DINGEN DIE VOORBIJGAAN

2018-03-03-LAGOMERA 389 (2)

Thuis in Brussel praten A. en ik niet zo veel meer. Ik geloof dat we stilaan zijn gaan lijken op de personages uit ‘Hello In There’, dat onvergetelijke liedje van John Prine. Old people just grow lonesome. Hebben we dat stadium werkelijk al bereikt? In Valle Gran Rey – en op andere plaatsen waar we voor wat langere tijd naartoe reizen – is dat anders. Het valt me ook op dat de routines hier anders zijn. Doordat je je er bijvoorbeeld van bewust bent dat je elke dag dezelfde wandeling maakt in een andere omgeving, ervaar je die meer als een ritueel. Wat in normale omstandigheden een routine is, wordt op die manier een bewustzijnsverruimende ervaring. Je zintuigen worden aangescherpt, je geheugen gaat beter werken.

Na de koffie in Sal Y Pimienta in Borbalán wandelen we met de oceaan aan onze linkerzijde terug naar onze tijdelijke woonst. Het is zonnig maar er staat een strakke wind. Ik moet mijn hoed vasthouden. Onderweg de taferelen waar ik nu al vertrouwd mee ben en die ik nauwelijks nog opmerk. Een hoelahoepmeisje dansend op het keienstrand, een jongeman die een meditatief stukje op zijn gitaar improviseert, zijn lange haren wapperend in de wind, het beeld van de verzetsheld Hautacuperche – die mij aan de houten sigarenwinkel-Indiaan ‘Kaw-Liga’ uit het lied van Hank Williams doet denken, hoewel hij wel tien keer zo groot is -, het restaurant Las Molinos, waar we nog nooit een stap binnen hebben gezet. En de oceaan zelf, het geluid van de golfslag dat altijd hetzelfde en toch altijd anders klinkt, alsof hij, de oceaan, gehoorzaamt aan een god, of zelf een god is, een hedendaagse Poseidon, zonder drietand maar wel onderhevig aan stemmingswisselingen, misschien wel afhankelijk van rilatine.
Terwijl ik al die indrukken bijna ongemerkt onderga komen mijn herinneringen uit een diepe, lang verborgen gebleven bron opgeweld. Je kunt ze niet tegenhouden en ze eisen uitgesproken te worden. Ik praat en praat, en ik heb het gevoel dat A. aandachtig luistert. Al kan ik me vergissen. Heeft mijn levensgezellin de dingen die ik vertel niet allemaal zelf ook meegemaakt of ten minste toch al meermaals gehoord? Of is ze alles vergeten? Of vindt ze het prettig om telkens dezelfde verhalen, zij het met kleine variaties, opnieuw te horen, zoals een kind voor het slapen gaan?

