TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (4)

Il_gattopardo_ballo01.jpg

Dag 2: 3 november 2016 (avond)

Zal ik je Sylvia noemen? Zoals Sylvia Plath en Sylvia Kristel. Nee, dat zijn geen goede voorbeelden, daar rust een vloek op. Gewoon Sylvia*. Sylvia, de vrouw die uit het woud komt. Of die uit de zee opduikt, net als Venus, met alles erop en eraan. Zoals ‘Sylvie’ van mijn geliefde Gérard de Nerval. Hoewel op hem ook al een vloek rustte. De vloek van de liefde, die hem van het theater naar het gekkenhuis van Esprit Blanche en zijn zoon Emile voerde en die hem in al zijn fataliteit opwachtte in de rue de la Vielle-Lanterne, de donkerste steeg van Parijs.

Na het bezoek aan de therapeute zat ik op je te wachten in café Le Coq, de plek waar ik ongeveer twintig jaar geleden meermaals tot diep in de nacht zat te praten met Josse De Pauw, een man die nooit dronken scheen te worden. Met een stem die altijd even genadeloos meevoelend bleef, hoeveel hij ook gedronken had. Niets dan ware woorden kwamen uit zijn mond. Ik heb hem destijds voorgedragen als laureaat voor de Arkprijs van het Vrije Woord, maar in Antwerpen schenen ze Josse niet te kennen of niet te waarderen. Het was een vergeefs pleidooi, zoals dat voor de Beursschouwburg en de KVS, instellingen waarvan de namen bij de meeste (niet alle) leden van het Arkcomité het koud zweet deden uitbreken. Alsof Brussel een andere, wilde wereld was, duizenden kilometers ver verwijderd van de beschaafde Vlaamse metropool. Overigens denk ik dat er wat dat betreft niet bijster veel veranderd is. Maar naar mijn pleidooien werd ook niet geluisterd omdat ik maar een kleine man was in dat comité, en ik ben er niet lang gebleven.

le coq.jpg

Als je in Le Coq binnenkomt, Sylvia – na zo lange tijd – word ik voor een ogenblik een verlegen kind. Maar ik herpak me gauw en omhels je en jij omhelst mij. Vriendschap is elkaar zo omhelzen dat je elkaars hart kunt voelen kloppen, las ik ergens. Ik vond het wat melig, maar als ik er nu over nadenk kan ik de uitspraak alleen maar beamen. In ‘The Leftovers’ zag ik dan weer omhelzingen die me de daver op het lijf joegen. Iets is nooit helemaal dit en nooit helemaal dat.

(Ik geloof dat ik de rest in derde persoon moet vertellen, Sylvia. Maar ik vind het moeilijk over je te schrijven alsof je een object bent. Ik kan je niet objectiveren. Lang geleden, in de jaren tachtig, kon ik mijn boezemvriend Joseph ook niet objectiveren. Als we samen waren versmolten we met elkaar, omdat onze woorden en zinnen met elkaar versmolten; soms wisten we niet eens wie wat had gezegd. Een vriend is een ander zelf, zei ik zo dikwijls tegen Joseph. Maar die versmelting gebeurde ook als we zwijgend zaten te luisteren naar een lied op de jukebox. Ik herinner me nu opeens “Bad Case of Loving You (Doctor, Doctor)” van Robert Palmer. Met jou heb ik hetzelfde. Niet meteen, maar toch al na een eerste glas Orval. Ik heb het gevoel dat we één worden in een soort van zachte razernij. Het is erg moeilijk om dit te beschrijven, om aan wat ik voel als ik bij jou ben recht te doen. Ik denk dat we zoals in de droom die ik vorige nacht droomde opnieuw kinderen worden, onschuldig en op een ongevaarlijke manier barbaars. We worden geheel zinnelijk en geheel geestelijk, maar tegelijk verheffen we ons daarboven. We worden heilig. Een andere woord kan ik niet vinden. Een heilige kent geen begeerte. De tijd valt stil, wat aan kitsch doet denken, maar het is de waarheid. De tijd valt stil. De begeerte heb ik niet op stoïcijnse wijze uit mijn leven verbannen. Ze is niet helemaal weg: ik voel nog liefde. Vriendschap is ook liefde, dat heb ik altijd gedacht en dat doe ik nog steeds. Laat me wat er tussen ons bestaat diepe vriendschap noemen, zielsverwantschap, ook al zijn we man en vrouw en is er altijd de seksuele onderstroom, de slang die in het paradijs rond de boom van goed en kwaad slingerde, om het wat bijbels uit te drukken. De mogelijkheid van de val blijft altijd bestaan. En dat is goed, want dat maakt mensen van ons, dat maakt ons kwetsbaar. Denk nu niet dat ik al deze dingen denk als ik met jou in Le Coq of in een ander café een glas bier zit te drinken.)

Bij nader inzien vind ik het toch geen goed idee om dit gedeelte in de derde persoon te schrijven. Weet je wat, ik zal me bij de eerste persoon in de tegenwoordige tijd houden, maar ik noem je Irina Vega. Dat heb ik eerder ook al eens gedaan. Of meerdere keren. Ik gaf je ongetwijfeld nog andere namen. (Door altijd maar namen te veranderen weet ik niet meer wie wie is. Was de ‘echte’ Irina Vega geen pornoactrice? Heeft Uvi, de vriend die ik nooit gezien heb, me daar niet een keer op gewezen?)

Sidney, Sylvia (Fury).jpg

‘Zullen we niet aan de overkant gaan zitten’, vraag ik.
‘Waarom’, vraag je.
‘Je zegt dat ik altijd op dezelfde plaats ga zitten’, zeg ik.
‘Ach, dat meende ik toch niet’, zeg je.
‘Goed dan blijven we hier zitten’, zeg ik.

