HET GRENSOVERSCHRIJDEND GEDRAG VAN THE SLITS

‘Cut’ [1], het wonderlijke debuut van The Slits, verschijnt op 7 september 1979. Op 4 mei is Margaret Thatcher premier van Groot-Brittannië geworden, een gebeurtenis waarvan we ook in ons land nog steeds de gevolgen ondervinden. Privatiseringen, afbraak van de sociale zekerheid, verarming van de armen en de lagere middenklasse, verrijking van de rijke parasieten. Iran wordt een islamitische republiek, geleid door ayatollah Khomeini. Ook die religieuze revolutie heeft tot nu toe in ons land en op wereldvlak verstrekkende gevolgen. Ondanks massale demonstraties [2] gaat de Belgische regering akkoord met de plaatsing van 48 kruisvluchtwapens op de Belgische vliegbasis Florennes. De eerste Walkman komt op de markt.

Ik woon op dat ogenblik al twee jaar in de Dolfijnstraat in Antwerpen. Over mijn toenmalige habitat en levensstijl heb ik al eerder geschreven. Details laat ik voor dit verhaal even weg. Je kunt er meer over vinden in mijn tekst ‘Antwerpen in de jaren zeventig’ en zeker ook in de geweldige lezerscommentaren daarbij.
Net als de samenleving en de stad waar ik in leef is mijn leven dramatisch veranderd, ook op muzikaal gebied. Economie, leefomgeving en cultuur gaan hand in hand. Punk, new wave en reggae maken in die die barre dagen en nachten de soundtrack van mijn leven uit. Hoewel ik de grensoverschrijdende popmuziek uit de late jaren zeventig niet graag in de hokjes van de muziekindustrie onderbreng. Een van de reclameslogans van toen was “geef voor new wave”, belachelijk toch? Overigens denk ik dat the Slits er geen bezwaar tegen hebben dat wij hun elpee gaan stelen. Maar dat willen we de sympathieke platenzaak Brabo, waar we veel van ons vinyl aanschaffen, niet aandoen.

De rebelse en zelfs revolutionaire platen van die dagen zijn zoals altijd slechts onderdeel van een groter geheel. Ondanks de zware economische en existentiële crisis waar wij tot over onze oren in zitten, ondanks de overtuiging dat er geen toekomst voor ons is, gebeuren er op heel wat ‘vrijplaatsen’ verrassende en hartverwarmende dingen. Buiten is de sfeer dan wel terneerdrukkend en uitzichtloos, binnen wordt er met hart en ziel geleefd en feest gevierd. In het witte café het Pannenhuis aan het Conscienceplein komen kunstenaars en dichters bijeen om te praten, gedichten te schrijven, muziek te beluisteren en te spelen. De kunstenaars die ik daar en op andere subculturele plekken ontmoet, proberen koortsachtig hun nieuwe ideeën te verwezenlijken. Er zijn veel performances, onder meer in de immense Montevideo, gerund door Annie Gentils en haar kleine team. In het Aurora Atelier, een vrijplaats voor filosofie, literatuur en plastische kunst, waar ik zelf aan de slag ben gegaan, maak ik kennis met het werk van Ria Pacquée, waarin ze voornamelijk het gezag ondermijnt, met de ironische inbeslagnemingen van Guillaume Bijl, met de mailart-fantasieën van Guy Bleus en met Guy Rombouts’ bizarre alfabet. Elders ontdek ik de Belgische schande gezien door de ogen van Wout Vercammen, de perverse filosofische ‘tractaten’ en oefeningen van AMVK en DDV en de vuilniskunst van Frank Castelyns. De enige kunstenaar die niet schijnt te veranderen is Ludo Mich. Al verrijst hij binnenkort wel als de goeroe van de hologramkunst (ook in Montevideo). Geheel in de sfeer van het Slits-debuut is er Musical Snack Attack, een cafetaria waar je elders onvindbare reggaeplaten kan beluisteren en kopen. Geregeld zijn er in de buurt van de Wolstraat en de Stadswaag alternatieve modeshows te zien, met al die mooie boze mensen altijd een lust voor het oog. De Antwerpse Zes zijn niet uit het niets voortgekomen.
Eveneens op de Stadswaag, in Cinderella’s Ballroom, draait deejay Maryse de meest relevante én dansbare muziek van het moment. Op Assepoesters vochtige dansvloer leer ik eindelijk ongedwongen dansen, zij het op mijn idiosyncratische manier. Jongens mogen er aan het eind van de jaren zeventig ‘anders’ uitzien. Denk aan Tom Verlaine, Elvis Costello, Ian Dury, David Byrne. De freaks uit de gelijknamige horrorfilm van Todd Browning uit 1932 zien er nu voor ons bijna gewoontjes uit. Die voorbeelden spelen ongetwijfeld een rol in onze zelfaanvaarding. Niemand bekijkt je boos of fronsend als je tegen het ritme in danst of een beetje spastisch beweegt. Ik vermoed dat hetzelfde opgaat voor de meisjes. Een groep als the Slits zal voor hen ook wel een rolmodel zijn, net als the Raincoats, Lydia Lunch, Poly Styrene en Lora Logic.
Viv Albertine, gitarist en songschrijfster van the Slits, vertelt naar aanleiding van de cd-uitgave van ‘Cut’ dat haar band niet langer typisch mannelijke ritmes en structuren wilde nabootsen. De groepsleden gingen op zoek naar typische meisjesritmes, “skippy and light”. Een belangrijke bouwsteen voor hun sound is dub. Dat geluid hoorden de meisjes bij de DJ en cultfiguur Don Letts, die dansavonden organiseerde in de Roxy, de Londense punktempel. Don Letts is van mening dat the Slits met hun heel eigen geluid ver vooruit waren op hun tijd. Van de reggae namen zij het primaat van de baslijn over, waar zij gitaarspel en melodie ondergeschikt aan maakten. Ook het mengpaneel gebruikten zij als een instrument. Voor deejay Maryse vormen enkele songs van the Slits, zoals ‘Typical Girls’ en ‘Newtown’ een perfecte overgang naar de blok reggae die ze elke keer weer inlast in haar lange set. (Overigens deinst Maryse er niet voor terug om ook oud werk uit het rek te halen, onder meer van the Kinks, Rolling Stones, the Doors, Neil Young en Jimi Hendrix.)

