MEG BAIRD EN KURT VILE IN DE AB

kurt vile

Hebben jullie ook zo genoten van het concert van Kurt Vile, gisteren in de AB? Ik wel. Ik ben er zelfs vrolijk van geworden. Een paar danspasjes in het donker. Jammer dat het publiek nog volop aan het praten was tijdens de romantische en breekbare folk van Meg Baird en Mary Lattimore. Ik dacht, ik sluit de ogen en geef me als aan een droom over aan de geluiden van Meg’s stem, van haar gitaar, van Mary’s harp. Al gauw slenter ik over een zomers strand ergens in Engeland. De negentiende eeuw is maar net begonnen. Wat verderop zitten Shelley en Keats de zonsondergang te bewonderen.
Het lawaai van de mensen beneden was nu dat van de zee geworden. De golven grijs en blauw, witte meeuwen erboven. Meg Baird’s zachte hoge stem is in de natuur, in het grote geheel opgenomen. Het harpspel van Mary Lattimore een lichte bries. Ja, ik hoor nu de muziek die moeder aarde lang geleden toen wij mensen goed voor haar waren voortbracht.
En Kurt Vile? Kurt Vile is bescheiden en lief en speelt mooi gitaar. Hij kan er wat van! Veranderen wil hij wel, Skinny Mini, zegt hij, maar hij wil ook hetzelfde blijven. Hij is een van die kunstenaars die goed zijn in herhalen. Kurt heeft een grappige stem, een beetje die van een Flintstone of een andere mannelijke stripfiguur. Zijn teksten zijn ontwapenend. Ze dreigen te ontsporen, maar dat doen ze net niet. Onmogelijk Kurt Vile niet aan je hart te drukken. Kurt komt uit een gezin van tien kinderen en heeft geen universitair diploma. Mooi gedaan, Kurt!
(Hij is helemaal geen Kurt Weil, de wereld veranderen kan hij langs geen kanten. Vergeet dat maar. Je zal je tevreden moeten stellen met zijn wilde verbeelding.)

Meg-Baird-6-23

MET RYLEY WALKER NAAR EEN ANDERE DIMENSIE

ryley walker 2.jpg

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN
(hoofdstuk 12)

Dag 9: 10 november 2016

Waar waren we bijna verdronken? In Patti Smith’s zee van mogelijkheden? Goed mogelijk want in een imaginaire zee kun je niet echt verdrinken, tenzij je zoals Alice een denkbeeldig bestaan leidt. Vandaag hebben we nog natte voeten, maar we staan als alle echte stuurlui weer aan wal. Ja, we lopen op wankele benen, onze geest is beneveld, in onze kamers hangt een dikke mist, ook al schijnt daarbuiten de zon. Inmiddels is het 10 november. Onze nood aan een escapade is groot. Anywhere out of the world, schreef Baudelaire. Maar hoe wankel ons bestaan ook mag wezen, toch willen we hier blijven, willen we doorgaan met een intellectuele strijd tegen onszelf, tegen het negatieve in ons, en tegen alles wat ons slaafs maakt, alles wat ons onderdrukt en verblindt. Patti Smith alleen zal ons daar niet bij kunnen helpen, hoewel ik weinig mensen ken die zo moedig als zij volharden in hun levenswerk. In hun opdracht. Lees haar boeken om te vernemen hoe ze die gevonden heeft. Maar net als ik – en mijn generatiegenoten uit de sixties – wordt Patti Smith ouder. Heel wat van onze idolen, gidsen, bewonderde kunstenaars en ja, helaas, ook vrienden, zijn al vertrokken naar het donkere land waar nooit iemand van terugkeert. Er is jong bloed nodig, jonge verbeelding, nieuwe ideeën. Een nieuwe geest van verzet zal onze wereld moeten redden. Dat hij al aan het ontstaan is voel ik in mijn vingertoppen, hij is al aan het werk. Zoniet zou ik afreizen naar het Noorden en me daar voor altijd neervlijen in de sneeuw.

