DOOR DE BOMEN HET GEDICHT

treesdownhere-1

Tijdens het kijken naar de korte documentaire Trees Down Here van Ben Rivers noteerde ik in het halfdonker deze woorden: ceder, iep, uil, slang. Maquette, gebouw, papier, potlood, contrapunt, sneeuw, tak, gras, raam, glas, steen, eikenhout.
Een kwartier later met de leeslamp aan noteerde ik in alle spoed de naam van de dichter – John Ashbery – van wie ik het gedicht Some Trees net had gehoord en de woorden a chorus of smiles.

Het filmgedicht Trees down here van Ben Rivers was voor mij een soort van openbaring. Opeens had ik weer zin gekregen in poëzie. Die zin was er namelijk al een hele tijd niet meer. Ik was gedichten vervelend gaan vinden. Nu en dan nam ik nog wel eens een dichtbundel uit het goed gevulde rek, maar meestal las ik er niet meer dan enkele regels in. Ze gaven mij geen plezier, ik begreep niet wat er stond. Elk gedicht leek een code te hebben die ik niet kon kraken. Elke dichtbundel was een museum met donkere geheimen en onontwarbare raadsels gevuld. Trees down here veranderde dat, veranderde mij.
In een droom die ik daarna had zei een vriend me dat hij tijdens een wandeling in de stad een mooi klein boekje van Friedrich Hölderlin in de etalage van een boekwinkel in de Bortiergalerij had zien liggen. Het vreemde was dat een andere vriend, mogelijk zijn dubbelganger, me dat net tevoren ook al had verteld. Maar wat is vreemd in een droom? Goed voor mijn collectie, zei ik. Maar niet meteen, want het woord collectie wilde me niet te binnen schieten.

Wat was er dan zo bijzonder aan Trees down here? Misschien de eenvoudige, heldere beelden? Als het ware essenties van de verschijnselen, Platonische ideeën. Niet helemaal want als je naar een goed gemaakte film kijkt, vergeet je dat je naar die film kijkt en zie je in zekere zin de verschijnselen zelf.
Er is echter meer dan die beelden en verschijnselen op zich. Ben Rivers toont ons in zijn onderzoek de tegenstelling tussen cultuur (of architectuur) en natuur. Meteen heft hij die tegenstelling weer op. De natuur dringt de cultuur binnen in de vorm van een slang. Een uil lijkt je een geheim te willen toevertrouwen. Het geheim van de poëzie? Zoals bij uilen meestal het geval is ziet ook deze er wijs uit. Wat je niet allemaal in zijn doordringende blik ontwaart! Het is echter onze eigen wereldse wijsheid die wij daarin zien. Terwijl we hem bekijken schrijven we met onze ogen al de eerste woorden van een gedicht of van een stukje proza. Ondertussen is er sneeuw gevallen op de ceders, de iepen, op de takken en het gras. Wit laat het zwart oplichten, wit verscherpt de contouren van het zichtbare. Is het echter meestal niet omgekeerd? Voor ik die vraag kan beantwoorden wordt als coda een gedicht van John Ashbery  uit 1948 voorgelezen: Some Trees.

