsvervanger van god. Alles wat hij zei was waar. Hij kon zich niet vergissen. En zelf vergiste ik me zo vaak. Soms denk ik dat mijn hele leven een aaneenschakeling van vergissingen is. (“Once a Catholic, always a Catholic”, schrijft Bruce Springsteen in zijn autobiografie ‘Born To Run’.)

4 november 1995. Na een vredesdemonstratie te hebben bijgewoond, wordt in Tel Aviv premier Yitzchak Rabin dodelijk gewond door een extreemrechtse Israëlische schutter. Onlangs in Avignon zag ik een tentoonstelling over die aanslag. Van de Israëlische filmregisseur/beeldkunstenaar Amos Gitai. “Can there be a naive modern art? It seemed to me that without the naivete still found among children and old people and, to some extent, in ourselves, the work of art would be flawed. I tried to correct that flaw.” (Amos Gitai)

4 november 1995. Ook in 1995 overleed op 70-jarige leeftijd Gilles Deleuze. Het verlangen is geen tekort, maar een productieve kracht. Deleuze maakt een eind aan zijn leven door uit het raam van zijn appartement te springen. Ik herinner me mijn worsteling in 1974 met ‘L’anti-Oedipe’ (van Gilles Deleuze en Félix Guattari). Ik herinner me zijn extreem lange nagels. Ik herinner me mijn experimentele – volgens mijn toenmalige beste vriend Jos ‘onleesbare’ – teksten ‘Anastasis’ en ‘Stasis’ – en nu moet ik huilen omdat een andere goede vriend, Paul Rigaumont, die mij aanmoedigde in mijn experimenten, mij vlak voor zijn dood, vorig jaar, schreef dat hij van mij geleerd had grenzen te overschrijden in schilderkunst en literatuur en zijn eigen weg te gaan.

paul rigaumont.jpg

Afbeeldingen: A. in Avignon; Paul Rigaumont leest voor uit zijn Anekdota.

*Nietzsche, Nagelaten fragmenten 1, 19 [313]

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (5)

2016-10-27-avignon-lyon 043

Dag 3: 4 november 2016 (voormiddag)

Als je een halve dag in bed ligt, het hoofd zwaar van teveel drank, kan het lijken alsof er buiten je slaapkamer volstrekt niets gebeurt. Misschien is het ook wel zo, misschien is de wereld en alles wat gebeurt slechts een voorstelling die wij ons maken. Maar ik geloof het niet. Als kind was ik bang voor overstromingen, politieagenten en de Bom. Niets wat ik zelf bedacht joeg me angst aan, alleen wat van buiten naar binnen kwam. Het is daarom best van al je voor de wereld af te sluiten, niets tot je te door te laten dringen, in je verbeelding te leven, naar je eigen muziekje te luisteren. Maar dat is een ijdele, onleefbare droom. In werkelijkheid ben je altijd met alles en iedereen verbonden.

Na deze overwegingen tijdens een laat ontbijt was ik nieuwsgierig geworden naar wat er gisteren en deze voormiddag zoal gebeurd was. Ik herinnerde me een gedicht van Lawrence Ferlinghetti, “The world is a beautiful place”:

“The world is a beautiful place
to be born into
if you don’t mind happiness
not always being
so very much fun
if you don’t mind a touch of hell
now and then
just when everything is fine
because even in heaven
they don’t sing
all the time”

(Maar opgelet, wat hier staat is niet het hele gedicht.)

In Wenchang, op het eiland Hainan in China, wordt een zeer krachtige raket gelanceerd, de Long-Mars 5. Met de lancering van de Long March 5 hoopt China Europa en Amerika in te halen. De Long March 5, waaraan ruim vijftien jaar is gewerkt, is de grootste raket die China ooit heeft afgeschoten en geldt als het vlaggenschip van een nieuwe generatie Chinese raketten. Wereldwijd kent de raket slechts één evenknie: de Amerikaanse Delta IV.

Een vrouw in haar appartement na een explosie in een gebouw in Dyarbakir in Turkije. Als ik het goed voorheb is Dyarbakir het centrum van de Koerdische minderheid in Turkije. Mijn vriend J. zal er mij meer over weten te vertellen. Om sentimentele redenen voel ik me verbonden met Turkije, voornamelijk met Istanbul, maar ik weet weinig over het land en ben er nooit geweest. Lang geleden, in het najaar van 1969, wilde mijn broer met mij naar Istanbul rijden om er eindelijk Helena te ontmoeten, maar toen was het voor mij al te laat. Ik had mijn hart in Brussel verloren.

In 1966 waren er op 4 november grote overstromingen in Venetië en Firenze. Ik herinner me foto’s van mensen die boeken uit bibliotheken redden als waren het drenkelingen. Nu, vijftig jaar later, kan ik me dergelijke vormen van heldhaftigheid niet meer voorstellen. Maar vergeet niet dat je nooit cynisch mag worden. Jan Fabre waarschuwt daar ook voor. Als je cynisch word is het met je menselijkheid gedaan. (Hoewel ik geen bewonderaar ben van Jan Fabre, eerder integendeel, voel ik toch een grote verwantschap met hem. Ik denk dat Jan Fabre degene is die ik wilde worden, maar niet geworden ben. Daar moet ik eens goed over nadenken.)

Ik zie dat ik al op de vlucht ben voor het heden. Maar zal ik aan het verleden meer genoegen beleven? Die overstroming in Florence en Venetië voorspelt alvast niet veel goeds.

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (4)

le coq.jpg

Dag 2: 3 november 2016 (avond)

Zal ik je Sylvia noemen? Zoals Sylvia Plath en Sylvia Kristel. Nee, dat zijn geen goede voorbeelden, daar rust een vloek op. Gewoon Sylvia*. Sylvia, de vrouw die uit het woud komt. Of die uit de zee opduikt, net als Venus, met alles erop en eraan. Zoals ‘Sylvie’ van mijn geliefde Gérard de Nerval. Hoewel op hem ook al een vloek rustte. De vloek van de liefde, die hem van het theater naar het gekkenhuis van Esprit Blanche en zijn zoon Emile voerde en die hem in al zijn fataliteit opwachtte in de rue de la Vielle-Lanterne, de donkerste steeg van Parijs.

Na het bezoek aan de therapeute zat ik op je te wachten in café Le Coq, de plek waar ik ongeveer twintig jaar geleden meermaals tot diep in de nacht zat te praten met Josse De Pauw, een man die nooit dronken scheen te worden. Met een stem die altijd even genadeloos meevoelend bleef, hoeveel hij ook gedronken had. Niets dan ware woorden kwamen uit zijn mond. Ik heb hem destijds voorgedragen als laureaat voor de Arkprijs van het Vrije Woord, maar in Antwerpen schenen ze Josse niet te kennen of niet te waarderen. Het was een vergeefs pleidooi, zoals dat voor de Beursschouwburg en de KVS, instellingen waarvan de namen bij de meeste (niet alle) leden van het Arkcomité het koud zweet deden uitbreken. Alsof Brussel een andere, wilde wereld was, duizenden kilometers ver verwijderd van de beschaafde Vlaamse metropool. Overigens denk ik dat er wat dat betreft niet bijster veel veranderd is. Maar naar mijn pleidooien werd ook niet geluisterd omdat ik maar een kleine man was in dat comité, en ik ben er niet lang gebleven.

Als je in Le Coq binnenkomt, Sylvia – na zo lange tijd – word ik voor een ogenblik een verlegen kind. Maar ik herpak me gauw en omhels je en jij omhelst mij. Vriendschap is elkaar zo omhelzen dat je elkaars hart kunt voelen kloppen, las ik ergens. Ik vond het wat melig, maar als ik er nu over nadenk kan ik de uitspraak alleen maar beamen. In ‘The Leftovers’ zag ik dan weer omhelzingen die me de daver op het lijf joegen. Iets is nooit helemaal dit en nooit helemaal dat.