Nog op de bus van San Sebastian naar hier, nu ongeveer een week geleden, dacht ik er even aan terug. Ik zat door het raam van de lijnbus foto’s te maken van het landschap, goed wetend dat ze stuk voor stuk mislukt zouden zijn. Ik deed het om de instellingen van mijn toestel te testen. Met de jaren word ik luier, meestal fotografeer ik nu op automatische piloot. Tijdens zo’n rit van meer dan een uur kun je echter veel leren. Fotograferen is ook een manier om aandachtig te kijken. Lang geleden nam ik op reis nooit een camera mee. Ik dacht dat fotograferen een zuivere waarneming in de weg zou staan. Ik bezat zelfs geen camera, om precies die reden. Of niet helemaal: ik was ook te arm om er een te kunnen kopen. Misschien heb ik dat verhaal van die waarnemingsbeperkingen alleen maar verzonnen om me minder een armoedzaaier, een mislukkeling te voelen. Door het raampje zie ik duizelingwekkende afgronden en zo lang na de grote brand die hier in 2012 woedde nog altijd zwartgeblakerde lage bomen. Het woud van Garajonay. Ik weet niet hoe het komt, maar in een flits denk ik terug aan Boekhandel Corman in Brussel, waar ik ongeveer anderhalf jaar als verkoper heb gewerkt.
Nu ik hier op de Avenida Maritima Charco de Conde loop komen die herinneringen levendiger terug. Ik herinner me de collega’s van toen. Charles Paron, de gerant, en zijn vrouw Anne, beiden échte maoïsten. Ze waren gekleed als Chinezen (ze hadden in China gewoond en gewerkt). Charles was een zachtaardige man. Van hem heb ik geleerd stevige knopen te leggen. Anne was een kettingrookster. Met het peukje van de oude stak ze een nieuwe sigaret aan. Die bleef altijd tussen haar lippen zitten. Net voor de as eraf zou vallen verwijderde ze die met een eenvoudige handbeweging; hij belandde altijd netjes in de asbak die naast een stapel van die kleine Rode Boekjes vlakbij haar kassa stond. Tijdens de middag zat ik meestal samen met Anne te lunchen boven in een klein ‘keukentje’ waar uitgedroogde vrouwentongen stonden. Ik zei nauwelijks een woord, vond mijn Frans te rudimentair. De schroomvalligheid om fouten te maken. Jean, die ik later nog terugzag in mijn hoedanigheid van occasionele ‘inspecteur’ bij de Vlaamse Overheid, werkte in de pocketkelder. Daar stonden schatten. De hele reeks City Lights, bijvoorbeeld. En de hele reeks New Directions. Dat betekende ongeveer alles wat de Beat Generation aan literatuur had voortgebracht. Overigens was Corman de grootste boekwinkel van Brussel en misschien wel van België. Het viertalige aanbod was immens. Nu kun je daar alleen nog maar van dromen. Ik geloof dat Brigitte bij de kinderboeken werkte. Zij was de bourgeoise van Corman, of zo herinner ik mij haar toch. Ze deed aan paardrijden, en vaak droeg ze haar haar in een paardenstaart. Dan was er ook nog de roodharige Eliane. Zij had zo kunnen meespelen in een van die lang vergeten Franstalige radicale films van die dagen, iets van Claude Faraldo, Alain Tanner, Claude Goretta of Bertrand Blier. Jean-François was een beetje van hetzelfde type, wat ouder, een anarchist. Hij werkte net als ik bij de Franstalige afdeling. Hij wist alles over Franstalige Belgische literatuur (waaronder de Vlamingen die in het Frans schreven). Volgens hem mochten we ons karige loon aanvullen met zo nu en dan een boek te ‘lenen’. Dat was iets helemaal anders dan boeken stelen. Zoals mijn vriend Jos D., die er vanuit ging dat ik bij Corman zijn kleptomanie zou tolereren. Jan C., niet arm nochtans, stak de boeken in zijn diepe jaszakken – of in de zomer onder zijn hemd – terwijl hij met me stond te praten. Werken van radicale denkers zoals Abbie Hoffman en Angela Davis of van leden van Internationale Situationniste, daar mocht je niet voor betalen, zal hij gedacht hebben. Ik zakte dan bijna door de grond van schaamte. Maar wat kon ik doen om mijn stelende vrienden tegen te houden? Wat Jean-François en ik deden was iets anders, dat was moreel verantwoord, vonden we. De fijnste collega die ik bij Corman had was Rita. Zij is een van mijn beste vrienden geworden, en samen met haar man is ze dat nog steeds. Over haar wil ik nog minder kwijt dan over de andere vrienden uit die lang vervlogen dagen, want misschien leest ze dit wel. Wie vindt het fijn over zichzelf te lezen, zelfs al zijn het lovende woorden? Misschien glimlacht ze wel vanwege de onjuistheden die hier staan, het gevolg van mijn onbetrouwbaar geheugen. De afdeling die mij was toegewezen, was die van Franstalige poëzie en theater, en kunstboeken. Die categorieën stonden boven, in een ruimte die grensde aan het kamertje waar we lunchten. Klanten moesten toestemming vragen om naar boven te mogen. De trap was afgesloten met een koperen ketting. Bij de kunstboeken stonden namelijk werken met naaktfoto’s en dat was in die dagen gevoelige materie. Zelfs de woorden ‘kut’ of ‘neuken’ in een roman konden als gevolg hebben dat de BOB (Belgische Opsporings Brigade) tot huiszoeking en inbeslagname overging. En zelfs tot arrestatie van de boekhandelaar, wat geloof ik met Herman Claeys van de Free Press Bookshop is gebeurd. Al weigerde Herman ook zijn belastingen te betalen. Af en toe bladerde ik in die mooie boeken, al herinner ik me niet zo goed meer van welke fotografen. Irina Ionesco vond ik alleszins fascinerend.

