AAN HET WERK

5-2-2013_029 (2)

Elk leven kent een aantal keerpunten. In mijn dagboeknotities vond ik wat sporen van zo’n keerpunt in mijn bestaan. De notities [1] zijn natuurlijk uit de context gerukt, waardoor lezers die er geen idee van hebben hoe ik voor de herfst van 1988 leefde misschien niet goed kunnen begrijpen waarom ik het over een keerpunt heb. Maar misschien toch ook wel. Ik denk dat elke lezer inlevingsvermogen heeft. Ik geloof heel sterk in het mededogen van onze soort. Omdat het moet, zeker in deze donkere, schijnbaar uitzichtloze tijd.

Nu zit ik hier ten slotte ook tussen de velen aan een bureau van de overheid en kijk naar documenten die weinig of niets betekenen voor mij. Het is nog maar de vraag voor wie ze wel enig nut of enige waarde hebben. Ik leg blad op blad op blad, zomaar… Om de indruk te wekken dat ik druk bezig ben. Veel drukte om niets, dat is hier de essentie. Na een tiental dagen op deze plek op de dertiende verdieping van het AG-gebouw ben ik al goed op weg om een modelambtenaar te worden.

Mijn angstschilfers voor het witte – of in dit geval grijze (ik schrijf op gerecycleerd papier) – blad zal ik maar van me afschudden. Deze woorden die hier nu ontstaan zijn mijn woorden, van niemand anders. Ook al zijn ze kaal en op zich nietszeggend, al kan iedereen ze zich toe-eigenen. Zoals mijn woorden zijn zo ben ik. Soms goed, soms slecht, vaak iets daartussenin. Ook de banaliteit en het gestamel hebben hun bestaansrecht op de wereld.

Je zal alleszins naar woorden moeten blijven zoeken, angst of geen angst. Zoveel ben je kwijtgeraakt tijdens de lange, vreemde reis… Ja, die metaforen… Daar moet je voorzichtig mee zijn. Metaforen zijn vaak het meest vijandig aan de eigen stem, want ze overvallen je met een vorm die van tevoren al vastligt. Zeker is dat zo als je er niet voldoende bij nadenkt. Bijgevolg moet je niet alleen naar woorden zoeken, maar even goed naar geschikte, geïnspireerde, rijke metaforen – of ze geheel en al uit de weg gaan, wat onbegonnen werk is. Tijdens de lange, vreemde reis, de lange rit door de donkere nacht, de dwaaltocht door de woestijn, de rondzwerving in het barre land, de ballingschap in de dorre gebieden… Stuk voor stuk metaforen die een periode in je leven aanduiden – en geen ervan voldoet. Maar de dagen van de wereld bestormen met bloemen van verderf liggen voor eens en voor altijd achter je. Je zal het met deze nieuwe – evenwel niet opeens opgedoken – kaalgeslagen taal moeten doen. Tevreden zijn met wat je nog krijgt, de schaarse woorden en beelden die overblijven na lang wikken en wegen en elimineren en verwerpen. Geen goudklompjes hield je over, alleen maar steen en fossiel.

Jeroen Brouwers gisteren in het programma Atlantis: is hij een échte schrijver? Of is hij de mythe van een echte schrijver? Iemand die zich voor een echte schrijver houdt? Zowat elke dag is hij daar met zijn donkere ogen, om als het ware zijn zelfmoord aan te kondigen. De pennenlikkers van het literaire circus zitten al vele jaren ongeduldig te wachten om met hun slecht geformuleerde in memoriams te scoren. Ik hoop dat Brouwers er geen eind aan maakt, dat het een verkoperslist is, dat hij de hele meute teleurstelt. Zijn ‘Zondvloed’ zal ook wel goed verkopen als hij er geen punt achter zet. Trouwens, had hij dat punt er niet beter voor gezet? ‘Après moi le déluge’ luidt immers de uitspraak van deze mensen die graag uitspraken in de mond nemen. Ach, de smaak van een wansmakelijke uitspraak is nog altijd beter dan die van het succulente vlees van een geveld everzwijn of een vermoorde patrijs.

Lang geleden, toen mijn hoofd nog vol haar stond, dat dan bovendien over mijn schouders golfde, heb ik Jeroen Brouwers meermaals gezien. Zou hij zich mij herinneren? Een bepaald beeld van mij met zich meedragen? “Die barman met dat lange haar in die bar van Herman J. Claeys, De Dolle Mol heette ze, dat weet ik wel zeker”. Waarschijnlijk niet. Wie herinnert zich langharige losers? Ik had een zwak voor die luidruchtige literatoren die er kwamen: Jeroen Brouwers, Paul Snoek en Marcel Van Maele. Zij waren me liever dan de overwegend Franstalige hippies die er rondhingen en voor zich uit zaten te staren of hasj te dealen. Dat laatste was niet alleen dom maar ook boosaardig ten aanzien van Herman, want de Dolle Mol stond haast onder voortdurende bewaking van de Belgische Opsporingsbrigade, softdrugs waren staatsgevaarlijk; dat vond althans de toenmalige minister van justitie Vranckx, een socialist tegen bewustzijnsverruiming. Uiterlijk leek ik wel op deze hippies, maar geestelijk was er weinig verwantschap tussen ons, denk ik. De echte hippies bevonden zich, in navolging van Jack Kerouac en andere beats, on the road in de Verenigde Staten, trokken naar Afghanistan en Nepal of leefden teruggetrokken in communes, wist ik. Dat had ik ook graag gedaan, maar waarschijnlijk had ik me daar bij hen, in Laurel Canyon, of weet ik veel waar ze woonden, evenmin thuis gevoeld als in Antwerpen of Brussel. Zal ik me overigens ooit ergens wel thuis voelen? Zeker hier niet, in dit hels-verlichte bureau van Ontwikkelingssamenwerking.

Ja, ik hield van die schrijvende mannen, zij waren karakters, zij hadden levensechte verhalen te vertellen. Zelfs als ze stomdronken waren vertelden ze nog boeiende verhalen. Ik was altijd nuchter in die tijd. Mijn enige zwak was de sigaret. Bijna mijn hele inkomen ging naar sigaretten. Sommige dagen kon er nog maar net een kommetje rijst met olijven en paprika af. Dat kocht ik aan de overkant van de Kaasmarkt, het hippe pleintje waar je niet alleen de Dolle Mol vond maar ook de Speakeasy. De bohémiens en hippies werden er heel gauw verdreven. Er moest plaats gemaakt worden voor pitabars en toeristen. Alles wat de stad een gezicht gaf werd verwoest. Zo komt het dat alle steden nu op elkaar lijken.
Zo waren mijn Brusselse dagen [2], goed voor een honderdtal bladzijden of meer, maar vandaag begin ik er niet aan. Alweer niet. Nu ben ik de Man die Werk Vond, van die gehate Brusselmans. Dat is geen schrijver (vinden de ernstige mensen, en meer dan eens ben ik zelf ook een ernstige mens). Of: De Man die Ook Werk Vond. Of: De Tweede Man Die Werk Vond. Nee, dit is niet grappig.

