EEN LIJST VAN DE WERELD

lijsten,categorieen,borges,bunuel,bob dylan,chinese encyclopedie,surrealisme,films

Ik houd van lijsten als absurde, willekeurige opsommingen. Het is me daarbij niet te doen om de wereld overzichtelijk te maken of er hiërarchie in aan te brengen door opdelingen in soorten. Ik wil categoriseren noch catalogiseren. De lijsten waar ik van houd maken de wereld alleen maar chaotischer. Dat is de bedoeling. Wat ik ermee beoog is dat ze inspiratiebron worden en de fantasie stimuleren. De lijsten die ik bewierook bevatten bijna altijd een surrealistisch element. Er komen zaken in terecht die er niet in thuis horen, of het na elkaar plaatsen van twee elementen veroorzaakt een schaterlach. Twee grootmeesters van de opsomming (en in zekere zin van lijsten) zijn Luis Buñuel en Jorge Luis Borges. Bob Dylan kan er ook goed weg mee, bijvoorbeeld in A Hard Rain’s A-Gona Fall.

De lijst die ik wil maken – geïnspireerd door een artikel van Chris Petit in 1OOO Films To Change Your Life (het hele boek is een lijst) – is een zeer subjectieve aangelegenheid en heeft ongeveer alles met de herinnering en de waarneming te maken. Een haarlok of zelfs een wenkbrauw kan er even belangrijk zijn als een aardbeving (willekeurige voorbeelden, die waarschijnlijk niet in de lijst zullen voorkomen). Het is een vorm van autobiografie. En door de klank van de woorden en de magie van de namen, en de volgorde waarin alles wordt geplaatst zal de lijst tevens een – bijna episch – gedicht zijn.

Dit is een zeer bekend maar onovertroffen voorbeeld:

“Dergelijke dubbelzinnigheden, overbodigheden en onvolkomenheden doen denken aan die welke Dr. Franz Kuhn toeschrijft aan een bepaalde Chinese encyclopedie, getiteld Hemels Emporium van welwillende kennis. Op die pagina’s uit een grijs verleden staat geschreven dat de dieren zijn te onderscheiden in a) toebehorend aan de Keizer, b) gebalsemd, c) getemd, d) speenvarkens, e) zeemeerminnen, f) fabeldieren, g) zwerfhonden, h) die welke in deze classificatie zijn opgenomen, i) die welke tekeergaan als dwazen, j) ontelbare, k) die welke zijn getekend met een heel fijn kameelharen penseel, l) enz., m) die welke net een vaas hebben gebroken, n) die welke in de verte op vliegen lijken.”
J.L. Borges, De analytische taal van John Wilkins.

HET PLEZIER VAN DE PARADOX

LINNAEUS (2)

Ik maak me niet echt zorgen over indelingen in hokjes, categorieën, types, soorten. Evenmin ben ik ongerust over opsommingen, lijsten, groepen, families, enzovoort. Met het vorige stuk, over categorieën en literatuur, wilde ik alleen maar de kwestie van de grens ter sprake brengen. Wat is dit en wat is dat? Waarom delen we de wereld zo graag in? Wat zit daar achter? Heeft dat met ons verlangen naar kennis te maken? Of met iets onduidelijkers?

Wat ik even goed wilde doen was mij beschermen tegen de literatuur en de poëzie. Ik heb mij ten overstaan van die ‘wereld’ altijd afzijdig gehouden, omdat hij me te levenloos leek. Levenloosheid is een zonde, heb ik toen ik nog jong was, bij Bob Dylan gehoord. Bob Dylan is trouwens een mooi voorbeeld van literatuur die geen literatuur is en muziek die geen muziek is, maar iets anders, iets ondefinieerbaars, iets dat altijd ontsnapt aan onze indelingen en categorieën. Niet dat ik mij met Bob Dylan wil vergelijken, maar ik heb hem altijd bewonderd, en dat zal wel zijn sporen getrokken hebben. Als ik samen ben met mijn vrienden spreken wij niet over het weer, maar over Bob Dylan, altijd over Bob Dylan. Er is geen ontkomen aan, een raadsel, een mysterie…

