DE DOOD VAN VADER

vader-vriend (2)

Nog altijd in een onrustige, gespannen periode. Wie ben ik, waar kom ik vandaan? De vragen die veel mensen zich stellen. Ook uit de dagboeknotitie hieronder valt iets te leren, denk ik. En niet alleen over mezelf. Wat ik beschreef was een andere wereld en tegelijk is het nog steeds dezelfde, die waarin we vandaag leven. De wereld waarin we ons die vroegere wereld herinneren en ons afvragen waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan.

Dit is een dagboeknotitie uit 14 mei 1993. Ik was toen tweeënveertig:

Vader zal gestorven zijn precies op het moment dat ik gezeten op bus 17 voorbij Sint-Barbara reed. Op mijn walkman ‘I’m Scared’ van John Lennon. De hele rit lang, van Genk naar Lanaken, gingen er vreemde gevoelens in mij om… Meer iets tussen gevoelens en gedachten, tussen verdriet en euforie, tussen herinnering en anticipatie.

François heeft de hele nacht tot acht uur vanmorgen bij vader gewaakt. Om elf uur leefde vader nog. Jef en Paula zijn even langs geweest. Om twaalf uur was hij al dood. Hubert is het nieuws komen brengen, heel voorzichtig.
Ik was net thuis aangekomen. Er lag een verse biefstuk op tafel, klaar om gebakken te worden. We wisten niet wat ermee aan te vangen. Een stuk vlees. De dokter, mevrouw Vaas, kwam net langs voor moeders been. Dat is ontstoken, eigenlijk mag ze niet meer lopen, zegt de dokter. Ze krijgt elke dag een injectie, antibiotica. De bloemkool was zo plat geworden dat ze niet eetbaar meer was. We hebben alleen nog wat tomatensoep met balletjes uit blik gegeten.

François is erg van streek maar wil of kan dat niet tonen. Maar verbergen kan hij het ook niet. We zijn al een heel eind voorbij Sint-Barbara gereden voor iemand van ons dat doorheeft. De reactie van François op dit symptoom van shock is: vloeken. We hebben kleren uitgekozen om onze dode vader aan te trekken. Zijn donkergrijs gestreept pak, met vest. Ik kies een gekleurde stropdas, dat zal hem beter staan: hij moet zelf niet rouwen.

In de kamer waar hij dood ligt is het verstikkend heet. De geur van zijn dood is er blijven hangen. Toch ziet hij er nu beter uit dan gisteren, toen hij nog leefde. Hij is bevrijd. Hij is ook niet langer vastgebonden. Er zit een windsel rond zijn hoofd, zodat zijn mond niet openvallen zou. Nu herken ik vader al wat meer zoals hij vroeger was, niet langer opgezwollen van de ziekte en de medicijnen.

Terwijl hij daar zo ligt moeten we de kamer leeg maken: de kasten, de tafel, de vensterbank. Ik gooi alle fruit, hoe goed en gezond het er ook uitziet, in een plastieken zak voor de vuilnis. Maar ik vind dit allemaal bijzonder ongepast. Waarom hebben ze hem niet eerst weggehaald? Ook zijn schoenen en pantoffels en een aantal doosjes geneesmiddelen stop ik in die zak. Die zal ik straks in de vuilnisemmer gooien, ook als zij dat niet willen. Zij willen alles bewaren, zelfs de pantoffels die mij zo sterk aan zijn lijden van vorige zaterdag herinneren, aan zijn witte, erg opgezwollen voeten. Zijn voorhoofd is al koud. Even lijkt het of zijn rechteroog beweegt. Zou er helemaal niets van hem overblijven?

In de cafetaria wachten we tot de verpleegsters hem zijn pak hebben aangetrokken en hem naar het mortuarium hebben gebracht. Hij ziet er goed uit, zoals het hoort. De gekleurde stropdas staat hem uitstekend.

Bij begrafenisondernemer Bertels wordt duidelijk dat ik nu over een aantal dingen moet beslissen. Hoewel ik dit nooit eerder heb gedaan gaat het haast vanzelf. Wel vind ik het vreemd dat de winkelbediende, een jonge vrouw, daar zo kan zitten glimlachen. Tussen de bloemstukken en met waarschijnlijk een aantal lijken achter haar rug.
Een begrafenis is niet goedkoop. Die van mijn vader komt zeker op 120.000 frank. We hebben nochtans niets duurs gekozen.