(Ik geloof dat ik de rest in derde persoon moet vertellen, Sylvia. Maar ik vind het moeilijk over je te schrijven alsof je een object bent. Ik kan je niet objectiveren. Lang geleden, in de jaren tachtig, kon ik mijn boezemvriend Joseph ook niet objectiveren. Als we samen waren versmolten we met elkaar, omdat onze woorden en zinnen met elkaar versmolten; soms wisten we niet eens wie wat had gezegd. Een vriend is een ander zelf, zei ik zo dikwijls tegen Joseph. Maar die versmelting gebeurde ook als we zwijgend zaten te luisteren naar een lied op de jukebox. Ik herinner me nu opeens “Bad Case of Loving You (Doctor, Doctor)” van Robert Palmer. Met jou heb ik hetzelfde. Niet meteen, maar toch al na een eerste glas Orval. Ik heb het gevoel dat we één worden in een soort van zachte razernij. Het is erg moeilijk om dit te beschrijven, om aan wat ik voel als ik bij jou ben recht te doen. Ik denk dat we zoals in de droom die ik vorige nacht droomde opnieuw kinderen worden, onschuldig en op een ongevaarlijke manier barbaars. We worden geheel zinnelijk en geheel geestelijk, maar tegelijk verheffen we ons daarboven. We worden heilig. Een andere woord kan ik niet vinden. Een heilige kent geen begeerte. De tijd valt stil, wat aan kitsch doet denken, maar het is de waarheid. De tijd valt stil. De begeerte heb ik niet op stoïcijnse wijze uit mijn leven verbannen. Ze is niet helemaal weg: ik voel nog liefde. Vriendschap is ook liefde, dat heb ik altijd gedacht en dat doe ik nog steeds. Laat me wat er tussen ons bestaat diepe vriendschap noemen, zielsverwantschap, ook al zijn we man en vrouw en is er altijd de seksuele onderstroom, de slang die in het paradijs rond de boom van goed en kwaad slingerde, om het wat bijbels uit te drukken. De mogelijkheid van de val blijft altijd bestaan. En dat is goed, want dat maakt mensen van ons, dat maakt ons kwetsbaar. Denk nu niet dat ik al deze dingen denk als ik met jou in Le Coq of in een ander café een glas bier zit te drinken.)

Bij nader inzien vind ik het toch geen goed idee om dit gedeelte in de derde persoon te schrijven. Weet je wat, ik zal me bij de eerste persoon in de tegenwoordige tijd houden, maar ik noem je Irina Vega. Dat heb ik eerder ook al eens gedaan. Of meerdere keren. Ik gaf je ongetwijfeld nog andere namen. (Door altijd maar namen te veranderen weet ik niet meer wie wie is. Was de ‘echte’ Irina Vega geen pornoactrice? Heeft Uvi, de vriend die ik nooit gezien heb, me daar niet een keer op gewezen?)

‘Zullen we niet aan de overkant gaan zitten’, vraag ik.
‘Waarom’, vraag je.
‘Je zegt dat ik altijd op dezelfde plaats ga zitten’, zeg ik.
‘Ach, dat meende ik toch niet’, zeg je.
‘Goed dan blijven we hier zitten’, zeg ik.

Hoe heilig we ook mogen wezen, er is onrust, angst, bitterheid in ons. De bitterheid drinken we weg. We drinken veel meer dan goed is voor ons als we samen zijn. Waardoor ik het nu moeilijk heb om me nog meer dan wat details van onze gesprekken te herinneren. De onrust verdrijven we door van Le Coq naar Daringman en van Daringman naar Bonsoir Clara en van Bonsoir Clara naar de Archiduc (waar het ongezellig en veel te duur is) en van de Archiduc naar Lord Byron te verhuizen. Onophoudelijk pratend en lachend. Visconti is het hoofdthema van de avond. Irina zag onlangs zijn ‘Il gattopardo’, met Burt Lancaster en Claudia Cardinale en Alain Delon.

‘Wat haat ik Alain Delon’, zeg ik, ‘maar hij blijft een uitstekend acteur.’
‘Destijds, zeker tien jaar geleden vond ik ‘Il gattopardo’ vervelend’, zeg je. ‘Maar nu zag ik een meesterwerk en niets verouderd. Die eenzaamheid!’
‘Ik vind ongeveer alles van Visconti vervelend’, zeg ik. ‘Vroeger, nog veel langer geleden dan jij, misschien was je nog niet geboren, zag ik in het filmmuseum en op het Ritcs heel wat van zijn films. De eerste was ‘The Damned’. Ik was meteen gewonnen. Nazi’s, decadente industriëlen, perverse seks, net wat ik als negentienjarige nodig had. Met Helmut Griem en Helmut Berger, geloof ik. En al de rest, ‘Senso’, ‘Dood in Venetië’… Allemaal meesterwerken waren het. Door Visconti ben ik naar Mahler gaan luisteren. Maar dat is allemaal voorbij. ‘Rocco en zijn broers’ probeerde ik onlangs nog eens te bekijken. Na een half uur afgezet. Zo vervelend.’

‘Helemaal niet vervelend’ zeg je, ‘een prachtige, prachtige film. Dat feest dat moet je toch goed vinden!’
‘Zo ver zal ik niet geraakt zijn’, zeg ik. ‘De enige film van Visconti die ik nog goed vind is ‘Ossessione’’ zeg ik. ‘Maar waarschijnlijk komt dat door mijn fascinatie voor James Cain. Hoewel Visconti die bron niet vermeld heeft.’
‘Ik denk dat ik die niet goed vond’, zeg je.
‘Dat kan niet’, zeg ik. ‘Dan heb je hem niet gezien’.
‘Gaat het over die Griek en zijn vrouw en hun baanrestaurant en de zwerver die roet in het eten komt gooien. En dan vermoorden de vrouw en de zwerver de Griek?’
‘Ja’, zeg ik, ‘dat is hem, loontje komt om zijn boontje’.
‘Rocco en zijn broers’ is veel beter’, zeg je.
‘Heb je Vaghe Stelle del Orso ooit gezien?’
‘Nee’.
‘Die was onlangs in het Filmmuseum. Wat nu de Cinematek wordt genoemd. De idioten met hun idiote benamingen, Villo, Mobib, Bruzz, Bozar… Die wilde ik graag nog eens zien. Maar ik was nog maar eens een keer ziek.’
‘Wat zijn sommige schrijvers toch macho’s’, zeg je.
‘Wat bedoel je?’
‘Je hebt er enkele genoemd in je tekst over Bob Dylan en de Nobelprijs’, zeg je.
‘O ja, daar heb ik me wat laten gaan’, zeg ik.
‘Ik was onlangs op een boekvoorstelling. Een van die schrijvers stelde daar zijn nieuw boek voor. Terwijl hij een zogenaamde erotische passage uit zijn boek voorlas, keek hij de hele tijd in mijn richting. Nu ja, er was niet zo veel volk in de zaal aanwezig’, zeg je.
‘Verbaast me niets’, zeg ik. ‘Ik zou hetzelfde doen. Of misschien net niet, want ik ben daar veel te schuchter voor.’
‘Laten we ergens anders gaan’, zeg je.

Om middernacht moeten de heilige barbaren afscheid nemen. In het leven bestaat er niets moeilijkers dan dat. Maar in beschonken toestand is het wat minder pijnlijk. Alcohol is het zwaarste verdovend middel.

Hoe we naar huis terugkeren? Per trein? Per taxi? Te voet? Wankelend en zingend? Of huilend? Vind je niet dat dat een mysterie moet blijven? Ik ben wel openhartig, maar er zijn grenzen. En elke autobiografie is een opeenstapeling van verzinsels en leugens. Elke schrijver die over zichzelf schrijft is een bedrieger. Of een gokker, een oplichter. Hij beschouwt de wereld als een casino. Vals spelen is toegestaan. Winner takes all.

WinnerTakeAll7.png

*Op Sylvia Sydney echter(herinner je ‘You Only Live Once’ en ‘Fury’, van Fritz Lang), rustte geen vloek. Ze rookte haar hele leven lang en werd 88.

Afbeeldingen: ‘Il Gattopardo, Luchino Visconti’; Le Coq, Martin Pulaski; ‘Il Gattopardo’, Luchino Visconti; ‘Winner Take All’, Roy Del Ruth.