bertrand_blier_preparez_vos_mouchoirs

Ook al werkte ik met enig plezier bij Corman hield ik het na anderhalf jaar voor bekeken. Ik was uitgeput. In mijn vrije tijd en ’s nachts schreef ik experimenteel proza voor het tijdschrift Aurora van de gelijknamige filosofische kring en werkte ik aan toneelstukken. Dat was zenuwslopend. Koffie, stimulantia, alcohol waren in overvloed nodig om dat ritme vol te houden. Twee pakjes sigaretten per dag. Overigens rookten al mijn collega’s van bij Corman zoveel, met mogelijke uitzondering van de ruiterlijke Brigitte. Vreemd dat er nooit een klant klaagde over de immense rookontwikkeling in die winkel.
Samen met A. en enkele vrienden heb ik in die periode (1975-1976) twee experimentele toneelstukken in elkaar gestoken: ‘Dokter Jekyll en Friedrich Nietzsche’ en ‘Empedocles’. Alleen het eerste hebben we ooit één keer kunnen opvoeren. In die dagen bestond er in Nederlandstalig België nog geen avant-garde theater [1]. Veel meer dan de KVS, KNS en NTGent, heel traditionele instellingen, had je niet. In die zelfde periode is, geloof ik, Jan Decorte met zijn vernieuwend theater begonnen. Hij heeft doorgezet, ik heb opgegeven. Later is Jan Fabre op de proppen gekomen. En het Kaaitheater en Ivo Van Hove en Luc Perceval en Guy Joosten en Akt-Vertikaal en al de anderen. Om in theater te slagen moet je een beetje een dictator zijn. Ik geloof dat ik te democratisch was. Ik legde mijn wil niet op. Ik had lessen moeten leren van de drilmeester in ‘Full Metal Jacket’, maar die film moest Stanley Kubrick toen nog bedenken.

r_lee_ermey - drill

Inmiddels hadden we Hautacuperche ver achter ons gelaten en was ik een beetje buiten adem geraakt van al dat gepraat. Het was de hoogste tijd om wat asperges uit een bokaal te eten en daarna verder te lezen in de meeslepende biografie van Anthony DeCurtis over Lou Reed.

[Deel 12 van een reeks impressies van een reis naar Valle Gran Rey in La Gomera, Canarische Eilanden. Een raamvertelling. Wordt vervolgd.]

Foto’s: Martin Pulaski, Valle Gran Rey, februari, 2018; Bertrand Blier, Préparez vos mouchoirs; Stanley Kubrick, Full Metal Jacket.

[1] “Het probleem lag vooral bij de directies. Verschillende directeurs hadden geen visie. Ze stelden zich te weinig vragen over wat ze konden doen met het stadstheater en de programmering. Directeurs bleven veel te lang op hun plaats zitten, vooral bij Koninklijke Nederlandse Schouwburg en Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Bij NTGent werd er gezocht naar verandering of deed men toch een poging. Op tien jaar tijd waren daar vier directeurs. Die grote wisselingen gebeurden steeds met vallen en opstaan. Directeurs durfden ook niet echt te kiezen voor regisseurstheater. Terwijl dit in het buitenland aan het opkomen was en duidelijk zorgde voor kwaliteitstheater. Er waren mensen die het wel konden, maar niet tot directeur werden benoemd. Daarbij denk ik aan Walter Tillemans, die vroeger echt experimenteerde in de categorie van het zogenaamde regisseurstheater. Natuurlijk waren er uitzonderingen. Ik herinner me Priester Daens in Gent, eind jaren ’70. Ook Walter Tillemans’ Kleine man, wat nu?, geïnspireerd op het regisseurstheater in Duitsland, wat een samenwerking was met Peter Zadek en Tankred Dorst. Af en toe doken nog andere stukken op van Hugo Claus of Walter Van Den Broeck. Soms werden mensen uit het buitenland aangetrokken. Maar dikwijls waren het toch kopieën van wat ze reeds gezien hadden. Die invloed kwam vooral uit Engeland. Bij de KVS kwam de invloed vooral uit Parijs, omdat ze daar veel komedies speelden, wat uiteindelijk de doorslag gaf. Maar het bleef toch een beetje steriel zoeken, zonder groot resultaat, en dat ontgoochelde mij ontzettend.”  Paul Arias

“POËZIE, LIEFDE, REVOLUTIE”

hugo claus,bart de wever,phara,piet piryns,cees nooteboom,suzanne holtzer,goedele liekens,china,wim opbrouck,jacques derrida,yves leterme,joelle milquet,frans,vlaams-nationalisme,seks,orgasme,penis,vagina,dood,varia

Gisteravond lag ik uitgezakt op de canapé voor de televisie en overtrad op die manier nog maar eens een van mijn levensregels. Want de tv stond aan. Eerst zag ik de onvermijdelijke Bart De Wever misnoegd in de camera kijken, terwijl hij nog wat krampachtige Vlaams-nationalistische onzin stond te debiteren en met veel arrogantie de hypocrisie en dubbelzinnigheid van zijn partij verkondigde. Ik begrijp nog altijd niet waarom een ‘politicus’ die nauwelijks enige aanhang heeft bij de bevolking zo vaak wordt opgevoerd in de media. Daarna werd aan de hand van straatinterwiews duidelijk gemaakt dat de Franstaligen geen vertrouwen hebben in Yves Leterme. Mijn Frans is tot mijn grote schaamte beneden een aanvaardbaar peil, maar ik heb evenmin vertrouwen in Leterme. Nog een geluk dat de door de Vlaamse media zo gehate Joëlle Milquet toch nog tot de regering toetreedt, om het sociale aspect ervan enigszins te bewaken.