Ik geloof dat ik iets zal schrijven voor het doodsprentje.

Vanaf acht uur, als A. al is aangekomen uit Brussel, beginnen we de adressen op de omslagen te schrijven. Dat is niet zo eenvoudig omdat er geen adressen zijn. Hubert en Maria, die ons daarbij helpen, doen een aantal suggesties. Ma is erg in de war en begint om het minst te brullen. Dat is wel begrijpelijk – brullen is iets typisch voor schippers – maar je krijgt het er desondanks van op je heupen. Meermaals moeten we telefoonboeken raadplegen om adressen te checken. Het trouwboekje moet nog naar Bertels. Ik lees de drukproef van de doodsbrief na. We eten die biefstuk op. Samen met A. drink ik rode wijn.

Ik kan maar moeilijk naar bed. Bekijk nog foto’s van vroeger. Toen alles schijnbaar zo goed ging. We kunnen nooit meer terug naar die tijd. Nu vader dood is voel ik opeens een grote verantwoordelijkheid.

De volgend ochtend, na een korte maar vrij rustige slaap. Jef en Paula zullen nog een aantal doodsbrieven op de bus doen. Jacqueline is er om schoon te maken, maar iedereen loopt in de weg.

Foto: vader (rechts), datum onbekend maar lang geleden.

EEN GELUK EN EEN ONGELUK

AMERICAN FRIEND 1

Ik ben opnieuw in een periode aangekomen waarin ik aansluiting zoek met mijn verleden. Ik wil te weten komen wie ik ben en waar ik vandaan kom. Terwijl Orpheus zegt dat je niet mag omkijken. Of wil je je muze misschien verliezen? Koortsachtig blader ik in mijn dagboeken en andere oude notities, op zoek naar hoe ik vroeger was, hoe wij vroeger waren. Toen we jong waren, maar vanuit het heden gezien vaak heel wat ouder leken. Bijna verrast besef ik hoezeer ik veranderd ben, hoe mijn levenswijze veranderd is. En tegelijk zie ik ook wel dat ik nog altijd dezelfde ben, dat de kern van mijn wezen ongewijzigd is gebleven.

Dit is een dagboeknotitie uit 28 november 1978. Ik was toen achtentwintig.

Maandagochtend uit Lanaken vertrokken. Ellendige treinreis, behalve de kerktoren van Tienen. Toen ik die zag viel de tijd opeens stil. De trein en de medereizigers waren er niet meer – er was iets anders, iets dieps, dat slechts aan gene zijde van de woorden bestaat of niet bestaat. Een gelukservaring? Daarna weer dezelfde ellende van het reizen: kou, misselijkheid, enzovoorts. Ik lees Hamlet – om te vergeten wat er rondom me gebeurt, maar dat gaat niet, de letters verspringen, de woorden wijzen me op mijn miserabele conditie.
Om twee uur ’s middags thuisgekomen, naar het stempellokaal gewandeld en dan in bed gegaan.  ’s Avonds weer opgestaan om Der Amerikanische Freund van Wim Wenders te gaan zien.  Eindelijk nog eens een geloofwaardige film die vanuit onze tijdsgeest is gemaakt. Een van de leidmotieven is een lied van de Kinks :

There’s too much on my mind
And there is nothing I can say
There’s too much on my mind
And there is nothing I can do
about it –

Jonathan Zimmermann (Bruno Ganz) zingt het een drietal keer. Voor Wim Wenders is de muziek meer dan mooie achtergrond. De songs maken deel uit van het verhaal. Je zou ze gemoedsbeelden kunnen noemen. Naast the Kinks is er Bob Dylan. Op het einde van de film horen we Ripley (Dennis Hopper) mompelend zingen: I pity the poor immigrant.
Nicolas Ray is een mooie oude man. Hij bezit de waardigheid van een oude kunstenaar die zichzelf niet verraden heeft, maar je ontdekt ook verbitterde trekken om zijn mond en een cynische blik in zijn ogen: hij is ontgoocheld door het leven.
Der Amerikanische Freund is een film van onze generatie. Niet door het verhaal, afkomstig van Patricia Highsmith, maar door de sfeer, de kleuren. De uitzichtloosheid. Ik krijg het er koud van, voel de hopeloosheid en verbittering van het hoofdpersonage, de zieke Zimmermann. Flow river flow, flow to the sea. De beste exemplaren van deze generatie gaan ten onder aan teveel nacht. Eenzaamheid die ze niet kunnen verwoorden. Verwarring en geen vooruitzicht, geen uitweg. Ze vluchten naar de zee om te sterven op het strand. Want daar waar het licht wordt, houdt het leven op. Het strand is de grens. Verder kun je niet meer. Waar de golven op breken, blijven ook deze mensen als wrakken achter. We wisten het al, dat het strand de grens is, dat hadden Truffaut en Ferreri al duidelijk gemaakt, onder meer in hun films Les 4OO coups en Dillinger e morto.