Hoe heilig we ook mogen wezen, er is onrust, angst, bitterheid in ons. De bitterheid drinken we weg. We drinken veel meer dan goed is voor ons als we samen zijn. Waardoor ik het nu moeilijk heb om me nog meer dan wat details van onze gesprekken te herinneren. De onrust verdrijven we door van Le Coq naar Daringman en van Daringman naar Bonsoir Clara en van Bonsoir Clara naar de Archiduc (waar het ongezellig en veel te duur is) en van de Archiduc naar Lord Byron te verhuizen. Onophoudelijk pratend en lachend. Visconti is het hoofdthema van de avond. Irina zag onlangs zijn ‘Il gattopardo’, met Burt Lancaster en Claudia Cardinale en Alain Delon.

claudia-cardinale-and-alain-delon-in-il-gattopardo-directed-by-luchino-visconti-1963.jpg

‘Wat haat ik Alain Delon’, zeg ik, ‘maar hij blijft een uitstekend acteur.’
‘Destijds, zeker tien jaar geleden vond ik ‘Il gattopardo’ vervelend’, zeg je. ‘Maar nu zag ik een meesterwerk en niets verouderd. Die eenzaamheid!’
‘Ik vind ongeveer alles van Visconti vervelend’, zeg ik. ‘Vroeger, nog veel langer geleden dan jij, misschien was je nog niet geboren, zag ik in het filmmuseum en op het Ritcs heel wat van zijn films. De eerste was ‘The Damned’. Ik was meteen gewonnen. Nazi’s, decadente industriëlen, perverse seks, net wat ik als negentienjarige nodig had. Met Helmut Griem en Helmut Berger, geloof ik. En al de rest, ‘Senso’, ‘Dood in Venetië’… Allemaal meesterwerken waren het. Door Visconti ben ik naar Mahler gaan luisteren. Maar dat is allemaal voorbij. ‘Rocco en zijn broers’ probeerde ik onlangs nog eens te bekijken. Na een half uur afgezet. Zo vervelend.’

‘Helemaal niet vervelend’ zeg je, ‘een prachtige, prachtige film. Dat feest dat moet je toch goed vinden!’
‘Zo ver zal ik niet geraakt zijn’, zeg ik. ‘De enige film van Visconti die ik nog goed vind is ‘Ossessione’’ zeg ik. ‘Maar waarschijnlijk komt dat door mijn fascinatie voor James Cain. Hoewel Visconti die bron niet vermeld heeft.’
‘Ik denk dat ik die niet goed vond’, zeg je.
‘Dat kan niet’, zeg ik. ‘Dan heb je hem niet gezien’.
‘Gaat het over die Griek en zijn vrouw en hun baanrestaurant en de zwerver die roet in het eten komt gooien. En dan vermoorden de vrouw en de zwerver de Griek?’
‘Ja’, zeg ik, ‘dat is hem, loontje komt om zijn boontje’.
‘Rocco en zijn broers’ is veel beter’, zeg je.
‘Heb je Vaghe Stelle del Orso ooit gezien?’
‘Nee’.
‘Die was onlangs in het Filmmuseum. Wat nu de Cinematek wordt genoemd. De idioten met hun idiote benamingen, Villo, Mobib, Bruzz, Bozar… Die wilde ik graag nog eens zien. Maar ik was nog maar eens een keer ziek.’
‘Wat zijn sommige schrijvers toch macho’s’, zeg je.
‘Wat bedoel je?’
‘Je hebt er enkele genoemd in je tekst over Bob Dylan en de Nobelprijs’, zeg je.
‘O ja, daar heb ik me wat laten gaan’, zeg ik.
‘Ik was onlangs op een boekvoorstelling. Een van die schrijvers stelde daar zijn nieuw boek voor. Terwijl hij een zogenaamde erotische passage uit zijn boek voorlas, keek hij de hele tijd in mijn richting. Nu ja, er was niet zo veel volk in de zaal aanwezig’, zeg je.
‘Verbaast me niets’, zeg ik. ‘Ik zou hetzelfde doen. Of misschien net niet, want ik ben daar veel te schuchter voor.’
‘Laten we ergens anders gaan’, zeg je.

helmut berger damned.jpg

Om middernacht moeten de heilige barbaren afscheid nemen. In het leven bestaat er niets moeilijkers dan dat. Maar in beschonken toestand is het wat minder pijnlijk. Alcohol is het zwaarste verdovend middel.

Hoe we naar huis terugkeren? Per trein? Per taxi? Te voet? Wankelend en zingend? Of huilend? Vind je niet dat dat een mysterie moet blijven? Ik ben wel openhartig, maar er zijn grenzen. En elke autobiografie is een opeenstapeling van verzinsels en leugens. Elke schrijver die over zichzelf schrijft is een bedrieger. Of een gokker, een oplichter. Hij beschouwt de wereld als een casino. Vals spelen is toegestaan. Winner takes all.

WinnerTakeAll7.png

*Op Sylvia Sydney echter(herinner je ‘You Only Live Once’ en ‘Fury’, van Fritz Lang), rustte geen vloek. Ze rookte haar hele leven lang en werd 88.

Afbeeldingen: ‘Il Gattopardo, Luchino Visconti’; Le Coq, Martin Pulaski; Sylvia Sydney in ‘Fury’, Fritz Lang; ‘Il Gattopardo’, Luchino Visconti; ‘The Damned’, Luchino Visconti; ‘Winner Take All’, Roy Del Ruth.

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN

shininf-hedge.jpg

Woord vooraf

Een uur is kort, tien dagen kunnen lang duren. Tien dagen zijn kort, een uur kan lang duren.

Niet alleen grote gebeurtenissen schudden je wereld door elkaar. Neem nu een obsessie: die kan met iets kleins beginnen, met een muggenbeet, met de geur van ether of, al wat groter, met een vlucht wilde eenden, et cetera. Meestal is wat in je omgaat of wat je bepaalt een combinatie van kleine en grote dingen. Zelfs als je het niet wilt leef je toch in de grote wereld. Je zit of staat of loopt altijd rond in een netwerk, een systeem, een macrokosmos. Of je zit gevangen in een web. Soms is het een doolhof, zoals bij Jack Torrance in ‘The Shining’. Daar kom je meestal niet levend uit.

‘Ten Days That Shook The World’ is een boek van John Reed over de Russische Oktoberrevolutie van 1917. De hiernavolgende tien notities hebben daar niets mee te maken. Ik gebruik alleen maar de titel omdat die goed klinkt.