Ik ben niet bang om niet te worden gevonden of ontdekt. Als ik had willen worden gevonden dan had ik een bedrijfje opgericht of een vzw met als missie mij onder de aandacht brengen. Ik heb geen bedrijfje opgericht. Ik hoor nergens bij, ik hoor nergens thuis. “I’m a stranger in my own home town”. Het is een paradoxale situatie, want ik verlang er natuurlijk wel naar om ergens thuis te kunnen komen. Ik verlang er ook naar om ergens bij te horen, ‘to be one of the boys’. Alleen weet ik niet wie die ‘boys’ zouden kunnen zijn (of ‘girls’). Ik heb het nogal vaak over zielsverwanten, maar zijn zielsverwanten geen illusie? Moet je als puntje bij paaltje komt de wereld niet moederziel alleen trotseren, met de taal als je wapen, ook al wil je de vrede verkondigen? De taal als je spel. De taal als een mogelijkheid om tot de taal toe te treden. Is het niet de taal die je moet troosten? Of zijn het de handen van je geliefde?

Ik wil me niet afzonderen. Ik wil weten wie ik ben. Nog niet zolang geleden heb ik me een keer geïdentificeerd met de bloggers. “Wij bloggers” heb ik geschreven. Dat meende ik natuurlijk ook. Ik geloof dat ik niet kan liegen. Maar dat weet ik niet zeker. Die identificatie was gemeend, maar na zulke momenten van identificatie komt er altijd het afstand scheppen. Je kunt niet samenvallen met datgene waarover je nadenkt of met degene met wie je praat, hoewel Virginia Woolf schreef “we melt into each other with phrases…” Die woorden van Virginia Woolf kloppen ook wel, alleen is dat met elkaar versmelten van korte duur. Alle lust wil diepe, diepe eeuwigheid, maar slechts enkele ogenblikken zijn ons gegund.

Toch wil ik niet zeggen dat ik helemaal onvindbaar wil zijn. Door hier tevoorschijn te treden vraag ik aandacht. Ja, natuurlijk, ik krijg graag aandacht. Ik zal wel een narcist zijn. Als niemand een spoor achterlaat bij mijn teksten overvalt me soms een gevoel van diepe droefheid of voel ik me nutteloos en overbodig. Ik krijg graag reacties en commentaar. Jullie geven me moed om door te gaan, zijwegen in te slaan, mezelf in de spiegel te bekijken, een Narcissus die zichzelf heruitvindt, jullie inspireren me en maken me soms boos. Het gesprek in al zijn vormen is de adem van het leven.

Veel plezier vloeit voort uit de tekst. Het plezier van de tekst van de andere. Het plezier in de tekst. Het plezier van de echo van je ‘eigen’ tekst. Het plezier van de echo van de tekst van de andere in je ‘eigen’ tekst. Het plezier van het citeren en het zich toe-eigenen van de tekst van de andere. Het spelen met het vuur van de woorden. Het strelen van woorden, het stelen van woorden. In zekere zin. In een bepaald opzicht.

IN WELKE CATEGORIE HOOR IK THUIS?

Ik heb het een beetje lastig met de blogcategorieën van skynet. Hoochiekoochie is ingedeeld bij de literaire weblogs. Maar wat hier staat is geen ‘literatuur’. Het is iets anders. Deze woorden overschrijden de grenzen van categorieën en classificaties. Literatuur is vaak vervalsing, verschoning, verfraaiing. De schone letteren maken het leven aangenamer, gezelliger, leuker. In een hoekje met een boekje. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, zoals Fernando Pessoa, Michel Houellebecq (van wie ik niet houd), Lewis Carroll (een genie), August Strindberg, Antonin Artaud, Geerten Meysing, enzovoort. Maar doorgaans heeft een literator niet de intentie het leven te veranderen. Hij schrijft en schrapt en verbloemt. Dat mag allemaal. Ik ben niet van mening dat schrijvers moeten worden opgesloten of verbannen. Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat wat ik hier schrijf geen literatuur is, of vaak geen literatuur is. Wat is het dan wel? Dat weet ik niet. Maar je zou mijn ‘boodschappen’ veel namen kunnen geven. ‘Ik’ hoor onder veel categorieën thuis. Of, beter nog, onder geen enkele. ‘Ik’ ben echter alleen maar terug te vinden onder ‘literatuur/poëzie’, terwijl sommige van mijn teksten eerder filosofisch zijn. Heel vaak geef ik mijn mening over films, muziek, het weer, mijn lichamelijk toestand. Ik schrijf over liefde, steden, reizen, kunst, het gevoelsleven, utopieën, en vele andere dingen. Mijn teksten vormen een autobiografie, een ‘onderzoekend’ dagboek. Waar hoor ik dan thuis? Waar zou ik moeten worden aangetroffen?