Ik vraag me af waar Nicholas Ray nu mee bezig is. Maakt hij nog films? Het laatste wat ik van hem ken is 55 Days of Peking, een mislukking (omdat hij zich moest schikken naar de wil van zijn producenten). Heeft Ray het voorbeeld van Rimbaud gevolgd? Zijn rol in Der Amerikanische Freund lijkt een allusie op diens zelf gewilde ballingschap, of is dat te ver gezocht? De schilder en vervalser  Derwatt (Nicholas Ray) is duidelijk nog in leven, maar voor hoe lang nog? In het ware leven heeft Nicholas Ray, vooral bekend van Rebel Without a Cause, de helft van zijn tijd hier op aarde zijn zin kunnen doen: zijn heel persoonlijke oeuvre filmen. De helft van zijn leven: dat is niet weinig.

Aan de uitgang van de Monty stond Jos me op te wachten. We zijn nog een koffie gaan drinken. Omdat we ziek waren – of was het alleen maar moe – hadden we elkaar niet zoveel te vertellen, of konden we niet loskomen van onze schaduw. Jos voelde zich eenzaam, dat was duidelijk. Maar tegenover die eenzaamheid stond ik machteloos. Tom Ripley beweert in Der Amerikanische Freund dat vriendschap niet mogelijk is. De ontknoping van de film bevestigt die bewering. En ik heb het beklemmende gevoel dat de afloop van de avond, het afscheid op de hoek van de Vinkenstraat, er al evenzeer een bevestiging van was.

AMERICAN FRIEND 2

DE KALKFABRIEK / THOMAS BERNHARD

Thomas-Bernhard-3.jpg

Uit mijn dagboek.

Over ‘De Kalkfabriek’ van Thomas Bernhard. Hoewel deze roman mij aanvankelijk irriteerde, ben ik op den duur toch onder de indruk geraakt van zijn bijzondere stijl, van zijn heel eigen stem. Een boek over stilte en geluid – rumoer, lawaai. Over alles wat we horen op de wijze van het niet te horen (door saturatie) en alles wat we niet horen op de wijze van het te horen (door angst of stress). Er bestaat geen echte stilte.

Hoofdpersonage Konrad slaagt er niet in zijn studie over het gehoor op papier te zetten. Allerlei buitenissige omwegen zijn nodig om erover te spreken / schrijven. De omweg als enige toegangsweg. De onmogelijkheid van de verwoording brengt onrust te weeg zowel bij Konrad als bij de lezer. Heel frustrerend dat een werk van twintig jaar – zo lang werkt hij al aan de studie – niet veruitwendigd kan worden.

“De studie opschrijven, gewoon opschrijven, dacht hij steeds, die gedachte was het, de studie gewoon opschrijven, gaan zitten en de studie opschrijven, die volkomen bezit had genomen van zijn bestaan, niet meer de gedachte aan die studie, alleen maar de gedachte de studie op te schrijven, van het ene moment op het andere de studie op te schrijven; hoe meer hij echter van die gedachte bezeten was, des te onmogelijker werd het voor hem de studie op te schrijven.”
Thomas Bernhard, De Kalkfabriek, pagina 69.

Antwerps dagboek, 16 december 1980

Ω

*In de late jaren tachtig zou Thomas Bernhard een van mijn favoriete toneelauteurs worden, met stukken als ‘De macht der gewoonte’, ‘Het jachtgezelschap’ en ‘Ritter, Dene, Voss’.