Vervolgens kregen we nog een keer Goedele Liekens in China voorgeschoteld. Als ik Goedele zou heten zou ik zeker mijn naam veranderen. Dat is toch geen naam voor een seksgodin? Ik ben niet echt wat je noemt een mensenhater, maar op een gegeven ogenblik vond ik, nu is het genoeg geweest, deze ‘dame’ verdient’ de guillotine. Over die guillotine was ze overigens zelf begonnen. Goedele Liekens lijkt ervan uit te gaan dat we hier in het Westen allemaal – mede dank zij haar goede raad – een perfect seksueel leven hebben. Dat de Chinezen het niet de hele tijd over vagina, penis en clitoris hebben maar met enige schroom over seksualiteit praten wijst er op dat die mensen toch wat achterlijk zijn en dat ze alleen maar een verdrietig, fantasieloos in-en-uit kennen. Wat kunnen die Chinezen nog veel van ons leren! Maar lang zal de onwetendheid niet meer duren, de zaligmakende Westerse cultuur dringt snel door in hun dagelijks leven, en weldra is iedereen er volkomen bevredigd, zelfs de vrouwen zullen eindelijk een orgasme beleven. Ik ben geen mensenhater, maar arrogante ‘specialisten’ als Goedele Liekens vind ik bijzonder lachwekkend, vooral als ze in de illusie leven dat ze iets weten. Nog een geluk dat ze de zaken op het einde van het programma een beetje relativeerde.

Lang geleden maakte ik hier een lijst van verwenste en vervloekte ‘bekende Vlamingen’. Wim Opbrouck stond daar ook in, meen ik mij te herinneren. Sinds gisteren moet ik wat dat betreft mijn mening herzien. Wim Opbrouck is een beminnelijk en gecultiveerd man. Waarschijnlijk ergerde ik mij aan zijn alomtegenwoordigheid in de media, en dat is nog altijd zo. Ik begrijp niet waarom zulke prachtkerels als Opbrouck zich zo laten misbruiken. Gisteravond in Lux XL echter heeft hij het omgekeerde gedaan. Hij heeft de televisie gebruikt om wat schoonheid, vooral muziek en stilte, in de huiskamers naar binnen te flitsen.

Veel van de fragmenten die hij gekozen had, hebben me diep geraakt, het meest van al de pianospelende ‘gekken’ Henryk Gorecki en Reinbert De Leeuw, maar ook de kunstenaars Gregor Scheider en Wolf Vostell (ik kende geen van beiden), Leonard Bernstein, Miles Davis en de filmregisseur Henry Jaglom (waar ik vroeger een aantal films van heb gezien, onder meer ‘Can She Bake A Sherry Pie’ met Karen Black). Wat mij het meest ingenomen heeft voor Wim Opbrouck was zijn pleidooi voor stilte. Ik heb hier al meermaals mijn beklag gedaan over de onbeschoftheid van mediatypes die hun gasten niet laten uitspreken, die geen seconde stilte kunnen verdragen. Kort voor zijn dood heeft Jacques Derrida daar nog op gewezen. Nu deed Wim Opbrouck het ook, en dat siert hem zeer.

hugo claus,bart de wever,phara,piet piryns,cees nooteboom,suzanne holtzer,goedele liekens,china,wim opbrouck,jacques derrida,yves leterme,joelle milquet,frans,vlaams-nationalisme,seks,orgasme,penis,vagina,dood,varia

Ik had inmiddels bijna de vorm aangenomen van onze canapé, dus bleef ik maar liggen waar ik lag en keek nog naar Phara, helemaal gewijd aan Hugo Claus. Het was een mooi, respectvol programma met als gasten Cees Nooteboom, Piet Piryns en Suzanne Holtzer, Hugo Claus’ redacteur bij de Bezige Bij. Het leek wel alsof Phara en Lieven van Gils de opmerking van Wim Opbrouck over het laten uitspreken (of zwijgen) van gasten hadden gehoord, want zelden werd een van de drie zeer boeiende genodigden onderbroken. Ik heb zeer gefascineerd naar het gesprek zitten kijken en luisteren. En ik ben ook hevig geschrokken.  Dat kwam door niet meer dan een toeval – maar zoals u weet hecht ik veel belang aan het toeval. Want nu bleek dat de laatste woorden van Hugo Claus waren: “niet buigen!” (in Vlaams dialect: “nie pleuije”). En wat had ik hier op 19 maart meteen na het vernemen van het overlijden van de schrijver genoteerd? “Ga niet met gebogen hoofd in de donkere nacht.” Vreemd, toch. Maar wat ik nogmaals wil benadrukken: dit was een uitstekend gesprek, iets wat je zelden op televisie ziet.