patti-smith.jpg

Hier wil ik dit onderdeel van mijn kroniek even onderbreken met een mededeling van Nietzsche:
“Ik wil steeds meer leren, het noodzakelijke aan de dingen als het schone beschouwen – zo zal ik een van diegenen zijn die de dingen schoonheid verlenen. Amor fati: dat zij van nu af aan mijn liefde! Ik wil geen oorlog voeren tegen al wat lelijk is. Ik wil niet aanklagen, ik wil niet eens de aanklagers aanklagen. Wegkijken zij mijn enige ontkenning! En, alles bij elkaar en in het groot: ooit wil ik nog eens uitsluitend iemand zijn die ja zegt!”*

Aan mijn therapeute doe ik verslag van de heerlijke momenten van de voorbije dagen (een avond met Irina, mijn radioprogramma in Antwerpen, een etentje en een vrolijke treinreis met mijn geliefde Laura), maar zeker ook van de dingen die me weerom terneerdrukken, nog los van de ellendige politieke gebeurtenissen. Als zo vaak in het verleden kom ik terug op mijn schuldgevoelens. Zo voel ik me vandaag schuldig omdat ik zelfbehoud laat voorgaan op zorg en altruïsme. Of beeld ik me dat schuldgevoel maar in? Schuldig voel ik me eveneens omdat ik te weinig doe. Mijn therapeute stelt me voor om een dag per week aan vrijwilligerswerk te gaan doen. Ik zou bijvoorbeeld bij bejaarde mensen kunnen langsgaan; zij zijn als al onze soortgenoten reservoirs van verhalen, ze beleven er plezier aan hun herinneringen met een aandachtige toehoorder te kunnen delen. Wat voor mij dan weer een inspiratiebron zou kunnen zijn. Maar dat kan ik toch niet, roep ik voor de misschien wel honderdste keer uit. Ik kan mensen die ik niet ken niet onder ogen komen, zeg ik. Ik ben mensenschuw. Als ik onder de mensen kom moet ik drinken en ik wil niet drinken. Want als ik drink kan ik niet schrijven. Nee, ik wil vooral niet drinken. Veel liever zou ik in mijn kamer blijven en werken, nu het nog kan, nu ik nog enigszins helder ben. Mijn tijd van veel buitenkomen is voorbij. Je weet toch dat ik nu al wankel als ik naar de metro loop. Dat komt door mijn voeten. Die doen vaak zo’n pijn en je weet dat ik liever geen zware pijnstillers neem, want dan kan ik niet helder denken. Helder denken is zonder drank of pillen al moeilijk. Ze kijkt me enigszins berustend aan. Het is jouw leven, zegt ze, maar als je je meer en meer gaat afzonderen zal je wel heel snel oud worden. Maar goed, het is weer tijd, tot volgende week en houd je sterk.