STEMMINGSWISSELINGEN iv

jon voight in heat 2.jpeg

Meestal begint het met een titel. Ik had hierboven al ‘dagboek van een verloren ziel’ genoteerd, maar toen herinnerde ik me dat ik eerder dit jaar een reeks dagboekachtige notities ‘stemmingswisselingen’ noemde. Het was toen mijn bedoeling daar iets regelmatigs van te maken, niets gigantisch, zoals bijvoorbeeld de dagboeken van Henry David Thoreau, maar toch iets voor de langere duur. Discipline en planmatig werken zijn me echter vreemd. Ik ben onrustig van aard, wil allerlei dingen tegelijk doen, bijna alles interesseert me. Of er breekt een periode van ziekte en lusteloosheid aan. Dan beschik ik over geen greintje energie. (Eén greintje zou al zoveel zijn. Hoewel aldus Johannes een graankorrel moet sterven om veel vrucht te dragen.) Of ik vertrek op reis en schrijf wat observaties neer in kleine, dunne notitieboekjes. Eens thuis lees ik daar dan niet meer in. Of ik kan mijn handschrift niet ontcijferen. Soms doe ik er een week over om een radioprogramma van twee uur voor te bereiden.

Zijn we niet allemaal verloren zielen? Als er al zoiets als een ziel bestaat. Een psyche, een geest. Beschouw het als een wijze van spreken, niet als een verwijzing naar een meesterwerk uit de wereldliteratuur.

bonaventura 001.jpg

Vreemde gevoelens maken zich van me meester als ik Leopold Flams ‘Ontbinding en protest’ na vele jaren nog eens doorblader en hier en daar een fragment lees. Ik heb onmetelijk veel van de kleine professor geleerd, niet alleen op gebied van filosofie maar zeker ook op dat van literatuur. Zwarte romantiek, onder meer Bonaventura leerde ik via hem kennen; Sade, Casanova, Artaud, surrealisme, dada, existentialisme. Zijn werken en – meer nog – zijn cursussen zadelden mij met een onlesbare leesdorst op. De dag dat ik het Koninklijk Atheneum verliet was dat allemaal nog onbekend terrein. Heb ik wel iets van waarde geleerd op de middelbare school? Ik bedoel niet van mijn vrienden of uit sommige boeken die ik toen las, maar van het onderwijzend personeel en van de opvoeders? Ik kan me niets van waarde herinneren. Namen van rivieren, ja, van bergen, van planten. Dat een rechte lijn onbegrensd doorloopt. Dat Hendrik Conscience zijn volk leerde lezen. En is Hendrik Marsman niet in volle zee verdronken? Maar goed. Ik neem me voor om ‘Ontbinding en protest’ dit jaar van begin tot einde te herlezen. Eerst moet ik wel Peter Sloterdijks ‘De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd’ voltooien. (‘Uitlezen’ is in verband met dit boek niet op zijn plaats.) Dat is een magistraal werk over voornamelijk bastaards, met als (relatieve) kerngedachten: ‘Après nous le déluge’ van Madame de Pompadour, minder bekend als mevrouw Le Norment d’Etiolle, geboren Poisson. En ‘Pourvu que ça dure’ van Laetitia Ramolino, de moeder van Napoleon Bonaparte. Het boek van Sloterdijk brandt gaten in mijn tafel, het verpulvert mijn schaarse dagdromen. Ik ben de zoon van een bastaard, mijn vrouw is de dochter van een bastaard. Waren we daar niet op zijn minst een beetje trots op? Wat blijft er nu nog over om trots op te zijn? Verschrikkelijke kinderen hebben verschrikkelijke ouders en zijn zelf ook verschrikkelijke ouders. En hoe is het met hun kinderen, met onze kinderen gesteld? Maar je moet niet alles geloven wat Peter Sloterdijk schrijft. Zijn stijl grenst aan het perfide, in dat opzicht is hij bijna de gelijke van Nietzsche. Hij ontsluiert wel en doet dat op onverbiddelijke manier, maar wat je dan te zien krijgt is niet zomaar de waarheid.

Madame_de_Pompadour.jpg

Voor de derde of vierde keer Michael Manns ‘Heat’ gezien. Wat is Jon Voight met zijn minimalistisch acteerwerk geweldig. Zijn voortdurende aanwezigheid, al zie je hem maar in enkele scènes. De hele film is een reflectie over de kortstondigheid van het leven, over de sterfelijkheid, over de dood. Wat we ook doen, we zijn altijd verloren. Verloren zielen.

