CINDERELLA’S BALLROOM

Op 14 januari 2008 schreef ik een korte, verkennende tekst over de jaren zeventig in Antwerpen.

Het ging voornamelijk over de late jaren zeventig. In het stuk werd nogal wat ruimte uitgetrokken voor Cinderella’s Ballroom, een club waar ik vaak en heel graag kwam. Niet zozeer om te praten, vooral om te dansen! Nooit had ik verwacht dat op die korte tekst zoveel reacties zouden komen. Ik had ‘mijn’ lezers beloofd dat ik de tekst zou uitdiepen, dat ik die flitsende periode de aandacht zou geven die zij verdiende. Maar uiteindelijk begon mijn verhaal zichzelf te schrijven, of liever: de commentatoren, mensen die het allemaal hadden meegemaakt, schreven het. Ik moest mijn belofte niet langer waarmaken, dacht ik, vooral omdat velen van hen een beter geheugen bleken te hebben dan ik. Werden daar in die vermaledijde Cinderella’s Ballroom dan geen hersenverwekende drugs gebruikt? Waar heb ik mijn geheugen dan achtergelaten?

Als reactie op de eerste commentaren schreef ik het volgende: “Cinderella-vrienden, ik ben het aan jullie verplicht (en zeker aan degenen die niet meer onder ons zijn, zoals Robert) om een langere, en vooral betere en preciezere tekst over die plaats en die tijd te schrijven. Er zijn zoveel herinneringen verbonden aan Cinderella’s Ballroom. Zo gauw ik de kracht heb – en de ‘muze’ mij uit mijn hok lokt, komt dat stuk er, met alle liefde die er voor die tijd/plaats nog in mij overblijft (buitengewoon veel). “

Inmiddels zijn er niet alleen die vele commentaren op mijn tekst maar is er een bijzonder succesvolle facebookgroep die Cinderella’s Ballroom (http://www.facebook.com/groups/244136465665213)* heet. Hans Versluys, die de periode waar ik het over heb, heel goed kent heeft de groep begin februari opgericht. Ondertussen zijn er al bijna 300 leden, die er onder meer herinneringen oprakelen en obsessioneel clips van ‘muziek van toen’ aanbrengen.  Muziek van toen, die soms nog razend actueel is.

Natuurlijk ben ik er opgetogen over dat die groep er nu is. De aficionado’s moeten nu niet langer de omweg via hoochiekoochie maken om elkaar in cyberspace te ontmoeten. Alles gaat nu rechtstreeks: herinneringen, nostalgische opwellingen, voorstellen om elkaar terug te zien, ideeën voor radioprogramma’s op radio centraal in Antwerpen, etcetera. Maar omdat ik blij was met al die aandacht – ik houd mij te zeer in de schaduw op – vind ik het ook een beetje jammer. Hoochiekoochie wordt opnieuw het medium van een einzelgänger, waar natuurlijk niets mis mee is, maar alleen is toch maar alleen.  Toch schreef ik, zoals ik hierboven al aangaf, dat stuk over Antwerpen niet om aandacht te krijgen. Het was een spontane opwelling, zonder bijbedoelingen. Het zij zo… Vaarwel dus, spontane ontmoetingsplaats  van 14 januari 2008.

Deze evolutie neemt desondanks niet weg dat ik – hoewel vrijgesteld van mijn verplichting  ten aanzien van de geschiedenis, hahum – wellicht toch nog zal terugkeren naar het Antwerpen van het eind van de jaren ‘zeventig en het begin van de jaren ‘tachtig. Naar Cinderella’s Ballroom, naar de Tom Tom, naar de Gnoe, de Kroeg, naar Filosofische Kring Aurora, naar Radio Centraal, naar de Pardaf, de Mok, het Pannenhuis, de Kat, de Paradox  – van aan het station van Berchem tot helemaal in Sint-Anneke.

Dat Antwerpen omstreeks 1980 een stad was die bruiste van creativiteit, op heel veel terreinen, mag blijken uit een aantal artikels verschenen in het tijdschrift De Witte Raaf.

*Om in te loggen moet je wel facebook-lid zijn.