KERSEN

 

2015-11-09-brussel 052.JPG

Het is niet zo dat ik maar geen onderwerp kan vinden om over te schrijven (of om over na te denken). Als er wat dat betreft al een probleem bestaat is het dat er te veel onderwerpen zijn en dat er te veel tot nadenken stemt. Van dat laatste schrik ik wel even: kan er hoegenaamd te veel zijn om over na te denken? Als je het in zijn algemeenheid beschouwt wellicht niet, maar voor een enkeling, voor een individu is er te veel stof, te veel materiaal, er doet zich te veel voor, er zijn te veel impulsen. Op losse blaadjes, in schriftjes noteer ik allerlei invallen of observaties, ergernissen zijn het jammer genoeg ook vaak – maar wat doe ik daar mee? Het is een toenemende chaos. Toen ik veel jonger was dan nu leefde ik chaotisch maar streefde, veelal onbewust, naar orde. Ik was ervan overtuigd dat die orde er met de jaren zou komen. De orde zou het meesterwerk zijn, waar Bob Dylan over zingt in ‘When I Paint My Masterpiece’. Maar die orde is niet gekomen, en zal nu ook niet meer komen. Ik besef zelfs dat er in mijn leven (en in het algemeen) aanvankelijk veel meer orde was en nu veel meer chaos. De woestijn groeit.
Maar gisteren kocht ik kersen op de markt. Ik stelde vast dat ze als je enige inspanning doet om met smaak te eten, met concentratie, nog steeds dezelfde smaak hebben als ze in mijn kinderjaren hadden. De kersen smaken naar kersen, ze zijn lekker en sappig en zoet. Niet alles valt uiteen in onbegrijpelijke flarden. Er is samenhang in de tijd, ondanks alle ontbinding en entropie. Toch ga ik nu geen gedicht over de smaak van kersen schrijven als er zich alweer een jonge man heeft opgeblazen, dit keer in een straat in een stadje in Beieren. Dat had net zo goed gisteren op de Zuidmarkt kunnen gebeuren, waar ik die kersen heb gekocht. Gelukkig liep daar omdat het vakantie is niet al te veel volk rond. Wat dan weer invloed had op de prijs van die lekkere kersen, dat is ook een samenhang. Een samenhang van chaotische aard, dat wel: wat mij betreft zijn de wetten van het neokapitalisme helemaal geen wetten maar drukken ze de ultieme chaos uit. Datgene waar niemand nog vat op heeft.

Ω

Foto: Martin Pulaski, Brussel, 8 11 2015

EN NU? IS HET NU GENOEG GEWEEST?

belgië2011 030 i love you.jpg

Je vroeg me wat ik dacht van die kop in De Morgen. Dat half Molenbeek  (“de hele buurt”) wist van de aanwezigheid van Salah Abdeslam, dat bijgevolg half Molenbeek op zijn minst passief steun verleend had aan een koelbloedige massamoordenaar, de meest gezochte misdadiger in Europa.  En je vroeg dan ook nog eens of ik geloofde dat werkelijk honderden jongeren in Molenbeek met stenen en flessen naar de politie hadden gegooid tijdens de overmeestering en inhechtenisneming van die zelfde Salah Abdeslam, en, indien ik dacht dat dat de waarheid was, wat ik daar dan van vond. Ik had eergisteravond op televisie een panelgesprek gevolgd waarin Douglas De Coninck, onderzoeksjournalist en schrijver van die kop en het bijbehorende artikel, discussieerde met Veerle De Vos, Dyab Abou JahJah, Sven Gatz en Bart Schols.

Om ongeveer half negen gisteren begon ik aan mijn antwoord op die vragen. Ik had er ’s nachts over liggen nadenken. Ik zou zeker schrijven dat ik mijn mening over Sven Gatz moest herzien. Wat erg dat ik soms zo bevooroordeeld ben, zou ik toegeven. Sven Gatz valt eigenlijk best mee, hij lijkt me meer een socialist dan een liberaal. Hij is sociaal bewogen, zou beter minister van welzijn of sociale zaken dan van cultuur zijn. Over Veerle De Vos zou ik schrijven, had ik me voorgenomen, dat zij ontwapenend is in haar eerlijkheid en directheid. Die vrouwen zijn boos omdat ze niet naar hun kinderen of naar hun woning kunnen. Maar ik ken Veerle persoonlijk; dat ik haar zo sympathiek en intelligent en no-nonsense vind is misschien ook een vooroordeel, dacht ik. Ik had me afgevraagd of ik dat wel zou vermelden, dat ik Veerle De Vos in het echte leven kende. En hoe zou ik de heldere en kritische blik van Dyab Abou JahJah onder woorden brengen? Ooit de baarlijke duivel, nu haast de grote verzoener…

Inmiddels was het negen uur, half tien… Ik had nog altijd niets genoteerd. Even op facebook kijken, even de mail checken… Bomaanslagen in de luchthaven en in metrostation Maalbeek. Doden en zwaargewonden, paniek. Wat ongeveer iedereen wist dat zou gebeuren (zonder er nog veel bij stil te staan) was gebeurd. Ik liep de trappen af, omhelsde A. Daar stonden we dan. In de keuken. Zonder woorden, zonder wat dan ook… Op het terras was wat meer lucht misschien… Maar ook onheilspellend lawaai…  Op de ring, vijf minuten hier vandaan, hoorde ik de ambulances. Alles wat we op de radio hoorden was waar. Dat was de werkelijkheid. Veel werkelijker dan wat ik de vorige avond, na De afspraak, in een film van Kathryn Bigelow over de jacht op Osama Bin Laden had gezien. (Overigens ging ik daar ook over schrijven, en dat doe ik ooit nog wel eens. En over het toeval dat die film, ‘Zero Dark Thirty’, op de avond van de arrestatie van Salah Abdeslam werd uitgezonden).

Ja, op lijn 5 van de Brusselse metro, in metrostation Maalbeek in Elsene, was een bom ontploft of had iemand zich opgeblazen. In datzelfde Elsene logeerde onze Franse vriend Xavier, die maandagavond zijn geliefde tindersticks had zien optreden in de Bourla in Antwerpen en later op de dag met ons naar Leuven zou rijden om er samen met ons nog een concert van tindersticks bij te wonen. De unieke band die wij zo bewonderen, Xavier misschien nog meer dan ik, als dat al mogelijk is. Het zou een heerlijke avond worden, we zouden onze vrienden Deborah en Neil terugzien…  En in de inkomhal van de luchthaven hadden twee of drie mannen zich opgeblazen. Hoe ver verwijderd moet je zijn van jezelf, van je ziel, van je menselijkheid, om dat te kunnen, om dat te willen? Hoe kunnen wij recht spreken over een mens die zich aan al wat menselijk is heeft onttrokken? Het is als recht spreken over vuur of over een stortvloed. Of toch niet? Zijn deze misdadigers alleen maar menselijk, al te menselijk en verdienen ze daarom de allergrootste straf? Maar welke straf kan de tragedie die zij bewerkstelligden ongedaan maken?

Het had nu geen enkele zin meer om wat dan ook te schrijven. Wat hebben woorden vandaag nog voor zin? Kunnen zij gewetenloze mensen een geweten schoppen?  Ik geloof in de kracht van de liefde. Ik geloof dat liefde sterker is dan de dood. Liefde overwint haat. Als je niet in een god gelooft, zoals ik, geloof je toch nog altijd in iets goddelijks, iets wat ons verbindt met elkaar. Die kracht noem ik liefde. Het is het allerhoogste. Maar net als jij weet ik dat we met die kracht geen schoenveters kunnen knopen of het verkeer regelen. Liefde is het allerhoogste; het is echter ook een zwakte. Vooral als we hard en streng, zelfs meedogenloos moeten zijn. Als we niet anders kunnen dan meedogenloos zijn. Meer dan die woorden, die gevoelens, ‘liefde is sterker dan de dood’, vond ik echter niet. En ‘solidariteit’. We moeten solidair blijven, of als we het nog niet zijn moeten we het alsnog worden. Geen tweedracht zaaien, ons niet door tweedrachtzaaiers laten ophitsen. Niet alle mensen zijn slecht. Alleen een kleine minderheid is door en door slecht. Kijk eens hoeveel goeds er gisteren weer naar boven is gekomen! Zoveel kleine en grote helden hebben laten zien hoe goed wij mensen kunnen zijn. ‘Kruisvaarders’ noemt het ongedierte de onschuldige mensen die het in een laffe zelfmoord aan stukken rijt. ‘Kruisvaarders’: onschuldige mensen (mannen, vrouwen, kinderen, baby’s) op weg naar het werk, naar huis, naar familie, naar een welverdiend vakantieoord. Heb ik dan niet het recht om die massamoordenaars ‘ongedierte’ te noemen? Zelfs ‘ongedierte’ is een te poëtisch woord om ze een naam te geven.

bruegel_triumphdeath.jpg

Nee, schrijven had geen zin meer. Niet dat ik er geen zin in had. Ik kon niet. Ik was geestelijk verlamd. Maar misschien zou het concert van tindersticks ons goed doen. Weg uit mijn geteisterde stad, het hellegat aldus Donald Trump. Xavier was gelukkig niets ergs overkomen. Niemand van mijn vrienden en kennissen was iets ergs overkomen. Dat kon ik op de veiligheidscheck van Facebook zien.  “I know the world has changed when Facebook has a Safety Check app…” schreef mijn vriend Gary F. daarover. Omstreeks zes uur belde Xavier hier aan. Ondanks de tragische gebeurtenissen waren we blij elkaar terug te zien. Xavier is een van de liefste mensen die ik ken, een en al voorkomendheid.