Verduidelijken deze opmerkingen waarom een film van vijftien minuten mij weer zin heeft doen krijgen in gedichten? Ik geloof het niet. Ik geloof dat er meer aan de hand is. Vooreerst zijn er de bomen. Zelfs los van mijn biografie, dat ik bijvoorbeeld als jongen een hele zomer in een boom doorbracht met niet meer dan een zwembroekje aan en dat ik daar, beschermd en verhuld door de nauwelijks bewegende bladeren, voor het eerst gevoelens had waarvan ik wat later ontdekte dat ze van erotische aard waren. Los daarvan ben ik teruggekeerd naar de bomen, niet vanwege mijn ego, niet vanwege een of ander verlangen naar voldoening, maar vanwege de bomen zelf [1]. Dit bezeten zijn van bomen is al enkele jaren aan de gang. Ik weet niet goed wat het is. Ik kan er nauwelijks over nadenken en erover schrijven valt me moeilijk. De voorbije weken had ik soms zin om één te worden met de bladeren van de bomen hier in de buurt. Alleen het woord boom al heeft iets magisch.
Mogelijk heeft Trees down here me duidelijk gemaakt dat elke boom een gedicht is. Een gedicht dat de aarde schrijft. Ik moet erover nadenken, erover dromen. Ik moet de gedichten van Hölderlin herlezen. En die van andere dichters. En om dit alles nog beter te begrijpen moet ik de andere dromen die ik na die over het boekje van Hölderlin had én over het stadje Sabaudia vertellen. Dat zal voor morgen of overmorgen zijn. Als in het grijze decemberlicht de bomen nog minder zichtbaar zullen zijn.

john ashbery en jane freilicher

[1] Onlangs las ik een interview met de begenadigde Amerikaanse auteur Richard Powers waaruit blijkt dat ook hij zich naar de bomen heeft gekeerd, zij het op een wat radicalere manier dan ik (zo meen ik te begrijpen). The Overstory (in het Nederlands Tot in de hemel), zijn roman van na die ommekeer, heb ik nog niet gelezen.

Afbeeldingen: Trees down here; John Ashbery & Jane Freilicher

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (7)

bowwowwow1.jpg

Dag 4: 5 november 2016 (Het wilde denken*)

Wild, go wild, go wild in the country
Where snakes in the grass are absolutely free
Wild, go wild, go wild in the country
Where snakes in the grass are absolutely free

Bow Wow Wow – Go Wild in the Country

Wie heeft als kind nooit verlangd naar een wild en grenzeloos leven? Wie droomde niet van avonturen in de woestijn, in de jungle; van een gevecht op leven en dood met slangen, wolven, leeuwen, holbewoners, heidenen? Het leven dat voor een deel beschreven wordt in ‘Lord of the Flies’ van William Golding, in de gruwelijke romans van David Vann en in de avonturenboeken van Jack London (wie zou hem nog lezen?).
Volwassenen kennen dat verlangen net zo goed,  al zal het bij hen, bij ons, minder uitgesproken zijn. Ik bedoel ‘wild’ in elke betekenis van het woord. Ja, ik ben er wel zeker van dat wij in ons hart, in datgene wat wij ons hart noemen, allemaal wild zijn, wat David Lynch en Sigmund Freud heel goed weten/wisten. Sommigen onder ons houden het wilde kind een hele leven in bedwang, anderen zijn er de slaaf van. Het ene uiterste is de ‘edele wilde’ (of noem hem of haar de ‘gesublimeerde wilde’, dat mag ook), het andere de kannibaal of de massamoordenaar. Cultuur, techniek en beschaving zijn, zoals iedereen goed weet, dunne lagen, waaronder de chaos woekert. Vaker dan ons lief is krijgt onze wildheid de bovenhand, onze woestheid, ons geweld, onze buitensporige verlangens. We verlangen naar rust en vrede maar verzetten ons tegen conformisme, wetten, taboes. Rondom ons zien we het theater van de wreedheid opgevoerd worden, waar we als consumenten of toeschouwers gretig aan deelnemen.

tarzan.jpg

Al van in het begin trekt de wildernis ons aan, maar zij blijft voor de meesten van ons een lokroep, een mysterieuze, angstaanjagende duisternis in een zee van verblindend licht. Vaak stellen we ons tevreden met een gesymboliseerde wildheid, zoals die ons in films, romans, liedjes wordt aangereikt. Denk aan ‘Darkness On the Edge Of Town’, denk aan ‘Alien’, denk aan de romans van Stephen King. Maar dat doen we lang niet altijd. Heel wat kunstenaars, bohémiens, borderliners hebben op zijn minst voor een deel een wild leven geleid. Zij begaven zich naar de overzijde, de donkere kant van de stad, zij kozen voor een ‘walk on the wild side’, om het met een titel van een roman van Nelson Algren en van een lied van Lou Reed te zeggen.