John Reed at desk.jpg

Dag 1: 2 november 2016 / Eight Days A Week

Het is mooi weer, maar er waait een koude wind. De metro naar het centrum heeft meer dan een kwartier oponthoud. “Zodra het metrostel kan vertrekken vertrekt het,” blijft de omroepstem herhalen. Waarom blijven we stilstaan? Heel wat reizigers stappen uit, verlaten het metrostation. Ik heb met enkele vrienden afgesproken om in de Aventure samen naar ‘Eight Days A Week’ te gaan kijken, een film over beatlemania, maar over zoveel meer dan dat merkwaardige fenomeen. Ik ben vooral ontroerd door de diepe vriendschap die er tussen de vier muzikanten bestond. Maar zeker ook door de muziek, lekker luid in de bioscoopzaal, die nog steeds fris en aanstekelijk klinkt. De periode in de loopbaan van the Beatles die mij echter het meest fascineert komt in de film niet aan bod, die na beatlemania, na de hectische tournees, de periode vanaf ‘Rubber Soul’, vanaf januari 1966. (1966 was overigens een magisch jaar voor de popmuziek en voor de jeugdcultuur. Jon Savage heeft er een zeer lezenswaardig boek over geschreven.)
Als we buitenkomen regent het. We haasten ons naar het fish & chips-eethuis Bia Mara aan de Kiekenmarkt, de straat – een markt is het niet – waar ik in juni 1997 op het nippertje aan de dood ontsnapte.

the_beatles 8 days.jpg

Mijn vrienden en ik vormen een genootschap dat ‘Renaldo & Clara’ heet. We wijden een klein deel van ons leven aan het werk van Bob Dylan. Maar vergis je niet. ‘Bob Dylan’ is een ruim concept. Zo valt ‘Eight Days A Week’ daar ook onder. Later, bij Jan in Elsene, kunnen we maar moeilijk ophouden met praten in plaats van te luisteren naar de muziek die op het programma staat. Het zit namelijk zo. Elke keer als we bijeenkomen hebben we een thema waarrond we elk vijf à tien songs verzamelen en die we dan samen in stilte beluisteren en vervolgens (soms) becommentariëren. Het is een beetje zoals mijn radioprogramma, Zéro de conduite. Maar op die Allerzielendag komen we maar niet toe aan de songs. Donald Trump gooit roet in het eten, vergif zelfs. Hij zou, o ramp, de verkiezingen wel eens kunnen winnen. Maar is Hillary Clinton dan zoveel beter? Zij vertegenwoordigt toch ook de elite, en wordt door Wall Street gesteund? We blijven de hele avond discussiëren en altijd belanden we bij de noodlottige Trump. Niet dat de andere naoorlogse Amerikaanse presidenten zoveel beter waren. Zelfs Obama was geen engel, wel integendeel. Alleen Jimmy Carter krijgt onze sympathie. Tijdens zijn bewind werden er joints gerookt in het Witte Huis. En als ik me niet vergis traden the Allman Brothers er op. Niet dat dat de wereld op zijn grondvesten deed daveren…

renaldo clara.jpg

Het gebeurt niet zo vaak dat een gesprek meer deugd doet dan met vrienden naar uitverkoren muziek luisteren, maar die avond gaan we desondanks met een goed gevoel naar huis. Althans, zo ervaar ik het. Ik heb het gevoel dat onze stemmen het naderend onheil, de Amerikaanse tragedie, voor een deel hebben geneutraliseerd. Alsof het goedaardige drones zijn geweest. Voor songs is er later nog tijd. Zelfs toen de Titanic aan het zinken was speelde het orkest door. En Geert Mak beweert dat we ons daar nu bevinden.

titanic musicians.jpg

 

KOORZANG: DYAB ABOU JAHJAH

colin-wilson-in-sleeping-bag-1956-2.jpg

Leven we in een tragische tijd? De vele koorzangen die je op menige plek hoort zouden er op kunnen wijzen. Maar uit hun vaak weinigzeggend en repetitief karakter kun je net zo goed afleiden dat we een grote komedie bijwonen. Dat is geen nieuwe vaststelling. Een boek van Slavoj Zizek kreeg als titel mee ‘Eerst als tragedie, dan als klucht’, waar hij de inspiratie voor vond in ‘Bijdrage tot de kritiek op Hegels Rechtsfilosofie’ van Karl Marx. Een moeilijke en onzekere tijd is dit zeker wel. Velen onder ons sluiten zich af, ontvluchten wat de realiteit wordt genoemd. We zoeken een vertrouwde omgeving op, reizen af naar die schaarse plekken waar we hopen nog wat schoonheid of sporen van iets pastoraals te zullen aantreffen. Of we blijven gewoonweg thuis, in een hoek met een boek, of troost zoekend in de vluchtigheid van muziek en film. Sommigen worden radeloos, een kleine minderheid gaat over tot brutaliteiten, in sommige gevallen tot geweld. Geweld dat we weigeren te begrijpen. Geweld dat we altijd zullen verwerpen, zelfs al zouden we bereid zijn het toch in een begrijpelijke context te plaatsen.

Kritiek op de zwakke plekken van anderen is alleen maar mogelijk als je in jezelf ook zulke plekken aantreft. Je weet bijvoorbeeld heel goed dat je net zo goed meedoet aan het vals zingende koor, zelfs al doe je je uiterste best om te zwijgen.  Je bent geen schone ziel, je hebt altijd op zijn minst een beetje vuile handen.

De voorbije dagen bezong het koor de wederwaardigheden van Dyab Abou Jahjah en zijn ondervrager Thomas Erdbrink. Ik wilde afzijdig blijven. Maar vind mijn zwijgen hoe langer hoe moeilijker vol te houden. Ik wilde me vooral afzijdig houden omdat ik Dyab Abou Jahjah eigenlijk niet zo ken. Ik bedoel: ik heb geen duidelijk idee van zijn politieke strijd en van zijn werk. Ik heb alleen maar enkele opiniestukken van hem gelezen, die ik meestal pertinent vond. Deze aflevering van Zomergasten nu was verrassend goed. Alleen de inquisitoire toon van debutant Thomas Erdbrink werkte me danig op de zenuwen. Had de man last van plankenkoorts, zag hij in zijn gesprekspartner een vijand, had hij duidelijke instructies gekregen om zijn gast zoveel mogelijk te onderbreken en hem strak aan de leiband te houden? Kennelijk waren er nogal wat kijkers die zich hadden geërgerd aan het vooruitzicht drie uur lang naar deze ‘outsider’ te moeten luisteren (en kijken). Was het daarom dat de gast zo hard werd aangepakt? Erg hoffelijk was het allemaal niet.

zomergasten, dyab abou jahjah, outsiders, colin wilson, radeloos, geweld, brutaliteit, vluchten, koor, tragedie, komedie, klucht, slavoj zizek, thomas erdbrink, vpro, onvolwassen gedrag, luisterbereidheid, onverdraagzaamheid, zionisme, antisemtisme, racisme, black panthers, belgië, staat, belgische politie, religie, atheïsme, agnosticisme, brussel, jacques brel, romantiek, optimisme, la bataille d'alger, gllo pontecorvo