slits 3

De bezoekers van cafés als Pannenhuis en clubs als Cinderella’s Ballroom lijken op personages die je aantreft op foto’s van Nan Goldin, pas later berucht en beroemd geworden, en Robert Mapplethorpe. Niemand van ons lijkt geschikt voor een fatsoenlijke rol in de maatschappij. We zijn tegendraads, mislukt van bij de geboorte, losers. In de Gnoe, een kroeg in de Wolstraat die tot het krieken van de dag openblijft, dansen we op de tafels. “Boys keep swinging”, zeg ik tegen A., in de vroege ochtend op weg naar huis en nog meer extase. En zij: ‘typical girls are emotional’. Ja, zeg ik, en van shoplifting zijn ze ook niet vies.

Wellicht omdat ik een jongen ben, heb ik in die transittijd een voorkeur voor the Clash, the Ramones, Modern Lovers, Television en Elvis Costello. Maar zeker ook voor the Slits en hun elpee ‘Cut’ heb ik een zwakke plek. Wegens geldgebrek ga ik weinig naar concerten maar voor the Slits maak ik een uitzondering. The Slits treden op in de legendarische club Plan K. in de Manchesterstraat in Molenbeek. Jos D. leent me geld voor de reis naar Brussel en voor twee kaartjes.  A. en ik moeten eerst uren wachten op de binnenkoer van het gebouw, waar het vreselijk koud is. Een longontsteking zit er dik in. Opener The Pop Group kan me maar matig bekoren, misschien ben ik nog te verkleumd. Maar van the Slits word ik helemaal warm en helemaal gek. Ari Up, Viv Albertine en Tessa Pollitt kun je moeilijk klassieke schoonheden noemen. Ze zijn zeker geen modellen van het jaar, waar Elvis Costello een jaar geleden over zong. Maar deze meisjes zijn echte meisjes, sexy, uitbundig, en polymorf pervers. Opgewonden keren we naar Antwerpen terug, met de zekerheid dat we deze show wel nooit zullen vergeten.

‘Cut’, is meesterwerk van blanke reggae en vrouwelijke ‘punk’. The Slits is de girl group van de late seventies, maar controversiëler en rebelser dan hun voorbeelden uit de sixties. Vrouwelijker. Los van rebellie en seksueel-politieke boodschappen is het een groot genot om te dansen op de sound van the Slits. Ook vandaag nog klinkt ‘Cut’ cool en opwindend.

2018-05-01-slits 003

[1] Vier jaar later, op zondag 23 oktober 1983, betoogden 400.000 mensen tegen de plaatsing van Amerikaanse en Russische kernraketten in West- en Centraal-Europa. Het was de grootste manifestatie die ons land ooit gekend heeft.

[2] ‘Cut’ van The Slits. Verschenen op Island op 7 september 1979.
Een creatie van the Slits en Palmolive.
The Slits zijn:
Ari Up – vocals
Viv Albertine – guitar
Tessa Pollitt – bass guitar
en
Budgie – drums
Dennis Bovell – sound effects
Producer: Dennis Bovell.
Alle songs werden geschreven door Viv Albertine, Tessa Pollitt, Ariane Forster (aka Ari Up) en Paloma Romero (aka Palmolive).

CINDERELLA’S BALLROOM, MELANCHOLIE, NOSTALGIE

lydialunch.jpg

Op mijn vorige tekst, over de Cinderella’s Ballroom facebook-groep, kwam een aantal verhelderende en vooral eerlijke commentaren van drie kritisch ingestelde leden van de groep ([uzine], Pan en Max Borka). Ik dank hen daarvoor en ga kort in op hun opmerkingen.  Een filosofisch, sociologisch of politiek essay wordt dit geenszins.

“Een eigen leven” – waar Max en [Uzine] het over hebben – is inderdaad bijzonder relatief. Ik denk dat het concept ‘vervreemding’ nog altijd geldig is. Meer zelfs, het is razend actueel. En dat ‘identiteit’ in twijfel mag getrokken worden, lijkt me ook bijna vanzelfsprekend. Nogal wat mensen meten zich een ‘identiteit’ aan waarvan ze denken dat die cool is, maar die dat daarom net niet is. Ik bedoel: een coole identiteit bestaat niet. Dat heeft niet alleen met twitteren en dergelijk nuttige nonsens te maken, maar met ongeveer alles waarvan men denkt dat het door de media en door de anderen zal worden opgemerkt als ‘anders’, als ‘uniek’, als ‘authentiek’. Die houding heet geloof ik narcisme. Ze is me niet helemaal vreemd.

