FIVE EASY PIECES

Enkele notities over Five Easy Pieces (1970), een film van Bob Rafelson. Bob Dupea (Jack Nicholson) breekt los uit een burgerlijk-muzikaal milieu en zoekt zijn heil in de alledaagsheid van het arbeidersbestaan. Hij is gehuwd met het ‘vulgaire’ dienstmeisje, Rayette Dipesto (Karen Black), dat met countrymuziek dweept.
Het contrast klassiek-populair is voortreffelijk uitgewerkt. Bob Rafelson weet de artificiële tegenstelling Frédéric Chopin-Tammy Wynette in zekere zin op te heffen of toch te overstijgen; hij weet op zijn minst beide componenten aan elkaar gelijkwaardig te maken. Beide muziekvormen zijn intense uitdrukkingen van gedachten, gevoelens en verlangens die slechts oppervlakkig en vormelijk verschillend zijn. Los van muziek en kunst tref je bij wat in 1970 nog de bourgeoisie werd genoemd min of meer dezelfde gevoelens en verlangens aan als bij de arbeidersklasse, maar bij de eerste groep zijn zij meer verdrongen, of verborgen achter een masker van conventies en morele normen. De taal van Rayette wordt vulgair genoemd omdat ze direct is en onverbloemd, omdat ze de ‘dingen bij hun naam noemt’. Ook de teksten van countryliedjes winden er geen doekjes om, zelfs al wordt ‘DIVORCE’ als ‘D-I-V-O-R-C-E’ [1] gespeld.
Bij de gesofisticeerde bourgeoisfamilie waartoe Robert, Bob voor de vrienden, ooit heeft behoord wordt er een andere taal gesproken, die indirect is, verwijderd van het alledaagse en van de subjectieve gevoelswereld. Robert is echter het vocabulaire van de arbeidsklasse gaan gebruiken. Het is een andere vorm van vluchten, op zoek naar een soort van onschuld in de taal. Een onschuld die niet bestaat. Zoals het liftende hippiemeisje Palm Apodaca naar Alaska wil omdat het daar zuiverder, witter is. Terwijl de hele wereld bezwijkt onder het gewicht van de overbodige comsumptierommel en zelfs Alaska daar niet aan zal ontsnappen.

Rayette : I’m gonna play it again.
Bobby : You play that thing one more time, I’m gonna melt it down into hairspray.
Rayette : Let me play the other side then.
Bobby : No, Rayette, it’s not a question of sides. It’s a question of musical integrity.

[1] Een compositie van  Bobby Braddock and Curly Putman en een nummer één hit voor Tammy Wynette in mei 1968. “Country music historian Bill Malone wrote that Wynette’s own tumultuous life (five marriages) “encompassed the jagged reality so many women have faced.” Therefore, he asserts that Wynette identified so well with “D-I-V-O-R-C-E”; her rendition, Malone wrote, is “painfully sincere—there is no irony here—and if there is a soap opera quality to the dialogue, the content well mirrors both her own life and contemporary experience.””

WANDELEND OVER PÈRE LACHAISE

Yves_Montand

Het graf van Jim Morrison komt niet in beeld, alleen pijltjes en het woord Jim. Break on through to the other side, yeah. We chased our pleasures there.

Het graf van Amedeo Modigliani. ‘Schilder en Jood’, zo stelde hij zichzelf voor.  “In Nice verkocht Modigliani enige werken aan rijke toeristen, maar slechts voor enkele francs per stuk. Het geld dat hij had, verdween overigens toch gauw richting drugs en alcohol.” Op 35-jarige leeftijd stierf de kunstenaar (24 janurari 1920), zijn vriendin Jeanne Hébuterne pleegde twee dagen later zelfmoord. Zij “werd begraven in het Cimetière de Bagneux, bij Parijs. Pas in 1930 mocht zij van haar verbitterde familie rusten naast Modigliani en werd zij herbegraven.” Modigliani schilderde radieuze vrouwenportretten; zachte gebogen lijnen van hun hoofd, ogen en lichaam; warme, sensuele kleuren.

Stephane Heuet legt, met een teder gebaar bloemen op het eenvoudige zwart marmeren graf van Marcel Proust. Heuet, een vriendelijke, bescheiden man, “werkte zeven jaar als marinier, voordat hij besloot zijn loopbaan een artistieke draai te geven. Gefascineerd door het werk van Marcel Proust besloot hij diens werk in stripformaat uit te brengen.” In 1998 verscheen ‘A la Recherche du Temps Perdu’. Ik weet nu eindelijk hoe een ‘madeleine’ eruitziet. Ik dacht dat het van die langwerpige cakejes waren, maar ze hebben eigenlijk een schelpvorm.

