HET WONDERMIDDEL

Drunken_Ange2.png

Een waargebeurd verhaal, in een ziekenhuiskamer in Brussel.

Meer dan twee jaar later zou ik Kurosawa’s ‘Drunken Angel’ opnieuw bekijken, een film over de intense en toch ook wel bizarre relatie tussen een aan de alcohol verslaafde arts en een aan tbc lijdende yakuzi Matsunaga. Mijn aandacht zou al vanaf de eerste beelden groot zijn, de film zou me in een roes brengen, bijna hypnotiseren. Als de goede dokter vraagt om wierook te gaan halen om de muggen waar hij zoveel last van heeft te verjagen zou ik me een hallucinatie herinneren die ik in de zomer van 2011, in een – onbewuste – strijd tegen de dood, meermaals had.

Vanuit mijn kamer keek ik uit op een plein omringd door wat vervallen flatgebouwen. Ik bevond me in een buitenwijk van Tokyo. Op het plein stond een hijskraan en er was een lange balk opgesteld, die wat leek op een balk in de gymles, maar veel groter. Elke dag kwamen er jonge Japanners, meisjes en jongens, een show voor me opvoeren. Ze haalden allerlei acrobatische toeren uit, misschien om me te vermaken, om me te helpen de tijd – waar ik me niet van bewust was – te doden; hun blikken waren ernstig. Nooit werd er gelachen. Ze herhaalden steeds weer dezelfde, bijna rituele handelingen. Toch keek ik altijd nieuwsgierig toe, vooral vanwege een van de meisjes, in vurige kleuren, dat me soms recht in de ogen keek als om me te troosten.

Verpleegsters kwamen mijn kamer binnen en gingen weer weg. Ik dacht aan een koel glas Manzanilla uit Sanlucar de Barrameda, aan een hele fles, maar mocht niet drinken. Helemaal niets, zelfs geen water. Dat vergat ik altijd. Ik kon moeilijk ademhalen, alsof ik maar een klein stuk van één long meer overhad, de rest verteerd door de tbc, een ziekte waar zoveel mooie liedjes over bestaan. De hoofdverpleegster, die in Woodstock nog met Jimi Hendrix had gejamd, kwam met een middel om mijn ademhaling minder moeizaam te maken. Ze hield iets wat op een wierookstokje leek onder mijn neusgaten; gretig inhaleerde ik de zoete rook. Het was een geur die ik nooit eerder geroken had. Heel even voelde ik minder pijn. Dan ging de hoofdverpleegster weer weg. Soms kwamen drie of vier verpleegsters mijn kamer binnen om me vast te binden. Mijn linkerarm zwol een keer zo erg op dat hij op een ballon leek, een heel zware ballon, groter dan mijn hele koortsige romp. Een van de verpleegsters was ook Japans. Tijdens een treinreis had ze met mij willen vrijen, maar ik vond haar niet aantrekkelijk. Sindsdien was ze altijd een beetje venijnig tegen me. Ja, ik maakte veel treinreizen in die dagen. Soms werd mijn wagon losgekoppeld. Ik bleef dan helemaal alleen achter: de verpleegsters gingen naar een party en ook een keer naar een optreden van Bruce Springsteen. Dan moest ik, mijn bed achter mij aanslepend over de sporen, weer in mijn kamer zien te raken.

Nu was ik verslaafd aan de rookstokjes. Als ik er niet van nam kon ik onmogelijk nog ademhalen. Ze waren het enige middel om me in leven te houden. De verpleegsters schenen dat niet te beseffen. Ze hadden het te druk met mij vast te binden of weer los te maken als ze zagen dat mijn arm te dik werd of zo.
’s Nachts moest ik daarom mijn kamer verlaten langs een geheime deur (of opening) achter mijn boekenkast. Ik moest dan alleen nog maar een smalle straat oversteken: daar was een felverlichte kroeg waar het zelden druk was. Meestal zat er niemand. Een oude vriend van me had zich vermomd als jeugdwerker. Hij zei dat hij destijds geneeskunde had gestudeerd, maar dat had ik nooit geweten. Hij wist van meet af aan heel goed wat ik nodig had. Kom maar mee naar mijn kamer, dan zal ik je helpen, zei hij. Hij woonde in een appartement vlakbij het café. Daar liet hij me muziek horen, the Doors en dergelijke, en gaf mij een dosis van de rook, zodat ik er weer even tegen kon.