Als ik het – in mijn reactie op Max Borka’s commentaar –  over ‘achterhaalde’ muziekvormen (of liederen, of elpees) heb, dan is dat een subjectieve uitspraak, maar wel gebaseerd op jarenlange vertrouwdheid met allerlei soorten populaire muziek. Dus toch een beetje een vaststelling gebaseerd op ervaring; een empirische vaststelling zou ik bijna durven zeggen. (Omdat ik moe was toen ik op de hierboven genoemde commentaren reageerde heb ik alleen maar David Bowie, Television en Suicide tijdsbestendig genoemd. Er zijn nog wat meer.)

Met nostalgie is evenmin iets mis als met melancholie. Ik geloof nogal in een positieve melancholie. Die hoor ik in – bijvoorbeeld – veel muziek van Brian Eno, Eels, Alexander Spence, Madredeus, Hope Sandoval en lees ik onder meer bij Cesare Pavese, Geerten Meijsing en Fernando Pessoa. Gelukkig maakt melancholie je niet, en sommigen gaan er dood aan – maar het is een mooie levenshouding, vind ik.  Psychologen, beoefenaars van een vak waar ik niet hoog mee oploop, stellen melancholie nogal eens gelijk aan klinische depressie. Historisch gezien is dat niet juist. Het feit dat iemand zwartgallig is, graag aan galgenhumor doet of van de regen houdt, betekent nog niet dat hij zelfmoord wil plegen. Een melancholicus, zoals Kafka er een was, lijdt vaak aan een diep en onvervuld verlangen. Is dat niet door en door menselijk?

Met nostalgie is niets mis als ze niet een allesbepalende levensstemming wordt. Vaak heeft nostalgie te maken met ontevredenheid met het nu, met de wereld en de maatschappij waar we nu in leven. Zeer waarschijnlijk wordt er in tijden van crisis meer aan nostalgie gedaan dan in voorspoedige periodes (zoals de jaren ‘zestig). Vandaar wellicht het succes van Cinderella’s Ballroom. Er ontstaat tevens een probleem als iemand zich te zeer identificeert met een boeiende periode in het verleden. Dan vind je op den duur niets meer boeiend wat daarna nog gebeurt. Zo iemand ‘blijft steken’ en is bijgevolg ongelukkig (al weet hij het misschien niet). Vergeet echter niet wat Simone Signoret schreef: nostalgie is niet meer wat ze geweest is.

Ik vind de Cinderella’s Ballroom facebook-groep een boeiend fenomeen, omdat ik in de periode waar het om gaat een tweede jeugd beleefde: ik was 27 in 1977 en had mijn buik vol van de toen populaire muziek: Yes, Pink Floyd, Emerson Lake & Palmer en Genesis. Daar zat geen sprankel meer in van de spirit die Muddy Waters, Hank Williams, Little Richard, Gene Vincent en Elvis hadden opgeroepen.  Op een dag kort nadat ik van Brussel naar Antwerpen was verhuisd  hoorde ik ik op de radio, radio Caroline als ik me nog goed herinner, the Clash, the Sex Pistols, the Stranglers, Mink DeVille, etcetera. Een nieuwe adem en tegelijk een terugkeer naar de bron. Voor mijn verjaardag kreeg ik van mijn vriend Willy, al lang niet meer onder ons is, ‘Never Mind The Bollocks’ cadeau.  Kort daarna kwam ik voor het eerst in Cinderella’s Ballroom. Ik herleefde. Dat heeft enkele jaren geduurd, daarna is weer een andere periode begonnen. En daarna weer een andere. Niet allemaal even boeiend of ingrijpend – wel altijd met hoogte- en dieptepunten. Ik heb in mijn leven heel wat zulke boeiende momenten en periodes gekend. Daar ga ik nu niet dieper op in. Hier op hoochiekoochie heb ik er al meer over geschreven.

Tot slot nog dit: [Uzine], ik ben het volledig eens met deze vaststelling van jou: “Soit, een stinker die ik nu al voel aankomen, dan weer, is dat er binnenkort spotlights op die groep worden gezet, door journalisten en trendwatchers etc. Zo van die beschouwende flutartikeltjes in de weekendbijlage of andere weekbladen die nog nauwelijks gaan over het bijzondere dat die mensen toen deelden qua esprit en instelling. Maar bon zo consumeert onze maatschappij zichzelf al langer.”

Mensen zijn altijd bijzonder, of ze nu ‘gewoon’ zijn of ‘cool’. Cinderella’s Ballroom was niet zozeer ‘the place to be’, maar een bijzondere plek waar bijzondere mensen kwamen. Alleen het water was er koel, maar dat dronk niemand. Nu weer op zoek naar andere bijzondere plekken dan maar.

davidbowie.jpg

 

CINDERELLA’S BALLROOM

the-undertones-teenage-kicks.jpg

Op 14 januari 2008 schreef ik een korte, verkennende tekst over de jaren zeventig in Antwerpen.

