RUSTIGE DAGEN, MOMENTEN VAN GELUK

cof_vivi

Ook vandaag kan ik de keren dat ik sinds begin maart de deur uit ben geweest op de vingers van je handen tellen, je duimen buiten beschouwing gelaten. Die laat ik je om te duimen op een goede afloop. Of wat dacht je? Hoewel we met z’n allen maar al te goed weten dat het nooit goed afloopt.

Toch zijn er de voorbije weken momenten geweest dat ik zat te huilen van geluk vanwege de stilte die over deze wereld is gekomen. Ik hoor alles zoveel beter nu, vooral de vogels in de tuinen achter onze woning. Dank zij die nieuwe stilte zijn de geluiden mooier en bijna overrompelend in hun muzikaliteit. Ik zou er veel voor over hebben om nu componist te zijn. Maar dan wel een heel stille componist, iemand die alleen maar noteert om later, als het lawaai er weer is, de muziek van die vroegere nieuwe stilte vorm te geven.

Ik zie ook beter. Eerst de bloesems aan de bomen, ook in diezelfde tuintjes en één keer in een klein park hier in de buurt, en daarna de vele schakeringen van het groen van de bladeren aan de bomen in het Astridpark en als ik beneden ben en daar door het raam kijk om te zien of mijn geliefde nog niet op komst is, met haar rode trolley gevuld met gele bananen en rode paprika’s en groene prei en oranje wortelen, de bladeren aan de oude vertrouwde bomen in onze straat.

Op een middag was er brand in een van bijgebouwen van de huizen die aan de straat achter die tuintjes van het vogelgefluit gelegen zijn. Het vuur laaide heel snel op, de vlammen rood en oranje, zwarte rook bijna loodrecht naar blauwe lucht, waar ik kort tevoren een schaars vliegtuig had zien vliegen. Een brand is altijd angstaanjagend, maar deze was voor mij tegelijk een voorstelling met een metafysische lading. Een oerscène, zou ik het durven te noemen. De brandweerlieden, hoe klein ze ook waren in vergelijking met het bijgebouw en het vuur, hadden het vuur gauw onder controle. Er waren voor het eerst in lange tijd meerdere mensen in de tuintjes verschenen. Sommigen stonden op ladders om het schouwspel beter te kunnen zien. Nu was het weer rustig. De zwartgeblakerde muur van het bijgebouw stond er alsof hij er altijd zo had gestaan, donker en grauw als na een vergeten oorlog.

Graag zou ik een keer voor de voordeur gaan zitten, op een oude stoel, met een kussen achter mijn rug en een biertje op de grond. Ja, zoals dat lang geleden werd gedaan in de dorpen, maar ook in sommige wijken van onze steden. Maar zelfs deze pandemie heeft dat gebruik niet doen heropleven. Bovendien moeten we, willen we ons een beetje veilig voelen, een, twee, drie meter afstand houden en nogal wat voorbijgangers zien er als dokters of struikrovers uit, en daar valt maar moeilijk mee te praten. Overigens heb ik dat soort wandelaars liever dan degenen die doen alsof er niets aan de hand is en lustig in het rond spuwen.

Ja, enkele momenten ben ik op die wijze gelukkig geweest. Mag ik het diep noemen? Diep gelukkig? Het huilen dat ermee gepaard ging was van verdriet. Een schuldgevoel overmande me bijna meteen: man, hoe kun je gelukkig zijn als anderen zo lijden en in ziekenhuizen en instellingen liggen te sterven? Terwijl ik aan dat lijden van de anderen denk word ik bang voor het lijden en de dood die mij ook te wachten staan, hopelijk nu nog niet, maar ooit op een dag…

Deze rust zal gauw voorbij zijn. Vandaag hoor ik al wat lawaai van auto’s, bussen… Liefste, met je mooie vingers en duimen, laten we nog even zo blijven. Laat het bruisende leven nog wat wachten, evenals het gebrom van de bulldozers in het Astridpark en het geraas van de zaagmachines van de boomvijanden. Mag ik nog even vergeten dat ik mogelijk nooit meer naar Santa Fe zal kunnen reizen, zelfs niet naar Amsterdam, naar Spa, naar het centrum van mijn stad? Ja, in deze zo kortstondige stilte wil ik vergeten dat ik net als tienduizenden soortgenoten aan een zuurstofapparaat gekoppeld zou kunnen liggen. Deze stilte van het groen en van de duizenden vogels in onze dierbare lucht. Hun moeilijk te vatten gezang.

 

FERNANDO PESSOA, EEN GESCHENK

PESSOA1.jpg

Deze ‘culturele genealogie’ verschijnt hier niet zonder horten en stoten. Prettige herinneringen worden soms verdrongen door het opeens weer opduiken van droeve gebeurtenissen, van frustraties, mislukkingen, van ziektes en overlijdens van familieleden en vrienden. Hoe dan ook wilde ik dit verhaal niet chronologisch vertellen, al krijgt mijn jeugd er een belangrijke rol in toebedeeld.

Het is 1978, ik woon al een jaar in de Dolfijnstraat in Antwerpen. Misschien is het zomer, ik heb er het raden naar. We hadden daar aan de Dageraadsplaats via vrienden in 1977 een klein huis kunnen huren en leefden er arm maar redelijk gelukkig. Het was een huis waar je je meteen goed voelde, ook al hebben we er niet altijd fraaie dingen meegemaakt.  Alleszins heb ik daar vaak feest gevierd, veel gelezen en veel geschreven. Wat mij dreef – benevens een innerlijke noodzaak – was het tijdschrift voor filosofie Aurora. Daar kon ik met mijn nogal experimentele teksten terecht – zelfs een essay over Hölderlin werd er aanvaard. Vreemd genoeg kende ik bijna niemand die ooit van de grote dichter had gehoord. Hölderlin en Rimbaud pasten helemaal in mijn manier van denken en ik wilde ook leven als zij, onverschrokken, gevaarlijk, onderzoekend, bovenal in dienst van het woord. Wilde ik beroemd worden? Dan had ik wel heel slechte voorbeelden gekozen. Van beide dichters verscheen tijdens hun leven één dun boek.