old1.jpg

Die avond ga ik met Laura naar de AB Club voor een andere held van deze tijd: Ryley Walker. In de populaire muziek beschouw ik hem als een van de grote beloften. Enkele jaren geleden was hij nog een epigoon, nu geldt hij al als een voorbeeld voor andere muzikanten en kunstenaars (en gewone mensen). Laura en ik hebben vanmorgen bij het lang uitgesponnen ontbijt zijn twee recentste platen beluisterd, ‘Primrose Green’ (2015) en ‘Golden Sings that Have Been Sung’ (2016). Zijn eerste elpee, ‘All Kinds Of You’ (2014), bezit ik niet, omdat Ryley Walker zelf dat jeugdwerk als een mislukking beschouwt.
In de AB Club weet ik nog voor het concert begint dat het een bijzondere avond zal worden. Ja, soms voel je dat aan, soms weet je het wel zeker. We hebben vlak voor het kleine podium plaats gevat. De jonge singer-songwriter uit Chicago balanceert op het randje van de dronkenschap, maar wankelen doet hij (nog) niet.. Ik zie dat hij stevig op zijn benen staat. Hij kan tegen een stootje. En zijn muzikanten beschermen hem tegen overdaad. Als hij even wegkijkt geven ze elkaar zijn fles whisky door en nemen zelf een slok. En tijdens het concert vraagt een luisteraar of hij eens mag proeven. Dat is goed: het schept een band met het publiek en er zit alweer wat minder in die verduivelde fles. Ryley heeft al de hele namiddag bier zitten drinken in de Bonnefooi. You guys have 3000 kinds of beer and I want to try them all, zegt hij. Het lijkt of hij het meent. Zeker, hij mag zijn zintuigen ontregelen, maar vergeten dat hij voor een geïnteresseerd publiek staat, dat mag hij niet. En dat doet hij niet. Het concert van Ryley Walker en zijn band, dat begint met de kreet ‘Fuck Trump!!!!’, wordt een lange, chaotische – maar door de ritmesectie stevig in toom gehouden – trip. Daar staat hij voor me met zijn gitaar, zijn zoekende stem, een duiveluitdrijver, een sjamaan. Ja, de muziek die hij met zijn begeleidende band ten gehore brengt helpt ons de wereld daarbuiten te vergeten. Er ontstaat een ander, een magisch universum. Een net nog herkenbare song – een skelet – is voor hem en zijn band een muzikaal thema waarop langdurig geïmproviseerd wordt. Ik herken vier van die skeletten: ‘The Halfwit In Me’, ‘Funny Thing She Said To Me’, ‘Sullen Mind’ en ‘The Roundabout’. Ik hoor en zie zoektochten, in cirkels draaiend of spiraalvorming, op de elektrische en de twaalfsnarige akoestische gitaar. Ik ontwaar sporen van jazz, acid rock, folk, rembetica, Tim Buckley, John Coltrane, Jerry Garcia, John Martyn, Van Morrison en nog veel meer – Ryley Walker heeft het allemaal verwerkt in zijn freewheeling songs. Hij heeft zich al die invloeden toegeëigend – en nu staat er een eigen, sterke muzikale persoonlijkheid voor ons. Voortaan gaat hij zijn eigen weg, al weet ik niet waar die naartoe leidt en er zijn veel gevaren. Denk alleen nog maar aan Tim Buckley en zijn zoon. Vanavond heeft hij  ons alvast uit een boze droom wakker geschud en in een andere dimensie binnengeloodst.

IMG_9245.JPG

Laura en ik en mijn vrienden Wolf en Dirk en Ivo beseffen dat we iets bijzonders hebben meegemaakt. Tijd voor lange, bezielde gesprekken en voldoende drank. Morgen zal ik niet schrijven. Morgen is het wapenstiltand. Taxi!

Ω

* Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, 276

 

EMMYLOU HARRIS EN DANIEL LANOIS IN ANTWERPEN

EmmylouHarris.jpg

Gisteren Daniel Lanois en Emmylou Harris in Antwerpen. In tegenstelling tot wat Bart Steenhaut beweert was het een memorabel dubbelconcert. Lanois bespeelt zijn steelgitaar op heel eigen wijze, ik kan hem met niemand vergelijken tenzij eventueel met Bruce Kaphan en BJ Cole. Als je geen gevoel hebt voor subtiliteit is het mogelijk dat je bij die weemoedige klanken in slaap valt. Over de stem van Emmylou Harris valt veel te zeggen. Dat ze zingt als een vogel of een engel is afgezaagd en klopt ook niet (meer), al lang niet meer. In 1995, op ‘Wrecking Ball’, is haar zangstem veranderd, wat ruiger, wat meer doorleefd geworden. Na negentien jaar is dat nog meer het geval. Niet dat haar stem even toegetakeld is als die van Dylan, maar toch… De eerste twee nummers lieten het ergste vermoeden, ze leek haar ‘draai’ niet te kunnen vinden, er was iets mis met de frasering. Bart Steenhaut heeft gelijk als hij zegt dat de vertolking van ‘Goodbye’ niet goed uit de verf kwam. Wat hij daarna schrijft vind ik zeer overdreven. Vanaf ‘All My Tears’, het derde nummer, was de zangeres vertrokken. Wat daarna volgde bestond uit niets dan hoogtepunten. Onmogelijk er één uit te kiezen. Of het zou ‘Going Back To Harlan’ moeten zijn. Als je een voorkeur hebt voor de jonge Emmylou was het laatste gedeelte het meest genietbare, met als hoogtepunt ‘Calling My Children Home’.