Automerken kan ik nooit onthouden, maar het merk van Xavier’s wagen is in mijn geheugen gegrift. En wel hierom. Omstreeks zeven uur vertrokken we richting Het Depot in Leuven. Aan het bijzonder gevaarlijk kruispunt van de oprit van de Grote Ring en de Sylvain Dupuislaan was Xavier een seconde onoplettend. (Er staan geen verkeerslichten, wat toch onbegrijpelijk is.) Hij reed door zonder te beseffen dat er van rechts, uit de Sylvain Dupuislaan, ook auto’s in volle snelheid kwamen aangereden. Eén wagen kon hij vermijden, maar op de tweede, bestuurd door een jonge vrouw, reed hij met zijn rechtervoorkant in. Op de linkervoorkant. Een zware klap maar we waren grotendeels ongedeerd. Ook het meisje in de andere wagen was ongedeerd. Vooral haar auto had veel schade opgelopen. We hebben bijzonder veel geluk gehad, maar tegelijk toch ook veel pech. Voor Xavier was het rampzalig. Hij schaamde zich tegenover ons, hij voelde zich schuldig. Politie kon ons niet helpen: elke agent was nodig voor de terreurbestrijding. Xavier vond dat we best naar huis gingen. Hij moest met de vrouw documenten van de verzekering invullen en wachten op een sleepwagen. Daarna zouden we wel zien. Uiteindelijk heeft onze vriend de taxi naar huis genomen. Hij moest om acht uur op het werk zijn. Een ongeluk gebeurt nooit alleen, zeggen de mensen. Ik geloof dat het waar is.

En hoe het nu verder moet? Met deze mooie stad? Met haar inwoners? Leraressen, leraren, arbeiders, metrobestuurders, restauranthouders, daklozen, vluchtelingen, bejaarden, moordenaars, dieven, goochelaars, muzikanten, museumbezoekers, marktkramers, plantrekkers, publicisten, macho’s, beenhouwers, houthakkers, kwelgeesten, fietsers, bibliothecarissen, vertalers, wegenbouwers, tunnelinspecteurs, rechercheurs, geografen, bedelaars, verkopers, scenarioschrijvers, vetzakken, schoenmakers, prostituees, soldaten, ruziestokers, kleuters, peuters, professoren, dj’s, karottentrekkers, godsdienstwaanzinnigen, zuipschuiten, psychopaten, sopranen, radiologen, tandartsen, boekbinders, straatvegers, verpleegsters, kinesisten, clowns, slotenmakers, loodgieters, advocaten en allerhande ander gespuis. Hoe moet het nu verder? Is het nu genoeg geweest?

belgië2011 243 (2).jpg

Foto’s: Martin Pulaski; reproductie van Pieter Bruegel de Oude, Triomf van de dood (1562).

IS ALLES GENADE?

P1070256

Toen ik soldaat was, in het jaar 1950, lag er met Pasen een halve meter sneeuw, hoor ik een man zeggen. Ik zie hem niet want ik lig op de behandeltafel achter een scherm. 1950, mijn geboortejaar… Ja maar, in welke maand viel Pasen dat jaar, vraagt de kinesiste. In maart, zegt de man. Ondanks zijn vrij hoge leeftijd, toch zeker tachtig, schat ik, klinkt zijn stem niet ouder dan die van een vijftigjarige. Het duurt een tijd eer de gewezen soldaat het vertrek verlaten heeft; last van eenzaamheid waarschijnlijk. Tot hij de deur uit is moet ik achter mijn donkere gordijnen wachten op de kinesiste die aan mijn nek en rug gaat werken. Zelf heeft zij dan weer een schorre stem, ouder dan haar leeftijd. Hoewel zij niet echt een leeftijd heeft, ten minste: ik zie hem niet en kan hem niet raden.
Met streekgenoten spreekt de kinesiste een plat Brabants dialect.
Eigenlijk moet je alleen maar langs het Bracops ziekenhuis lopen, dan de parking (waar altijd auto’s van rijscholen staan) met aan weerszijden mooie oude kastanjebomen, vervolgens de drukke Sylvain Dupuislaan oversteken en een paadje tussen twee flatgebouwen zien te vinden, en dan ben je er: een vergeten straatje in de vierde wereld. In het straatje alleen oude arbeidershuisjes met onpare huisnummers. Met overal rondom razend verkeer. Daar zal de kinesiste met de rauwe stem en het Brabantse accent (dat ik niet echt graag hoor) me van mijn nekpijn verlossen. De meeste genade komt van vrouwen.
Maar dan is er nog het lang niet opgeloste probleem van de ziel. Mijn ziel die liefde nodig heeft. Liefde die ver te zoeken is en niemand schijnt nog te weten bij wie of waar. Als je de logica toepast op de dood van god is er geen liefde meer in de wereld. Voor de plattelandspriester in ‘Journal d’un curé de campagne’, die leeft op een dieet van brood en wijn, is dat een zekerheid. Of toch niet. Bij Robert Bresson kun je nooit zeker zijn. ‘Alles is genade’, zegt de priester op het einde, en dan is hij dood. Het brood en de wijn – en de afwezigheid van liefde – hebben hem de das omgedaan. ‘Journal d’un curé de campagne’ werd gedraaid in 1950, het jaar van mijn geboorte, het jaar dat het met Pasen sneeuwde. Waarna de Koreaanse oorlog begon. Daarna Vietnam, de Zesdaagse Oorlog, het Plein van de Hemelse Vrede – en nu hebben we de vluchtelingen en Isis is ook niet langer een godin-heelmeesteres.

Afbeelding: “met aan weerszijden mooie oude kastanjebomen”, Martin Pulaski

LIEFDE, CYNISME, KLEINE EN GROTE OORLOG

PATTY GRIFFIN AMERICAN KID.jpeg

Eerst de ergernissen. Wie is P.B. Gronda? Hoe lang zou hij nadenken voor hij aan een column begint? En hoe lang eraan werken? In zijn meest recente column in Focus Knack – de eerste die ik van hem lees, ik lees zelden columns – schrijft hij onder meer dat mensen niet van muziek houden voor de muziek en voetbalsupporters niet echt van de voetbalploeg waar zij supporters van zijn. Hij geeft enkele voorbeelden: Oasis, Sufjan Stevens, AA Gent en RSC Anderlecht. “Op een bepaald moment”, merkt Gronda op, “zodra de naam gemaakt is, zijn de liedjes van de band of de prestaties van het team van weinig tot geen belang meer. Het gaat vanaf dan meer over een positie in de maatschappij en het gevoel dat je eigen stem versterkt wordt door een grote machtige entiteit: een rijke voetballer en zijn club, een rockster en zijn band.” Het komt erop neer dat mensen van een bepaald soort muziek, van een bepaalde voetbalploeg houden om zich te definiëren, zich te onderscheiden van de anderen, wil Gronda zeggen, meen ik te verstaan. Wat een cynische psychologie, wat psychologisch cynisme. Moet ik werkelijk geloven dat ik niet echt van de songs en elpees van Tim Hardin, Patti Smith, Neko Case, Jeffrey Lee Pierce houd, dat hun muziek mij niet ontroert, dat het mij alleen om een attitude te doen is, om bij een bepaalde groep te horen en bij een andere dan weer niet. Daar geloof ik niets van. Ik geloof dat muziekliefhebbers echt houden van de muziek waar ze van houden, dat de liedjes van hun muzikale ‘helden’ diepe gevoelens bij hen oproepen, hen omzeggens betoveren. Bij voetbalsupporters gebeurt zeker iets gelijkaardigs, maar op een andere manier. Wel begrijp ik dat er meelopers zijn, maar om dat dan te gaan veralgemenen?

Een paar dagen geleden zag ik auteur/filosoof Bleri Lleshi in De Afspraak – een min of meer onuitstaanbaar programma op Canvas – om er over de liefde te praten. Ik heb zijn boek, ‘Liefde in tijden van angst’, nog niet gelezen, weet hoegenaamd niet of het alleen maar over liefde als agape gaat, of ook over erotische liefde en liefde als vriendschap (en welke andere vormen van liefde er ook nog mogen wezen). Maar ik volg Lleshi in zijn stelling dat de liefde een afdoend antwoord is op de angst die de samenleving nu teistert. Jammer genoeg gaf de arrogante en ook al cynische presentator Bart Schols de schrijver geen enkele kans om zijn stelling te verduidelijken. “Onnozele idioot”, las ik in de lichaamstaal van de presentator, “wat kom jij hier over de liefde leuteren!” Zo vernederend en beledigend was dat, dat ik mij werkelijk zat te schamen. Nog een geluk dat de door het volk beminde psychiater Dirk De Wachter zich achter Bleri Lleshi schaarde. Zo kon ik dan toch met een enigszins rustig gemoed beginnen te kijken naar de wat bizarre film ‘The Shout’ (1978) van Jerzy Skolimowski.