Ik had het over het Atlantis. Dat is een televisieprogramma waar ik voor thuisblijf. Zelfs als het onbenullig lijkt boeit het mij. Dat komt door de vervlechting van de thema’s die erin aan bod komen; de verschillende items verwijzen naar elkaar en versterken elkaar. Zo werkte ik vroeger ook aan mijn radioprogramma Shangri-La. Als je een country-smartlap als ‘Satin Sheets’ van Jeanne Pruett in een bepaalde context plaatst, kun je aan zo’n lied een diepere existentiële betekenis geven. Heel wat country-songs hebben die betekenis al in mindere of meerdere mate. Het zijn meestal op zijn minst interessante verhalen, die over het leven gaan, over de verhoudingen tussen mensen, over de eenzaamheid en het verlangen naar de dood. Over mogelijkheden om aan die eenzaamheid te ontsnappen: een beperkt aantal. Je mag zo’n lied natuurlijk niet in een typisch country-programma horen, gepresenteerd door een onbenul van een DJ die de nummers aan elkaar lult. Tenzij je zo’n uitzending ook weer in een ruimere context plaatst. Maar op die manier kun je doorgaan tot aan de grenzen van het universum en verder. Dan kom je weer bij een zekere God terecht. En daarmee is alweer een keer bewezen dat het geheel in het kleinste ding aanwezig is: in de kiem de kosmos. Maar zeg het niet tegen de anderen want dan lachen ze je uit.

Ik word in mijn echte werk gestoord. Mijn chef, Mevrouw Verstraeten, komt mij vragen om bepaalde belangrijke documenten in verband met het C.M.R.E.G. te klasseren, volgens mij een onbekend en waarschijnlijk zinloos systeem.

[1] Dagboeknotitie van 5 december 1988.
[2] In 1988 woonde ik nog in Antwerpen.

Afbeelding: Martin Pulaski, circa 1971.

ZERO DE CONDUITE: INTERIEUR

2018-06-03-nice-lyon 627

Zéro de conduite is een sfeervol, (meestal) thematisch programma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement heel specifiek voor tweeëntwintig liefst niet bekakte bakvissen, drieënzeventig zwaardviskoppen en twaalfduizend uitgeprocedeerde aartsbisschoppen – en voorts voor iedereen die het maar horen wil. Stem af op 106.7 FM: Uniek in het zich steeds verder uitdijende universum.
Je kunt Zéro via
 streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere radiomakers.

Op deze zonnige dag in mei zitten maar weinig mensen binnen, neem ik aan. Maar zelfs bij wie op straat loopt, over veldwegen wandelt, in bossen de zo nodige zuivere lucht inademt of lui op een terrasje zit, blijven interieurs in het bewustzijn aanwezig. In onze herinneringen aan koude winterdagen, in onze gesprekken met familie of vrienden, in onze verbeelding, in de verhalen die we verzinnen en vertellen. Heel vaak dringen als we buiten zijn interieurs de ruimte van onze woorden en onze gedachten binnen. Maar als we ons binnenskamers bevinden zijn we ons vaak net niet bewust van het interieur, van de tafel, de stoelen, het bed, de kasten, de spiegels, de ramen, de deuren, de ingelijste reproducties of kunstwerken aan de wand, de boekenrekken, het bureau, de telefoon, de televisie, de radiatoren, de lampen, de radio, het bijzettafeltje, de bank, de sofa, het vloerkleed, de gordijnen, de koelkast, de honderden gebruiksvoorwerpen… Al die grote en kleine dingen die zo belangrijk zijn in onze levens en die vaak met liefde en deskundigheid voor ons allen ontworpen zijn. Allemaal zo vanzelfsprekend en tegelijk zo vreemd soms. Je zou je zelfs kunnen afvragen of wij onze interieurs wel kennen, of we ze wel zien zoals ze zijn?
Maar goed. De songs die ik de voorbije dagen heb geselecteerd roepen als zo vaak het geval is met dergelijke thema’s een bepaalde sfeer op. Ze roepen gevoelens op. Gevoelens van tevredenheid, onrust, eenzaamheid, wellust, verstikking, wanhoop, warmte, troost, ontspanning, tederheid, vriendschap, afkeer, onverschilligheid en waarschijnlijk nog tal van andere gevoelens en emoties.

Ik draag dit programma op aan mijn zoon Jesse en aan mijn vriend Max Borka, die over dit onderwerp ongeveer alles weten.

Veel luisterplezier!

I’m Gonna Knock On Your Door – Eddie Hodges – The Cadence Story – Aaron Schroeder, Sid Wayne
Step Inside – The Hollies – Butterfly – Allan Clarke, Tony Hicks, Graham Nash
Come On In – The Association – Birthday – Jo Mapes
Stop By My Window – Rick Nelson – Perspective – John Boylan
Interiors (Demo) – Randy Newman – Guilty: 30 Years Of Randy Newman – Randy Newman
Hello In There – John Prine – John Prine / First Album – John Prine
I Don’t Believe You (She Acts Like We Never Have Met) – Bob Dylan – Another Side Of Bob Dylan – Bob Dylan
At My Window – Townes Van Zandt – Townes Van Zandt – Townes Van Zandt
Window – Damien Jurado – Where Shall You Take Me? – Damien Jurado
Dust On The Window – Low – Drums And Guns – Low, Mimi Parker, Alan Sparhawk, Matt Livingston
Dusty In Here – The Go-Betweens – Before Hollywood – Forster, McLennan
Room 321 – Tindersticks – Trouble Every Day (Soundtrack of the Claire Denis film) – David Boulter
No One Is There – Nico – The Marble Index – Nico
With My Face on the Floor – Emitt Rhodes – Emitt Rhodes / First Album – Emitt Rhodes
Paint It Black – Chris Farlowe – The Art of Chris Farlowe – Jagger, Richards
Who’s Been Sleeping Here? – The Rolling Stones – Between the Buttons – Jagger, Richards
Come On In My Kitchen – Steve Miller Band – The Joker – Robert Johnson
Lazy Women – Bo Diddley – Bo Diddley & Company – Bo Diddley
On The Couch – Ry Cooder – Paris, Texas – Ry Cooder
Moving Furniture Around – The Handsome Family – Odessa – Brett Sparks
Blue Chair – Elvis Costello & The Attractions – Blood & Chocolate – Elvis Costello
The Chair – Angelo Badalamenti – Twin Peaks: Limited Event Series Soundtrack – Angelo Badalamenti
Red Chair, Fade Away – Bee Gees – Bee Gees’ 1st – Barry Gibb, Robin Gibb
I’m Only Sleeping – The Beatles – Revolver – Lennon, McCartney
Twilight Furniture – This Heat – This Heat / First Album– Charles Bullen, Gareth Williams, Charles Hayward
Fireside Favourite – Frank Tovey (Aka Fad Gadget) – The Fad Gadget Singles – Fad Gadget
Room Without A View – Judy Nylon & Crucial – Pal Judy – Judy Nylon
Get to the Table On Time – M. Ward – Transfiguration of Vincent – M. Ward
The Book Is on the Table – Pere Ubu – Datapanik in the Year Zero (1975-1977) – Pere Ubu
Fight At The Table – Chris Bell – I Am The Cosmos – Chris Bell
Sittin’ On My Sofa – The Kinks – The Kink Kontroversy – Ray Davies
Good Old Desk – Harry Nilsson – Aerial Pandemonium Ballet – Harry Nilsson
I Went To The Mirror – Todd Rundgren – Something, Anything? – Todd Rundgren