Bijna gaf ik me helemaal over aan een wild en associatief denken. Maar ik moest een radioprogramma maken, en wel over het wilde leven. Het was de eerste zaterdag van de maand, tijd voor Zéro de conduite. Zodoende zochten mijn voeten weer vaste grond en nam ik de trein naar Antwerpen (dus toch niet zo’n vaste grond). Ik maakte mij geen zorgen over de eeuwige gauwdieven en ander gespuis maar bestudeerde nog een keer mijn playlist en plaatste hier en daar wat aantekeningen, waarbij ik eens te meer vaststelde hoezeer mijn geheugen erop achteruit gaat.

Ik weet niet hoe het met de luisteraars zat, maar zelf vond ik deze aflevering een succes, een van de beste programma’s die ik de voorbije tien jaar heb gemaakt. Ik genoot van elke seconde en ook lang daarna, op restaurant en in de trein met Laura was ik opgewekt en soms zelfs gelukkig. Maar ook onder die momenten van geluk stroomde de duistere stroom van de tijd. De tijd waar we nu in leven, de zeer nabije en weinig goeds voorspellende toekomst. De verkiezingen in de Verenigde Staten, de bombardementen in Syrië en elders, de nieuwe martelaars, de nieuwe heidenen. Zo kwam het dat mijn euforische buien soms moesten plaatsmaken voor grote bezorgdheid. Niet alleen over mijn vrienden in Amerika en over de hele Amerikaanse cultuur, waar ik zo aan verknocht ben (waar mijn radioprogramma een uitdrukking van is), maar voor de hele menselijke werkelijkheid en voor de aarde zelf

2015-08-06-brusselkermis 062.JPG

Om middernacht staan we in het Zuidstation te wachten op tram 81. Achter me zie ik de daklozen in rijen naast elkaar liggen. Aangespoelde drenkelingen lijken ze wel, in de altijd naar urine ruikende, slecht verlichte tunnel – de schande van Brussel. Mijn blijdschap slaat om in verdriet en woede. Wat zijn wij voor mensen dat we onze soortgenoten toestaan zo af te zien? En waarom staat de stad Brussel dit toe? Waarom wordt er niet gezorgd voor deze arme, hongerige mensen – mensen zoals jij en ik. Dit is een wild leven waar niemand ooit naar heeft verlangd. Geen mens op aarde. Dit is zelfs geen wild leven. Dit is nood. De hoogste nood.

Ω

*Zie: Claude Lévi-Strauss, La pensée sauvage, 1962

Afbeeldingen: Bow Wow Wow; Johnny Weissmuller & Maureen O’Sullivan in ‘Tarzan and his Mate’; Brussel Zuid, Martin Pulaski.

STEMMINGSWISSELINGEN ii

douglas coupland

In De witte raaf een interessant essay van Alain Badiou gelezen, ‘Het onbehagen van de zonen in de hedendaagse cultuur’, een soort van vervolg op ‘Het onbehagen in de cultuur’ van Freud. Badiou heeft het onder meer over de initiatie van de zonen, waarin hij drie mogelijkheden of perspectieven ontwaart: het perspectief van het perverse lichaam, het perspectief van het geofferde lichaam en het perspectief van het verdienstelijke lichaam. Geen van de drie mogelijkheden biedt een uitweg. Er vindt geen initiatie plaats (in de zin van een overgang, een aflossing, een wording). “Het is een door en door nihilistische ruimte, ook al moet het verdienstelijke lichaam dit nihilisme juist verhullen: we moeten doen alsof een carrière zin heeft. Een carrière moet het gat van de onzin vullen.”
Alain Badiou is zelf, uiteraard, geen nihilist. Hij ziet een uitweg, een toekomst. “Tegen het verdienstelijke lichaam dat kennis gebruikt om zijn carrière op te schroeven, kan het subject een echte vrije intellectuele uitvinding in stelling brengen, de belangeloze vreugde van de wetenschap en kunst, de idee die zich weigert te onderwerpen aan het financiële universum van de techniek.” Volgens Badiou had Rimbaud, ondanks zijn keuze voor de wereld van de handel, reeds een voorgevoel van die uitweg, hij wist dat er een andere kijk op de zoon en een andere initiatie mogelijk waren, een ander subjectiveerbaar lichaam, dat zich aan het lichamelijke drievoud van perversie, martelaarschap en en conformisme onttrok. (Alain Badiou wijst er terloops op dat het de taak van de filosoof is om de jeugd te bederven. Terwijl ik altijd heb gedacht dat die opdracht was weggelegd voor rocksterren.)

