FOTOGRAFIE EN HERINNERING

IMG_5734

Nu ik het toch over herinneringen en fotografie heb… En wanneer heb ik het eigenlijk niet over herinneringen? Als de herinneringen als vanzelf op het witte blad verschijnen, dan niet, dan zijn het herinneringen. En over fotografie? Dat zou ik eens moeten onderzoeken. Alleszins is de afbeelding van toen ik nog een kleine jongen was tot vandaag er altijd geweest, een evidentie, zoals water of een wiel. Ik schrijf nu ‘afbeelding’, maar ‘beeld’ zou beter zijn.

Maar terzake. Jaak Geerts, een facebookvriend, bezorgde me een link naar een artikel over het geheugen en de fotografie. De stelling daarin is dat een gebeurtenis – of object, persoon – fotograferen min of meer gelijkstaat aan ze vergeten. In een museum gaan twee personen van ongeveer dezelfde leeftijd naar een kunstwerk kijken. De ene maakt er een foto van, de andere observeert alleen maar. Een dag later blijkt de ‘fotograaf’ zich heel wat minder details te herinneren dan degene die slechts aandachtig gekeken heeft. Het is een kort en wat oppervlakkig stukje, maar het klopt wel, denk ik. Alleszins was precies dat de reden waarom ik lange tijd geen* fototoestel meenam op reis, of waar dan ook. Ik wilde alles zien zoals het was, het in mij opnemen, er mocht niets tussen mij en de ‘werkelijkheid’ staan. Als je een foto maakt schakel je je zintuigen uit, je wordt een verlengstuk van het toestel (en vice versa, dat dan weer wel). Je ziet op dat ogenblik niets. In mijn jeugdige overmoed was ik er bovendien zeker van dat ik me later alles nauwkeurig zou kunnen herinneren.

Toen ik ouder werd begon ik aan dat laatste te twijfelen. Was het toch niet beter om beelden te hebben als ‘geheugensteun’, als triggers? Erger nog: ik ging het betreuren dat ik van zoveel mooie dingen en gebeurtenissen in mijn leven geen enkel beeld bezat. Op een ongetwijfeld narcistische wijze beklaagde ik mezelf dat ik geen foto’s had van mijn geliefde in bikini (of was het monokini?) op het strand van Cannes in 1976, of van de lege straten van Firenze datzelfde jaar, of van de sfeer die er hing op het feest van de communistische krant ‘L’Unità’ in het centrum van Rome in 1979 (we mochten er zoveel goedkope rode wijn drinken als we maar konden). Foto’s van de mooiste jaren van ons leven, toen we er op z’n best uitzagen, toen we bijzonder ‘cool’ waren. Daar heb ik nu geen bewijzen van, hoe cool ik was in de jaren zeventig, verdomme toch! Tot 1980 maakte ik maar zeer sporadisch foto’s. Bijna altijd binnenskamers, bijna altijd van personen, van een vrouw, liefst erotisch. Steeds met de camera van iemand anders. Ik had er zelf geen. Bijna altijd slecht belicht. Maar mooie foto’s… Daarna was er een overgangsperiode. Ik geloof dat foto’s maken me helemaal niet meer interesseerde. Ik ging ook niet meer op reis. We zaten in de kroegen, gingen dansen, maakten plezier om het plezier. Op een dag, ik geloof in 1989, onderging ik zoals Gregor Samsa een gedaanteverwisseling: ik werd wakker als toerist. Als een bezetene ben ik alles maar dan ook alles gaan fotograferen, meer nog toen ik op digitaal ben overgeschakeld. Maar mooi vond ik mijn foto’s niet meer. Het was allemaal veel te realistisch wat ik zag en stond daarom de realiteit in de weg.

DSC_0428

Ik ben gek op foto’s van anderen. Ik geloof dat ik vooral van afbeeldingen houd van een werkelijkheid die niet de mijne is, waar ik geen toegang toe heb. Zoals die van Diane Arbus, maar zeker niet alleen die van haar. Er moet iets mysterieus op of onder de beelden te zien zijn, iets magisch, iets onverklaarbaars. Ik houd ook zeer van erotische foto’s, maar ze moeten buitengewoon goed zijn en ‘anders’. Die van Bettina Rheims bijvoorbeeld. De meisjes die zij fotografeert zijn onbereikbaar in hun bereikbaarheid. Ook een wereld waar ik geen toegang toe heb, al lijkt hij toch heel dichtbij. Als ik buiten ga en ik loop wat verder, eerste straat links, tweede rechts, voilà, daar heb je zo’n mooie jonge vrouw. Even later zit ik al bij haar op haar kamer en schenkt ze me een glas lekkere rode wijn in. Veel betere dan die op het ‘Festa de l’Unità’.

IMG_4882

 *Financiële en praktische overwegingen laat ik nu liever buiten beschouwing.

Foto’s: Martin Pulaski

DILEMMA

IMG_4243

Een bevriende regisseur vertelt me dat een kennis van hem, baron de Brouckhoven de Bergeyck, hem carte blanche geeft om een toneelstuk te maken zoals er nooit tevoren een te zien is geweest. Het wordt een explosieve creatie, een kunstwerk dat alle grenzen te buiten zal gaan. Subliemer en weerbarstiger dan Wedekind, perverser dan Lautréamont en Sade, intiemer dan August Strindberg, absurder dan Beckett, wreder dan Artaud en Sarah Kane. Hij heeft al een aantal ideeën, die ik niet allemaal begrijp, niet alleen vanwege de ingewikkelde filosofische inhoud en de ongewone structuur, maar ook vanwege de taal die hij hanteert. Het lijkt een combinatie van Jiddisch en Berbers, met wat Nederlandse woorden ertussen om toch een beetje aan mijn beperkte talenkennis tegenmoet te komen.

Op hetzelfde moment krijg ik van een groot Hongaars toneelhuis, in het centrum van Boedapest, het aanbod om mijn stuk, ‘Het einde van de droom’, te komen regisseren. Ik begrijp niet goed vanwaar die aandacht van de Hongaarse culturele wereld voor mijn werk opeens komt. Zelfs in mijn eigen land kent niemand me. Maar ik voel me vereerd en wil al meteen antwoorden dat ik op de vraag inga, zonder zelfs na te denken over het honorarium.

Tot ik besef dat ik dan de opvoering van het stuk van mijn vriend zal moeten missen. Baron Brouckhoven de Bergeyck is niet de eerste de beste: hij zwemt in het geld en heeft een exquise literaire en artistieke smaak. Mijn vriend is de beste toneelregisseur van België, ook al neigt hij naar deviantie en perversie. Tot ik, meer bepaald, besef dat ik een uniek stuk met de mooiste actrices van de wereld in een decadente orgie van seks, lieftallig geweld en bandeloze waanzin zal moeten missen. En dat allemaal omdat ik in Boedapest een beetje de ijdeltuit wil gaan uithangen. Ik beslis meteen om niet in te gaan op het Hongaarse aanbod.

Foto: Martin Pulaski, Boedapest, 2006.