Bonus tracks

Upstairs By A Chinese Lamp – Laura Nyro – Stoned Soul Picnic: The Best Of Laura Nyro – Laura Nyro
Love Songs On The Radio – Mojave 3 – Ask Me Tomorrow – Neil Halstead
Passing On The Stairs – Elysian Fields – Dreams That Breathe Your Name – Oren Bloedow, Jennifer Charles
The Bed – Lou Reed – Berlin – Lou Reed
Cigarette In Your Bed – My Bloody Valentine – EP’s 1988-1991- Kevin Shields
Bedroom Eyes – Dum Dum Girls – Only In Dreams – Dee Dee
Close the Door Lightly When You Go – Eric Andersen – ‘Bout Changes & Things, Take 2 – Eric Andersen

Research, techniek en presentatie: Martin Pulaski

Foto’s: Interieur, Lyon, MP.

HOOGSTE TIJD

Gisteren zag ik toevallig enkele fragmenten uit de film ‘Heartworn Highways’ van James Szalapski over de Outlaw Country-beweging in Texas en Tennessee. De documentaire werd pas in 1981 uitgebracht, maar de opnames werden al in de periode 1975-1976 gemaakt. In die tijd waren de protagonisten van ‘Heartworn Highways’, onder meer Townes Van Zandt, Rodney Crowell, Guy Clark en Steve Earle, nog onbekend. Steve Earle was pas twintig, zijn eerste volwaardige elpee, ‘Guitar Town’, zou pas in 1986 uitkomen. Van de drie of vier geziene uittreksels werd ik vrolijk en triest tegelijk. Een soort van opgetogen weemoed overviel me.
James Szalapski filmt in 1975 een uitgelaten ‘kerstfeestje’ ten huize van Guy Clark en zijn vrouw Susanna. Aanwezig zijn, naast de gastheer en -vrouw, Steve Earle, Rodney Crowell, Steve Young, Jim McGuire en enkele anderen. Hoewel alle gasten stevig gedronken hebben (en andere middelen gebruikt) zijn ze nog goed bij stem en bespelen ze hun gitaren en dobro’s met verve. Hoogtepunten zijn Steve Earle’s ‘Mercenary Song’, Guy Clark’s ‘Country Morning Music’ en ‘Stay a Litte Longer’, een duet van Steve Earle met Rodney Crowell. Het is duidelijk dat voor deze muzikanten het verleden en de toekomst niet bestaan: iedereen is in het nu. Wat niet zo ongewoon is bij dronkenschap en euforie, maar meestal bestaan er geen behoorlijke beelden – met klankband – van zo’n ‘nu’. Die euforie werkte bij mij aanstekelijk, maar zoals gezegd werd ik er ook triest van, waarschijnlijk omdat ik me niet in het ‘nu’ bevond maar in het ‘gisteren’, vier decennia geleden.

Waar was ik zelf op die kerstavond in 1975 en wat deed ik daar? Mijn herinneringen zijn grotendeels vervaagd. Ligt het aan een slecht werkend geheugen of aan de wil om te vergeten? In die tijd maakte ik vrijwillig géén foto’s: ik dacht dat ik over een fotografisch geheugen beschikte en me later nog alles zou herinneren. Ten minste, ik meen me te herinneren dat ik dat dacht.
Dit zijn enkele feiten. Ik was nog maar pas afgestudeerd, werkte bij boekhandel Corman in Brussel, woonde met A. in de Waterkrachtstraat in Sint-Joost, was arm en redelijk gelukkig. Als ik niet in de winkel stond schreef ik experimentele teksten en gedichten, vrijde uitbundig maar niet losbandig, ontmoette vrienden, dronk Jim Beam en Jack Daniels en rookte af en toe een joint (zoals de muzikanten in ‘Heartworn Highways’) en leefde, daar ben ik bijna zeker van, helemaal in het nu.

Waaraan ik, naast seks en schrijven, het meeste plezier beleefde was film. We gingen twee, drie keer per week naar het Filmmuseum, nu officieel Cinematek, een benaming die ik weiger te gebruiken. Daar zagen we films die me in veel gevallen beter zijn bijgebleven dan de details uit mijn eigen leven. Een daarvan was ‘Mouchette’ uit 1967. Gisteren zag ik Robert Bresson’s meesterwerk opnieuw.
Wat vind ik het moeilijk om met redelijke argumenten aan te tonen dat het om een hoogtepunt uit de filmgeschiedenis gaat. Om het even welk adjectief is te schamel, te nietszeggend. Zelfs onredelijke argumenten hebben geen zin. Uitroepen, beledigingen, vloeken, gebral, gejubel… Net zomin als gelovigen kunnen bewijzen dat god bestaat kan ik aantonen dat ‘Mouchette’ beter is dan om het even welk ander meesterwerk – in om het even welke discipline. ‘Mouchette’ maakt je sprakeloos, brengt je op het randje van het catatonische. De film verandert je leven. Of stelt op zijn minst de vraag of het niet de hoogste tijd is om je leven te veranderen.

Van kerstavond, – nacht en –dag 1975 herinner ik me vandaag niets. Was er een feestje bij iemand, hadden we zelf iets georganiseerd? Wie zal het zeggen.

 

 

IK HERINNER ME PHIL EVERLY

Herinner ik me Phil Everly? Eigenlijk niet. Hoewel hij enkele mooie langspeelplaten heeft gemaakt, waaronder ‘Star Spangled Springer’ uit 1973, kan ik hem maar met moeite los zien of horen van zijn oudere broer Don. Vaak hebben journalisten het over de vele ruzies tussen de broers, zelfs Paul Simon kan het niet laten in zijn artikel in Rolling Stone. Maar vormen die ruzies niet de noodzakelijke keerzijde van de onmogelijke harmonie van de broers? Zijn ze er bovendien niet helemaal aan ondergeschikt? Voor mij wel; ik heb er zelden aan gedacht, waarschijnlijk omdat ik me die niet kon voorstellen, betoverd als ik was door hun hemelse stemmen.

Wat dat laatste betreft. Ik geloof dat het Georges Bataille was die het betreurde dat we zo vaak moeten terugvallen op religieuze concepten om het over schoonheid te hebben. Dat is zo en ik betreur het zelf ook. Misschien zou het beter zijn mocht ik er het zwijgen toe doen.