0mick-jagger-performance2.jpg

Nog een koude, grijze dag, nu met winterse neerslag. Na lange tijd heb ik nog eens een dagboeknotitie publiek gemaakt. Mijn bedoeling is het om dit voortaan met regelmaat te gaan doen, ook als er niets te zeggen valt. Maar valt er niet altijd iets te zeggen – in een wereld die aan nietszeggendheid lijkt ten onder te gaan? Is dat voornemen een symptoom van wanhoop, van ontreddering? Zal het om een therapeutische werkzaamheid gaan? Ik denk het niet. Ik denk dat ik alleen maar wil zeggen: ik ben een mens, ik besta, ik leef. Mijn diepste verlangen is het dit mee te delen, niet alleen dat ik een mens ben, maar zeker ook de manier waarop ik dat ben. Hoe ik van de nood een deugd probeer te maken. Het is mogelijk dat ik mij afzonder om die opdracht, als ik het zo mag noemen, beter aan te kunnen. Misschien gaat het om een strategie, hoewel ik nooit geloofd heb in strategisch denken en handelen.

Het is altijd een lange tocht naar IVD. Voor haar kom ik nog graag buiten, ook al kost zij me redelijk veel geld. In oktober 2012 heeft ze mogelijk mijn leven gered. Neen, dat heb ik zelf gedaan; nog voor het te laat was heb ik haar gebeld. Of ik mocht komen? Alleen door ja te zeggen heeft ze mijn leven gered. Hoewel ik helemaal geen zin had in zelfmoord en het waarschijnlijk ook zonder haar niet zou hebben gedaan. In Brussel gebruik maken van het openbaar vervoer is weer gewoon geworden. Je denkt al een tijdje niet meer aan gevaar, aan mogelijke aanslagen. De politie in je straat patrouilleert omdat er vanavond een voetbalmatch wordt gespeeld, niets om over naar huis te schrijven. Aan Simonis moet je in de koude wind op bus 13 wachten, de ongeluksbus. Van de verhoogde frequentie die was beloofd merk je niet veel. Dan veertig minuten praten, meestal met de ogen toe. Nu en dan kijk je haar aan. Wil je je ervan verzekeren dat ze niet ingedut is?

Al een paar dagen slaap ik diep en lang. ’s Morgens is het moeilijk om uit bed te komen. Ik zit slaperig en met een ochtendhumeur aan het ontbijt. Dat is nieuw. Tot voor kort werd ik voor dag en dauw wakker en stond dan meteen op. Het had geen enkele zin om te blijven liggen. Het vreemde is dat die lange en diep slaap de vermoeidheid niet wegneemt, integendeel. Maar ik wil er niet te veel belang aan hechten. Het is iets waar je mee moet leven. De ene slaapt zus, de andere zo. Er is geen enkele theorie daarover die deugt.