De aflevering van Zomergasten was desondanks verrassend goed dank zij Abou Jahjahs verhaal en de beelden die hij had meegebracht. Maar wanneer is iets goed? Voor mij is iets goed als ik er mij in kan herkennen, als er (ziels)verwantschap is. Dat begon al goed met Colin Wilson, een schrijver en mysticus die op mij als jonge knaap ook veel indruk heeft gemaakt. Wilson heeft mij helpen beseffen dat ik een outsider was; wat ik altijd ben gebleven. De kritiek op het zionisme leek mij behoorlijk onderbouwd. Abou Jajah wordt uitgescholden voor racist en antisemiet. Daar heb ik in deze aflevering van Zomergasten niets van gehoord. Er is toch een duidelijk onderscheid tussen de ideologische term ‘zionist’ en het woord ‘jood’? Hoewel ik extreem gevoelig ben voor antisemitisme, de joodse cultuur is voor mij bij wijze van spreken heilig, heb ik er niets van gemerkt. Ik geloof dat ik nochtans aandachtig geluisterd heb. Het hoofdstukje over de Black Panthers wordt wel vaker getoond. Maar dat mag en moet zelfs. De uitroeiing van de Black Panther-beweging toont de macht van de staat aan, een macht die zich als zuivere negativiteit kan manifesteren. Een ander voorbeeld van dergelijke negativiteit van de staat is het gedrag van de Belgische politie, dat in sommige gevallen ronduit racistisch is (zonder te willen veralgemenen). Ondanks de paniekerige, schreeuwerige en naar het mij leek wat emotioneel verwarde Erdbrink bleef Abou Jahjah rustig en beheerst. Zijn uitspraken waren weloverwogen, ter zake. Ik zag erg mooie en ontroerende fragmenten, onder meer van een Tunesische zangeres, van Leonard Cohen en van Jacques Brel. Opvallend was dat in heel wat van het gekozen beeldmateriaal de spot werd gedreven met de georganiseerde godsdienst. Of dat die sterk in twijfel werd getrokken, zoals in ‘True Detective’. Uiteindelijk kwam ik tot de slotsom dat Dyab Abou Jajah een volbloed romanticus is en een onverbeterlijke optimist. Zijn pleidooi voor Brussel als een nieuw Babylon – denk aan de utopie van Constant Nieuwenhuys – gaf mij meteen zin om mijn verdoemde stad met nieuwe ogen te gaan verkennen. Ik ben echter minder optimistisch. ‘La Bataille d’Alger’ van Gillo Pontecorvo is te realistisch, te levensecht, te zeer van deze tijd om mij toe te staan met gerust gemoed door onze straten te flaneren of onnadenkend een glas te gaan drinken in een coole bar.

zomergasten, dyab abou jahjah, outsiders, colin wilson, radeloos, geweld, brutaliteit, vluchten, koor, tragedie, komedie, klucht, slavoj zizek, thomas erdbrink, vpro, onvolwassen gedrag, luisterbereidheid, onverdraagzaamheid, zionisme, antisemtisme, racisme, black panthers, belgië, staat, belgische politie, religie, atheïsme, agnosticisme, brussel, jacques brel, romantiek, optimisme, la bataille d'alger, gllo pontecorvo

KERSEN

 

2015-11-09-brussel 052.JPG

Het is niet zo dat ik maar geen onderwerp kan vinden om over te schrijven (of om over na te denken). Als er wat dat betreft al een probleem bestaat is het dat er te veel onderwerpen zijn en dat er te veel tot nadenken stemt. Van dat laatste schrik ik wel even: kan er hoegenaamd te veel zijn om over na te denken? Als je het in zijn algemeenheid beschouwt wellicht niet, maar voor een enkeling, voor een individu is er te veel stof, te veel materiaal, er doet zich te veel voor, er zijn te veel impulsen. Op losse blaadjes, in schriftjes noteer ik allerlei invallen of observaties, ergernissen zijn het jammer genoeg ook vaak – maar wat doe ik daar mee? Het is een toenemende chaos. Toen ik veel jonger was dan nu leefde ik chaotisch maar streefde, veelal onbewust, naar orde. Ik was ervan overtuigd dat die orde er met de jaren zou komen. De orde zou het meesterwerk zijn, waar Bob Dylan over zingt in ‘When I Paint My Masterpiece’. Maar die orde is niet gekomen, en zal nu ook niet meer komen. Ik besef zelfs dat er in mijn leven (en in het algemeen) aanvankelijk veel meer orde was en nu veel meer chaos. De woestijn groeit.
Maar gisteren kocht ik kersen op de markt. Ik stelde vast dat ze als je enige inspanning doet om met smaak te eten, met concentratie, nog steeds dezelfde smaak hebben als ze in mijn kinderjaren hadden. De kersen smaken naar kersen, ze zijn lekker en sappig en zoet. Niet alles valt uiteen in onbegrijpelijke flarden. Er is samenhang in de tijd, ondanks alle ontbinding en entropie. Toch ga ik nu geen gedicht over de smaak van kersen schrijven als er zich alweer een jonge man heeft opgeblazen, dit keer in een straat in een stadje in Beieren. Dat had net zo goed gisteren op de Zuidmarkt kunnen gebeuren, waar ik die kersen heb gekocht. Gelukkig liep daar omdat het vakantie is niet al te veel volk rond. Wat dan weer invloed had op de prijs van die lekkere kersen, dat is ook een samenhang. Een samenhang van chaotische aard, dat wel: wat mij betreft zijn de wetten van het neokapitalisme helemaal geen wetten maar drukken ze de ultieme chaos uit. Datgene waar niemand nog vat op heeft.

Ω

Foto: Martin Pulaski, Brussel, 8 11 2015

DE GROT VAN DE DOLLE MOLLEN

0bascarlamarlunsford.png

Voor Philippe Quesne en de mollen.

Met grote verwachtingen naar het Kaaitheater voor ‘La nuit des taupes’ van Philippe Quesne. In de buurt van de KVS tientallen zo te zien nog piepjonge straathoeren. Café Tropicalia, het ‘kantoor’ van de pooiers, is al een tijd geleden gesloten. Nu zitten de pooiers wat verderop gezellig in gemakkelijke zetels op een terras, vadsige koningen van het kwartier. De hele buurt wordt groezeliger: dronkaards, uitschot, ‘kleine’ delinquenten. Ook in de metro valt de verloedering op. De politie zit achter de terroristen en de jihadi’s aan. De boeven hebben vrij spel. Noem het straattheater, helemaal gratis. Ondanks al die dingen is het een mooie, aangename lenteavond. Je laat je niet van je stuk brengen.