Maar mogen artiesten veranderen of moeten ze zich tot het einde der dagen blijven herhalen, zich blijven herhalen zoals ze op hun vijfentwintigste waren? Bovendien waren we daar in de Stadsschouwburg bijeengekomen om een stevige uitvoering van ‘Wrecking Ball’ te horen, bijna twintig jaar na het verschijnen van deze mijlpaal in de populaire muziek, en niet voor Emmylou Harris de perfecte zangvogel. Perfectie bestaat niet, wel beschadigde schoonheid. Mij ontroert het bijzonder als ik op zulke sublieme manier herinnerd word aan onze aftakeling op weg naar het einde. Ik hoop dat dat einde voor Emmylou Harris nog lang op zich zal laten wachten en ben daar sinds gisteravond eigenlijk gerust in.

emmylou harris,daniel lanois,antwerpen,stadsschouwburg,wrecking ball,20 mei 2014

SUICIDE, 23 MINUTES OVER BRUSSELS

Suicide-Band.jpg

Suicide (Alan Vega & Martin Rev).

Vorige zaterdag hield Luc Janssen in de AB een lezing met als thema ‘Suicide, 23 minutes over Brussels’, over het zogeheten legendarische concert van het New Yorkse duo Suicide in de Ancienne Belgique op 16 juni 1978 (als support van Elvis Costello). Wegens een aangename verplichting in Antwerpen kon ik er niet bij zijn. Heb ik veel gemist? Dat betwijfel ik. Op die bewuste Bloomsday in 1978, nu vijfendertig jaar geleden, was ik er wel bij. The real thing. Naar aanleiding daarvan publiceer ik vandaag een herwerkte versie van mijn ‘fictieve’ terugblik op het concert en op de periode waarin het plaatsvond – een tekst die ik voor het eerst in februari 2007 pulbiek maakte.

Ω

Those disco synthesizers,
those daily tranquilizers,
those body building prizes,
those bedroom alibis,
all this, but no surprises for this year’s girl.

Elvis Costello, This Year’s Girl

Ω

Zwart dacht niet meer aan Phyllis. Hij zag haar niet meer. Uit het oog is uit het hart, zeggen de mensen. Wel wist hij dat ze aan de grens woonde, bij haar zus Marcella en haar schoonbroer Louis en hun kinderen Raoul en Emma (naar Emma Bovary genoemd). De laatste keer dat hij haar zag was in café Het Spiegelbeeld of dat andere café, waarvan hij de naam altijd vergat, er net naast. Haar toenmalige vriend, een zekere Spano, was toen bij haar. Phyllis zag er niet slecht uit maar ook niet goed. Spano leek hem niet iemand die haar uit haar miserie zou weghalen, hoewel hij grootste plannen had: hij zou detctives gaan schrijven, in de stijl van Raymond Chandler, Dashiel Hammett en Ross McDonald. Dat vertelde Spano hem toen ze aan de toog bourbon zaten te drinken, maar hij geloofde de would-be misdaadauteur niet. Sommige mensen gelooft hij onmiddellijk, van anderen heeft hij meteen door dat ze zitten te liegen of te fantaseren. Phyllis sprak weinig. Hij had haar anders gekend. Zo kon ze de hele autobiografie van Claire Goll op een uurtje navertellen.

Dat was de laatste keer. Later had Zwart van Job gehoord dat het niet goed met haar ging. Ze had last van de lever en andere kwaaltjes en ze at nauwelijks. Ze dronk te veel, wat in die toestand om problemen vragen was, ze slikte pillen en nam hoestsiroop, Tux, Actifed, iets met codeïne erin. Daar was ze verslaafd aan. Maar hij geloofde niet dat je van Tux kunt sterven. Sam Phillips zegt dat Elvis Presley van een gebroken hart is gestorven. Hij kon Priscilla Beaulieu niet vergeten. Voor Phyllis was het precies zo: het waren mooie jaren, met haar grote liefde, Mijl. Beatnikjaren, één lang feest met vrienden en drank en verrukking. Een tijd van rock & roll, een UP-periode. Punk en new wave waren ‘natuurlijke’ speed.