0thebraineaters.jpg

Ik moet het nog hebben over hoe ik ertoe gekomen ben om opnieuw dagboeknotities te gaan publiceren. Maar dat gaat nog niet. Het houdt verband met wat me in 2011 is overkomen, hoe die gebeurtenissen mijn leven voor altijd hebben veranderd. Dat heb ik pas enkele dagen geleden ten volle ingezien. Het heeft met die veertien dagen coma te maken. Het heeft lang geduurd eer ik weer kon denken, mijn gedachten formuleren, woorden vinden, zinnen maken. Ik heb nooit goed kunnen denken (en wat is goed denken eigenlijk?), maar sinds 24 mei 2011 is het heel lastig geworden. Er zijn geloof ik dagen dat ik helemaal niet denk. Lege dagen, noem ik ze. Maar natuurlijk zijn ze helemaal niet leeg. Er gebeurt gigantisch veel, doodgewone dingen, catastrofale dingen.

In verband met de arrestatie van El Chapo beweert Roberto Saviano het volgende. “… de criminele economie is de winnaar, de totale opbrengst van de drugseconomie bedraagt ongeveer 300 miljard dollar. Als we over de bosses spreken, hebben we het dus niet over randfiguren, maar over de hoofdrolspelers van de wereldeconomie.” Joaquin ‘El Chapo’ Guzman, dat is pas een verdienstelijk lichaam.

“En toen werd ik verdrietig omdat het tot me doordrong dat je mensen nooit meer kunt repareren als ze eenmaal kapot zijn, en dat niemand je dat ooit vertelt als je jong bent en dat je er altijd weer door wordt verrast naarmate je ouder wordt en je ziet dat de mensen in je leven één voor één kapot gaan. Je vraagt je af wanneer je zelf aan de beurt bent, en of dat misschien al gebeurd is.” Dat las ik in Douglas Couplands ‘Leven na God’, uit 1994. Zou ik dat boek niet eens herlezen (maar dan in het Engels)?

 

HOEVEEL WAARHEID?

stephen-shore-holocaust-ukraine.jpg

‘Hoeveel waarheid heeft de mens nodig?’ is een boeiende verzameling thematisch samenhangende essays van Rüdiger Safranski. Hij behandelt onder meer de noodlottige gevolgen van het verlangen naar waarheid bij Nietzsche, Kleist en Rousseau. Net voor zijn algehele instorting schreef Nietzsche dat het ‘herenvolk’ het lage ‘ongedierte’ moest uitroeien. Ook de waanvoorstellingen van Hitler en Goebbels, die zoals geweten door een groot deel van de Duitse bevolking voor ‘waarheid’ werden aanzien, komen aan bod. Een van de weinige schrijvers die in Safranski’s ogen genade vindt als het op waarheid en vrijheid aankomt is – geheel terecht – Franz Kafka. Hoewel zeker ook Musil en Canetti wat dat betreft alle lof verdienen. En inmiddels leven we in andere tijden. Soms lijkt het er wel op dat elke keer als je er een nacht over geslapen hebt een nieuwe tijd is aangebroken. Wat je denkt en voelt stemt niet meer overeen met wat er in de wereld lijkt te gebeuren.

Maar de waarheid – hoe kunnen we daar dan mee omgaan? In het laatste hoofdstuk van zijn boek maakt Safranski een onderscheid tussen de culturele waarheidssfeer en de politieke waarheidssfeer. Eerst merkt hij op dat de werkelijkheid ‘waar’ is noch ‘onwaar’: ze is gewoon werkelijk. Alleen interpretaties van de werkelijkheid kunnen waar of onwaar genoemd worden. Het is de angst voor de vrijheid die ons doet geloven in een van onszelf onafhankelijke waarheid.