In het café van het Kaaitheater, van de oude glorie uit de tijd van La Luna blijft hier ook niet veel meer over, heb ik voldoende tijd om het publiek te observeren en wat na te denken. Vroeger dronk ik bier of wijn voor een voorstelling, nu tonic, liefst Schweppes (voor de kinine), maar dat wordt hier niet geschonken. Eens te meer valt mij op hoe oud ik word; de andere kunstenfestivalgangers worden almaar jonger. Het is zoals in sommige films van Sam Peckinpah: de oude revolverhelden willen er tot elke prijs bij blijven horen, met hun roestige revolvers en hun vermoeide paarden en hun oude, strikte  moraal – terwijl de jongere gunfighters machinegeweren hanteren, de auto gebruiken om zich te verplaatsen en een ondoorgrondelijke erecode hebben (of amoreel zijn). Het is een natuurwet, niets aan te doen. Erger is de apartheid. In een theater als dit zie je geen zwarten, geen moslims, geen kleine delinquenten, geen dronkaards. Het kunstenfestival is er voor de blanke, goed opgeleide en grotendeels Nederlandstalige elite. Het is van in het begin zo geweest en ik vrees dat het zo zal blijven. Vorig jaar zag ik een stuk van Marokkaanse vrouwen: het publiek was volledig blank.

sampeckinpah ride the high country.png

‘La nuit des taupes’ (onderdeel van ‘Welcome to Caveland!) van Philippe Quesne gaat over mollen in een grot. Daarin staat een witte barak die aan de voorkant open is. Via een buis komen de mollen met hun logge lijven de barak binnen. Het zijn bijzonder grote mollen, zo groot als mensen. De klompen aarde lijken op rotsen. De mollen lijken blind te zijn en met hun grote handen zijn ze erg onhandig. Ze lopen elkaar in de weg. Het publiek lacht want wat het te zien krijgt is erg grappig. Ha ha ha! Mij vergaat het lachen al snel. De anderen hoor ik ook al gauw niet veel meer lachen. Je wordt reeds na kwartier of zo geconfronteerd met de zinloosheid van het bestaan, met de absurditeit van alles wat je elke dag doet, de routine, de sleur. Ook met de overbevolking, hoe je altijd en overal met te veel bent, elkaar in de weg loopt. Je beseft dat je blind als een mol door het leven gaat. Goed georganiseerd, kijk maar eens hoe werd omgegaan met de tragedie in Zaventem en Maalbeek, maar zonder duidelijk doel. Als je een tijdje naar de activiteiten van mieren kijkt vraag je je soms ook wel eens af: waarom doen ze dat allemaal? Voor ons is het net hetzelfde. We bouwen onze huizen voor de eeuwigheid en één tsunami vernielt er 250.000 in een oogwenk.
Terug naar de voorstelling. Ze is nog maar net begonnen. Voor we de mollen te zien kregen hoorden we – voor het eerst met de versterker op 10 – de mysterieuze folksong ‘I Wish I Was a Mole in the Ground’ van Bascar Lamar Lunsford, opgenomen in een studio in Ashland, Kentucky in 1928. Velen in het publiek zullen het nummer nooit eerder gehoord hebben. Wat gaat er in hun hoofd om als deze geheimtaal, deze roestige banjoklanken tot hen doordringen? Zou nog iemand in dit theater Greil Marcus’ schitterende essay ‘World Upside Down’* (over dit lied) gelezen hebben. Philippe Quesne misschien? De acteurs? Iedereen zou het moeten lezen. Iedereen zou ongeveer alles van Greil Marcus moeten lezen. En alle liedjes op de ‘Anthology of American Folk Music’ van Harry Smith op z’n minst één keer per jaar moeten beluisteren. Zes langspeelplaten, dat moet te doen zijn.
We leven er maar op los, zonder duidelijk doel, schreef ik. Is muziek de uitweg? Zo lijkt het wel. Of is muziek in dit geval een metafoor voor creativiteit? Tegenover destructie verbeelding en scheppingskracht, tegenover de duisternis van de grot het licht van de poëzie. Poëzie betekent iets moois maken, iets duurzaams, iets wat de soort voor lange tijd ten goede komt.
Nu is het gaan regenen. Ik had me al zitten afvragen of die mollen nooit honger kregen. Nu wordt het duidelijk: ze verorberen gigantische regenwormen. Ze zijn natuurlijk niet echt gigantisch, wij zien ze alleen maar zo. Als je door een microscoop naar kleine wezentjes kijkt lijken die ook immens, maar dat is gezichtsbedrog, dat weet het kleinste kind. De sterren zijn dan weer veel groter dan wat wij te zien krijgen. Te veel regenwormen eten is slecht voor de gezondheid. Ja, het valt op: geboorte en dood verschillen bij mollen niet echt van geboorte en dood bij mensen. Net als mensen kennen mollen empathie, verdriet, verlangen. Geert Van Istendael zit net voor me. Met zijn stekelige haren belet hij me het zicht op de poten van de mollen. Wat zou hij er van vinden? Misschien verveelt hij zich wel? Maar dan zou hij toch gewoonweg naar huis gaan? Zou hij van de 4/4 beat, de krautrockachtige muziek van de mollenband houden? Want inderdaad, inmiddels is zo’n mollenbandje beginnen te spelen. Ze hebben gaten geslagen in een wand van de barak en zijn daar door gekropen. Niet alle mollen, net genoeg voor een rockgroepje. Maar daarover later meer.

Quesne.jpg

‘La nuit des taupes’ roept bij mij tal van associaties en herinneringen op, een beetje alsof ik bij de psychoanalyticus op de zetel lig. Mijn eerste associatie is die met het lied van Bascar Lamar Lunsford, dat spreekt vanzelf.  “I’d root that mountain down / And I wish I was a mole in the ground.” Maar dan gaan mijn gedachten al gauw naar De dolle mol, ooit een beruchte bar in Brussel. Ik werkte er enkele maanden in de zomer van 1971. Net als in deze voorstelling gebeurde daar alles letterlijk en figuurlijk onder de grond. De dolle mol bevond zich toen op de Kaasmarkt in een oude jazzkelder. Vandaar, denk ik, de naam die Herman J. Claeys eraan gaf. Het publiek dat er kwam bestond uit ‘undergroundtypes’, vertegenwoordigers van de tegencultuur, langharig werkschuw tuig. We leefden ondergronds, we waren vijanden van het establishment. Mollen die de berg van de macht wilden ondergraven. Niemand van ons wilde lang ondergronds blijven: we wilden de hele wereld mooier en beter maken. Vooral met liefde en muziek.