De graven van Yves Montand en Simone Signoret. Montand zingt ‘Le temps des cérises’, a capella. Twee blinden lopen over straat, hun witte stokken als voelsprieten de straatstenen aftastend. Wat later zitten ze in het gezelschap van een blinde vrouw in een woonkamer te kijken naar ‘Diabolique’ met Simone Signoret en Vera Clouzot. Wat zien de drie blinden? Ze zien wat ze horen. Ze geven commentaar. Vertellen elkaar wat ze zien. Lachen met tragische gebeurtenissen. Maar het is lachen tegen beter weten in. “Met het klimmen der jaren tartte Signoret de conventies door haar uiterlijk te verwaarlozen. Ze bleef stevig whisky drinken, afslanken interesseerde haar niet, haar fotogenieke gezicht zwol op.” Yves Montand had een korte, heftige relatie met Marilyn Monroe. “Haar psychische problemen, deels geërfd van haar moeder, verergerden door haar chronische medicijngebruik.” Toch ligt Marilyn Monroe niet op Père Lachaise begraven. Of misschien toch wel, in het hart van Yves Montand. In het hart van vele vereerders. Vergeet toch ook maar niet ‘La chair de l’orchidée’ van Patrice Chéreau. Waanzin ligt altijd op de loer. “Je est un autre.” Bijna een reclameslogan. “Tant pis pour le bois qui se trouve violon.” Maar nee, niet afgedwaald, Rimbaud bevindt zich elders.

Een jonge Japanse studeert piano in Parijs. Ze speelt Chopin. Lange stilte voor ze het stuk aanvat, als om de ziel van Fryderyk Franciszek op te roepen. Lang geleden stonden wij voor het graf van Chopin. Mijn geliefde kreeg een hoestbui. Ik hoopte oprecht dat het geen tbc was. Nee, de liefde is sterker dan de dood.

Maria Callas, zang geworden liefde, heftig klinkende schoonheid, vuur opgerakeld uit de ziel. Zag je haar ogen een andere wereld ingaan als ze die aria uit Tosca zong, was het Vissi d’arte? Ik ben niet zo goed in opera. Mijn leven speelt zich in de cinema af. En woorden geven mijn maat aan, zonder dirigeerstokje. Woorden, woorden, woorden… “Es gibt ein Glück, allein, wir kennen’s nicht; / Wir kennen’s wohl und wissen’s nicht zu schätzen.”

Georges Méliès heeft samen met de gebroeders Lumière de cinema uitgevonden en hele stukken van dit zelf, dat zichzelf niet kan definiëren, tenzij verwijzend naar hoofdstukken en shots en flarden dialogen. Je zag de geest van Méliès voortleven in een van zijn geestige trucages. Ik denk nu onwillekeurig aan ‘La chambre verte’ van Truffaut. Ook veel te jong gestorven, die beminnelijke man, die van de vrouwen hield. Zijn graf bevindt zich, zoals dat van Rimbaud en zoals het ware leven, elders.

De gids Bertrand heeft leren lezen van de opschriften op de zerken van Père Lachaise. Hij toont ons het graf van de dichteres Lisa Mercoeur, gestorven op 24-jarige leeftijd. Haar moeder heeft het grafmonument laten ‘versieren’ met gedichten van de dochter. Zelfs in steen gebeitelde woorden wist de tijd genadeloos uit. Tijd, de genadeloze rode lijn die door onze levens loopt. “Time is an ocean but it ends on the shore.”

Lang is het geleden dat wij over Père Lachaise wandelden. Zonder plannetje zochten we het kennelijk monumentale graf van Victor Hugo, maar zonder resultaat. Als kind was ‘De ellendigen’ een van mijn favoriete boeken. Ik heb er nooit een verfilming of televisieserie van willen zien: op de middelbare school werd mijn liefde voor Victor Hugo kapot gemaakt. Toch denk ik nu soms nog dat ik een personage uit ‘Les misérables’ ben.’We zochten dat graf omdat het vermeld wordt in een hoestekst van Bob Dylan, zo dacht ik. Planet Waves, het lijkt bijna de titel voor een dichtbundel van Allen Ginsberg. Alles is verweven. Holy, holy! Maar het geheugen bedriegt: Dylan verwees naar het huis van Hugo. Maar huis of graf, is er veel verschil? Overal zwierven er rode katten tussen de graven. Ik vatte het plan op om een roman te schrijven over het leven van deze merkwaardige dieren. Ze zouden de zielen van een aantal Père Lachaise-bewoners gaan incarneren in de woorden die ik nog altijd moet schrijven. Ik geef het geheim hier prijs en daar laat ik het bij. Er zijn nog veel meer doden, maar die laat ik aan anderen over.

Deze impressies zijn gebaseerd op de documentaire ‘Forever’ van Heddy Honigmann.

Foto: Jac. de Nijs, Yves Montand in Nederland