HET GEHEIME LEVEN VAN ENKELE LETTERGREPEN

P1000899

Er was eens een keer een dag dat ik je glimlach zag en dacht, dit is de waarheid en het leven, hoewel ik nooit in iets absoluuts had geloofd. Zomer, daarna kwam winter, je warme knieën, de Brusselse straten vol sneeuw, zoals op de hoes van “The Feewheelin’ Bob Dylan” – en zoals de jonge zanger en Suze Rotolo, zo liepen wij ook arm in arm door die straten, of armer nog, hand in hand, op zoek naar nog een andere plaats om het warm te krijgen. En ik dronk me vol schaamte en geluk – tot ik wankelde en jij me moest ondersteunen. Zou ik anders niet in de modder vallen? Vanwege die daad traden we in het huwelijk, werden we nachtbruid en nachtbruidegom en zaten we aan tafel kaas te eten en worstjes en Belgisch bier te drinken. En ons huwelijk was op worstjes en trappist gebaseerd. In ons rood boekje stond: als jullie dat niet meer kunnen doen, samen, wordt het huwelijk ontbonden. Ik kreeg zo’n schrik voor die regel dat ik nog meer bier ging drinken, maar vooral ook worstjes eten. Hoe langer hoe meer. Mijn omvang en gewicht durf ik niet meer te vermelden.

De lente kwam. We zaten in de zon in een grachtenstad en dronken weer bier en aten worstjes en kusten elkaar alsof ons leven ervan afhing. Ons leven hing er vanaf. Alles was plezierig; de harde, jonge zon op onze nog blote hoofden, sigarettenrook van vandalen, een knoopje of twee van je jurk open, de straten opengebroken, lawaai van bulldozers en kranen en, later, ganzen en duiven. Daarna de sussende wijn en ogen vol gloed en avontuurzucht.

Op een zomerdag vol regen reden we naar de Nederlandse kust om er de horizon te zien, en het zand onder onze voeten te voelen. Maar we bleven liggen, in de zachte kou, dicht bij elkaar, met onze sokken aan – en luisterden naar de natte druppels en hoorden ons ademhalen, ons gehijg. Nooit was de hemel ons zo goedgezind geweest. Je kussen hadden de smaak van champagne, om even een cliché te gebruiken. Je lippen ook. Ik geloof dat ik nog altijd wat van die geur ruik, die je toen uitwasemde, die geur van verlangen en voldoening. Het samenvallen van die twee. Zo was het bij mij. Ik was een met jou, en met de sterren en de wereld, zoals in een van de beste songs van John Lennon, of in een oude mystieke tekst van Hadwijch, Zuster Bertken of Meister Eckhart.

Er was eens een keer een hete zomeravond dat je me zei, dat is Venus. Boven de Schelde zag ik iets oplichten, een maan, een ster: nee, nee, Venus. Ja, zei ik, je hebt gelijk. Want ik had in een Hopperachtige wereld geleefd, eenzame kamers, drank, verdriet, monotonie. Daar had je mij uit ontvoerd. En nu zag ik dat in en zag Venus en hoorde je vervoerende stem, die de ‘dingen’ namen gaf, eigennamen, of die nieuwe namen ter plaatse uitvond. En ik was gelukkig als nooit tevoren. Maar hoe beschrijf je geluk? Ik zei dat ik lang geleden ooit achter een konijn had gelopen, na een wilde nacht in Cinderella’s Ballroom en we hadden honger, een dik konijn, maar ik had het niet kunnen vangen. In je ogen zag ik bijna medelijden met me vanwege mijn toenmalige honger, geen veroordeling vanwege mijn bloeddorstigheid, jachtinstinct. Ik was dronken van de Amaretto en van je kussen en dacht dat je een jager in me zag, iets wat ik zelf nooit had gezien. Nochtans had mijn vader een jagersinstinct, en wordt gezegd, zoals je vader was, zo ben je zelf.

Een andere keer, ook in de zomer, vertelde je me het verhaal van O. Het verschilde heel sterk van de bekende geschiedenis. Het spijt me en het spijt me ook niet, maar ik kan me dat verhaal niet goed meer herinneren. Dat komt een beetje, denk ik, door de woordspeling in het Frans, van O met eau. In het verhaal van Réage – dat ik niet heb gelezen – is de O het gat, de kut, de anus, de opening in de penis, de mondholte. In jouw verhaal was het de regen, de lavabo, het zweet op onze huid, het geluid van de buren, hoe lang kan dit nog duren, de dorst, de sappen die we bij mekaar opwekten, als nieuw leven, maar ook de olie en benzine in een auto die buiten op ons stond te wachten. Jouw O werd mijn O en is nu de letter die mij het liefst is. Zo lief dat ik graag oto zou schrijven, maar dat ziet er niet uit, dat woord. Auto, dan maar, zegewagen, rijdend hotel, bar, bushokje, schuilplaats, donkere kamer, laatste rustplaats.