0themroc-3.jpg

Ik dacht terug aan de film ‘Themroc’ van Claude Faraldo. Michel Piccoli is een arbeider die genoeg heeft van de macht en haar repressie. Hij stopt met werken, verwerpt de taal van de vader (of is het die van de moeder?) en brengt voortaan alleen nog maar dierlijke geluiden voort. Mollentaal. In zijn appartement sloopt hij de muren. Hij bedrijft de liefde met zijn zus. ’s Nachts gaat hij op jacht naar voedsel. Hij doodt een flik. Het kadaver neemt hij mee naar zijn woning, die nu op een grot lijkt, om het daar te roosteren en vervolgens samen met enkele ‘medeplichtige’ buren op te peuzelen. Zo herinner ik mij de film. ‘Themroc’ is geen utopische vertelling (wat ik als twintigjarige waarschijnlijk wel dacht). Het is een verhaal van uitzichtloze, brutale anarchie. Je kunt niet ontsnappen uit de grot. Bij ‘Themroc’ is er zelfs niet de uitweg van de muziek en de creativiteit.
Tijdens de voorstelling kon ik maar niet op het woord komen voor het instrument dat the Beach Boys in ‘Good Vibrations’ gebruiken. ‘Theremin’ is het, gelukkig heb ik het niet moeten opzoeken. Een van de muzikanten van de mollenband bespeelt namelijk de theremin, of iets wat er op lijkt. De groep bestaat verder uit een bassist, een drummer en een gitarist. Met die grote, onhandige mollenpoten van ze kunnen ze alleen maar repetitieve muziek spelen. Krautrock of motorik, zoals ik hierboven al schreef. Denk aan Neu!, daar lijkt hun muziek het meest op. Eerst verzet je je tegen dit ‘lawaai’. Maar dat is verkeerd. Je moet loslaten, je overgeven aan het ritme. Dan geraak je in een trance. Dat gebeurt alvast bij mij. Ik weet niet of Geert Van Istendael het ook zo beleeft en ik heb het hem niet durven te vragen. Tijdens het miniconcert breken de andere mollen de barak helemaal af, zoals Michel Piccoli zijn appartement. In het halfdonker vervoeren een drietal mollen op gemotoriseerde fietsen stalactieten. Niet bepaald ergens naartoe. Maar het lijkt er wel op dat de blinde dieren het prettig vinden.
Het meest lyrische gedeelte, waarbij de mollen zich achter een doek (dat een scherm is) bevinden, roept bij mij meerdere associaties en herinneringen op. Op het scherm krijgen we goede oude vloeistofprojecties te zien. Die doen me terugdenken aan Pink Floyd in februari 1968 in het Pannenhuis in Antwerpen. Dat was met net dezelfde, echt heel mooie vloeistofprojecties. Ze zetten je aan tot dagdromen, ze openen een andere wereld. Nog mooier waren de projecties in mijn toneelstuk ‘De droom’ in mei 1968 in Tongeren. Niet omdat het mijn stuk was – ook wel een prestatie – maar omdat mijn vriend Henry Janssen een werkelijke magister van de vloeistofprojecties was. Echt waar, de mooiste, dromerigste vloeistofprojecties zag ik in de gymzaal van het Koninklijk Atheneum in Tongeren!

0Flaming-Lips.jpg

Wayne Coyne en zijn Flaming Lips maken tijdens hun concerten eveneens gebruik van zulke projecties. Dat is niet de enige overeenkomst met ‘La nuit des taupes’. Bij the Flaming Lips staan er steevast als dieren verklede mensen op het podium. Zo vrolijk, zeker met de grote kleurige ballons die door de zaal vliegen. Ook al zijn de liedjes van Flaming Lips soms erg melancholisch. Maar nooit macaber of uitzichtloos; bijna altijd op de toekomst gericht. De verbeelding biedt een uitweg. Carnaval, feest, fanfare!
Je denkt niet logisch maar associatief. Soms worden die associaties onderbroken door wat je waarneemt. Bij een performance is dat nog meer het geval. Met Wayne Coyne associeerde ik ‘Lucy in the Sky With Diamonds’ en zo ging ik helemaal terug naar mijn kinderjaren in Neerharen. Mijn vader kwam uit een arme boerenfamilie. In die omgeving was de mol de vijand. Hij moest worden bestreden, afgemaakt. Het was een genocide in het klein, maar mag ik dat wel schrijven? Elizabeth Costello kreeg met een gelijkaardige uitspraak heel wat problemen. Een hele tijd heb ik zelf dat beeld van de mol als vijand gehandhaafd. Ik denk tot in 1971, tot ik in De dolle mol ging werken en besefte dat de mol in wezen een revolutionair dier is.

the_residents.jpg

In de sixties was er het liedje ‘We Are the Moles’ van The Moles. Er werd beweerd dat het the Beatles waren, onder een andere naam. Het had best gekund, maar in werkelijkheid was het Simon Dupree & the Big Sound. Het gaat van ‘We are the moles and we live in our holes…’
Hoe lang is het niet geleden dat ik nog naar the Residents heb geluisterd… Zij hebben een viertal elpees uitgebracht voor een project dat ‘The Mole Trilogy’** heet. Deel drie van de trilogie is nooit verschenen, maar deel vier dan weer wel. En waar is volume 2 van the Travelling Wilburys? Nu ik eraan denk: waren Nelson Wilbury, Otis Wilbury, Lefty Wilbury, Charlie T. Wilbury jr. en Lucky Wilbury ook niet een soort van mollen. Terug naar the Residents. Ik sla een boekje open dat bij een verzamelbox*** zit en lees het volgende: ‘While the Residents are singular in their dedication to unmasking the rotten cavity [hol, gat] at the heart of the American dream, they are equally insistent in keeping the mask on their own identities.” Hun studio in San Francisco wordt ‘this windowless, cramped space’ genoemd.
De identiteit van de mollen in ‘La nuit des taupes’ wordt wel meegedeeld en op het einde van de voorstelling, bij het applaus ontdoen de acteurs zich van hun mollenhoofd (niet meteen, we moeten eerst voldoende in de handen klappen) en zien we ook dat ze niet echt blind waren. Wat ik een beetje vreesde, vooral toen ze op die fietsen zaten. Maar stekeblind hadden ze zelfs geen motorik kunnen spelen. Wat moeten de mollen het warm gehad hebben! Ik had niet in hun plaats willen zijn.