Zwart is samen met Phyllis en Mijl slechts naar één concert geweest: Elvis Costello & the Attractions, op 16 juni – Bloomsday – 1978 in Brussel, met de New Yorkse band Suicide als opener. Tijdens de optredens braken rellen uit. Het begon al met Suicide. Niet iedereen was even gek op het gegil van Alan Vega in ‘Johnny Teardrop’. Een toehoorder vond het zo gortig dat hij Vega de microfoon uit de handen rukte. Na een korte pauze was Elvis Costello aan de beurt. Een boze jonge man, boordevol alcohol en amfetamine. ‘No Action’  zong hij. En ‘All this and no surpises for this year’s girl…’ Zijn optreden duurde niet langer dan de pauze. Het was buitegenwoon krachtig. Maar wat een arrogante kerel (vond Zwart toen). Het publiek werd razend, vanwege Alan Vega, vanwege de kerel die de microfoon uit Alan Vega’s handen had gerukt, vanwege het minimalistische en agressieve concert van Costello, vanwege de drank en de drugs. De veiligheidsmensen werden echter helemaal niet razend. Ze sloegen doodkalm met zware microfoonstatieven op de voorste rijen van het razende publiek. Zwart had heel wat Captagon en Jim Beam naar binnen. Daardoor en natuurlijk ook uit pure morele verontwaardiging wilde hij de security op zijn beurt te lijf gaan. Gelukkig heeft zijn geliefde hem toen tegengehouden of hij was waarschijnlijk in een ziekenhuisbed beland.

Die zelfde dag was Gisèle bij hen komen wonen. Laura en Zwart hadden Gisèle geholpen met haar verhuizing. Dat kon toen nog: eerst een hele dag in Antwerpen verhuizen en daarna naar Brussel voor een concert en dan nog een nacht in de Antwerpse kroegen. De dag daarna hielden ze in de buurt van de Dageraadplaats een Summer Party. Een kunstenaar die zich Crazy Dreamer noemde was die avond in optima forma: hij draaide een uur lang heerlijke en luide rock & roll en rockabilly, wat in die punkdagen niet zo voor de hand lag, of misschien net wel, want er was zeker verwantschap. The Trashmen klonken heel nieuw en terzake, want de meeste vrienden en kennissen die op de Summer Party aanwezig waren, waren trashmen. Geen job, geen vooruitzichten, weinig illusies. Tweedehandskleren, muziek van the Clash, plastic en neon, goedkope wijn en tequila, amfetamine. Wat vroeger het leven in de goot werd genoemd (en sinds het midden van de jaren tachtig opnieuw, remember de yuppies), was voor hen een flitsende levensstijl. Sommigen die er toen bij waren zijn trashmen gebleven. Eigenlijk hoorde het ook zo. Om trouw te blijven aan zichzelf hadden ze allemaal trashmen moeten blijven. Maar je moet daar sterk voor zijn en Zwart was eerder zwak. Daarom is hij geen trashman meer. En met Phyllis is het slecht afgelopen, of wat had je verwacht? Zij is een trashwoman gebleven, tot haar laatste snik. Alles is ijdelheid.

this years model.jpg

Elvis Costello – This Year’s Model. Hoesontwerp: Charlie Bubbles

Ω
Noten

Het ‘legendarische concert’ van Suicide werd in 1998 op cd uitgebracht door het Blast First-label, als bonus-cd bij de cd-versie van de eerste lp (verschenen op het Red Star-label in 1978).

Van zowat alle platen van Elvis Costello komen ongeveer elk jaar nieuwe, lichtjes gewijzigde edities in alle mogelijke formaten uit.

THAT TEENAGE FEELING: NEKO CASE

Neko+Case.png

Gisteren in de AB Club heb ik nog eens een popconcert meegemaakt dat me werkelijk heeft kunnen ontroeren. Niet dat alles wat ik de voorbije maanden heb gezien/gehoord me onverschillig heeft gelaten. Matthew Houck’s Phosphorescent, Rosanne Cash in de Roma en Low in het Koninklijk Circus waren bijvoorbeeld uitstekend. Maar wat ik gisteravond hoorde kwam uit de ziel en ging naar de ziel. Alleszins naar die duivelse & ziekelijke ziel van mij. Na een lange periode van bijna passief, cerebraal muziek ondergaan heb ik weer echte emoties gevoeld en heb ik zelfs nog een paar keer gedanst (op ‘Hold On, Hold On’, ‘That Teenage Feeling’ en vooral op de prachtige cover van ‘The Train From Kansas City’ van mijn geliefde Shangri-Las).  En wat een verrukkelijke cover van Harry Nilsson’s ‘Don’t Forget Me’ was dat! En dan die onmetelijke Canadese ruimte in haar zo pure sirenenstem en in de melancholische tonen van John Rauhouse’s pedal steel.