DE VERVELING VAN EDMOND EN JULES DE GONCOURT

GONCOURT 1.jpg

Stel je voor dat je ertoe verplicht zou zijn – of dat je jezelf dat zou aandoen – om het  volledige ‘Journal’ van Edmond en Jules de Goncourt  te lezen, vijfduizend bladzijden tekst. Dat is toch de hel, of niet echt de hel, want dat is Brussel, maar op zijn minst het vagevuur. Ik heb de voorbije dagen wat zitten en liggen lezen in een in de privédomeinreeks uitgegeven selectie van dat illustere Dagboek en heb me daarbij voornamelijk verveeld. Het enige wat ik eruit geleerd heb is dat schrijvers en kunstenaars nauwelijks verschillen van duivenmelkers of postzegelverzamelaars. Kleine mensen zijn het. Waarom kijk ik er dan al bijna heel mijn leven naar op? Ik denk omdat ik in Arthur Rimbaud, om maar één voorbeeld te geven, veel meer de vervloekte en bezielde dichter zie van ‘Illuminations’ en ‘Une saison en enfer’ dan de melkmuil die in een of ander luizig Parijs café uitroept dat Paul Verlaine op hem mag klaarkomen, “uitstekend! Maar hij wil toch niet dat ik het met hem doe? Nooit, absoluut niet, hij is echt te smerig en hij heeft zo’n afschuwelijke huid.”

goncourt, edmond de goncourt, jules de goncourt, journal, dagboek, privé-domein, verveling, gossip, roddel, rimbaud, verlaine

Afbeeldingen: Edmond en Jules de Goncourt door Félix Nadar (detail); Rimbaud in Aden (tweede van rechts op de foto).

STEMMINGSWISSELINGEN ii

douglas coupland

In De witte raaf een interessant essay van Alain Badiou gelezen, ‘Het onbehagen van de zonen in de hedendaagse cultuur’, een soort van vervolg op ‘Het onbehagen in de cultuur’ van Freud. Badiou heeft het onder meer over de initiatie van de zonen, waarin hij drie mogelijkheden of perspectieven ontwaart: het perspectief van het perverse lichaam, het perspectief van het geofferde lichaam en het perspectief van het verdienstelijke lichaam. Geen van de drie mogelijkheden biedt een uitweg. Er vindt geen initiatie plaats (in de zin van een overgang, een aflossing, een wording). “Het is een door en door nihilistische ruimte, ook al moet het verdienstelijke lichaam dit nihilisme juist verhullen: we moeten doen alsof een carrière zin heeft. Een carrière moet het gat van de onzin vullen.”
Alain Badiou is zelf, uiteraard, geen nihilist. Hij ziet een uitweg, een toekomst. “Tegen het verdienstelijke lichaam dat kennis gebruikt om zijn carrière op te schroeven, kan het subject een echte vrije intellectuele uitvinding in stelling brengen, de belangeloze vreugde van de wetenschap en kunst, de idee die zich weigert te onderwerpen aan het financiële universum van de techniek.” Volgens Badiou had Rimbaud, ondanks zijn keuze voor de wereld van de handel, reeds een voorgevoel van die uitweg, hij wist dat er een andere kijk op de zoon en een andere initiatie mogelijk waren, een ander subjectiveerbaar lichaam, dat zich aan het lichamelijke drievoud van perversie, martelaarschap en en conformisme onttrok. (Alain Badiou wijst er terloops op dat het de taak van de filosoof is om de jeugd te bederven. Terwijl ik altijd heb gedacht dat die opdracht was weggelegd voor rocksterren.)