In een bespreking in De Standaard lees ik – van de hand van Wouter Hillaert – dat Quesne “in het duister is blijven tasten over wat hij meer wilde vertellen dan die eenduidige dierenfabel” en “ofwel heeft het allemaal weinig meer om het lijf dan grote mollenpakken, goed voor spijtig leeg spektakel.” Dat “in het donker blijven tasten” vind ik wel leuk. Maar leeg?

lanuitdestaupes.jpg

*World Upside Down, in ‘Three Songs, Three Singers, Three Nations’, Greil Marcus, Harvard University Press, 2015.
**The Mole Trilogy bestaat (voorlopig) uit: Mark of the Mole (1981); The Tunes of Two Cities (1982); Intermission (1982); The Big Bubble (1985)
***The Residents, Our Tired, Our Poor, Our Huddled Masses, Ralph Records, 1997

Afbeeldingen: Bascar Lamar Lunsford; Ride the High Country, Sam Peckinpah; La nuit des taupes; Themroc, Claude Faraldo; The Flaming Lips; The Residents; La nuit des taupes

PLEIDOOI VOOR EEN NIEUW BRUSSEL

BRUSSEL 069.JPG

Bewonderaars en verheerlijkers van Brussel heb ik altijd gewantrouwd. Wat waren hun motieven, waren zij wereldvreemd, blind of gewoon maar onnozel? Verlieten zij nooit de veiligheid van hun enclaves, Dansaertstraat, Louisalaan, Flageyplein? Meestal voel ik me een vreemde in deze stad. Zij heeft mij nooit met open en zelfs niet met gesloten armen ontvangen. Voor een deel ligt dat aan mezelf, ik heb me zelden ergens thuis gevoeld, tenzij tijdens een reis, als ik ergens aankwam, bijvoorbeeld in New Orleans, Santa Fe of Cadiz. En een korte periode in Antwerpen, van 1977 tot 1982 om heel precies te zijn.

Hoe ik Brussel bekijk hangt van mijn stemming af, maar mijn stemming hangt ook af van hoe Brussel met mij omgaat, van hoe Brussel mij bekijkt. Er zit veel ongehoorde en ongeziene schoonheid in deze stad verborgen. Soms, als het weer meezit en de passanten je wat vriendelijker dan op druilerige dagen aankijken, is ze bereid haar schatten te laten bewonderen. Dan laat ze zich van haar zachtste kant zien, ze ruikt lekker, voelt zacht aan, zachter zelfs dan de arm van Everard ’t Serclaes* op de Grote Markt.

Brussel is al een poos geen ruïne meer en is evenmin een moeras. De legendarische stadskankers zijn merendeels weg. Dure hotels en kantoorgebouwen hebben hun plaats ingenomen. Maar er is nog steeds veel grauwheid, vuilnis, lelijkheid, wat weliswaar het mooie accentueert, de parken en plantsoenen, de kerken, de art nouveau-gebouwen, de vele cafés met hun terrassen, oases van verrukkelijk leven. Maar pittoreske pleintjes, Vlaamse primitieven, bruisende kroegen, verfijnde art nouveau-gevels, kunnen het verval – dat niet uitsluitend materieel is – niet compenseren.
Ik noem Brussel op elk gebied een onderontwikkelde, een arme stad omdat haar inwoners zich niet al te druk lijken te maken over het verval, over het vuil, over de chaos die hier heerst. De Brusselaars, van waar ze ook gekomen zij, lijken bijna altijd in ongeveer alles een berustende houding aan te nemen. Slechts weinigen walgen van de lelijkheid en het vuil en storen zich aan het dysfunctionele van deze stad. Ik ken niet één Europese stad die zo slecht functioneert, in elk van zijn facetten, in al zijn wijken, in elk beleidsdomein. Bijna niets werkt hier zoals het hoort.

Al lange tijd is Brussel een gebroken stad, een stad vol (soms moeilijk zichtbare) muren. Iedereen kent ze wel, bijvoorbeeld de muur van de Noord-Zuidverbinding, die de stad op een brutale manier in twee delen heeft gesplitst, een echo (of voorspelling) van de opsplitsing van België. Er zijn veel meer zulke muren. Overal waar brede autowegen werden aangelegd lopen smalle straten dood. Ze werden in twee gesneden. De band die er bestond tussen de buren werd stukgemaakt. Door de bouw van Shopping Centra werden winkelstraten territoria voor vandalen, rotondes en pleintjes veranderden in no go zones. De Ring rond Brussel heeft van de stad een eiland gemaakt, een organisme dat niet mag groeien. Sommigen noemen het een olievlek, maar zelfs een olievlek breidt zich uit. Anderen beschouwden de hoofstad als een grote vuilnisbelt. Forensen uit de deelstaten dumpten er hun groot en klein afval. Gemeentelijke volkscommissarissen gaven de schuld aan ‘de Zigeuners’.

Brussel is een zee van mogelijkheden. Dat zou iedereen die hier woont, dat zou iedereen die het goed voorheeft met dit land moeten weten. Brussel bruist van jong (maar ook van oud) leven. Brussel moet die mogelijkheden de kans geven reëel, tastbaar te worden. Brussel moet dringend aan het nieuwe de voorrang geven, zonder zoals bij de Culturele Revolutie in China de traditie te verwerpen of vernietigen. Ja, Brussel moet dringend veranderen.

BRUSSEL 029.JPG

Ook degenen die neerkijken op Brussel, de taalstrijders, de fanatici, de voorstanders van een monocultuur, de gesloten geesten, zij die deze stad een olievlek noemen, die omcirkelende fietstochten en marathons organiseren om ze op symbolische wijze af te bakenen en in te sluiten, heb ik altijd gewantrouwd. Je vindt zulke mensen zeker ook in Wallonië, maar vanwege mijn achtergrond (ik ben in Antwerpen geboren, in Limburg opgegroeid), ken ik de Vlamingen beter. Ik wens niet te veralgemenen. Ik heb het over Vlamingen met een gesloten mentaliteit, degenen die bang zijn voor ongeveer alles wat zich buiten hun huis en hun tuin afspeelt. Anders, zelfs gevaarlijk, mag ook, maar dan in de omlijsting van een scherm, op een podium of in een van de eerbiedwaardige kunsttempels.