1961. Ik zal ongeveer tien zijn geweest, misschien ook wat ouder. Een van de eerste singles die mijn vader voor me meebracht, grijsgedraaid op de jukebox van zijn stamcafé de Metropole, was “Lucille / So Sad (To Watch Good Love Go Bad)” van the Everly Brothers. Hoewel ik hem al lang niet meer in mijn bezit heb herinner ik mij het vuurrode Warner Brothers-label nog. Dat plaatje was het begin van een levenslange liefdesgeschiedenis. In die periode begon ik meer en meer naar de radio te luisteren, gefascineerd, vaak met sneller kloppend hart. Zoals mijn oudere broer hield ik van Elvis, Eddie Cochran, Fats Domino, Connie Francis en nu ook The Everly Brothers. In de vroege jaren zestig zat ik iedere zondagmiddag bij de radio als Guus Janssen Jr. zijn “Tiener Topper Tijd” presenteerde. Veel Duitse kitsch maar ook uitstekende rock & roll; sommige liedjes zijn me bijgebleven, zeker die van Don en Phil, met als uitschieters uit die periode ‘Since You Broke My Heart’, een droef en tegelijk opzwepend nummer, ‘Crying In The Rain’ en ‘Temptation. Zelfs het sentimentele ‘Let It Be Me’ oversteeg de zoeterigheid van andere versies.

Vanaf 1964, door toedoen van onder meer the Beatles, the Rolling Stones en the Kinks, vergat ik de broers een beetje. Maar soms doken ze nog wel eens op, zoals met ‘Gone, Gone, Gone’, ‘The Price Of Love’ en ‘Love is Strange’. Pas veel later zou ik van dat laatste de geweldige originele versie – pure seks – door Mickey & Sylvia horen.

De broers kregen eindelijk weer enige erkenning – tot dan werden ze samen met the Beach Boys in het nostalgiehoekje gestopt – toen Simon & Garfunkel hun ‘Bye Bye Love’ coverden voor ‘Bridge Over Troubled Water’, verschenen in januari 1970. Net zoals Rick Nelson en Carole King werden ze daarna ook omarmd door de Love Generation en het ‘langharig werkschuw tuig’.

De Everly Brothers maakten niet alleen uitstekende singles, sommige van hun elpees zijn voor mij werkelijk onmisbaar geworden, al heb ik die pas jaren na hun verschijnen in hun geheel kunnen beluisteren. Ik denk vooral aan ‘Songs Our Daddy Taught Us’, ‘The Everly Brothers Sing Great Country Hits’ (1963), ‘Gone Gone Gone’ (1965), ‘Two Yanks In England’ (1966, met enkele nummers die the Hollies, altijd al grote fans, voor ze schreven), ‘Stories We Can Tell’ (1972) en vooral ‘Roots’” (1968). Ja, ‘Roots’ is hun hoogtepunt, een album dat mee aan de basis lag van wat al gauw country-rock zou worden genoemd. Ik ga er hier niet dieper op in: elders op hoochiekoochie vind je er meer over.

Don en Phil Everly zijn voor mij altijd de beste broers geweest, hun samenzang de mooiste samenzang. Harmonieuzer nog dan die van de andere zingende broers, de Louvins, de Stanleys, en intenser dan de  harmonie van the Hollies en the Beatles (zij het dat hun songs wat minder ingenieus zijn dan die van Lennon en McCartney, hoewel hun reguliere songschrijversduo Felice en Boudleaux Bryant ook niet mag onderschat worden). Nu ja, hun invloed op zowat iedereen die van enige muzikale (en vocale) betekenis is in de geschiedenis van de popmuziek is gekend.

En nu is Phil Everly dood… Het jaar is nog maar net begonnen. Goodbye baby boy Phil.

JASON ISBELL & AMANDA SHIRES

Ik had al een tijdje het gevoel dat Americana dood was. Maar ik zal me vergist hebben. Gisteren zag ik de toekomst van Americana, en tegelijk veel meer dan dat – want zelfs al mocht Americana dood zijn, dan zou Jason Isbell nog altijd een van de beste songschrijvers van zijn generatie zijn. Dat bewees hij gisteren met zijn no-nonsense concert in de ongezellige Witloof Bar van de Botanique, waar de helft van het publiek tegen bakstenen zuilen moet opkijken. Isbells Texaanse vriendin (of echtgenote, mocht je dat liever horen) Amanda Shires speelde het mooie openingsconcertje, zichzelf begeleidend op ukulele en viool. In de metro naar huis las ik haar teksten: helemaal anders dan die van haar vriend, minder verhalend, maar erg goed geschreven. Het poëtische en prozaïsche vullen elkaar hier uitstekend aan. Dat hoor je ook in het felle gitaarspel van Jason Isbell en de lyrische viool van Amanda Shires. Ik ben voor altijd gewonnen.

AVALANCHE

Nu het nog kan kun je me beter als levende ziel versieren
Zonder zwarte kater op mijn schouder als ik op een zondag
Met gitaar en krant te goochelen zit. Ver weg van alles
Als een countryzanger in wit licht de dood nabij
Maar toch heel levendig, met veel geel en groen.

Heb je me al in de ogen gekeken als ik onnozel doe
En blij ben omdat je bij me bent als een dagdroom
Die je niet vergeet, ook op de trottoirs tussen mensen
Die overal heen snellen, als blinden stoten ze tegen je aan?
Dat jij me niet vergeten bent hoor ik in elk lied

Als ik nuchter luisterend op signalen van liefde wacht
En opeens zit iemand op een viool te krassen en zingt:
Ma chérie je veux danser avec toi, toute la nuit.
Chagrin, pitié, faut oublier tout ça, mal à la tête,
Oui, je te veux, je te veux, comme une avalanche.

Ω

Een vroegere versie van dit gedicht: 7 mei 2009.

 

ZERO DE CONDUITE TREKT NAAR HET PLATTELAND

platteland

Vandaag gaat onze aandacht naar het platteland in de populaire muziek. Het mooie en harde leven in agrarische gebieden. Dorpen, kleine stadjes, akkers, velden, heuvels, bomen, vee, rivieren, boeren, cafés, dansen in het maanlicht, noem maar op… Het romantische verlangen naar zo’n leven. De blues van mislukte oogsten en overstromingen, de vredige gevoelens die zich meester van je maken als je zit te vissen.  Een leven ver weg van de stress van de grootstad. Die pastorale droom bestaat al lang, was een belangrijk element van de romantiek, en zeker ook van de hippie-beweging. Hippies keerden massaal de rat race in de verdorven steden (“sin city”) de rug toe, en vluchtten weg in communes op het platteland. Natuurlijk hebben de hippies het pastorale thema in de muziek niet uitgevonden. Het komt vaak voor in klassieke muziek, denk maar aan Beethoven en Schubert, maar ook in blues en zeker in country en soul.

Veel luisterplezier.