HOPPER OFFICE IS A SMALL CITY.jpg

Gisteren bij IVD ging het over mijn toenemend ongemak wanneer ik me onder mijn soortgenoten begeef. Mijn onvermogen tot small talk. Pijnlijke stiltes, die minuten kunnen duren. Zelfs face to face, wat tot voor kort een genoegen was, worden gesprekken moeilijker, tenzij ik enkele glazen bier of wijn drink. Ik trek me terug in mijn ‘eigen’ wereld, maar welke wereld dat is en hoe hij eruitziet weet ik niet. Niet dat ik al actief banden aan het verbreken ben, maar ik onderhoud de vriendschappen niet, ik blijf in stilte wachten op een af ander teken. Ik praat met haar over depressie en zelfmoord in de literatuur. Daar las ik over in ‘Americana’ van Joost Zwagerman. Ernest Hemingway, Sylvia Plath, William Styron, David Foster Wallace, ze zijn met zovelen. ‘Darkness Visible’ van Styron heb ik destijds twee of drie keer gelezen. Ik herkende mij er gedeeltelijk in – maar ik leed toen zelf aan een depressie, veroorzaakt door een onhoudbare situatie op het werk. Mijn baas nam me een voor een mijn taken en verantwoordelijkheden af, waardoor ik op den duur hele dagen zat te niksen, terwijl ik ernaar snakte dat van mijn gaven, die ik zeker bezat, nuttig gebruik zou worden gemaakt. Dat is echter verleden tijd, vergeven maar niet vergeten. Zodra ik daar weg was, was de depressie ook weg.
Nu herken ik mij in een aantal karaktertrekken en attitudes – bij depressieve schrijvers – die Zwagerman in ‘Americana’ beschrijft. Kwetsbaarheid, niet kunnen omgaan met kritiek, met afwijzing, je in jezelf terug trekken, het gevoel hebben dat je geen gevoel meer hebt, dat niets je nog raakt, zelfs de mooiste muziek niet. Maar een depressie lijkt het nog niet te zijn. Ik sta vroeg op, geniet van het ontbijt, probeer te schrijven, lees verhalen en romans, ben nieuwsgierig naar waar de facebookvrienden mee bezig zijn en wil daar zelf ook dingen delen, kijk ’s avonds naar een film, drink een Rochefort, soms twee. Zo lang als het mogelijk is geen antidepressiva voor mij. Maar ik ben er niet zo gerust in. Het heeft ook niet alleen met mezelf te maken, integendeel. Terwijl ik dit schrijf worden mensen gefolterd, misbruikt, verkracht en gedood, worden steden en landschappen verwoest.

A. vindt de stem van Patty Griffin irriterend, voor mij is ze echter rijk en expressief (niet aangenaam, of mooi, dat niet). Haar stem is die van het harde leven, je hoort er de pijn van de ziel in, verdriet, rouw; maar ze drukt ook hunker, lust, liefde uit. De muzikanten die haar begeleiden voelen elke nuance in haar stem aan en vertalen die naar hun instrumenten, borduren erop verder, en vervolmaken ze – elk in hun heel eigen stijl, wat je bijvoorbeeld hoort in hoe ze de snaren aanraken – tot er een song ontstaat die af is. Een song die, zoals een meanderende rivier in een Amerikaans landschap, perfect is ingebed in een album – in dit geval is dat het juiste woord. Album. Ik heb het over Patty Griffins ‘American Kid’.

 

Afbeeldingen: Edward Hopper, Office in a Small City; Patty Griffin, American Kid.

ELDERS, VANDAAG

IMG_3962.JPG

Ongeveer tien minuten lopen tot aan deze spoorweg die naar elders leidt, naar andere dromen, naar wonderlijke en nare avonturen, voor sommigen naar de dood* die ze willen ontvluchten.

Het ware leven is elders, las ik hier en daar, en als ik elders was – in Flagstaff, in Marrakech, in Salamanca, om het even waar – herinnerde ik mij meermaals die wrede woorden. En op al die plaatsen, in al dat elders,  was het ware leven toch ook weer elders.

Zelden ben je waar je moet zijn, waar je hoort te zijn of waar het goed is voor je. In een hoek met een boek misschien, of in een rode kamer met een geheimzinnige, zinnelijke vrouw, of in een winters bos als het bar koud is en de lucht diepblauw.
Zeker keer je nooit naar 1972 terug, naar Watermaal-Bosvoorde, naar het huis waar je in woonde en gelukkig was. Nooit meer zal je de jasmijnen die je daar uit een van de voortuintjes plukte – ze groeiden overvloedig, je was arm, je richtte geen schade aan – opnieuw plukken, nooit meer die zelfde zoete geur opsnuiven, nooit meer de euforie voelen die je als je daar met je kind wandelen ging voelde.

Gisterochtend, nadat ik door de mist gelopen had en in de metro en in bus 13 gezeten, dacht ik aan die dagen terug, die gelukkige dagen. Ik zat met je te praten, vertelde je over hoe het was om zo jong al vader te zijn, om voor ons kind te zorgen, en over de verrukking die zich in mij voltrok, een jaar eerder, toen mijn vrouw zwanger was en straalde als het heilig meisje dat ze was, hoe aards en aan het dagelijks leven gebonden ook… Hoe verrukkelijk ze was!
En ik vertelde je over de straat die naar beneden liep, de straat met de jasmijnen, over de geur daar in de maand mei, de lucht zoet en zwaar en licht en vol van mogelijkheden en toekomst.  En ik begon te huilen** als het kind dat ik nooit geweest ben, maar wel nog altijd ben. En ik verlangde ernaar door jou getroost te worden, verlangde ernaar dat je even door mijn haren streelde, maar dat deed je niet, omdat het niet mag.

Ja, heel even was ik daar waar ik altijd had willen blijven, in die mooie dagen, in wat nooit lijkt te zijn geweest en misschien ook nooit was. Omdat ook daar en toen het ware leven elders was. En daarom loop ik naar de spoorweg en zie de treinen vertrekken of wandel tot aan de sluis van Anderlecht waar de schepen moeten wachten tot ze weer verder kunnen varen naar elders, waar ze nooit aan zullen komen. Want elders is altijd elders voor altijd en vandaag is altijd vandaag.

Ω

*   Ja, denk hierbij maar aan Isfahan, denk aan ‘De tuinman en de dood’ van Pieter Nicolaas van Eyck.
** “Un Ennui, désolé par les cruels espoirs, /Croit encore à l’adieu suprême des mouchoirs !” (Mallarmé, Brise Marine)


Foto: Martin Pulaski, 4 september 2013

IN DIE GOUDEN TIJD

herinnering,1970,brussel,geluk,eenvoud,goedkoop,sober,mooi,meubelen,appartement,wonen,interieur,dagelijks leven,ecologie
In die gouden tijd, hoewel toen ook de oorlog in Vietnam woedde en op tientallen plaatsen studenten en arbeiders – soms bloedig – onderdrukt werden, was het leven eenvoudig. Toen ik in 1970 samen met mijn vriendin in een appartement aan de Naamsepoort ging wonen richtten we dat in met meubels die we voor een habbekrats aanschaften bij Het Leger des Heils en bij Spullenhulp-Les petits riens. Een bed in massief hout kostte vijftig frank, een fijn afgewerkte stoel, met gevlochten rug en zitting, een tiende van die prijs. Soms waren we zo gek om op die ambachtelijk gemaakte meubelen een laag oranje of gele verf te zetten: ze deden ons te zeer aan het verleden denken, aan de manier waarop onze ouders en grootouders hadden geleefd. Van ons bed zaagde ik het hoofd- en voeteinde af, met liefde vervaardigd handwerk; ik wilde een eenvoudig bed, geen oude poespas. Een appartement of een huis huren was niet duur, als je niet al te hoge eisen stelde. Op auto’s keken we neer, tenzij ze voorkwamen in films zoals ‘Bullitt’ en ‘The French Connection’. In Brussel werd een metro aangelegd, een lijn was al in gebruik genomen (als pre-metro). Er reden bussen en trams. Maar meestal gingen we overal te voet naartoe. Niemand van onze vrienden had telefoon. Er werden geen afspraken gemaakt. Als we bij iemand op visite wilden gaan, liepen we er gewoon naartoe. Waren de vrienden niet thuis, was dat ook niet erg; dan lieten we een briefje achter en wandelden nog wat rond of gingen ergens een thee of een koffie drinken.