De voorbije maanden en zeker sinds 22 maart kwam er vooral vanuit Vlaanderen veel kritiek op de Brusselse politieke en politionele structuren. De architectuur van de macht. Voor een keer ben ik het met die Vlaamse kritiek (die bijna unaniem is) eens. Brussel moet een bestuurlijke eenheid worden. Brussel moet één politiezone krijgen. Brussel zal behoorlijk bestuurd moeten worden, op elk gebied. Mobiliteit, sociale voorzieningen, veiligheid, ecologie, cultuur, et cetera moeten in alle wijken op dezelfde leest geschoeid worden, zonder de diversiteit uit het oog te verliezen. Dit is een absolute noodzaak. Hoe dit in de praktijk kan gebeuren, daar moet nu over nagedacht worden. Maar er mag niet getalmd worden. Bij de veranderingen en vernieuwingen, in volstrekte transparantie moeten alle inwoners van deze stad betrokken worden. Alle inwoners in alle wijken – van alle kleuren en talen en leeftijden. En waarom niet alle Belgen: Brussel is de hoofdstad van dit land. Want moet niet heel België hervormd worden? Ja, toch. Wat na de val van de muur in Duitsland kon, dat moet in dit kleine en welvarende land zeker kunnen. Ik zie Duitsland niet als de ideale staat, maar hij lijkt wel vrij goed te functioneren. Een goed voorbeeld is het dus wel.

Ik heb in Brussel gewoond van 1969 tot 1977 en sinds de zomer van 1991 ben ik hier niet meer weggegaan. Heb ik daarom recht van spreken? Ik denk het wel. De volgende dagen zal ik wat over mijn bijzonder negatieve ervaringen met de Brusselse politie vertellen. Die tonen aan dat de politiezones niet werken, dat veel in de doofpot wordt gestopt, dat er corruptie bestaat. Dat de politie niet kan (of kon) instaan voor de veiligheid van inwoners van deze stad. Dat zeer zwaar probleem hangt samen met de manier waarop Brussel bestuurd wordt. Negentien gemeenten met stuk voor stuk hun eigen kleine belangen kunnen onmogelijk goed samenwerken. Zelfs de vijf grote Amerikaanse maffiafamilies (zie The Godfather) spelen dat niet klaar. En op zulke families lijken de Brusselse baronieën zeker wel. Al schieten ze elkaar nog niet overhoop tijdens een of andere eredienst. Althans, daar heb ik geen weet van. Is deze vergelijking met de maffia overdreven? J. Edgar Hoover, FBI-directeur van 1935 tot 1972, ontkende dat de maffia een grote misdaadorganisatie was.

BRUSSEL 065.JPG

*wie over zijn arm wrijft kent een jaar lang geluk in de liefde, wie hem kust krijgt difterie.
Foto’s: Martin Pulaski, Brussel, 2013

ANDERE STEMMEN / OTHER VOICES

the indian-runner-3.jpg

Mag ik de lezer vragen zelf (mogelijke) verbanden te leggen tussen onderstaande fragmenten uit krantenartikels en songteksten?

“Mijn vrouw en ik gaan er al lang vanuit dat er aanslagen komen in Brussel. Het blijft schrikken als het echt gebeurt. Maar op het eind van de dag, is het ergste dat er geen lessen getrokken worden. Ik zie vandaag geen enkel teken dat onze politici tot inzicht gekomen zijn en een nieuw beleid gaan ontplooien. Ik zie meer van hetzelfde en dat belooft niet veel goeds. Niet voor onze burgers, niet voor burgers in andere werelddelen en al helemaal niet voor de democratie. Het is waarlijk een donkere dag.”

Ico Maly in De Morgen en WordPress

Ω

“Anderzijds dringt zich een pijnlijke vraag op: als de betrokkenen bij deze gruweldaden toch zo goed bekend waren bij de veiligheidsdiensten, hoe is het dan mogelijk geweest dat we hen niet hebben kunnen controleren en tegenhouden?”

Bart Eeckhout in De Morgen

Ω

“Er zijn meerdere problemen tegelijk, schrijft Weiss. Er is een onvermogen om de moslimgemeenschap te betrekken, te voorkomen dat delen van die gemeenschap in “enclaves” blijven wonen en alle samenwerking met de ordemachten afwijzen – of dat sommige moslims meer solidariteit tonen met hun vrienden die radicaliseren dan met het land waarin ze wonen. Daarnaast hebben de inlichtingendiensten niet voldoende mensen om alle sporen te volgen. Om nog te zwijgen van de zes politiezones in Brussel, die de samenwerking niet bevorderen, en de soms moeilijke uitwisseling van gegevens met buitenlandse diensten.”

Michael Weiss, aangehaald in een artikel van Rudi Rotthier in Knack

Ω

“Why Belgium? Why Brussels? Why Molenbeek? There are the usual factors – unemployment, discrimination, split-identities  – which explain the alienation of young Muslims in other European countries. In Belgium, they have been intensified by the country’s own divided identity as Dutch and French speakers have drifted further apart in the last two decades. Most Muslim youths in Britain or France do consider themselves British or French. What should a youth of Moroccan origin born in Brussels consider him or herself to be? A Fleming or a Walloon? Or a Bruxellois?At the same time, the division of the country in all but name has undermined  the national or federal institutions – including the police, justice system and intelligence services. Belgian politicians now think largely in terms of their “regions” or language communities, rather than problems on a national scale. The different branches of the police and security services have infamously poor communications with one another. Hans Bonte, the mayor of Vilvoorde, a suburban town outside Brussels, once called Belgium’s security arrangements “a perfect example of organised chaos.”A country which regards itself as supremely international has become dysfunctionally preoccupied with parish politics.”

John Lichfield, The Independent

Ω

“Me and Franky laughin’ and drinkin’ nothin’ feels better than blood on blood
Takin’ turns dancin’ with Maria as the band played “Night of the Johnstown Flood”
I catch him when he’s strayin’ like any brother would
Man turns his back on his family well he just ain’t no good.”

Bruce Springsteen, Highway Patrolman

Ω

I met two kind people on the road
I was parched and dry from the cold
I’ve been traveling four days and nights, sir
and I do want to thank you for the ride
and the soup your wife made tasted fine
if it’s all the same, I’ll be on my way at the next turn
‘cause I’m four days gone into running

Stephen Stills / Buffalo Springfield, Four Days Gone

“Ik zie elke dag zeer veel moslims die zich in mijn stad inzetten om radicalisme tegen te gaan. Zij worden vaak het hardst getroffen, en proberen hun kinderen te behoeden voor fanatisme. Wat is dat trouwens, de moslimgemeenschap? Die is zo divers en uiteenlopend. Deze zwarte dag is niet het moment om met de vinger naar een geloofsgemeenschap te wijzen. Dit bruut geweld heeft niets met godsdienst te maken.”
Hans Bonte, Knack

the indian runner.jpg
Afbeeldingen: The Indian Runner, Sean Penn