Dat onderscheid dan. De culturele waarheidssfeer, beweert Safranski, is hoogst individueel; het betreft existentiële daden van zingeving van het zinloze. “Die waarheidssfeer is fantasierijk, vindingrijk, metafysisch, imaginair, experimenteel, uitbundig, afgrondelijk…” De culturele waarheidssfeer is er niet toe verplicht consensus na te streven. Ze hoeft niet het algemeen belang noch het leven te dienen. Er kan sprake zijn van doodsdrift, vernielzucht, zelfdestructie, haat en terreur. De andere waarheidssfeer, de politieke, “waarin de ervaring van het onoverbrugbare anders-zijn van de ander en het respect voor diens vrijheid is opgenomen”, is verplicht consensus na te streven en is daarom redelijk, zakelijk, prozaïsch, pragmatisch – zij dient het algemeen belang en het leven. De politieke waarheid aanvaardt het compromis. Er bestaat misschien wel een tegenstrever maar geen absolute vijand.

De vraag is echter of je die twee waarheden wel zo goed uit elkaar kunt houden. Enerzijds de avontuurlijke cultuur, anderzijds de nuchtere en afgeslankte politiek. Het is misschien een wat vergezochte vergelijking, maar het doet me denken aan het onderhouden van een dubbele tuin: in de ene helft groeien de ‘ongevaarlijke’ plantensoorten, in de andere het onkruid. Dat lijkt me niet bepaald realistisch. En dan heb ik het nog niet over mollen.

En hoever kun je meegaan in de idee van een politieke consensus? Want bestaat er niet nog steeds een ‘herenvolk’? Een elite die beweert dat er geen alternatief is, dat zich in de economie en het neoliberalisme de absolute waarheid toont… Terwijl dagelijks wordt aangetoond hoe perfide die waarheid is, en zeker niet alleen in de culturele wereld maar in elke levenssfeer. De Arabische Lente en Russische Revolutie mogen dan wel mislukt zijn, er blijven altijd dromen en utopieën. Dromen en utopieën kunnen verwezenlijkt worden. Wat nu in Griekenland gebeurt is een ‘kleinigheid’, maar wel hoopgevend. De twee waarheidssferen van Safranski lijken daar samen te vallen.

 

Foto: Stephen Shore,Tzylia Bederman, Bucha, Ukraine, July 18, 2012.

ALLE MUZIEK ONTSTAAT UIT EENVOUD

art pepper

Koorts geeft me zin om erop los te gaan. Art Pepper’s jazz vult de kamer, Lucinda Williams met haar hitsige stem hebben we net gehad, niet letterlijk maar wel onbeteugeld. Did you only want me for these three days? En altijd the Beatles weer, You never give me your money.

Martin Scorsese over de blues op BBC. Kan iemand beter in de huid kruipen van een ontdekkingsreiziger op zoek naar de wortels van een muziekvorm? Wat blijkt? Alle muziek ontstaat uit eenvoud, bijvoorbeeld een klein fluitje, met twee gaatjes, en wat tromgeroffel. Wat wij al doen om te overleven! Atomen splitsen, Hiroshima bombarderen, dictators uitlachen, na ze een gouden troon te hebben geschonken en hun bananen te hebben gegeten. En dan ’s avonds psychedelisch wortelsap drinken en op fluitjes blazen en seks op vele manieren, om te vergeten, of net niet, om de volgende dag opnieuw de dansvloer te kunnen betreden, waar de Tighten Up wordt gedanst.

Van een mens kan alles worden afgenomen, hoorde ik in de documentaire van Scorsese, behalve de cultuur. Niemand weet wat cultuur is. Wat is cultuur? Waar komt cultuur vandaan? Ik dacht aan Free Money van Patti Smith. Laat ons dat geld toekomen, op ons neerwaaien, dan kunnen Agnes, Annukka, Laura, Pat, Diana, de drie Jannen, Gary, Boris, Stephen, Charlie, Inge en de anderen nachtenlang de Watusi dansen in the land of thousand dances. Pascale zal ons eerst het beste bier inschenken of een andere Elixir d’Anvers, en daarna geeft zij de toon aan, tot een volgende danser aan de beurt is om de toon aan te geven. Tot de ochtend komt van een van die dagen. En dan koffie in Timbouktou of in die buurt. Zoveel en zoveel kilometer van hier tot daar.