Het leven was eenvoudig en goedkoop. Onze verlangens waren waarschijnlijk even ingewikkeld als ze nu nog zijn, maar onze behoeften waren beperkt. Zonder al erg ecologisch bewust te zijn leefden we toch al op die manier. We waren geen verstokte consumenten, aten geen vlees, dronken weinig alcohol, reisden bijna nooit, en als we het toch deden staken we de duim op. De maan en de sterren waren voor ons belangrijker dan televisie en ander spektakel. Zelf gaf ik alleen geld uit aan muziek en boeken. En af en toe kocht ik een paar schoenen of een jeans. Ja, ons leven was eenvoudig in die dagen. En mooi, zoals in een droom waaruit je liever niet al te gauw zou ontwaken. Maar kijk waar we nu zijn. Waar zijn we nu eigenlijk?

Foto: Martin Pulaski, Brussel 1970.

NU DE VOLLE MAAN SCHIJNT IS MIJN DORST GROOT

‘It’s all in your mind’ zingt de zanger. Ik zag de volle maan, bijna als een zon die mij verblindde. Ik stelde mij die zonnige maan niet voor. Zij kwam achter de wolken uit en verdween dan weer, speelde een spelletje met me, zoals een kind dat doet met zijn speelgoed. Ik wilde blijven kijken tot ik bijna blind was, maar dat mocht niet van de donkere wolken. Ik had eerst niets geweten van een volle maan. Ik had bijna de hele dag gesuft en geslapen. Later had ik het vuil buitengezet, zoals de meeste mannen doen. De afwas had ik ook al gedaan. En wat gezellige ruzie gemaakt met mijn vrouw. Niets spectaculairs, de dagelijkse huiselijke taferelen, die overigens met veel begrip en tederheid gepaard gaan. Het is een ritueel dat sommige mensen nodig hebben om te kunnen gaan slapen. Ik stond op straat onder onze boom en zag opeens die ronde volle maan en dacht aan woorden van Paul Bowles. Herhalen wil ik ze niet, ze staan hier ergens in de marge. De volle maan herinnert je, zeker op jouw leeftijd, aan je sterfelijkheid. Omdat er niet zoveel volle manen voorkomen in een mensenleven – zeker niet volle manen die je ook echt ziet en dan nog eens voelt ook.

Geheel toevallig had ik bij het ontbijt een interview met Neil Young gelezen, een man die kennelijk alleen maar songs opneemt bij volle maan. Ik las dat hij in de tijd van ‘Harvest’ geen woorden vond om zijn geluk uit te drukken. Daardoor kwam ‘Out On The Weekend’, een song over gevonden geluk, er heel droef uit, wat tot veel verkeerde interpretaties en misverstanden leidde, ook bij mezelf. Hoe kan iemand droef zijn en tegelijk gelukkig? Iemand die me dierbaar is legde me uit hoe dat mogelijk is. Ruw geschat vijftien volle manen geleden gebeurde dat. Mijn leven is sindsdien veranderd. Ik zie veel dingen anders, in een ander perspectief, de kleuren zien er anders uit, er zijn meer lagen, wat op een impasse leek is een passie geworden.

Hoe vaak is dat niet het geval bij schrijvers, muzikanten, kunstenaars. Ze willen iets roods maken, en het wordt blauw, ze denken aan de blues maar het wordt een elektronische dance song, een gedicht is bijna af en het wordt een roman van duizend bladzijden. Ga zo maar door. ‘It was only a change of the plans’, zingt Neil Young. En ik schenk je glas nog eens vol. We drinken op de idealisten, avonturiers, surrealisten, degenen die plastic bloemen planten in de voortuin van Polanski’s huis. We drinken op het zout van de aarde en op de peper. Ook drinken we op hoe we erin slagen het profiteren en misbruiken om te buigen in werkelijk genot en uitzinnig plezier.

Je weet dat ik graag namen noem. Namen doen een tekst ontsporen. Waarom zou dat niet mogen? Een tekst is geen trein, er zitten geen echte mensen in. It’s all in your mind. Een tekst komt uit de verbeelding, uit het verleden, uit de woorden van oude idioten, uit beelden van andere teksten, uit jouw mond, uit jouw boodschappen en geintjes. Soms denk ik dat een tekst moet ontsporen om echt te zijn. Om niet als een vervelend obstakel de plaats in te nemen van het donkere object van je verlangen. Om de uitdrukking van een obsessie te zijn. Maar ik wijk af. Over obsessies wil ik het niet hebben, omdat ik nog niet meer namen wil noemen. Het moet netjes en overzichtelijk blijven. Je moet voorzichtig zijn. De wet naleven en je rekeningen betalen. Niet uit het oog verliezen wie je vrienden zijn. En de volle maan.

De wet echter weet niets van je avontuurlijke aard. De wet weet niets van je dromen. De wet geeft niet om jou. Voor de wet ben je een nummer, een geval, een case. De wet stuurt je rekeningen, deurwaarders, dokters, gewetensbezwaarden. De wet opereert je, geneest je en laat je weten dat je nog leeft en al of niet gehuwd bent. De wet geeft je een stem zonder waarde. De wet tekent je profiel. Wat betekent de wet dan nog? Nu de volle maan schijnt zou je net zo goed een bedrieger, een dief, een echtbreker, een pistolero, een gaucho, een maanzieke, een zot kunnen worden. Waarom niet? Een pervert, een nymfomane, een heilige, een mankepoot, een zielig figuur, een harlekijn, een kimono my house. Een, een, een.

Zo zit je je dan opeens op straat, zonder iets. Je zingt niet langer. Je zegt niets. Je hebt een bekertje in je handen. Je ruikt naar pis. Je vraagt niet eens meer om geld. Je houdt het bekertje omhoog. Wat geld voor wat bier. Een jonge vrouw die lekker ruikt geeft je een sandwich. Je ogen vochtig. Wat hoesten. Een herinnering van toen je aan een vijver zat te vissen met je vader. Van je vader die zei, wat ben jij een goeie visser. En dan weer terug op de Anspachlaan, uitgeblust met je beker in de hand. Je hand zoals je gezicht rood, opgezwollen. Zingen kun je niet. Je herinnert je geen woorden, van geen enkel lied, van geen enkele conversatie. Hoe heet je zus, je broer, wat is een hart, een alvleesklier, waarvoor dient een milt? Weg met die dingen. Ik wil geen organen. Alleen een euro voor een bier. Nu de volle maan schijnt is mijn dorst groot. Mijn dorst is groot, nu de volle maan op jou schijnt. Begrijp je me nu niet?

VEEL DRUKTE OM WEINIG

Een week die toebehoorde aan the Beatles en veel gepalaver over zin en onzin van een hoofddoekenverbod in België, of is het Vlaanderen, of alleen maar de Metropool, de tweede grootste haven van Europa. ‘Come Together’, dat heb ik de hele week gehoord. En dan was er Daniel Lanois en Trixie en Co, zwart en blank in een innige muzikale band verenigd. Iedereen kon niet anders dan uit de bol gaan, om eens een cliché te gebruiken (het was een mooie maar vermoeiende dag, met altijd de dreiging van die Amerikaanse griep ook nog eens, erg problematisch voor een hypochonder).

Helaas heb ik door heel dat gedoe, en door privé-omstandigheden geen tijd gehad om te schrijven. Mijn handen jeukten en jeuken nochtans. Hoewel ik voor een deel met mijn hoofd in het verleden zit, vind ik dit toch een boeiende tijd om in te leven en om erover te schrijven. Maar nu moet ik naar Gent vertrekken, om het huwelijk van mijn vrienden te vieren. Ik zal hier zo spoedig mogelijk opnieuw van me laten horen.

Intussen kunt u de nieuwe langspeelplaat van John Fogerty een keer beluisteren? Een meesterwerkje.

 

GIN HOUSE BLUES

meisjes in archiduc2

Over de vier seizoenen misschien? Dat de zomer? Of de laatste films, de nieuwste, de beste? Wat  vertelt Zizek toch weer? Ik lees zijn boeken, zoals nu ‘Violence’, en vergeet ze bijna meteen, en ga door met mijn leven. Mijn leven, jouw leven, ons leven. De pathos ervan – hoezeer ik me ook afkeer van elk pathetisch genoegen. Wat moet je anders doen dan doorgaan met je leven? Het is niet dat ik geen plezier beleef. Mijn genot kan immens zijn. Ik kijk overal om me heen en zie vrouwen, rivieren, mooi rood plastic, nieuwe buildings, schoenen steviger en stijlvoller dan sportwagens. Ik hoor John Fogerty, the Great Lake Swimmers, Archie Shepp, Moe Tucker, Bright Eyes (“I keep drinking ink from my pen”), het klinkt allemaal opwindend. All the way to Canada, waar mijn nichtje woont, nu al een oudere vrouw, de – destijds – mooie dochter van nonkel Frans. De familie, een bodemloze put, ik begin er niet aan.

