LEVEN EN DOOD VAN BRUNO ANQUINET

bruno en agnes

Hoe stuur je een hond door dit weer? Je hebt niet eens een hond. Of ben je zelf die hond misschien? Nee, natuurlijk niet. Maar waarom zit je dan zo te treuren als een hond? Te denken aan verwelking, aftakeling en dood. Waarom heb je de indruk dat dingen om je heen ondraaglijk zwaar zijn geworden? Kun je nog wel iets heffen? Je zou het eens moeten proberen, maar je zit op je stoel en wacht op woorden die niet lijken op gebrul of geblaf. Woorden die niet lijken op tranen, op afscheid, op dood. Maar dood is altijd dood, hoe je het ook draait of keert.

Je moet je vermannen. Je kunt zo mooi over de dood van zangeressen, zangers en muzikanten schrijven, wordt soms gezegd. Waarom dan niet over de broer van je vrouw? De avonturier, als Odysseus ooit, met een beschadigd hoofd teruggekeerd uit Griekenland, waar hij jaren lang woonde, op het eiland Mykonos, waar hij Griekse mythen schilderde op de wanden van restaurants waar de toeristen vrolijk zouden komen wezen. Je schone broer die de laatste jaren van zijn leven leefde als een plant. Maar dat is niet nauwkeurig geformuleerd. Een plant leeft als een plant, Bruno leefde als een zwaar beschadigde mens. Beschadigd, zoals zovelen onder ons door een andere mens of mensen. We zullen het nooit weten wat daar in dat Grieks dorp is gebeurd. De plaatselijke politie weet het niet of zegt het niet te weten. Inmiddels is de politie in dat dorp al lang vergeten dat er een Belgische schilder, genaamd Bruno, in zonnige armoede leefde. En de overige dorpelingen dan? De avonturier uit Brussel, met zijn fonkelende donkere ogen. De ogen van Bruno. Als ik gedronken had en we beluisterden bijvoorbeeld Mahlers vijfde symfonie – al zo lang geleden, tempus fugit – vond ik dat hij op een Griek leek. Meer dan tien keer op een avond riep hij met zachte stem yamas of yasou! En vulde de glazen nog eens bij.

Wees gerust, lezer, dit wordt geen biografie.

Na een faillissement, zijn zwarte Odysseus-baard was inmiddels grijs geworden, liet hij alles achter en vertrok naar Griekenland. Was hij er gelukkig? Misschien wel, misschien niet. Toen een ambulancevliegtuig – of hoe heet zo’n ding waar ze zwaar gewonden in vervoeren? – hem van Athene naar Brussel had teruggevlogen kon hij er niets meer over vertellen. Schilderen kon hij ook niet meer. Kon hij nog herkennen? Leek de wereld nog op de wereld? Meerdere jaren heeft hij zo beschadigd geleefd. Onlangs is hij ziek geworden, en zaterdag is hij gestorven. Bruno is dood. Bij mij – en zeker niet alleen bij mij –  heeft hij door te sterven veel sluimerends wakker geschud. Ik heb de voorbije dagen Rembetika beluisterd, het Griekse equivalent van de blues, liederen over misdaad, prostitutie, havencafés, heroine, tbc, dood en wanhoop. Maar, zoals alle droeve muziek, ontroerend en troostend. Denk maar aan het adagietto uit de vijfde symfonie van Mahler, dat Visconti zo terecht gebruikte in Dood in Venetië en dat eveneens te horen was tijdens de begrafenismis van Robert Kennedy.  Ik heb me echter vooral de momenten herinnerd die we samen hebben doorgebracht, meestal tijdens feesten, meestal in vrolijke stemming.

Ja, Bruno is dood. Hij doet me nu opeens denken aan een trouwe, brave hond. Een mensdier, geen plant. Had je Bruno gekend zou je hem nooit door dit weer hebben gestuurd. Dat was ook niet nodig geweest: een avonturier heeft geen schrik voor de wind en de regen.

Ω

Foto: Agnes en Bruno A.

WHEN THE MUSIC’S OVER…

sint pieters ziekenhuis

‘Boys don’t cry’ zongen de jongens vroeger, en dat is nog altijd het geval in wat wij de wereld noemen. Een wereld beheerst door George W. Bush, Arnold Schwarzenegger en andere gore helden. Kerels die zelf niet huilen, maar veeleer anderen willen doen huilen; het lijkt er zelfs op dat dergelijke sterke mannen de wereld willen vernietigen, met alle softies, dierenliefhebbers, asielzoekers, arabieren, kortom met alle mogelijke categorieën van ellendigheid die zij zich kunnen voorstellen erbij.
Ik heb gisteren urenlang gehuild, bijna de hele dag. Er waren vele redenen voor. Een reden was de toestand van de wereld, zoals hierboven al duidelijk werd. Een andere reden was dat ik mijn computer miste, dat dierbaar wezen (waar ik maandenlang mijn emoties in had geïnvesteerd). De dag voordien was mijn vriend Brecht het wezentje komen halen om het naar Antwerpen te brengen, waar Brechts vriend het zal proberen te herstellen. Het heeft een nieuwe ziel nodig, en misschien een nieuw hart. Zijn (of haar) geheugen is nog goed. Hoe lang dat zal duren weet alleen god, maar daar geloof ik niet in. Agata gelooft wel in god, maar ik niet. Ik geloof dat alleen Polen nog in God geloven, ik ben echter geen echte Pool. Ik doe maar alsof.