Ik heb het over Neko Case. Maar dat wist je waarschijnlijk al.

 

PINK FLOYD IN ANTWERPEN, 1968

pink floydbrussel1968.jpg
Pink Floyd in Brussel, in 1968.

Op 23 februari 1968, ik was toen zeventien, reisde ik met enkele vrienden van Hasselt naar het verre Antwerpen, toen net als Amsterdam een magisch centrum voor beatniks, hippies en langharig werkschuw tuig. Het was een dag, een avond, waar we al lang naar hadden uitgekeken, en veel over hadden gepraat en gefantaseerd. The  Pink Floyd trad op in het Pannenhuis in Antwerpen. Een droom ging in vervulling.  Al uren voor het begin rinkelden belletjes en klokjes en brandde wierook op het Consciencelein.  Op andere plaatsen in de stad deden onze multicolor-kleren de grijze burgers pijn aan de ogen. We waren zo anders, en daar waren we trots op. Zelf ben ik nooit trotser geweest, denk ik, dan die dag. Of misschien was ik het hele jaar 1968 zo trots. Het jaar van mijn droom. Gisteren schreef ik hoe hij een jaar later al doorprikt werd. Al gauw moesten we op zoek gaan naar nieuwe illusies of volkomen ontnuchterd verderleven.

Maar filosoferen deden we toen nog niet zo. We stapten het beatnikcafé het Pannenhuis binnen voor de onaardse klanken en kleuren van the Pink Floyd. Syd Barrett, de jonge god die we aanbaden, had de meest psychedelische groep van de wereld helaas net verlaten; David Gilmour was nu de gitarist. Maar de hele avond lang hoorde en zag ik de geest van Syd Barrett. Ja, in die dagen konden geesten nog zingen en musiceren. Een eenvoudige verklaring voor het fenomeen is dat de band nog bijna geen nieuwe nummers had en daarom niet anders kon dan de sprookjes/songs van Barrett spelen, zoals Matilda Mother, Flaming, Astronomy Dominé en Lucifer Sam. Sindsdien heb ik al honderden reizen gemaakt, in de realiteit en in de verbeelding; nooit, geloof ik, ben ik zo ver weg geweest van huis en van mezelf.

Een van de mooiste momenten van mijn leven – iets wat me altijd bij zal blijven, tot in de kleinste details. Vreemd is dat maar weinig mensen bereid zijn om me te geloven als ik dit verhaal vertel. Pink Floyd (het lidwoord ‘the’ werd later weggelaten) in een beatnikcafé waar maximaal tweehonderd mensen konden staan? Wat maakt het ook uit. Mijn vrienden en ik hebben het meegemaakt – en dat volstaat. Bovendien kan ik het bewijzen, in 1968 hield ik een dagboek bij.

Een dag later trad the Pink Floyd op in the Cheeta Club in Brussel. Ook dat weten maar weinigen. Het was een nieuw begin voor de Britse groep. Niet lang daarna volgden grootschaliger avonturen, waaronder vliegende varkens, de verovering van Pompeï en de donkere kant van de maan. Dat is allemaal veel geloofwaardiger dan wat er op 23 februari 1968 in het Antwerpse Pannenhuis gebeurde.

BEACH BOYS IN LOKEREN

sunflower.jpg

Sunflower: The Beach Boys in hun gloriedagen.