Er kwam ook wind en vooral regen. Eerst was er het genot van de kleuren die we proefden op elkaars tong, nadat we ze in concertzalen hadden beluisterd. Heb je ooit een kleur gehoord? Gekleurde muziek is de mooiste muziek, zeker met een geliefde aan je zijde die je tegen onheil beschermt. We waren intens gelukkig, zo dacht ik. Ik zei, Bob Dylan. Jij zei, Bob Dylan. Zoals in een lied van Bob Dylan, ‘Tangled Up In Blue’, een autobiografische song maar tegelijk ook niet. De persoonlijke voornaamwoorden verschuiven voortdurend. En de personen zelf, en het al dan niet biografische, zoals in zijn film ‘Renaldo and Clara’. Dat is het model dat ik gebruik om deze tekst te schrijven. Verschuiving, verglijding. ‘Template’, zeggen ze, maar ik verafschuw dat woord.

De wind en de regen kwamen en we moesten ergens schuilen en onze toevlucht zoeken tot metaforen. Beminnen, liefhebben, genot, seks – konden die woorden herleid worden tot sterke metaforen om een moeilijk leven aan te kunnen? Nee. We moesten opnieuw beginnen.

Opnieuw naar die winter op je warme, rode schoot, je vurige armen, nachtelijke ritten in besneeuwde of natte of verhitte straten. Je lippen van smeltend goud, je ogen die de nacht verwensten en uitschakelden, je blauw en rood, vooral je rode schoenen, die al bij de zomer hoorden. Opnieuw naar al de plaatsen (waarvan ik alle namen ken), opnieuw naar onze lichamen in de kou en in de zon. Opnieuw naar onze tijd, het geluk, onze tranen van verdriet en genot. Opnieuw naar jou, naar mij. Opnieuw naar het begin waar geen eind aan komt.

ARI UP IS DOOD / ARI UP LEEFT

2018-05-01-slits 002 (2)

Ari Up is dood. Ari Up van the Slits. Maar ik zou niet meer over de dood schrijven, herinner je je nog? Toch onlangs, in Portugal, nog wat woorden bijeengesprokkeld naar aanleiding van de dood van Solomon Burke. Een paragraaf maar – een schande voor een legende als Solomon Burke. Maar meer kon niet. Mijn vingers deden pijn, mijn hoofd wilde niet dansen, of net wel: na al dat sterven wilde mijn hoofd, wilde heel mijn lijf dansen.

Maar nu Ari Up. Een vrouw waar ik, het zal niet verbazen, naar opkeek. Ik bewonderde the Slits, zozeer zelfs dat ik destijds, in het voorjaar van 1980, geld leende van een vriend die al lang dood is om van Antwerpen naar Brussel te reizen om er in Plan K een optreden van de rebelse meisjesgroep bij te wonen. Ik herinner me dat het koud was en dat ik niet echt hield van de andere band die optrad, The Pop Group. Maar the Slits maakten me gek. Ari Up kon je moeilijk een schoonheid noemen, net zomin als Viv Albertine, Palmolive en Tessa Pollitt. Maar ze was sexy, uitbundig, en polymorf pervers. Hun elpee ‘Cut’, een productie van Dennis Bovell uit 1979, was een meesterwerk van blanke reggae en ‘punk’. In mijn toenmalige vriendenkring kon iedereen ‘Typical Girls’ meezingen, zowel de jongens als de meisjes. The Slits waren de girl group van de jaren ‘70-’80, maar meer controversieel er en rebels dan hun ‘voorbeelden’ uit de ‘sixties. Overigens ging het niet zozeer om de boodschap (onder meer ‘shoplifting’), maar om het ritme en de dans. Het was heerlijk om te dansen op de sound van the Slits.

De dood van Ari Up wekt veel fijne herinneringen bij me op. In de eerste plaats Cinderella’s Ballroom, en deejay Maryse. Enkele songs van the Slits, zoals ‘Typical Girls’ en ‘Newtown’ vormden een perfecte overgang naar de blok reggae die ze elke keer weer draaide. In de beste periode – 1977 tot 1982 – van de Cinderella danste je daar een hele nacht op de allerbeste muziek, punk, new wave, rock ‘n’roll, soul, ska, reggae, pop. Dank zij Maryse en de muziek die ze draaide heb ik me verzoend met mijn lichaam. Dat de jongens er in die periode ‘anders’ mochten uitzien, ik denk nu aan Tom Verlaine, Elvis Costello, Ian Dury, David Byrne, speelde ongetwijfeld ook een rol in die zelfaanvaarding. Niemand bekeek je boos of fronsend als je tegen het ritme in danste.