Country Comfort (Elton John/Bernie Taupin) – Handbags And Gladrags – Rod Stewart.
Dit lied vat zowat het hele programma samen:
“And it’s good old country comfort in my bones
Just the sweetest sound my ears have ever known.
Seven Bridges Road – Valley Hi – Ian Matthews
Country Fair – Veedon Fleece – Van Morrison
Gathering Rushes In The Month Of May – The Bird In The Bush – Anne Briggs
Country Air – Wild Honey – The Beach Boys
Country Dreamer – Band On The Run – Paul McCartney & Wings
Country Pie – Nashville Skyline – Bob Dylan
“I don’t need much and that ain’t no lie
Ain’t runnin’ any race
Give to me my country pie
I won’t throw it up in anybody’s face.”
Sign On The Window – May Your Song Always Be Sung Again – Melanie Safka
Green Rolling Hills – Quarter Moon In A Ten Cent Town – Emmylou Harris
Wildflower – Trio – Dolly Parton, Linda Ronstadt & Emmylou Harris
Bob Wills Is Still The King – Dreaming My Dreams – Waylon Jennings
Are You Sure Hank Done It This Way? – Dreaming Waylon’s Dreams – Chuck Prophet
Setting The Woods On Fire – I Won’t Be Home No More – Hank Williams
Het vuur is vaak een metafoor voor ongenoegen, protest, in alle culturen, maar misschien meest van al in agrarische omgevingen.
Hank Williams gebruikt de metafoor van brandstichting in het bos gewoonweg voor stomende seks.
Living In The Country – Running Down The Road – Arlo Guthrie (met Ry Cooder)
The Fields Have Turned Brown – The Complete Columbia Stanley Brothers – The Stanley Brothers
My Home Among The Hills – Can The Circle Be Unbroken? – The Carter Family
Blue Harvest Blues – Avalon Blues: The Complete 1928 Okeh Recordings – Mississippi John Hurt
Country Boy – The Universal Masters Collection – Muddy Waters
Fishin’ Blues (Henry Thomas) – Do You Believe In Magic – Lovin’ Spoonful
Long Black Veil – Columbia Country Classics 3: Americana – Lefty Frizell
King Harvest (Has Surely Come) – The Band – The Band
Going To The Country – Number 5 – The Steve Miller Band
“Gonna leave the city put my troubles behind
People in the city goin’ out of their minds
Goin’ to the country just to feel like gold
People in the country really let themselves go.”
Pickin’ Up The Pieces – The Very Best Of Poco – Poco
Pretty Little Cemetery – Other Songs – Ron Sexsmith
Cornflower Blue – New Wild Everywhere – Great Lake Swimmers
Service And Repair – Hot Rail – Calexico
“It’s just a matter of time in they’re moving on
It’s just a matter of time before they’re moving on
Doesn’t take much time for plans to go wrong
and chase another ghost of a chance.
In the shadow of chain-store ghost towns
where no one walks the streets at night,
the silent nation hooked on medication,
stares into a blue flickering light.”
Grantchester Meadows – Ummagumma – Pink Floyd
Get Behind The Mule – Mule Variations – Tom Waits
Country Home – Ragged Glory – Neil Young & Crazy Horse
Wide Open Road – Born Sandy Devotional – The Triffids

 

Research & presentatie: Martin Pulaski

SOLOMON BURKE: IF YOU NEED ME

Op acht oktober 2006 schreef ik dit:

“Het is zondag, twaalf uur, de zon schijnt door de ramen van mijn werkkamer. Zou ik ze open gooien? Ja, dat ga ik doen.
Mijn jukebox draait ‘Nashville’ de nieuwe cd van de oude Solomon Burke. Zoals de titel aangeeft is het countrymuziek. Niets nieuws voor de man die ongeveer vijftig jaar geleden al ‘He’ll Have To Go’ opnam, en vele andere countryklassiekers. Het verschil met zijn vroegere grammofoonplaten is dat hier – zeer geslaagde – duetten op staan met Dolly Parton, Gillian Welch, Emmylou Harris en Patty Griffin. Solomon Burkes diepe soulstem, vol nuance en emotie weet me opnieuw te bekoren. De songs werden opgenomen bij Buddy Miller thuis. Het is muziek van en voor de werkende mens, korte verhalen die iedereen kan begrijpen.”

Wat kan ik daar nog aan toevoegen, nu Solomon Burke dood is? Hij was een van mijn uitverkoren soulzangers. Ik heb hem dank zij ‘If You Need Me’ van The Rolling Stones leren kennen. Zinderende country en soul. Een keer heb ik hem zien optreden, toen hij al op zijn troon zat, vanwege zwaarlijvigheid. Het was een opwindend concert en iedereen om me heen, ook tieners, zongen mee, Everybody Needs Somebody To Love, and I need you, you, you. Toch werd zijn concert afgekraakt in een kwaliteitskrant, ik weet niet meer welke, het vaderland heeft er zoveel, en zijn bewonderaar, Tony Joe White, die na hem optrad en nog wel op een erg vervelende en ongeïnspireerde manier, werd opgehemeld. Typisch!

Dat zal mijn pret niet bederven als ik nog eens een plaatje van Solomon Burke opleg, en het zal er mijn verdriet ook niet minder om maken. Rust in vrede, goede man. En ik zal het nooit vergeten: if you need me, why don’t you call me.

SIN CITY

dav

Telkens als ik ‘Christine’s Tune’ (“her number always turns up in your pocket / whenever you are looking for a dime”) en ‘Sin City’ hoor, of eigenlijk om het even welk ander nummer uit ‘The Gilded Palace Of Sin’ van The Flying Burrito Brothers ben ik weer negentien, aan boord van het schip van mijn ouders, de Rocco. De plaats van handeling is Neerharen, nu een deelgemeente van Lanaken, een grensgemeente met veel drugsproblemen. Mijn schoonzus is er al een hele tijd geleden gestorven van een overdosis Rohypnol. Mijn broer heeft haar op een zondagochtend dood aangetroffen op de keukenvloer.

Op de achtergrond zie ik een groot wit huis, waar de uit het verre Antwerpen afkomstige sluismeester woont, op wiens dochter Henriette ik als kleinere jongen zo verliefd was.

Het is inmiddels 1969, midzomer, ik ben met enkele elpees uit Maastricht teruggekeerd, waaronder deze vreemde ‘Gilded Palace Of Sin’. Vreemd omdat ik ze in het bakje ‘underground’ heb gevonden in platenwinkel ‘De Harp’, de plek in Maastricht waar ik me meestal ga bevoorraden. Dat gebeurt niet zo vaak, omdat mijn budget beperkt is, en een elpee kost 19,90 Nederlandse gulden wat, als ik met nog goed herinner ongeveer overeenkwam met 299 Belgische franken. Ik spaar wat geld door ’s zaterdags autostop te doen van Tongeren, waar ik op internaat zit, tot Neerharen, ongeveer dertig frank toch telkens. Soms stop ik muntstukken in de jukebox in een kroeg in Tongeren, om naar the Bee Gees, the Equals of Julie Driscoll te luisteren. Op ‘Massachussetts’ kon je heerlijk slowen. ‘This Wheel’s On Fire’ was niet alleen van Bob Dylan, maar ook ongelofelijk psychedelisch en zeer aanstekelijk om op te grooven.

De busrit van Maastricht naar Lanaken is goedkoop. Het loont de moeite niet om er met de fiets naartoe te rijden, want die moet je ergens in een fietsenstelling onderbrengen, en dat kost zelfs meer. Het goedkoopste is te voet, dat is ongeveer een uur lopen. Maar we zijn ongeduldig, we willen onze nieuwe aanwinsten horen.