Het ging voornamelijk over de late jaren zeventig. In het stuk werd nogal wat ruimte uitgetrokken voor Cinderella’s Ballroom, een club waar ik vaak en heel graag kwam. Niet zozeer om te praten, vooral om te dansen! Nooit had ik verwacht dat op die korte tekst zoveel reacties zouden komen. Ik had ‘mijn’ lezers beloofd dat ik de tekst zou uitdiepen, dat ik die flitsende periode de aandacht zou geven die zij verdiende. Maar uiteindelijk begon mijn verhaal zichzelf te schrijven, of liever: de commentatoren, mensen die het allemaal hadden meegemaakt, schreven het. Ik moest mijn belofte niet langer waarmaken, dacht ik, vooral omdat velen van hen een beter geheugen bleken te hebben dan ik. Werden daar in die vermaledijde Cinderella’s Ballroom dan geen hersenverwekende drugs gebruikt? Waar heb ik mijn geheugen dan achtergelaten?

Als reactie op de eerste commentaren schreef ik het volgende: “Cinderella-vrienden, ik ben het aan jullie verplicht (en zeker aan degenen die niet meer onder ons zijn, zoals Robert) om een langere, en vooral betere en preciezere tekst over die plaats en die tijd te schrijven. Er zijn zoveel herinneringen verbonden aan Cinderella’s Ballroom. Zo gauw ik de kracht heb – en de ‘muze’ mij uit mijn hok lokt, komt dat stuk er, met alle liefde die er voor die tijd/plaats nog in mij overblijft (buitengewoon veel). “

Inmiddels zijn er niet alleen die vele commentaren op mijn tekst maar is er een bijzonder succesvolle facebookgroep die Cinderella’s Ballroom (http://www.facebook.com/groups/244136465665213)* heet. Hans Versluys, die de periode waar ik het over heb, heel goed kent heeft de groep begin februari opgericht. Ondertussen zijn er al bijna 300 leden, die er onder meer herinneringen oprakelen en obsessioneel clips van ‘muziek van toen’ aanbrengen.  Muziek van toen, die soms nog razend actueel is.

Natuurlijk ben ik er opgetogen over dat die groep er nu is. De aficionado’s moeten nu niet langer de omweg via hoochiekoochie maken om elkaar in cyberspace te ontmoeten. Alles gaat nu rechtstreeks: herinneringen, nostalgische opwellingen, voorstellen om elkaar terug te zien, ideeën voor radioprogramma’s op radio centraal in Antwerpen, etcetera. Maar omdat ik blij was met al die aandacht – ik houd mij te zeer in de schaduw op – vind ik het ook een beetje jammer. Hoochiekoochie wordt opnieuw het medium van een einzelgänger, waar natuurlijk niets mis mee is, maar alleen is toch maar alleen.  Toch schreef ik, zoals ik hierboven al aangaf, dat stuk over Antwerpen niet om aandacht te krijgen. Het was een spontane opwelling, zonder bijbedoelingen. Het zij zo… Vaarwel dus, spontane ontmoetingsplaats  van 14 januari 2008.

Deze evolutie neemt desondanks niet weg dat ik – hoewel vrijgesteld van mijn verplichting  ten aanzien van de geschiedenis, hahum – wellicht toch nog zal terugkeren naar het Antwerpen van het eind van de jaren ‘zeventig en het begin van de jaren ‘tachtig. Naar Cinderella’s Ballroom, naar de Tom Tom, naar de Gnoe, de Kroeg, naar Filosofische Kring Aurora, naar Radio Centraal, naar de Pardaf, de Mok, het Pannenhuis, de Kat, de Paradox  – van aan het station van Berchem tot helemaal in Sint-Anneke.

Dat Antwerpen omstreeks 1980 een stad was die bruiste van creativiteit, op heel veel terreinen, mag blijken uit een aantal artikels verschenen in het tijdschrift De Witte Raaf.

*Om in te loggen moet je wel facebook-lid zijn.

HET GEHEIME LEVEN VAN ENKELE LETTERGREPEN

the_freewheelin_bob_dylan.jpg

Er was eens een keer een dag dat ik je glimlach zag en dacht, dit is de waarheid en het leven, hoewel ik nooit in iets absoluuts had geloofd. Zomer, daarna kwam winter, je warme knieën, de Brusselse straten vol sneeuw, zoals op de hoes van “The Feewheelin’ Bob Dylan” – en zoals de jonge zanger en Suze Rotolo, zo liepen wij ook arm in arm door die straten, of armer nog, hand in hand, op zoek naar nog een andere plaats om het warm te krijgen. En ik dronk me vol schaamte en geluk – tot ik wankelde en jij me moest ondersteunen. Zou ik anders niet in de modder vallen? Vanwege die daad traden we in het huwelijk, werden we nachtbruid en nachtbruidegom en zaten we aan tafel kaas te eten en worstjes en Belgisch bier te drinken. En ons huwelijk was op worstjes en trappist gebaseerd. In ons rood boekje stond: als jullie dat niet meer kunnen doen, samen, wordt het huwelijk ontbonden. Ik kreeg zo’n schrik voor die regel dat ik nog meer bier ging drinken, maar vooral ook worstjes eten. Hoe langer hoe meer. Mijn omvang en gewicht durf ik niet meer te vermelden.

De lente kwam. We zaten in de zon in een grachtenstad en dronken weer bier en aten worstjes en kusten elkaar alsof ons leven ervan afhing. Ons leven hing er vanaf. Alles was plezierig; de harde, jonge zon op onze nog blote hoofden, sigarettenrook van vandalen, een knoopje of twee van je jurk open, de straten opengebroken, lawaai van bulldozers en kranen en, later, ganzen en duiven. Daarna de sussende wijn en ogen vol gloed en avontuurzucht.