Punk, new wave en reggae speelden in die periode een belangrijke rol in mijn leven. En samen met die voor mij revolutionaire popmuziekgenres waren er zoveel andere gebeurtenissen die het leven in die dagen verrassend maakten. In het café het Pannenhuis kwamen kunstenaars en dichters bijeen om te praten, gedichten te schrijven, muziek te beluisteren en te spelen. Ik herinner me Toulouse en Greta, waard en waardin. Veel van de klanten stonden bij hen in het krijt. Onder meer mijn toenmalige vriend Guillaume Bijl. Nochtans was hij een van weinigen van ons die een job had, net als zijn lieftallige vriendin Renée (ook al jaren geleden uit het leven gestapt). De bezoekers van cafés als Pannenhuis en clubs als Cinderella’s Ballroom leken op personages die je aantreft op de foto’s van Nan Goldin, pas veel later beroemd geworden, en Robert Mapplethorpe. Goddeloze heiligen, geheel ongeschikt voor een fatsoenlijke rol in de maatschappij, tegendraads, mislukt van bij de geboorte, losers… Ik stel me Ari Up nu voor als net zo iemand. Wij waren in die dagen allemaal Ari Ups en Joe Strummers. De wat ouderen onder ons waren tevens Trashmen. Ken je ‘Surfin’ Bird’? Dan ben je een oudere onder ons. Paul R. zal het zeker kennen – maar hij is nog bijzonder jong. Het is allemaal relatief. Een tiental dagen geleden, in Tavira of Lagos, dacht ik er al aan om hierover te schrijven. De dood van Ari Up is niet iets waar ik gebruik van maak. De ruwe notities waren er al. Ik zou een lange tekst schrijven over de periode 1977-1982, een fragment uit mijn leven waar ik nauwelijks foto’s van bezit. Ik had geen fototoestel. Twee of drie keer heb ik dat van mijn broer, die in het verre Limburg woonde, mogen gebruiken. Maar die dure reflexcamera – die hij later geruild heeft voor enkele Duvels – durfde ik niet mee te nemen tijdens mijn nachtelijk escapades. Performances in de Montevideo, liefdevol georganiseerd door Annie Gentils en medewerkers.

Guy Rombauts’ bizarre alfabet, Waut Vercammens Belgische schande, Guillaume Bijls inbeslagnemingen, Ria Pacquées ondermijning van het gezag, AMVK en DDV perverse filosofieën. Brigitte VKB voor blote voeten gevaarlijke appartement. Waar is Brigitte nu?  De Musical Snack Attack, een reggae snack waar je onvindbare reggaeplaten kon kopen. Jacques Chapon, Nathalie, Sofie. Zoveel namen. Alternatieve modeshows, lang voor de Antwerpse zes en zeven. Joy Divison. ‘Typical Girls are emotional’. Lover’s Rock. Dennis Bovell. Dansen op de tafels van de Gnoe. Onder invloed van tequila en speed op een dik konijn jagen op de Scheldeoever, in de buurt van waar nu Radio Centraal is. In de vroege ochtend, een prachtige zonsopgang, maar geen konijn. Waren we trouwens geen vegetariërs? Robert, Antonio; andere vrienden en kennissen wier namen ik me niet meer herinner. En daarna speed, heroïne, Aids, paranoia. Nog later Zwarte Zondag. En nu Ari Up.

Ik drink witte wijn en beluister voor de derde keer ‘Cut’ van the Slits. Een wonderlijke plaat. Een unieke plaat. Een onuitwisbare nalatenschap.

 

 

 

DE JAREN ZEVENTIG IN ANTWERPEN (VERKENNING)