Ik zet mijn draagbare, geelkleurige Philips platenspeler buiten en ik haal de plaat zeer voorzichtig uit de prachtige hoes – nu, in 2007, nog altijd een van mooiste hoezen die ik ken – en leg ze op het ‘draaitafeltje’. Het volume zet ik vanzelfsprekend op maximum. Dat moet zo van Jimmy Miller, de producer van the Rolling Stones. En dan weerklinkt wat in België nooit eerder geklonken heeft, weerklinkt over het kanaal en de oever en de weide en de populieren daarachter, en tot aan de legerbrug, dan weerklinkt in Neerharen, dan weerklinkt voor iedereen die het horen wilt in dat stukje Maasvallei de allermooiste muziek die op het einde van de jaren zestig werd gemaakt, de ‘Cosmic American Music’ van the Flying Burrito Brothers, met de ongeëvenaarde samenzang van Chris Hillman en Gram Parsons.

gilded palace of sin

Ik had de elpee gekocht omdat ik een grote fan van the Byrds was en met name van Chris Hillman. Hillman was tot voor kort de bassist van the Byrds geweest – zijn muzikale rol op ‘The Notorious Byrds Brothers’ kan niet voldoende benadrukt worden – en schreef tevens een aantal van hun mooiste songs, waaronder ‘Time Between’. Gram Parsons kende ik nog niet zo goed. Hij had the Byrds pas vervoegd ten tijde van ‘Sweetheart Of the Rodeo’, ook een baanbrekende elpee die in 1968 verscheen. In een bespreking had ik gelezen dat hij Roger McGuinn, de ‘leider’ van the Byrds, in de richting van de ‘country and western’ muziek had gestuurd, terwijl ze kort daarvoor nog space rock en psychedelische pop speelden en de hipste groep van de VS waren. Wie wilde er niet uitzien zoals McGuinn met zijn space age-brilletje? Zelfs John Lennon had de mode overgenomen, en na een tijd herkende je in elke vreemde stad waar je kwam je ‘soortgenoten’ niet alleen aan hun haardracht maar ook aan de vorm van hun bril. Maar ‘country & western’? Dat was toch iets voor het klootjesvolk, zoals Armand de gewone mensen noemde, en de gewone mensen waren degenen die gewoonweg niet blowden zoals hij. Zowat iedereen die dacht niet tot het klootjesvolk te behoren noemde het klootjesvolk toen nog het klootjesvolk, dat was politiek correct. Nu kan dat niet meer. Ik hield niet van country, ik had er een afkeer van. Maar die zonnige avond in Neerharen weerklonk ‘The Gilded Palace Of Sin’ over het kanaal en over de velden en de weiden en drong door tot in mijn hart, tot in mijn ziel – en ik was bekeerd. Voortaan zou ik het woord verkondigen: country is de echte rock, is de echte soul, is de echte blues. Ik overdreef een beetje in mijn bekeringsijver, maar in zekere zin komt het daar wel op neer.

byrds sweetheart

Een week later ben ik een elpee van Hank Williams gaan kopen en toen begreep ik het helemaal. Dit was de blues voor arme blanke mensen, ook voor schippers en hun kinderen. Dat was geen racistisch idee, maar het genre was gewoon anders, niet beter en niet slechter, dan de zwarte blues – waar ik overigens al jaren tevoren voor gewonnen was. Ray Charles was in mijn kinderjaren een van mijn helden, maar ja, hij heeft ook country opgenomen, en van de allerbeste. Ik denk aan ‘Born To Lose’, ‘Crying Time’ en ‘I Can’t Stop Loving You’.  Gram Parsons en Chris Hillman raakten echter nog iets in mij wat Hank Williams en Ray Charles niet deden: ze spraken niet alleen mijn gevoelens, mijn ‘ziel’ aan, maar ook mijn intellect. Zij vertelden verhalen waar ik me in kon herkennen, en naarmate ik ouder werd nam die herkenning toe. Drugs, vrouwen, religie, domme hippies, noem maar op. Al de kwalen van de wereld, zelfs de oorlog, kwamen aan bod. In ‘My Uncle’ riepen ze de Amerikaanse jongens op om naar Vancouver uit te wijken; in die Canadese stad zouden ze niet naar Vietnam worden gestuurd.

Toen ik ‘The Gilded Palace Of Sin’ terug in de hoes stak, was ik een andere jongen. Waren de Rolling Stones nog wel mijn helden? Brian Jones? Was ‘Beggar’s Banquet’ echt zo origineel? Ik wist het niet meer. En dan was er bovendien ‘Nashville Skyline’ van Bob Dylan die dezelfde richting uitging als Parsons en Hillman: Nashville. What the fuck was happening? Ik kon niet meer volgen. Was al die ‘underground’-muziek dan voor niets geweest? ‘Music From Big Pink’! Ik bezat nog niet veel elpees, maar ik had aan wat ik bezat toch al wel een fortuintje uitgegeven, en in die periode honderden keren gelift van Tongeren naar Neerharen. Gelukkig was ik nooit verkracht door een naar country luisterende trucker of zo. Waren die nu allemaal waardeloos geworden? Cream, Fleetwood Mac, HP Lovecraft, Blue Cheer?

The ‘Gilded Palace Of Sin’ liet me onder meer – al liftend – in Amsterdam belanden, waar ik the Flying Burrito Brothers zag optreden in het prestigieuze Concertgebouw (waar ongeveer iedereen zat te blowen), helaas een paar weken nadat Gram Parsons de band had verlaten. We logeerden bij een student die zware ruzie had met zijn vriendin. De gesprekken – de volgende dag – gingen vooral over de censuur in België, die toen woedde ‘dank zij’ een ‘socialistische’ minister van cultuur (hier moet ik veel ironietekens gebruiken). Wij waren al op straat gekomen in Brussel, waar ik inmiddels was gaan samenwonen met mijn vriendin, om te betogen tegen allerlei repressieve maatregelen van de Belgische staat. Onder meer hadden we een Amerikaanse legertank bezet die tentoongesteld stond, als was het een kunstwerk van een omgekeerd seniele Panamarenko, op het De Brouckèreplein (wat toen nog een echt plein was). Het is de enige keer in mijn leven geweest, totnogtoe, dat een flik mij met een matrak heeft weten te raken.

Door ‘The Gilded Palace of Sin’ raakte ik bevriend met Jos, die weliswaar ook van the Eagles hield (die ik verafschuwde) – maar voor wie Gram Parsons en Neil Young echt wel de allergrootsten waren. De synthetische klanken van de jaren tachtig heeft hij niet overleefd. Hij is door de onbewuste bemiddeling van Gram Parsons tot aan zijn dood mijn beste vriend gebleven. Met mijn andere vriend uit de jaren zeventig, Marc D., die ik op de filmschool in Brussel had ontmoet, discussieerde ik  tijdens wandelingen in het Zoniënwoud over CSNY (waar hij zielsveel van hield), the Band, Gram Parsons en Creedence Clearwater Revival aan de ene kant en Soft Machine, Kevin Ayers, Silver Apples en United States Of America aan de andere kant. Over het verschil tussen ‘echte’ rock & roll en ‘underground’ muziek. Ik kon moeilijk een keuze maken, ik hield van de twee kanten van de medaille. Altijd heb ik een verzoener willen zijn. Pas op vrij late leeftijd heb ik begrepen dat je dan de meeste vijanden maakt. Je moet kiezen voor het ene of het andere, wordt gezegd. Ik ben anders. Ik hield van ‘The Gilded Palace Of Sin’ en van ‘White Light, White Heat’. En zo ben ik nog steeds. Further along we’ll understand why. En Lou Reed (the Velvet Underground, Loaded) is dan fel gemaquilleerd op het podium gestapt met ‘Rock and Roll’. Werd op dat ogenblik niet alles duidelijk?