Gisteren was ik met mijn vriend Eddie bij the Beach Boys in Lokeren. De band is op tournee vanwege zijn vijftigjarig bestaan. De vorige keer dat ik hen zag optreden was tweeënveertig jaar geleden: op 21 december 1970 in zaal Henri Leboeuf van het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel.  Dat is de enige informatie die ik over dat concert heb teruggevonden. Ik herinner me dat ik er hevig door aangegrepen werd en dat ‘Good Vibrations’ een hoogtepunt was. En ik zie Al Jardine nog door de inkomhal lopen. Natuurlijk durfde ik hem niet aanspreken. Er werd flink wat rock gespeeld, dat weet ik ook nog. De band bestond uit Carl Wilson, Dennis Wilson, Al Jardine, Bruce Johnston, Blondie Chaplin en Ricky Fataar. The Beach Boys werden in die dagen als absoluut onhip beschouwd. Alleen al hun naam uitspreken was taboe: je riskeerde uitgesloten te worden uit de kring van ruimdenkende hippies. Ik geloof dat de meeste aanwezigen in zaal Henri Leboeuf Amerikaanse militairen en spionnen waren, en conservatieve, CVP- en PSC-stemmende burgers in maatpak. Nu is dat enigszins anders: iedereen die er iets over te zeggen heeft is van mening dat ‘Pet Sounds’ de beste popplaat allertijden is en dat the Beach Boys zelfs beter waren dan the Beatles.

Voor het concert begon vroeg ik me af of ze in Lokeren even goed zouden zijn als op die lang vervlogen avond. Omdat ik een optimist ben had ik me voorbereid op het ergste. Wat bleek?  The Beach Boys waren op 7 augustus 2012 tegelijk beter en minder goed dan in 1970. Beter omdat er veel meer stemmen te horen waren, en omdat die stemmen nu veel beter klonken, omdat er veel beter gemusiceerd werd en zeker ook omdat Brian Wilson er (enigszins) bij was. Minder goed omdat Carl en Dennis Wilson helaas niet meer onder ons zijn, en omdat Mike Love veel te vaak en te lang de leider van de band mocht spelen. The Beach Boys waren gisteren helemaal echt en tegelijk ook weer niet: op de voorgrond zag je Mike Love, Brian Wilson, Alan Jardine, Bruce Johnston en David Marks; achter hen bevonden zich van de beste popmuzikanten en vocalisten van de wereld. Twee groepen, één geweldige sound. Ik heb zelden live zo mooi veelstemmig horen zingen, en hoegenaamd nooit vals (behalve als Brian zong, maar dat was eigenlijk nog mooier, zeker zijn ‘Sail On Sailor’, waarbij zijn armen aan de vleugels van een zieke vogel deden denken).

Het eerste halfuur heb ik mij nogal geërgerd, vooral omdat de groep zich scheen te gaan beperken tot de meezingers uit de beginperiode (more songs about surfing, hot rod racing & California girls). Mike Love gedroeg zich als de über-Beach Boy, het brein, dé man, een vreselijke Bush-achtige kerel, met een afschuwelijk podiumgedrag – een kerel die helaas nog een uitstekende stem heeft. Na een half uur zweeg Mike Love even en mocht Brian alsnog een liedje zingen (samen met de muzikant die bijna dezelfde falsetto stem heeft als de heel jonge Brian, Jeffrey Foskett heet hij, als ik me niet vergis). Dat was zo bedwelmend mooi: ‘You’re So Good To Me’, het hoogtepunt van de show en een van de mooiste muzikale momenten van mijn leven. Ook al omdat het net na het afschuwelijke nieuwe nummer kwam, ‘That’s Why God Created Radio’. God heeft helemaal geen radio geschapen. Het staat niet eens in de bijbel.

Daarna werden wat moeilijkere songs gespeeld en gezongen, zoals ‘Heroes & Villains’,  ‘God Only Knows’, en ‘Woulnd’t It Be Nice’, met veel tempowisselingen, waarbij het publiek uiteraard rumoerig werd: niet simplisties genoeg voor de massa. In weerwil van het getater en het gedoe met mobiele telefoons bleef het toch erg mooi en ontroerend. Je moest je alleen wat meer concentreren. ‘Then She Kissed Me’, gezongen door Alan Jardine, was een ander hoogtepunt. En, net als in 1970, ‘Good Vibrations’, ondanks Mike Love. Zo lang ik kon doen alsof die man er niet echt was klonken the Beach Boys bijna perfect. Ja, op zijn minst even goed als tweeënveertig jaar geleden.

beach-boys-pet-sounds.jpg