aa2

Zaterdagavond zaten Agnes en ik aan tafel in een nostalgische bui te praten over lang vervlogen dagen. Vooral onze eerste jaren in Antwerpen van 1977 tot 1984 hebben een onvergetelijke indruk nagelaten. Het waren schitterende dagen, dagen van verandering, er hing revolutie in de lucht; veel nieuws en vrolijk stemmends ontstond spontaan voor onze ogen in kleine, nieuwe kunstgaleries en immense hangars zoals de Montevideo en wij werkten er soms aan mee, waren er deelgenoten van. We herinnerden ons weer die talloze uitbundige, weergaloze nachten in kroegen die nu niet langer donker of bruin meer waren maar wit, met onze vrienden Guillaume Bijl en Renée Strubbe, aan wie ik vaak terugdenk, omdat haar doodsprentje hier in mijn kamer staat, Ria Pacquée, Leo Steculorum, Flor, Jos Dorissen, over wie ik al vaak heb geschreven, Hilde V., Luc en zijn Hilde, Herman en Harry en vele anderen. En de diepe vriendschap met Rita en Jules die nog steeds voortduurt. Hoe we bijna zonder geld konden overleven en zelfs nog rockabilly-, blues- en punk-elpees en boeken konden kopen. De tijd van Elvis Costello, the Clash, the Ramones, Television en reggae.

Voor goedkope ‘hippe’ kleren gingen we naar het Berghmanshuis (als dat de juiste naam is) op het Sint-Jansplein, de Wolmolen in de Provinciestraat en Dao in een zijstraat van de Nationalestraat. In de winkel op het Sint-Jansplein – waar kleren uit faillissementen werden verkocht – vond je alles wat je nodig had om een avond uit te gaan. Wij waren echt wel voorlopers op dat gebied, als ik dat zo mag zeggen. Nu gaat iedereen naar de kringloopwinkels en combineert oude met nieuwe kleren. Toen was bijna niemand geïnteresseerd in ‘vintage’.
(Eigenlijk was ik vanaf 1965 ongeveer al bezig met me oude kleren toe te eigenen, vooral zijden sjaaltjes van mijn tante Georgette, zij had er tientallen, en juwelen, af en toe ook kledingstukken uit mijn moeders jonge jaren. Als ik dat toen allemaal aantrok leek ik op Brian Jones en was ik gelukkig.)

4-30-2013_010 (3)

Aan zo’n avondje uit in Antwerpen ging een heel ritueel vooraf, waarbij we twee à drie uur voor de spiegel allerlei combinaties probeerden. De ‘perfecte’ combinatie vinden, dat was het moeilijkste. Maar het gaf een eerlijk gevoel om dan later zo uitgedost in het Pannenhuis en Cinderella’s Ballroom binnen te stappen. Vaak ging ik naar Cinderella’s Ballroom in een wit pak, gekocht in Firenze, een zekere Alan Farbman uit New York, had dat daar voor mij betaald, en begaf me daar tussen in zwart leer gehulde punks op de dansvloer. We dansten vol overgave op de muziek van Maryse (ik hoop dat ik haar naam juist spel), de beste dj die ik ooit heb gehoord. Dansen op ‘Marquee Moon’ van Television, dat betekende extase (terwijl die pilletjes toen niet eens bestonden). In dezelfde Cinderella’s Ballroom leerde ik reggae appreciëren en er uren lang op dansen. Ik schoot zeer goed op met de punks, het waren stuk voor stuk vriendelijke jongens en meisjes. Ze namen geen aanstoot aan mijn wit pak. Integendeel: ze begrepen dat ik een individu wilde zijn en hadden daar duidelijk respect voor. Soms kwam ik echter ’s morgens thuis met bloedspatten op mijn pak. Een jongen had bijvoorbeeld al dansend op PiL (This Is Religion, of ‘Careering’) tot bloedens toe met zijn vuisten op de muren gebeukt. Dat hoorde erbij. Ik zal hier later meer over vertellen, als ik meer energie heb. Alleszins was de tweede helft van de jaren zeventig op zijn minst even boeiend als de zo bejubelde sixties.

1980aa

Vaak denk ik eraan om weer in Antwerpen te gaan wonen, waar alles gebeurt. Maar heeft het zin? Jaag ik niet op een droom die al lang vervlogen is?

Foto’s: Martin Pulaski, 1980

HET INTERMITTEREND KLOPPEN VAN ONS HART

van morrison,bob dylan,cinderella s ballroom,junior murvin,jim thompson,james cain,hard-boiled,sam peckinpah,bertrand tavernier,marcel proust,onbewuste,depressie,geheugen,herinnering,hart,herinneringen,william styron,webb pierce,country