Heb je elkaar nog iets te vertellen, werd je gevraagd. Wie stelt zulke vragen? Theatermakers. Ze moeten hun publiek toch iets vertellen. Vaak leven mensen in vrede naast mekaar, zonder dat ze nog enig contact hebben; ze leven hun eigen levens of bijna-levens, denken ze. Of dat is hun premisse. De premisse van sommige theatermakers. Hoe vals…Dat ze hun eigen huwelijksproblemen analyseren, zoals August Strindberg deed. De country songs – die nu ook John Fogerty weer zingt – vertellen het hele verhaal. Het is eenvoudig: je houdt van elkaar, ziet elkaar graag, en haat elkaar, je verlangt naar het eeuwige leven samen, maar tegelijk wil je de wereld zien en het andere, altijd het andere, dat overal is, behalve hier. Voorbij die berg daar, of nog twee straten lopen en we zijn er.

Daar ben je dan. Lang geleden dat we elkaar nog hebben gezien. Hoe gaat het met je?  Heb je de laatste Tarantino gezien? Drink je nog iets? Je hebt je mooiste blouse aangetrokken. Toch niet voor mij? Een spin die zoveel lawaai maakte… Dat kan toch niet. Een spin hoor je niet. Het moet een rat zijn geweest, zoals in ‘De battre mon coeur c’est arrêté’, een buitengewoon mooie film. Wist je dat hij gebaseerd is op ‘Fingers’, van James Toback. Mijn vriend Jos had me die destijds aangeraden. In oktober 1991 maakte hij er eind aan. Hij had niets meer te vertellen. Het woord ‘dood’ vatte alles samen. Sindsdien probeer ik hem te vergeten, aan mezelf te denken. Maar ik kan niet aan mezelf denken, ik kan niet eens denken.  Als er iets is wat ik niet kan is het denken. Ik kan wel nadenken, maar niet denken. Het spijt me, maar zo is het.

Ik zit graag in cafés om naar mensen te luisteren die ik niet ken. Al spoedig blijkt dat we veel gemeen hebben, dat onze verhalen, onze levens op elkaar lijken. Ik houd van de mensen in de cafés, ik omhels ze, letterlijk of figuurlijk. Soms begrijpen ze dat niet, alsof ik Nietzsche ben en zij het paard, in Turijn. Maar meestal valt het mee. Meestal weten we dat we in dezelfde Sloop John B. zitten, dat we naar huis willen, maar dat we tegelijk niet naar huis willen. Want is er nog wel een huis? Een thuis? Soms denk ik, sinds de dood van mijn grootmoeder en de dood van Brian Jones en dood van Sandy Denny (en al de anderen) is er niets meer dan de bliksem en het verlangen en het gezelschap, de troost van vreemden. Ja, de troost van vreemden, die verwarmt je hart toch nog het meest – ook als je in de koude ochtend al in de armen van je geliefde ligt.

Dronken in de armen van je geliefde heb je haar veel te vertellen. Maar er is geen mens onder de maan of de zon die zulke verhalen zou willen horen. En als dat wel zo zou zijn, zou ik ze niet vertellen. Het zijn verhalen van en voor vreemden. Het zijn verhalen voor de bewoners van het Gin House. Ze hebben de bodemloze put gezien. Ze zeggen, zwijg nu maar, jongen en luister naar dat lied van Nina Simone.

meisje in de daringman2d

Foto’s: Meisjes in de Daringman en in de Archiduc (Brussel), Martin Pulaski, 2009.

HELSE DAGEN, HELSE NACHTEN

metro

 

Vandaag verliet ik, na een week aangename gevangenschap, nog een keer mijn paleis. Vaak, en zeker in de winter, wil ik niet meer dan dat: een gevangene zijn van mezelf, in mijn eigen paleis. Of noem het kasteel, kazerne, labyrint, privé-school, wat je maar wilt, zolang je me het woord ‘gevangenis’ bespaart. Er zijn geen tralies en ik moet niet afrekenen met cipiers. Al ben ik in zekere zin natuurlijk mijn eigen opzichter. Vaak spoed ik me met tegenzin naar de metro, richting stadscentrum. Ik heb na een zevental dagen dank zij ziekte en vermoeidheid een soort dierlijk ritme teruggevonden, en een vreemde wellust heeft zich meester van me gemaakt… Of lijkt het op de rust van een schip aangemeerd in een zomerse haven, terwijl de dokwerkers in staking zijn – maar die situatie weliswaar verinnerlijkt?

Ik stap in de metro en maak me zo smal mogelijk – daarvoor doe ik aan fitness – om tussen twee omvangrijke personen in plaats te kunnen nemen. Wat worden mijn soortgenoten dik! Mij bewegen om een boek uit mijn rugzak te nemen is een ernstig avontuur. Eer het boek op de juiste bladzijde is geopend zijn we halverwege het traject. De letters trillen, wat ik lees dringt maar gedeeltelijk tot me door, maar ik kan op deze manier wel mijn omgeving vergeten. Toch blijf ik me bewust van waar ik ben. Dat ik mijn huis voorbijloop gebeurt af en toe, maar ik stap nooit in een verkeerd metrostation uit. Ach, misschien is het me wel eens overkomen, maar echt niet vaak. Van negen tot zes houdt mijn dagtaak me bezig. Ik moet mijn brood verdienen. Of dacht je dat ik van de hemelse dauw leefde?

’s Middags neem ik lange pauzes: mijn verslaving klopt in mijn aderen, in mijn slapen. Ik moet boeken gaan kopen, cd’s, films. Ik snel van de ene winkel naar de andere en koop tot ik denk, dit gaat te ver, of tot ik niet nog meer gewicht kan torsen. Dan keer ik met plastieken zakken terug naar het werk. Ik probeer zo onopvallend mogelijk naar mijn bureau te lopen, want ik schaam me voor mijn consumptiegedrag. Soms doe ik op magische wijze de schreeuwerige plastieken zakken verdwijnen. Zingend en dansend zien mijn collega’s me dan het bureau binnenkomen. Dat werkt aanstekelijk, ze beginnen ook te zingen, komen naar me toe, omhelzen me, wat ben jij toch fantastisch, roepen ze uit. Wat ben ik dan charmant! Maar lang duurt dat spelletje niet. Het is een afleidingsmanoeuvre. Ik speld hen, jou iets op de mouw.

Als de avond valt keer ik weer naar mijn kasteel, waar ik kleine porties eet van het een of ander. Daarna steek ik de kaarsen aan en schrijf een brief aan een schuldeiser of een doodgewone uitbuiter. Nooit schrijf ik nog liefdesbrieven. Zal dat er niet meer van komen? Ik vergeet de nieuwe aanwinsten te beluisteren, bekijken, lezen. Ik ben te moe, moet rusten.

Denk niet dat ik vergeten ben wat er in Dendermonde is gebeurd. Het is een tragedie. Vreselijk dat mensen en mensenkinderen zoiets moeten meemaken. Een klein beetje snijdt die Joker ook in mijn lijf. Zoals de meeste Belgen heb ik er geen woorden voor. The horror, zei Marlon Brando. Wellicht is dat het beste woord: the horror. Ik probeer me voor te stellen wat de familie van de slachtoffers voelt, wat de familie van de dader voelt, wat de dader zelf voelt. Wat hem bezield heeft, hoe lang hij al met zulke plannen rondloopt. Maar het blijft leeg in mijn hoofd. Ik kijk niet naar de nieuwsuitzendingen, wil de sensatie niet zien, de valse opwinding, het rampenvermaak. ’s Nachts zie ik andere gruwelen, transformaties en metamorfosen van wat ik overdag heb gedacht en beleefd. De slaap van de rede, je weet het. De verdomde slaap van de rede. Op sommige dagen biedt zelfs rock ‘n’ roll geen troost.