In de boekenbijlage van Vrij Nederland lees ik dat jaar een artikel over een mij volstrekt onbekende Portugese dichter: Fernando Pessoa. Iedereen kent nu zijn verhaal, zijn spel met de heteroniemen, zijn eenzaamheid, zijn alcoholisme, zij Lissabon, maar in die dagen was het een man van en voor ingewijden. Niemand lag wakker van die bizarre Portugees. Ik kende zelfs nauwelijks iemand die geïnteresseerd was in Portugal, dat kleine, arme land. Na lectuur van het artikel ging ik in de bibliotheek in de Lange Nieuwstraat op zoek naar een boek van de dichter, maar vond volstrekt niets. Ook in de boekwinkels ving ik bot. Ik zette Fernando Pessoa en zijn heteroniemen uit mijn hoofd en ging door met mijn werk en mijn extases.

Op een dag in maart 1980, ik werkte toen op de redactie van het hierboven genoemde Aurora, kwam mijn toenmalige boezemvriend en drinkebroer Jos Dorissen het kantoortje binnen met een vierkant boek in zijn rechterhand. Ik had net deze twee zinnen in mijn dagboek genoteerd:
“Wij hebben ervan afgezien een onderscheid te maken tussen lichaam en geest. Maar zijn we aan dat dualisme voorbij? De geschreven taal immers is er nog helemaal van doordrongen, en zeker het spreken.”
Geen idee naar aanleiding van wat ik dat schreef, maar het is wel een mooie coïncidentie. Jos overhandigde me meteen dat boek: ‘Fernando Pessoa. Gedichten. Vertaling August Willemsen’. Twee jaar eerder uitgegeven bij De Arbeiderspers in Amsterdam. “Je hebt Pessoa!”, riep ik uit en sloeg het mooi uitgegeven werk op een willekeurige plek open en las dit:

“Ik heb gefaald in alles.
Daar ik nooit één plan gemaakt heb, was alles misschien niets.
De wijze lessen die men mij gegeven heeft
Heb ik verlaten door het achterraam.
Ik ging het land op vol van grote plannen.
Maar daar vond ik alleen gras en bomen,
En als er mensen waren, waren die net als de anderen.
Ik keer van het raam af, ga zitten in een stoel.
Waar zal ik eens aan denken?”*

Gelukkig zat ik zelf ook in een stoel, zoniet was ik omver gevallen. Dit was het, dit was de poëzie waar ik van gedroomd had. Walt Whitman, maar dan door en door modern. Zulke gedichten wilde ik zelf ook schrijven, even melancholisch, even echt en waar, even tijdloos, even eenvoudig – en voor altijd modern. Maar zou ik het ooit kunnen? Het fragment dat ik gelezen had was van Alvaro de Campos, een personage dat Pessoa heeft gecreëerd, wellicht om orde in de chaos van stijlen en vormen te brengen (lyrisch, elegisch, episch, dramatisch). Naast Alvaro de Campos zijn Pessoa’s bekendste personages of heteroniemen Alberto Caeiro en Ricardo Reis; maar er zijn er meer. De dichter schrijft er zelf het volgende over: “Men moet in geen daarvan ideeën of gevoelens van mij zoeken, want vele ervan drukken ideeën uit die ik niet aanvaard, gevoelens die ik ooit heb gehad. Men moet ze eenvoudig lezen zo als ze zijn, hetgeen trouwens is zoals men moet lezen.” In die twee stappen is Fernando Pessoa, de moderne dichter bij uitstek, in mijn leven gekomen en er gebleven: eerst via een krantenartikel en wat later, doorslaggevend, dankzij de empathische vriendschap van Jos D. Ik heb tot juli 1988 moeten wachten eer ik voldoende geld had om naar dat arme land te reizen en vooral naar die mooie witte stad aan de Taag, Lissabon, de stad van Fernando Pessoa. Sindsdien is het samen met Porto de plaats waar ik me het meest thuisvoel. Luiheid en een slecht geheugen hebben me belet om de mooie Portugese taal te leren, wat ik eigenlijk een schande vind. Maar zo is het leven en zo is mijn karakter.

PESSOA 3.jpg

Het toeval wil dat Jos D., aangespoord door mijn enthousiasme, in augustus van dat jaar zelf naar Lissabon reisde. Op 25 augustus in de vroege ochtend werd hij samen met de andere gasten geëvacueerd uit een pension in het Chiado. Enkele uren later had een hevige brand een belangrijk deel (8000 m²) van Lissabon verwoest.
Maar sindsdien leeft Fernando Pessoa er meer dan ooit tevoren. Op het Chiado verwelkomt zijn standbeeld de toevallige passanten en de bezoekers van ‘Café A Brasileira’, waar de dichter zelf ooit een stamgast was.

[Met dank opgedragen aan de nagedachtenis van Jos Dorissen, die me in 1980 Fernando Pessoa cadeau gaf.]

a brasileiro.jpg

Foto onder: Café A Brasileira, Martin Pulaski, 11 november 2009.
*Fragment uit: ‘Sigarenwinkel’,  Alvaro de Campos