In die dagen, in de mooie stad Antwerpen woonachtig, in tijden dat ik veel en vaak uitging, niet om hele nachten tequila sunrise te drinken maar vooral om te dansen op Junior Murvin’s ‘Police and Thieves’, bijvoorbeeld in Cinderella’s Ballroom, een vochtige, rokerige kelder, die wij als ons tweede en soms als eerste thuis beschouwden, voor ons allen het hart van de wereld, las ik de dag nadien – als ik een kater had van rook en vocht en bloed en uitputting – donkere, meeslepende boeken van Raymond Chandler, Dashiel Hammett, Ross McDonald en James Cain. Vooral James Cain. The Postman Always Rings Twice. En oh ja, ik mag Jim Thompson  niet vergeten, The Killer Inside Me, inspiratiebron voor Bob Dylan, Sam Peckinpah, Green On Red en Bertrand Tavernier, onder meer. Nu hoor ik Webb Pierce op de achtergrond, die soms voorgrond wordt, There Stands The Glass, Van Morrison heeft dat onlangs gecoverd op zijn country-lp, en denk ik en vraag ik me af waarom ik me overgeef aan de boeken van Marcel Proust om te genezen van iets donkers, iets wat depressie wordt genoemd; maar eigenlijk is het een ervaring die helemaal niet beantwoordt aan dat versleten woord. William Styron is op zoek geweest naar een beter woord en kwam alleen maar bij het verouderde begrip melancholie, een mooie benaming – maar ze dekt de lading niet. Klinische depressie, zeggen de mensen nu, om aan te geven dat het ernst is. Maar wat is een klinische depressie? Ik weet het niet. Ik probeer te overleven, zoals in die boeken van de hard-boiled misdaadschrijvers. Vaak worden ze in mekaar geklopt of anderszins bijna het hoekje om geholpen. Zo is het ook een beetje met een depressie. Je zoekt het gevaar en de dood op omdat je er bang voor bent. Je wilt ontsnappen maar je wilt de smeerlap gelijkertijd recht in de ogen kijken. Ik wil niet dood, zeg je, ik wil waardig ouder worden. En dan lach je grimmig, vanwege die oude vergeten politieke partij. Toen waren die dingen nog zo onschuldig. Nu zitten we met massa’s contra-revolutionairen, NVA, Vlaams Belang (de eerste keer dat ik dit woord hier gebruik), FDF, mensen in groepen met elkaar verbonden om al het moeilijk bereikte weer op te blazen. Waar komen al die hatelijke haatdragende mensen vandaan? Walen, Vlamingen, immigranten die elkaar een mes in de rug willen steken. Waarom? Ze gaan voortdurend bij elkaar op vakantie en verklaren elkaar de liefde en willen vervolgens alles opblazen, de hele razzamatazz.

Waarom evenwel zoek ik mijn heil bij de moeilijke Marcel Proust, een intellectueel, een Jood en een homoseksueel? Ik weet het niet. Maar misschien is het antwoord eenvoudig. Als ik Marcel Proust niet meer kan lezen, de ongeveer moeilijkste literator – ik heb het niet over wetenschappers – maar ook de beste schrijver uit de twintigste eeuw, ben ik het niet waard om veel – en waardig – ouder te worden. Vandaag las ik in ‘Sodom en Gomorra’ (in een uitstekende vertaling van Thérèse Cornips) enkele zinnen, voldoende voor een dag, een week:

“Op welk tijdstip wij ook onze ziel in haar geheel zouden bezien, zij heeft als zodanig maar een vrijwel fictieve betekenis, ondanks de omvangrijke balans van haar schatten, want nu eens is daarvan het ene, dan weer het andere niet beschikbaar, of het overigens effectieve schatten geldt dan wel die van de verbeelding, en wat mij aangaat bijvoorbeeld, evenzeer als de oude naam Guermantes, de – zoveel zwaarder wegende – rijkdom van de werkelijke herinnering aan mijn grootmoeder. Want stoornissen staan in verband met het intermitterend kloppen van ons hart. Het is vermoedelijk het bestaan van ons lichaam, vergelijkbaar voor ons gevoel met een aarden vat waarin onze spiritualiteit zou zijn gevangen, dat ons ertoe brengt te veronderstellen dat al ons innerlijk goed, onze voorbije vreugden, al onze smarten, voordurend in ons bezit zijn. Misschien is het even onjuist om te denken dat ze ontsnappen of terugkomen. In elk geval, als ze al in ons blijven, dan voor het grootste deel van de tijd in een onbekend domein waar ze ons volstrekt niet van dienst zijn, en waar zelfs de allergewoonste woorden worden verdrongen door andersoortige herinneringen, die hun gelijktijdigheid in ons bewustzijn geheel uitsluiten.” (Marcel Proust, Sodom en Gomorra, 162-63, Pleiade II, 756-757).