Elke nacht begaf ik me naar de eenzame, trieste kroeg. Mijn oude vriend, Anton was zijn naam, werd almaar bitsiger. Met veel tegenzin hielp hij me nu uit de nood. Soms moest ik uren op hem wachten, zoals de junkie in ‘Waiting For My Man’. Ik zat daar dan helemaal alleen en miste mijn geliefde. Wat miste ik haar! Nog meer dan het wondermiddel miste ik haar. Ik spitse mijn oren. Opeens hoorde ik haar stem. Ik kon het niet geloven, maar toch was het waar. In de kamer boven mij lag ze op een bed, helemaal naakt en opgewonden. Ik begreep niet hoe ze zo opgewonden kon zijn terwijl ik de dood nabij was. Er was een man bij haar. Ze zei dat hij moest komen, op haar komen, in haar komen, lekker. Ze hijgde. Misschien was het wel Anton die haar zo bevredigde, daar was ik niet zeker van. Ik voelde hartkrampen en kon niet ademhalen. Het was een donkere nacht, geen maan, geen sterren. Alleen haar wellustig gehuil. En dan niets meer.

Ik ontwaakte tussen de stijve witte lakens met een tracheacanule in de keel. Zo zul je beter kunnen ademhalen, zei de hoofdverpleegster, en minder van het middel nodig hebben. Ik wilde haar nog vragen of ze echt met Jimi Hendrix had gejamd, maar er kwam geen geluid meer uit mijn strot. Ik was mijn stem kwijt. Ze hadden me mijn spraak afgenomen. Nadat ze mijn kamer had verlaten keek ik door het raam naar het grijze plein. De acrobaten waren er nog niet.

dunken angel shimura-and-mifune.jpg

Afbeelding uit ‘Drunken Angel’ (1948), Akira Kurosawa.

 

AMY WINEHOUSE, BREIVIK EN IK

amy-winehouse.jpg

“… fallen in the valley of the rock and roll dead.”
Will Sheff (Okkervil River)

Twee jaar geleden lag ik nu in een ziekenhuisbed in het UZ in Jette. Ik had nog koorts, kon nauwelijks bewegen, maar het ging al beter met me. Twee maanden eerder, op 24 mei 2011, had mijn vrouw een taxi gebeld en was ze met mij naar de spoedafdeling gegaan. Dat heeft mijn leven gered, besef ik nu, hoewel ik me tijdens de weken die volgden nog zeker drie keer op de rand van de dood heb bevonden. Het einde van alles was in zicht en ik wist het niet eens. Veertien dagen in coma, een maand in intensive care. Geperforeerde dunne darm. Algemene vergiftiging, dubbele longontsteking, tracheotomie, buikvliesontsteking, shock, noem maar op.
Mijn vrouw, mijn vriendinnen en vrienden, de dokters en het verplegend personeel hebben voor mijn leven gevochten – en ze hebben het gehaald. En ik heb het gehaald.  Waar ik het langst last van heb gehad was wat ‘critical illness syndrome’ wordt genoemd. Mijn lichaam was bijna geheel verlamd, ten gevolge van die shock. Alleen mijn rechterarm was nog bruikbaar; mijn hersenen werkten ook nog min of meer, al kende ik bijvoorbeeld niet eens het eenvoudige beveiligingsnummer van mijn mobiele telefoon. Ik wist zelfs niet dat ik een mobiele telefoon bezat. Van dat hele syndroom is niet veel meer te merken, alleen mijn linkerarm is niet langer wat hij geweest is. Een combinatie van veel liefde, gekregen, en veel inspanningen, geleverd, heeft me opnieuw voldoende kracht gegeven.