Op een zomerdag vol regen reden we naar de Nederlandse kust om er de horizon te zien, en het zand onder onze voeten te voelen. Maar we bleven liggen, in de zachte kou, dicht bij elkaar, met onze sokken aan – en luisterden naar de natte druppels en hoorden ons ademhalen, ons gehijg. Nooit was de hemel ons zo goedgezind geweest. Je kussen hadden de smaak van champagne, om even een cliché te gebruiken. Je lippen ook. Ik geloof dat ik nog altijd wat van die geur ruik, die je toen uitwasemde, die geur van verlangen en voldoening. Het samenvallen van die twee. Zo was het bij mij. Ik was een met jou, en met de sterren en de wereld, zoals in een van de beste songs van John Lennon, of in een oude mystieke tekst van Hadwijch, Zuster Bertken of Meister Eckhart.

Er was eens een keer een hete zomeravond dat je me zei, dat is Venus. Boven de Schelde zag ik iets oplichten, een maan, een ster: nee, nee, Venus. Ja, zei ik, je hebt gelijk. Want ik had in een Hopperachtige wereld geleefd, eenzame kamers, drank, verdriet, monotonie. Daar had je mij uit ontvoerd. En nu zag ik dat in en zag Venus en hoorde je vervoerende stem, die de ‘dingen’ namen gaf, eigennamen, of die nieuwe namen ter plaatse uitvond. En ik was gelukkig als nooit tevoren. Maar hoe beschrijf je geluk? Ik zei dat ik lang geleden ooit achter een konijn had gelopen, na een wilde nacht in Cinderella’s Ballroom en we hadden honger, een dik konijn, maar ik had het niet kunnen vangen. In je ogen zag ik bijna medelijden met me vanwege mijn toenmalige honger, geen veroordeling vanwege mijn bloeddorstigheid, jachtinstinct. Ik was dronken van de Amaretto en van je kussen en dacht dat je een jager in me zag, iets wat ik zelf nooit had gezien. Nochtans had mijn vader een jagersinstinct, en wordt gezegd, zoals je vader was, zo ben je zelf.

Een andere keer, ook in de zomer, vertelde je me het verhaal van O. Het verschilde heel sterk van de bekende geschiedenis. Het spijt me en het spijt me ook niet, maar ik kan me dat verhaal niet goed meer herinneren. Dat komt een beetje, denk ik, door de woordspeling in het Frans, van O met eau. In het verhaal van Réage – dat ik niet heb gelezen – is de O het gat, de kut, de anus, de opening in de penis, de mondholte. In jouw verhaal was het de regen, de lavabo, het zweet op onze huid, het geluid van de buren, hoe lang kan dit nog duren, de dorst, de sappen die we bij mekaar opwekten, als nieuw leven, maar ook de olie en benzine in een auto die buiten op ons stond te wachten. Jouw O werd mijn O en is nu de letter die mij het liefst is. Zo lief dat ik graag oto zou schrijven, maar dat ziet er niet uit, dat woord. Auto, dan maar, zegewagen, rijdend hotel, bar, bushokje, schuilplaats, donkere kamer, laatste rustplaats.

Er kwam ook wind en vooral regen. Eerst was er het genot van de kleuren die we proefden op elkaars tong, nadat we ze in concertzalen hadden beluisterd. Heb je ooit een kleur gehoord? Gekleurde muziek is de mooiste muziek, zeker met een geliefde aan je zijde die je tegen onheil beschermt. We waren intens gelukkig, zo dacht ik. Ik zei, Bob Dylan. Jij zei, Bob Dylan. Zoals in een lied van Bob Dylan, ‘Tangled Up In Blue’, een autobiografische song maar tegelijk ook niet. De persoonlijke voornaamwoorden verschuiven voortdurend. En de personen zelf, en het al dan niet biografische, zoals in zijn film ‘Renaldo and Clara’. Dat is het model dat ik gebruik om deze tekst te schrijven. Verschuiving, verglijding. ‘Template’, zeggen ze, maar ik verafschuw dat woord.

De wind en de regen kwamen en we moesten ergens schuilen en onze toevlucht zoeken tot metaforen. Beminnen, liefhebben, genot, seks – konden die woorden herleid worden tot sterke metaforen om een moeilijk leven aan te kunnen? Nee. We moesten opnieuw beginnen.

Opnieuw naar die winter op je warme, rode schoot, je vurige armen, nachtelijke ritten in besneeuwde of natte of verhitte straten. Je lippen van smeltend goud, je ogen die de nacht verwensten en uitschakelden, je blauw en rood, vooral je rode schoenen, die al bij de zomer hoorden. Opnieuw naar al de plaatsen (waarvan ik alle namen ken), opnieuw naar onze lichamen in de kou en in de zon. Opnieuw naar onze tijd, het geluk, onze tranen van verdriet en genot. Opnieuw naar jou, naar mij. Opnieuw naar het begin waar geen eind aan komt.

ARI UP IS DOOD / ARI UP LEEFT

slits,cut,rock,reggae,pop,memoires,herinneringen,antwerpen,punk,cinderella's ballroom,dansen,kunst,leven,performance,dennis bovell,maryse,pannenhuis,vrienden,nachtleven

Ari Up is dood. Ari Up van the Slits. Maar ik zou niet meer over de dood schrijven, herinner je je nog? Toch onlangs, in Portugal, nog wat woorden bijeengesprokkeld naar aanleiding van de dood van Solomon Burke. Een paragraaf maar – een schande voor een legende als Solomon Burke. Maar meer kon niet. Mijn vingers deden pijn, mijn hoofd wilde niet dansen, of net wel: na al dat sterven wilde mijn hoofd, wilde heel mijn lijf dansen.