Voilà, hier stop ik, om het kort te houden. Want wij hebben niet meer het geduld om ons lang met één ding bezig te houden. De wereld zit propvol ‘amusement’ en je moet alles een keer proberen. Zo is het, helaas en zelf heb ik ook geen geduld meer. Wat me nog van het hart moet is dat ik aanvankelijk als een paria beschouwd werd toen ik met ‘The Gilded Palace Of Sin’ op de proppen kwam. Jongen, dat was toch geen ‘underground’, dat waren allemaal smartlappen! Hetzelfde had ik eerder meegemaakt met ‘White Light White Heat’. Als ik die plaat oplegde was na vijf minuten iedereen de deur uit. Ik heb zelden zulke hatelijke gezichten gezien als toen ‘Sister Ray’ die mensen hun oortrommeltjes raakte.  Maar daarover – of over iets anders leuks – een volgende keer.

the white house in neerharen

Foto’s:
Boven – de jonge Martin Pulaski dansend op ‘Christine’s Tune’ uit ‘The Gilded Palace Of Sin’. Het schip ligt aangemeerd aan de kleine kade in Neerharen.
Onder: het huis van de sluismeester, waar Henriette woonde.

DE TECHNIEK VAN GUY CLARK

clarks

Gisteravond zat ik nog een keer te luisteren naar ‘Better Days’ van Guy Clark, de singer-songwriter uit Texas die over enkele dagen 66 wordt en in ons land nog steeds even weinig bekend is als bij het verschijnen van ‘Old No. 1’, zijn verrassend debuut uit 1975.  Maar liefhebbers van americana noemen hem meestal in één adem met Townes Van Zandt en Steve Earle. Townes is inmiddels dood en een legende en Steve Earle berucht en (bijna) beroemd. Waarom vallen de liedjes van Guy Clark dan zo weinig in de smaak? In België houden maar weinig melomanen van countrymuziek; soms wordt over het genre zelfs met afgrijzen gesproken en geschreven. Waarschijnlijk te wijten aan de nasale stemmen, de realistische teksten – en in sommige gevallen aan de sentimentaliteit en de kitscherige kostuums.

Maar Guy Clark een typische countryzanger noemen zou verkeerd zijn. Zijn stijl leunt meer aan bij folk; zijn songs zijn verhalen, soms gedichten. Sentimentaliteit is hem vreemd. Hij heeft het over zeilboten, tomaten, de mandoline van Picasso, spullen die werken (“stuff you don’t hang on the wall”), gitaarsnaren, de Texaanse keuken, whisky, de laatste revolverhelden, instantkoffie, daklozen, hotelkamers, timmerlieden, enz. Je hoort op zijn platen veel plezier en bezieling, zowel in zijn warme stem als in het verfijnde spel van de muzikanten die hem begeleiden. Voor hen is het een eer erbij te mogen zijn. Je voelt aan dat ze houden van zijn levensechte songs, van zijn warme persoonlijkheid. Jammer toch dat niet wat meer muziekliefhebbers Guy Clark’s parels uit het duister tevoorschijn halen. Bij ons wordt het zelfs moeilijk om nog platen van de man te vinden. Maar de liedjesschrijver uit Texas volhardt. Zijn liefde voor het vak is groot. Ja, net als een timmerman of een meubelmaker is hij een vakman, wat hetzelfde is als een kunstenaar, zeker als je kunst als τέχνη (techné) beschouwt, wat de oude Grieken deden. Toch wordt techniek vaak als het tegenovergestelde van kunst beschouwd. Kunstenaars mogen in dat geval geen vuile handen hebben, zangers geen rauwe stem, gitaristen geen bloedende vingers. Op de hoezen van Guy Clark’s platen zie je wel eens mooie afbeeldingen van instrumenten, zelfs van schaafsel. Dat is geen toeval: de liedjesschrijver is ook ‘luthier’, hij herstelt en maakt gitaren. Is dat de reden waarom in de opnamestudio zoveel zorg wordt besteed aan de klank van gitaren, violen, mandolines, en andere snaarinstrumenten? Voor de ‘crafstman’ naar de studio trekt schaaft hij lang aan zijn teksten, dat hoor je al bij een eerste beluistering. Toch is het eindresultaat niet klinisch, niet ‘perfect’. De songs zijn ruwe diamanten, om de titel van een elpee van John Prine aan te halen.

Ja, en gisteravond kreeg ik nog een keer tranen in de ogen bij ‘Randall Knife’, het lied dat Guy Clark schreef naar aanleiding van de dood van zijn vader. Zonder sentimenteel te zijn weet de zanger met die song toch keer op keer het hart te raken. ‘Better Days’ is waarschijnlijk zijn beste langspeelplaat, maar heel zijn oeuvre verdient bestaansrecht. Schitterend is ook ‘I Don’t Love You Much Do I’, terug te vinden op ‘Boats To Build’ en op de pas verschenen ‘Songbird’-box van Emmylou Harris. En er is nog veel meer moois. Zal ik nog eens een lijstje maken?

Foto: Susanna and Guy Clark, fotograaf onbekend.

IN MEMORIAM BUCK OWENS

buck owens 2

“It’s crying time again, you’re gonna leave me.” Dit waren waarschijnlijk de eerste woorden uit een country & western song die ik ooit hoorde, of die een bewuste indruk achterlieten. Een grote droefheid sprak uit dat eindoordeel, maar het werd gezongen met een bepaalde vrolijkheid, en de melodie van het lied deed ook niet voor honderd procent naar euthanasie verlangen. Het waren overigens geen tijden van euthanasie, het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw. Als je er een punt achter wilde zetten moest je je opknopen aan de hoogste boom in het meest nabije bos of een fles Javel La Croix leegdrinken (wat waarschijnlijk geen kans op slagen had, wel veel nare gevolgen). Ik hoorde die woorden van Buck Owens, die manier van zingen (op de manier van Bakersfield in Californië, waar veel ‘immigranten’ uit Oklahoma woonden), die eenvoudige levenswijsheid, die melodie meteen zeer graag.