Op een mooie dag schrijf ik alle hallucinaties neer die ik in die periode heb gehad. Ze zitten in mijn geheugen gegrift, helemaal anders dan dromen, die je bijna meteen na het ontwaken vergeet. Sommige hallucinaties waren vrolijk, andere hilarisch, weer andere waren wreder dan om het even wat ik ooit had gevoeld of gezien. Ik zong liederen met Stephen Stills en Neil Young, was bevriend met the Rolling Stones, werd gefolterd in een kelder of bunker in Triëste.

Twee jaar geleden lag ik nu in een ziekenhuisbed en begon stilaan mijn bezoekers te herkennen en te begrijpen wat ze me vertelden. En ik kon al wat samenhangends terugzeggen. Hoewel ik soms nog dacht dat mijn bibliotheek zich achter de wand aan het hoofdeinde van mijn bed bevond. Of dat de vrienden er waren omdat ze in de kamer ernaast gingen vergaderen. Ik kon ook al televisiekijken, met een afstandsbedienaar waar ik niet veel van begreep. Ik had de laatste ritten van de Ronde van Frankrijk gezien, in hun geheel. Hallucinant. Nog veel hallucinanter was de toestand in Noorwegen. Pas weken later heb ik me gerealiseerd hoe erg het was geweest en pas vorig jaar, een jaar na de feiten, heb ik zitten huilen bij het lezen van getuigenissen. Toen ik zag dat Amy Winehouse gestorven was wist ik echter meteen dat ze echt dood was. Ik twijfelde niet langer. Maar ik huilde niet. Ik aanvaardde het: Amy Winehouse was dood.
Ja, Amy Winehouse was dood en ik leefde en zou weer gezond worden en wijn kunnen drinken. Wat ik vanavond ga doen, en ik breng dan een toast uit op jouw gezondheid en op die van mij en op die van iedereen die we kennen. Maar er zijn grenzen.

FINIS GLORIAE MUNDI

Andy-s-Chest-andy-warhol.jpg
Andy’s Chest.


Het voordeel van bijna dood te zijn en vooral van in coma te liggen is dat de tijd stil blijft staan. Zo komt het dat ik niet verjaard ben op mijn verjaardag, 2 juni, ondanks de honderden gelukwensen op facebook. Niet dat het de wereld of mijn eigen kleine leven verandert. Maar ik ben er toch tevreden mee: een jaar langer om te leven. Andy Warhol, waar ik vaak aan denk, heeft dat geluk niet gehad. Hij is voor een routineoperatie naar het ziekenhuis gegaan en is er wegens allerlei verwikkelingen niet meer levend uitgekomen. Hij was nochtans sterk. In juni 1968 overleefde hij een drietal kogels in de borst, afgevuurd door de gefrusteerde feministe Valerie Solanas. Warhol leek wel trots op die immense littekens op zijn borst, littekens van de incisies langs waar ze de kogels hadden verwijderd. Ondanks de lange en zware strijd die ik heb geleverd – je bent twee keer door het oog van een naald gegaan, zeggen mijn vrienden – heb ik maar een klein litteken, waar ik niet trots op ben.

Ik zit hier nu te herstellen en te hopen dat ik herstel, hoewel ik geen Volvo ben noch een BMW; ik ben een simpele mens, die er geen idee van heeft wat hem nog allemaal te wachten staat. Zal ik ooit nog bergwandelingen kunnen maken, zal ik nog kunnen dansen, zal ik feest kunnen vieren met mijn vrienden, ’s nachts in de straten van Brussel, Antwerpen, Cadiz, Porto, Barcelona, Berlijn verdwalen? Zal ik nog zonder angst voor de dood kunnen leven? Het leven is kort. Ik mag niet alleen aan feest denken, maar ook aan ernst, aan werk. Zal ik nog iets van al mijn onafgewerkte werk kunnen voltooien?

 

Groeten uit kamer 428