 

LEVEN EN DOOD VAN EEN CACTUS

Met pijn in het hart heb ik een meer dan twintig jaar oude cactus in kleine stukken gezaagd; een levend wezen dat ik tot levenloosheid heb herleid. De cactus nam geen water meer op, en verschrompelde. Ook zonder mijn ingreep was hij ten dode opgeschreven. Het onderste gedeelte van de plant, die bijna dezelfde lengte had als ik, was zwart geworden en krom getrokken, maar de bovenkant was (en is) nog mooi groen. Misschien kan ik die groene stukken opnieuw aan het groeien krijgen.
Het is vreemd dat een voorwerp, een ding, je emoties zo sterk kan raken. Natuurlijk houdt dat verband met het verdwijnen, met het sterven en de ontbinding. Een cactus opruimen is misschien wel netjes, maar je beseft tegelijk dat alle leven eindig is en moet verdwijnen. De meeste dingen rondom ons blijven echter langer dan wij, de boeken, de beelden, muziek. Het huis waarin ik woon is in geen al te beste staat, maar ik twijfel er niet aan dat het hier nog zal staan als ik al lang vergeten zal zijn. Er zullen ooit, liever laat dan vroeg, nieuwe huurders komen die niets over me weten, over de gelukkige momenten, over het verdriet, over de honderden teksten die ik hier schreef en de zogenaamd onvergetelijke boeken die ik hier las. Het is goed mogelijk dat die nieuwe huurders niet meer zullen lezen, niet meer geïnteresseerd in film zullen zijn, en ook de zachtheid van de huid zullen hebben afgezworen. Want liefde is niet nuttig en brengt weinig op, tenzij in de prostitutie, zullen zij misschien zeggen. Ik mag hier niet te lang over nadenken, of er zit meteen al een alien in mijn kamer, een slijmerig wezen met scherpe tanden en kleine, lelijke ogen.

Enkele dagen geleden zag ik ‘Umberto D.’ van Vittorio De Sica. Dat had ik beter niet gedaan. Het is een onuitstaanbaar droeve film, met slechts enkele lichtpunten in – en de louterende schoonheid van de beelden, gelukkig. Een gepensioneerde ambtenaar komt niet rond met zijn pensioen en kan de huur van zijn kamer niet meer betalen. In heel Rome is er geen mens die hem kan of wil helpen. Hij heeft maar een vriend, zijn hond Flike, een buitengewoon welopgevoed beest. Er is ook nog het hulpje van de hospita: kennelijk heeft zij enige compassie met de oude Umberto D. Maar zij komt vooral af en toe in zijn kamer omdat ze door zijn raam naar de soldaten aan de overkant kan gluren. Twee van die jonge mannen zijn haar minnaars. Van welke van de twee ze zwanger is weet ze niet, maar ze maakt er zich weinig zorgen over. Op het einde van de film wil de hopeloze, gebroken Umberto D. samen met zijn hond onder een trein springen, maar Flike’s levenslust is te groot: hij doet de poging mislukken. Hoe het dan verder zal aflopen met die twee zullen we nooit weten.

Ik weet niet waarom ik die twee voorvallen hier vertel. Het zullen de donkere dagen zijn, de melancholie die me maar niet los wil laten. En melancholie voedt zich met melancholie, zwartgalligheid wil meer zwartgalligheid, geestespijn wil de donkere wijn van het verdriet drinken. Ik vermoed dat zelfs enkele bloemen van het kwaad me nu zouden kunnen bevallen.

Maar dit is slechts een winter. Er komen altijd weer mooie dagen. Spoedig zal het weer lente zijn en voor het zover is zal ik vrienden en geliefden ontmoeten. Ik zal de wijn drinken van het plezier en me laten ontroeren door de mooiste muziek die ik ken, zoals nu al door Neil Youngs in 1968 opgenomen ‘Sugar Mountain’. En ik zal terugdenken aan de mooie momenten van 2008. Ik leg me nog niet neer in de sneeuw en ben evenmin zinnens een paard te omhelzen in de straten van Turijn.

 

HEEFT ARNON GRUNBERG ZWEETVOETEN?

2008 mp

Wat heb ik toch uitgespookt de voorbije weken, sinds ik terug ben uit Berlijn? Er zijn gaten in mijn geheugen, dat is niets nieuws, tenzij de nieuwe gaten. Ik probeer te ontwaken uit een lange nachtmerrie; ik wil mijn helse tocht een halt toeroepen. Ik liep vaak door lange donkere gangen, bevond mij in huizen zonder kamers, grote ruimtes volgestouwd met ongeveer alles wat ik in mijn leven ooit heb gezien of in mijn handen heb gehad. Vrouwen wilden mij verleiden, en ik zou geen enkele weerstand hebben geboden, maar ze veranderden van de weeromstuit  in brandende toortsen. Ik sloeg weer op de vlucht, mannen met slechte bedoelingen zaten achter me aan. Messen, revolvers reflecteren een flauwe zon. De stralende kleuren van surreële parken, waar rust heerst. Gezichtsbedrog. Om mij heen stort de wereld in. Ik kijk in de spiegel en zie mezelf snel verouderen. Mijn stervende vader kijkt me met droeve ogen aan.

Ik ging geregeld naar de Delhaize, kocht er zongedroogde tomaten, brood, wijn. Aan de kassa’s waren de meisjes vriendelijk, onvriendelijk, onverschillig. Ik scheer me niet. Weer zo’n schooier, denken ze. Nochtans koop ik geen Duvels, geen trappisten, alleen rode wijn om mijn bloed sterker te maken. Fruit eet ik niet, ik drink het. En elke morgen een flesje Omnivit Tonic. Daarna spoel ik met een glas water een Pharmaton caplet door. Als ik niet moet gaan werken lig ik enkele uren later weer uitgeput op de sofa.

Op de linkeroever, lang na middernacht, kijk ik naar de Antwerpse skyline. Bijna vullen tranen mijn ogen om alles wat ik gemist heb, alles wat aan mij is voorbijgegaan. Zeventien jaar ben ik nu lijfelijk weg uit mijn geboortestad, maar zowat alles in mij is daar nog verankerd, in die zinnelijke havenstad. Van het Antwerpen uit mijn kinderjaren blijft niets over. Maar daar maak ik me niet druk over. De wereld moet veranderen, zoals de talen. Elke dag komen er woorden bij, de oude verdwijnen in woordenboeken, of worden anders uitgesproken. Onze taal wordt de taal van Vondel genoemd, maar gebruikt iemand van ons nog een woord dat Vondel gebruikte? Welke wereld zag Vermeer? Je kunt het je niet voorstellen. Rothko kon dat misschien, of de waanzinnig Jackson Pollock, als al het bestaande (en voorbije) door zijn lichaam trok, een immense, eindeloze parade. Misschien zag John Coltrane of Albert Ayler die wereld. Misschien hoorden zij de eeuwenoude stemmen.

Van de Delhaize tot thuis is een wandeling van een kwartier. Ik kan dan ongeveer vijf songs beluisteren op mijn iPod. De rest van de dag luister ik niet veel naar muziek. Ik koop cd’s en leg ze op stapels, in mijn rekken is geen plaats meer. Is het mooie muziek? Ik weet het niet. Brian Wilson’s ‘That Lucky Old Sun’ bijvoorbeeld. Is het geen sentimentele, kinderachtige onzin? Oxygen to the brain, zingt hij. En hij gaat stemmen voor McCain. Want McCain heeft eerlijke ogen, godverdomme. Kan ik iemand die zulke domme uitspraken doet nog waarderen? Ja, ik weet het, je moet een onderscheid maken tussen de maker van een kunstwerk en het werk zelf. De vraag is of ik dat wil. Knut Hamsuns ‘Honger’ is duidelijk een meesterwerk, maar ik kan het boek niet onbevangen lezen omdat ik weet dat de schrijver vriend aan huis was bij de familie Goebbels. Hamsun was dan al oud en seniel, zegt men. Zal ik dan over een tiental jaar de voeten van Filip Dewinter kussen?

Van voeten gesproken, ik las in Humo een geestig, maar veel te kort stukje van Arnon Grunberg over couchsurfing. Ik heb een jonge vriendin, Deborah, die me enkele jaren geleden al op die mogelijkheid heeft gewezen. Maar het tijdperk van liften en wildslapen is voor mij definitief voorbij. Ik wil niet meer op andermans sofa. Ik ben te asociaal geworden en te traag ook. Ik wil als het enigszins kan een kamer in een palazzo. Lang geleden deden wij al aan couchsurfing, maar dat heette toen anders. Je belde gewoon bij iemand aan die op een gestencilde lijst stond en dan kon je daar op de vloer slapen. Bij ons thuis aan het kerkhof van Elsene hebben destijds veel mensen geslapen en brood gegeten: uit Finland, Frankrijk, de Verenigde Staten, Portugal, Nederland vooral. De meeste slapers kwamen uit Amsterdam. Zij hadden altijd honger, alsof de hongerwinter nog niet lang voorbij was. Arnon Grunberg merkt terecht op dat couchsurfing een hippiefenomeen is. De woorden, de mode, de trends veranderen, maar verandert de wereld? Wat ik me echter vooral afvraag is of Arnon Grunberg zweetvoeten heeft. En ook nog dit: waarom heb ik niets over dat indrukwekkend concert van Conor Oberst geschreven? En over enkele gedenkwaardige ontmoetingen met fijne vrienden? Ik weet het niet. Wat heb ik toch uitgespookt de voorbije weken, sinds ik terug ben uit Berlijn?