0mick-jagger-performance2.jpg

Nog een koude, grijze dag, nu met winterse neerslag. Na lange tijd heb ik nog eens een dagboeknotitie publiek gemaakt. Mijn bedoeling is het om dit voortaan met regelmaat te gaan doen, ook als er niets te zeggen valt. Maar valt er niet altijd iets te zeggen – in een wereld die aan nietszeggendheid lijkt ten onder te gaan? Is dat voornemen een symptoom van wanhoop, van ontreddering? Zal het om een therapeutische werkzaamheid gaan? Ik denk het niet. Ik denk dat ik alleen maar wil zeggen: ik ben een mens, ik besta, ik leef. Mijn diepste verlangen is het dit mee te delen, niet alleen dat ik een mens ben, maar zeker ook de manier waarop ik dat ben. Hoe ik van de nood een deugd probeer te maken. Het is mogelijk dat ik mij afzonder om die opdracht, als ik het zo mag noemen, beter aan te kunnen. Misschien gaat het om een strategie, hoewel ik nooit geloofd heb in strategisch denken en handelen.

Het is altijd een lange tocht naar IVD. Voor haar kom ik nog graag buiten, ook al kost zij me redelijk veel geld. In oktober 2012 heeft ze mogelijk mijn leven gered. Neen, dat heb ik zelf gedaan; nog voor het te laat was heb ik haar gebeld. Of ik mocht komen? Alleen door ja te zeggen heeft ze mijn leven gered. Hoewel ik helemaal geen zin had in zelfmoord en het waarschijnlijk ook zonder haar niet zou hebben gedaan. In Brussel gebruik maken van het openbaar vervoer is weer gewoon geworden. Je denkt al een tijdje niet meer aan gevaar, aan mogelijke aanslagen. De politie in je straat patrouilleert omdat er vanavond een voetbalmatch wordt gespeeld, niets om over naar huis te schrijven. Aan Simonis moet je in de koude wind op bus 13 wachten, de ongeluksbus. Van de verhoogde frequentie die was beloofd merk je niet veel. Dan veertig minuten praten, meestal met de ogen toe. Nu en dan kijk je haar aan. Wil je je ervan verzekeren dat ze niet ingedut is?

Al een paar dagen slaap ik diep en lang. ’s Morgens is het moeilijk om uit bed te komen. Ik zit slaperig en met een ochtendhumeur aan het ontbijt. Dat is nieuw. Tot voor kort werd ik voor dag en dauw wakker en stond dan meteen op. Het had geen enkele zin om te blijven liggen. Het vreemde is dat die lange en diep slaap de vermoeidheid niet wegneemt, integendeel. Maar ik wil er niet te veel belang aan hechten. Het is iets waar je mee moet leven. De ene slaapt zus, de andere zo. Er is geen enkele theorie daarover die deugt.

0thebraineaters.jpg

Ik moet het nog hebben over hoe ik ertoe gekomen ben om opnieuw dagboeknotities te gaan publiceren. Maar dat gaat nog niet. Het houdt verband met wat me in 2011 is overkomen, hoe die gebeurtenissen mijn leven voor altijd hebben veranderd. Dat heb ik pas enkele dagen geleden ten volle ingezien. Het heeft met die veertien dagen coma te maken. Het heeft lang geduurd eer ik weer kon denken, mijn gedachten formuleren, woorden vinden, zinnen maken. Ik heb nooit goed kunnen denken (en wat is goed denken eigenlijk?), maar sinds 24 mei 2011 is het heel lastig geworden. Er zijn geloof ik dagen dat ik helemaal niet denk. Lege dagen, noem ik ze. Maar natuurlijk zijn ze helemaal niet leeg. Er gebeurt gigantisch veel, doodgewone dingen, catastrofale dingen.

In verband met de arrestatie van El Chapo beweert Roberto Saviano het volgende. “… de criminele economie is de winnaar, de totale opbrengst van de drugseconomie bedraagt ongeveer 300 miljard dollar. Als we over de bosses spreken, hebben we het dus niet over randfiguren, maar over de hoofdrolspelers van de wereldeconomie.” Joaquin ‘El Chapo’ Guzman, dat is pas een verdienstelijk lichaam.

“En toen werd ik verdrietig omdat het tot me doordrong dat je mensen nooit meer kunt repareren als ze eenmaal kapot zijn, en dat niemand je dat ooit vertelt als je jong bent en dat je er altijd weer door wordt verrast naarmate je ouder wordt en je ziet dat de mensen in je leven één voor één kapot gaan. Je vraagt je af wanneer je zelf aan de beurt bent, en of dat misschien al gebeurd is.” Dat las ik in Douglas Couplands ‘Leven na God’, uit 1994. Zou ik dat boek niet eens herlezen (maar dan in het Engels)?