Maar nu Ari Up. Een vrouw waar ik, het zal niet verbazen, naar opkeek. Ik bewonderde the Slits, zozeer zelfs dat ik destijds, in het voorjaar van 1980, geld leende van een vriend die al lang dood is om van Antwerpen naar Brussel te reizen om er in Plan K een optreden van de rebelse meisjesgroep bij te wonen. Ik herinner me dat het koud was en dat ik niet echt hield van de andere band die optrad, The Pop Group. Maar the Slits maakten me gek. Ari Up kon je moeilijk een schoonheid noemen, net zomin als Viv Albertine, Palmolive en Tessa Pollitt. Maar ze was sexy, uitbundig, en polymorf pervers. Hun elpee ‘Cut’, een productie van Dennis Bovell uit 1979, was een meesterwerk van blanke reggae en ‘punk’. In mijn toenmalige vriendenkring kon iedereen ‘Typical Girls’ meezingen, zowel de jongens als de meisjes. The Slits waren de girl group van de jaren ‘70-’80, maar meer controversieel er en rebels dan hun ‘voorbeelden’ uit de ‘sixties. Overigens ging het niet zozeer om de boodschap (onder meer ‘shoplifting’), maar om het ritme en de dans. Het was heerlijk om te dansen op de sound van the Slits.

De dood van Ari Up wekt veel fijne herinneringen bij me op. In de eerste plaats Cinderella’s Ballroom, en deejay Maryse. Enkele songs van the Slits, zoals ‘Typical Girls’ en ‘Newtown’ vormden een perfecte overgang naar de blok reggae die ze elke keer weer draaide. In de beste periode – 1977 tot 1982 – van de Cinderella danste je daar een hele nacht op de allerbeste muziek, punk, new wave, rock ‘n’roll, soul, ska, reggae, pop. Dank zij Maryse en de muziek die ze draaide heb ik me verzoend met mijn lichaam. Dat de jongens er in die periode ‘anders’ mochten uitzien, ik denk nu aan Tom Verlaine, Elvis Costello, Ian Dury, David Byrne, speelde ongetwijfeld ook een rol in die zelfaanvaarding. Niemand bekeek je boos of fronsend als je tegen het ritme in danste.

slits,cut,rock,reggae,pop,memoires,herinneringen,antwerpen,punk,cinderella's ballroom,dansen,kunst,leven,performance,dennis bovell,maryse,pannenhuis,vrienden,nachtleven

Punk, new wave en reggae speelden in die periode een belangrijke rol in mijn leven. En samen met die voor mij revolutionaire popmuziekgenres waren er zoveel andere gebeurtenissen die het leven in die dagen verrassend maakten. In het café het Pannenhuis kwamen kunstenaars en dichters bijeen om te praten, gedichten te schrijven, muziek te beluisteren en te spelen. Ik herinner me Toulouse en Greta, waard en waardin. Veel van de klanten stonden bij hen in het krijt. Onder meer mijn toenmalige vriend Guillaume Bijl. Nochtans was hij een van weinigen van ons die een job had, net als zijn lieftallige vriendin Renée (ook al jaren geleden uit het leven gestapt). De bezoekers van cafés als Pannenhuis en clubs als Cinderella’s Ballroom leken op personages die je aantreft op de foto’s van Nan Goldin, pas veel later beroemd geworden, en Robert Mapplethorpe. Goddeloze heiligen, geheel ongeschikt voor een fatsoenlijke rol in de maatschappij, tegendraads, mislukt van bij de geboorte, losers… Ik stel me Ari Up nu voor als net zo iemand. Wij waren in die dagen allemaal Ari Ups en Joe Strummers. De wat ouderen onder ons waren tevens Trashmen. Ken je ‘Surfin’ Bird’? Dan ben je een oudere onder ons. Paul R. zal het zeker kennen – maar hij is nog bijzonder jong. Het is allemaal relatief. Een tiental dagen geleden, in Tavira of Lagos, dacht ik er al aan om hierover te schrijven. De dood van Ari Up is niet iets waar ik gebruik van maak. De ruwe notities waren er al. Ik zou een lange tekst schrijven over de periode 1977-1982, een fragment uit mijn leven waar ik nauwelijks foto’s van bezit. Ik had geen fototoestel. Twee of drie keer heb ik dat van mijn broer, die in het verre Limburg woonde, mogen gebruiken. Maar die dure reflexcamera – die hij later geruild heeft voor enkele Duvels – durfde ik niet mee te nemen tijdens mijn nachtelijk escapades. Performances in de Montevideo, liefdevol georganiseerd door Annie Gentils en medewerkers.

Guy Rombauts’ bizarre alfabet, Waut Vercammens Belgische schande, Guillaume Bijls inbeslagnemingen, Ria Pacquées ondermijning van het gezag, AMVK en DDV perverse filosofieën. Brigitte VKB voor blote voeten gevaarlijke appartement. Waar is Brigitte nu?  De Musical Snack Attack, een reggae snack waar je onvindbare reggaeplaten kon kopen. Jacques Chapon, Nathalie, Sofie. Zoveel namen. Alternatieve modeshows, lang voor de Antwerpse zes en zeven. Joy Divison. ‘Typical Girls are emotional’. Lover’s Rock. Dennis Bovell. Dansen op de tafels van de Gnoe. Onder invloed van tequila en speed op een dik konijn jagen op de Scheldeoever, in de buurt van waar nu Radio Centraal is. In de vroege ochtend, een prachtige zonsopgang, maar geen konijn. Waren we trouwens geen vegetariërs? Robert, Antonio; andere vrienden en kennissen wier namen ik me niet meer herinner. En daarna speed, heroïne, Aids, paranoia. Nog later Zwarte Zondag. En nu Ari Up.