Mijn vader bracht toen ik nog een kleine jongen was van zijn vrij zeldzame maar toch geregeld terugkerende nachtelijke escapades ‘afgedankte’ 45-toerenplaatjes mee, ‘singles’ noemden wij ze, het leken wel archeologische vondsten, sporen van een andere wereld. Sommige exemplaren, zoals ‘Diana’ van Paul Anka waren grijsgedraaid, andere zoals ‘The Boppin’ Rock Boogie’ van The Sparkletones waren nog zo goed als nieuw.
Ik wil eerlijk zijn in het oog van andermans dood. Ik weet niet meer of bij er die singles die mijn vader meebracht van de Rekemse nachtcafés, bijvoorbeeld van bij Leontine, of van de Congo Bar, een bij was van Buck Owens, maar ik denk het wel. Door Buck Owens en Ray Charles heb ik de buitengewone schoonheid en het sterke realisme van de countrymuziek ontdekt. De zogenaamde tranerigheid was het leven zoals het was. Toen, zonder dat het al een commercieel ‘format’ was, op maat van voyeurs gemaakt. Het leven was gewoon zoals in het lied. ‘Listen to what the blues are saying’, in de woorden van Willie Nelson.

Buck Owens was niet meteen een held van me. Wel hoorde ik het genre meteen graag. In zijn vaderland had Buck Owens veel succes, en veel epigonen. Veel fans ook, die in bars hun verdriet met hun vrolijkheid probeerden te combineren. In Groot-Brittannië had Buck Owens, en zijn begeleidingsgroep the Buckaroos, bijzonder veel bijval. In die periode verloor dat machtige imperium zijn macht; koloniën glipten als zand door zijn vingers. Het Verenigd Koninkrijk werd zelf een kolonie, van de Verenigde Staten, zeker op cultureel gebied. En wij luisterden naar Britse zenders, Amerika was te ver. WDIA zouden we pas veel later in bluesgeschiedenisboeken ontdekken, en bij bezoeken aan Memphis en New Orleans. Op die Britse zenders, en vooral op Radio Luxembourg, leerden we the Beatles kennen. Twist and Shout, een cover, natuurlijk. De Britten hadden zichzelf nog niet heruitgevonden. (De Belgen ook niet, overigens.) Buck Owens was een held van the Beatles, vooral van Ringo Starr (die altijd een zwak had gehad voor het erfgoed van de ‘rednecks’ en ‘the appalachians’). Buck Owens’ ‘Act Naturally’ maakte deel uit van de doorsnee merseybeatgroep, ook van the Beatles. Op die manier was de stap snel gezet.

Ik leerde Buck Owens echt kennen via een zwarte rhyhtm & blueszanger, Ray Charles. Hij was wel een van mijn eerste muzikale helden, wat ik hier al heb verteld. De eerste single die ik ooit kocht was zijn ‘I Can’t Stop Loving You’, op ABC-Paramount. Ik bezit hem nog altijd, maar waar? Niet veel later had de blinde zanger (en junkie) een hit met Buck Owens’ Crying Time.

Ik herinner me nu ook een feestje in het Atheneum van Tongeren. Er trad een Nederlandse zangeres op, misschien was het Conny Vandenbos (van ‘Ik ben gelukkig zonder jou’ en ‘Paleis met gouden muren’), maar ik ben niet zeker, ik zou het moeten opzoeken, maar een mens is moe, en zijn energie is uitputtelijk. Misschien was het iemand anders, dat kan ook. In ieder geval zong ze dat overrompelende lied, Crying Time, en wij internen zongen allemaal mee, zij het niet met tranen in de ogen. Want wilden wij niet zelf op dat podium staan zingen, of liever nog, gitaar spelen of drummen? Zoals Mick Jagger, Keith Richards, Keith Moon, En hoe kun je dan om die kleine mislukkingen van het leven huilen? Je kent dat nog niet. Je hebt nog niet geleefd.

Korte tijd later werd ik een part time countrymuziekliefhebber (ongeveer vijftig procent, ik hield ook wel van Soft Machine, Albert Ayler, Led Zeppelin en the United States Of America, en vanzelfsprekend van the Velvet Underground). The Byrds en the Flying Burrito Brothers hadden mij de weg gewezen naar de ‘echte country’. Alleen vond ik nergens platen. Niet één elpee. Ooit heb ik een Duitse plaat gekocht, vol vreselijke covers van allerlei bekende bluegrass- en countryliedjes, om toch met iets te kunnen meezingen. Er was niets anders te vinden. Uit pure ellende heb ik me aangesloten bij een boeken- en platenclub en zo ben ik in het bezit gekomen van een verzamelelpee, de titel ben ik vergeten, met één of twee liedjes van een aantal countryzangers en –zangeressen op, waaronder Merle Haggard en Buck Owens (en vooral mindere goden). Van Buck Owens was het Sweet Rosie Jones. Inmiddels was ik in Brussel gaan wonen om er naar de filmschool te gaan. De studenten daar hadden, zoals je wel kunt raden, nooit van Buck Owens maar evenmin van The Velvet Underground gehoord. Ze hielden vooral van kleinkunst., genre Zjef Vannuytsel. De progressieven onder hen hadden een voorkeur voor Yes, Pink Floyd, Deep Purple. Die jongens waren de toekomst van Vlaamse cinema en televisie. Lang ben ik er niet gebleven. Ik vond het prettiger joints te roken met mijn vriend O. en onder invloed naar al die heerlijke landelijke muziek te luisteren, ondertussen boekend lezend van Henry Miller, Dylan Thomas en Remco Campert.

Kort nadien ben ik getrouwd. Ik had kennis gemaakt met de groep Pendulum, de eerste en enige echte countryrockgroep in België. Erik Vaneigen is korte tijd een goede vriend van me geweest. We hadden elkaar ontmoet in een Brussels café en ontdekt dat we allebei fans waren van the Byrds en heel veel van countrymuziek hielden, vooral van Buck Owens. Erik heeft dan met een paar leden van Pendulum op ons trouwfeeest gespeeld, onder meer Sweet Rosie Jones. Zij zaten gewoon op ons bed, en wij zaten op de grond te luisteren en goedkopen Chianti te drinken. (We hadden maar twee kamers.) De benedenverdieping was een zwarte club, Les Anges Noirs. De tegenstelling kon niet groter geweest zijn: boven de rednecks, beneden de negers. Maar hoe zat dat dan met Ray Charles, en Buck Owens zelf die rock & roll speelde van Chuck Berry? Dat is een ander verhaal. Het was een alleszins gedenkwaardig trouwfeest, waar ik Erik Vaneigen nog altijd dankbaar voor ben. En de politie die plotseling binnenviel om allerlei dingen te controleren!Want eigenlijk leefden we in die dagen in een politiestaat. Als je nog maar aan marihuana dacht werd je voor een tweetal maanden in Leuven, Gent of Antwerpen opgesloten. Ik overdrijf niet. Maar ik ben de jongens in uniform toch dankbaar, want zij maakten de avond nog spannender.

Ik sla tenminste tien jaar over.

Later, na punk en new wave, kwam ik weer op het spoor van Buck Owens door de betere epigoon Dwight Yoakam (die tevens een stukje kan acteren). Dwight Yoakam maakte duidelijk waar het allemaal vandaan komt. De Bakersfield Sound, Buck Owens, The Buckaroos. Ik heb enkele weken een radioprogramma gemaakt dat Buckaroo heette. Nu is de de echte Buckaroo dood. Laten we toch nog maar eens naar dat liedje luisteren, en naar Crying Time, en naar The Streets Of Bakersfield. Laten we vooral deze minzame
pionier nooit vergeten.