Bij het betreden van mijn kamer, zondagochtend, werd het mij droef te moede, om eens een oude uitdrukking te gebruiken. Ik dacht, ik zal wat lieflijke muziek opleggen, bij wijze van troost. Ik had onlangs speciaal een compilatie gemaakt van melancholische liederen, met dat doel – van troost in troosteloze dagen – voor ogen. Het derde lied was There’s Too Much On My Mind, van The Kinks, hier beneden, voorafgaand aan ‘Het Nieuwe Leven’ (een tekst die kennelijk te lang is, beweert een zekere Marlon, die overigens in ‘Het Nieuwe Leven’ zelf opduikt), aangehaald. Toen ik Ray Davies ‘there’s too much on my mind and there’s nothing i can say about it, there’s too much on my mind and there’s nothing i can do about it ’ hoorde zingen, werd het mij teveel. De tranen rolden over mijn wangen. En ik schaamde me niet. George W. en Schwarzenegger hadden mij gerust voor een keer mogen begluren.
Er zijn nog andere redenen, en ze zijn van zeer ernstige aard. Sommige kan ik onmogelijk onthullen, omdat ik het vertrouwen van mensen die me dierbaar zijn niet wil schenden. Vandaar ook die identificatie met het lied van Ray Davies: ik kan er niet over spreken. Eigenlijk denk ik dat ik er wel iets over zou kunnen zeggen, maar daarvoor heb ik tijd nodig, en die heb ik niet, aangezien ik thuis niet kan werken. Dit schrijf ik snel tijdens een vrij moment op het werk.

Mijn schoonbroer woonde in een klein dorp, op Mykonos, al een tiental jaren. Het is een goede kerel. Hij zou geen vlieg kwaad doen, zoals de mensen zeggen. Zowat een maand geleden heeft iemand hem in dat lieflijke dorp de kop ingeslagen. Schedelbreuk, twee weken coma. Mijn schoonbroer was met niets in orde. Ook niet met het ziekenfonds. Met de helikopter van Mykonos naar een beter ziekenhuis in Athene werd hij gevoerd. Maar was het een goed ziekenhuis? We betwijfelen het. Vervolgens werd hij met een speciaal vliegtuig van Athene naar Sint-Pieters hier in Brussel overgebracht. Dat gaat veel geld kosten aan de familie. Maar veel erger is zijn toestand. Kan er nog iets, of is het een stand die toe is? Zal hij ooit nog kunnen praten, lachen, lopen? We maken ons daar veel zorgen over. We zijn van streek. A, die zo al zelden echt gelukkig is – waarom weet niemand, waarom zijn sommige mensen toch zo ongelukkig? – is van streek. Het ongeluk heeft haar familie eens te meer getroffen. Een Griekse tragedie.

Gisteravond tegen wil en dank naar Steve Wynn & the Miracle 3. We hadden vrijdagavond al kaartjes voor Julius C. van Dood Paard in de la laten liggen. Ik dacht echter dat die muziek ons zou opbeuren, een mooiere wereld voor ons zou openen. Dat was ook mogelijk geweest, omdat Steve Wynn daartoe in staat is, met zijn aanstekelijke songs, met zijn opgewekte, dynamische melodieën, met zijn jong-dylaneske stem en vloeiende gitaarlijnen. Met zijn positieve punk attitude. Is dat laatste een tegenspraak? Voor mij althans niet. Zoals te verwachten was heeft de muziek ons niet opgebeurd. A’s gevoelens hebben het begeven, haar zenuwen hebben het begeven, haar gezond verstand heeft het begeven. Haar vermogen om plezier te maken is omgeslagen in afschuw en haat. The horror! In grote droefheid, misnoegdheid en verontwaardiging zijn we huiswaarts gekeerd. Vreemden voor elkaar, niet in staat elkaar te troosten, elkaar het onzegbare te zeggen. Niet in staat om lief te hebben. Nooit in mijn leven heb ik zo verlangd naar een machine als gisteravond na dat concert. Maar wat had ik met die machine kunnen doen? Ik was verblind door het leven, sprakeloos, verlamd. Zou ik ooit nog kunnen spreken? En was dat van enig belang?