Ik drink witte wijn en beluister voor de derde keer ‘Cut’ van the Slits. Een wonderlijke plaat. Een unieke plaat. Een onuitwisbare nalatenschap.

slits,cut,rock,reggae,pop,memoires,herinneringen,antwerpen,punk,cinderella's ballroom,dansen,kunst,leven,performance,dennis bovell,maryse,pannenhuis,vrienden,nachtleven

 

 

DE JAREN ZEVENTIG IN ANTWERPEN (VERKENNING)

1980agnescloseup1

Zaterdagavond zaten Agnes en ik aan tafel in een nostalgische bui te praten over lang vervlogen dagen. Vooral onze eerste jaren in Antwerpen van 1977 tot 1984 hebben een onvergetelijke indruk nagelaten. Het waren schitterende dagen, dagen van verandering, er hing revolutie in de lucht; veel nieuws en vrolijk stemmends ontstond spontaan voor onze ogen in kleine, nieuwe kunstgaleries en immense hangars zoals de Montevideo en wij werkten er soms aan mee, waren er deelgenoten van. We herinnerden ons weer die talloze uitbundige, weergaloze nachten in kroegen die nu niet langer donker of bruin meer waren maar wit, met onze vrienden Guillaume Bijl en Renée Strubbe, aan wie ik vaak terugdenk, omdat haar doodsprentje hier in mijn kamer staat, Ria Pacquée, Leo Steculorum, Flor, Jos Dorissen, over wie ik al vaak heb geschreven, Hilde V., Luc en zijn Hilde, Herman en Harry en vele anderen. En de diepe vriendschap met Rita en Jules die nog steeds voortduurt. Hoe we bijna zonder geld konden overleven en zelfs nog rockabilly-, blues- en punk-elpees en boeken konden kopen. De tijd van Elvis Costello, the Clash, the Ramones, Television en reggae.

Voor goedkope ‘hippe’ kleren gingen we naar het Berghmanshuis (als dat de juiste naam is) op het Sint-Jansplein, de Wolmolen in de Provinciestraat en Dao in een zijstraat van de Nationalestraat. In de winkel op het Sint-Jansplein – waar kleren uit faillissementen werden verkocht – vond je alles wat je nodig had om een avond uit te gaan. Wij waren echt wel voorlopers op dat gebied, als ik dat zo mag zeggen. Nu gaat iedereen naar de kringloopwinkels en combineert oude met nieuwe kleren. Toen was bijna niemand geïnteresseerd in ‘vintage’.
(Eigenlijk was ik vanaf 1965 ongeveer al bezig met me oude kleren toe te eigenen, vooral zijden sjaaltjes van mijn tante Georgette, zij had er tientallen, en juwelen, af en toe ook kledingstukken uit mijn moeders jonge jaren. Als ik dat toen allemaal aantrok leek ik op Brian Jones en was ik gelukkig.)

4-30-2013_010 (3)

Aan zo’n avondje uit in Antwerpen ging een heel ritueel vooraf, waarbij we twee à drie uur voor de spiegel allerlei combinaties probeerden. De ‘perfecte’ combinatie vinden, dat was het moeilijkste. Maar het gaf een eerlijk gevoel om dan later zo uitgedost in het Pannenhuis en Cinderella’s Ballroom binnen te stappen. Vaak ging ik naar Cinderella’s Ballroom in een wit pak, gekocht in Firenze, een zekere Alan Farbman uit New York, had dat daar voor mij betaald, en begaf me daar tussen in zwart leer gehulde punks op de dansvloer. We dansten vol overgave op de muziek van Maryse (ik hoop dat ik haar naam juist spel), de beste dj die ik ooit heb gehoord. Dansen op ‘Marquee Moon’ van Television, dat betekende extase (terwijl die pilletjes toen niet eens bestonden). In dezelfde Cinderella’s Ballroom leerde ik reggae appreciëren en er uren lang op dansen. Ik schoot zeer goed op met de punks, het waren stuk voor stuk vriendelijke jongens en meisjes. Ze namen geen aanstoot aan mijn wit pak. Integendeel: ze begrepen dat ik een individu wilde zijn en hadden daar duidelijk respect voor. Soms kwam ik echter ’s morgens thuis met bloedspatten op mijn pak. Een jongen had bijvoorbeeld al dansend op PiL (This Is Religion, of ‘Careering’) tot bloedens toe met zijn vuisten op de muren gebeukt. Dat hoorde erbij. Ik zal hier later meer over vertellen, als ik meer energie heb. Alleszins was de tweede helft van de jaren zeventig op zijn minst even boeiend als de zo bejubelde sixties.

tweedehands,popcultuur,kringloop,wit pak,zwart leer,nostalgie,pop,mini-tv,herinneringen,antwerpen,punk,cinderella s ballroom,pannenhuis,television,reggae,vintage,interieur,vrienden,wolmolen,dao,sint-jansplein,pil,tante georgette,kleren,juwelen,spiegel,narcisme,foto,martin pulaski,jos d,dansen,television,cinderella,firenze

Vaak denk ik eraan om weer in Antwerpen te gaan wonen, waar alles gebeurt. Maar heeft het zin? Jaag ik niet op een droom die al lang vervlogen is?

Foto’s: Martin Pulaski, 1980

HET INTERMITTEREND KLOPPEN VAN ONS HART

van morrison,bob dylan,cinderella s ballroom,junior murvin,jim thompson,james cain,hard-boiled,sam peckinpah,bertrand tavernier,marcel proust,onbewuste,depressie,geheugen,herinnering,hart,herinneringen,william styron,webb pierce,country

In die dagen, in de mooie stad Antwerpen woonachtig, in tijden dat ik veel en vaak uitging, niet om hele nachten tequila sunrise te drinken maar vooral om te dansen op Junior Murvin’s ‘Police and Thieves’, bijvoorbeeld in Cinderella’s Ballroom, een vochtige, rokerige kelder, die wij als ons tweede en soms als eerste thuis beschouwden, voor ons allen het hart van de wereld, las ik de dag nadien – als ik een kater had van rook en vocht en bloed en uitputting – donkere, meeslepende boeken van Raymond Chandler, Dashiel Hammett, Ross McDonald en James Cain. Vooral James Cain. The Postman Always Rings Twice. En oh ja, ik mag Jim Thompson  niet vergeten, The Killer Inside Me, inspiratiebron voor Bob Dylan, Sam Peckinpah, Green On Red en Bertrand Tavernier, onder meer. Nu hoor ik Webb Pierce op de achtergrond, die soms voorgrond wordt, There Stands The Glass, Van Morrison heeft dat onlangs gecoverd op zijn country-lp, en denk ik en vraag ik me af waarom ik me overgeef aan de boeken van Marcel Proust om te genezen van iets donkers, iets wat depressie wordt genoemd; maar eigenlijk is het een ervaring die helemaal niet beantwoordt aan dat versleten woord. William Styron is op zoek geweest naar een beter woord en kwam alleen maar bij het verouderde begrip melancholie, een mooie benaming – maar ze dekt de lading niet. Klinische depressie, zeggen de mensen nu, om aan te geven dat het ernst is. Maar wat is een klinische depressie? Ik weet het niet. Ik probeer te overleven, zoals in die boeken van de hard-boiled misdaadschrijvers. Vaak worden ze in mekaar geklopt of anderszins bijna het hoekje om geholpen. Zo is het ook een beetje met een depressie. Je zoekt het gevaar en de dood op omdat je er bang voor bent. Je wilt ontsnappen maar je wilt de smeerlap gelijkertijd recht in de ogen kijken. Ik wil niet dood, zeg je, ik wil waardig ouder worden. En dan lach je grimmig, vanwege die oude vergeten politieke partij. Toen waren die dingen nog zo onschuldig. Nu zitten we met massa’s contra-revolutionairen, NVA, Vlaams Belang (de eerste keer dat ik dit woord hier gebruik), FDF, mensen in groepen met elkaar verbonden om al het moeilijk bereikte weer op te blazen. Waar komen al die hatelijke haatdragende mensen vandaan? Walen, Vlamingen, immigranten die elkaar een mes in de rug willen steken. Waarom? Ze gaan voortdurend bij elkaar op vakantie en verklaren elkaar de liefde en willen vervolgens alles opblazen, de hele razzamatazz.

Waarom evenwel zoek ik mijn heil bij de moeilijke Marcel Proust, een intellectueel, een Jood en een homoseksueel? Ik weet het niet. Maar misschien is het antwoord eenvoudig. Als ik Marcel Proust niet meer kan lezen, de ongeveer moeilijkste literator – ik heb het niet over wetenschappers – maar ook de beste schrijver uit de twintigste eeuw, ben ik het niet waard om veel – en waardig – ouder te worden. Vandaag las ik in ‘Sodom en Gomorra’ (in een uitstekende vertaling van Thérèse Cornips) enkele zinnen, voldoende voor een dag, een week:

“Op welk tijdstip wij ook onze ziel in haar geheel zouden bezien, zij heeft als zodanig maar een vrijwel fictieve betekenis, ondanks de omvangrijke balans van haar schatten, want nu eens is daarvan het ene, dan weer het andere niet beschikbaar, of het overigens effectieve schatten geldt dan wel die van de verbeelding, en wat mij aangaat bijvoorbeeld, evenzeer als de oude naam Guermantes, de – zoveel zwaarder wegende – rijkdom van de werkelijke herinnering aan mijn grootmoeder. Want stoornissen staan in verband met het intermitterend kloppen van ons hart. Het is vermoedelijk het bestaan van ons lichaam, vergelijkbaar voor ons gevoel met een aarden vat waarin onze spiritualiteit zou zijn gevangen, dat ons ertoe brengt te veronderstellen dat al ons innerlijk goed, onze voorbije vreugden, al onze smarten, voordurend in ons bezit zijn. Misschien is het even onjuist om te denken dat ze ontsnappen of terugkomen. In elk geval, als ze al in ons blijven, dan voor het grootste deel van de tijd in een onbekend domein waar ze ons volstrekt niet van dienst zijn, en waar zelfs de allergewoonste woorden worden verdrongen door andersoortige herinneringen, die hun gelijktijdigheid in ons bewustzijn geheel uitsluiten.” (Marcel Proust, Sodom en Gomorra, 162-63, Pleiade II, 756-757).