INFERNO, CANTO XXXIII

ugolino-2.jpg

Ruggieri degli Ubaldi, aartsbisschop van Pisa en leider van de Ghibellijnen in die stad, bracht graaf Ugolino della Gherardesca, uit dezelfde stad, verraderlijk ten val. In 1288 liet de aartsbisschop Ugolino met zijn twee zoons, Gaddo en Uguccione, en zijn twee kleinzoons, Brigata en Anselmo, opsluiten in de klokkentoren van het Palazzo dell’Orologio. Daar kwamen alle vijf van honger om. Deze tragische geschiedenis vertelt ons Dante in de drieëndertigste zang van ‘de hel’ in zijn ‘Goddelijke Komedie’. Kunnen we ons de eeuwigheid voorstellen? Zo lang kauwt in de tweede regio van de negende kring Ugolino aan de schedel en de nek van aartsbisschop Ruggieri:

Dante en zijn gids Vergilius

… gingen heen en zagen met ontzetting
twee schimmen, in een bijt zo vastgevroren,
dat de een z’n hoofd tot hoed voor ’t andere strekte.
En evenals men brood verslindt bij honger,
zo beet die boven lag gestaag in de andere,
waar nek en hersenpan zich samenvoegen.

Ik weet niet waar ik het vandaan haalde, maar vroeger dacht ik dat Ugolino van het levend vlees van zijn kinderen en kleinkinderen had gegeten. Waarom zat de graaf anders zo diep in de hel; was dat dan slechts de straf voor zijn wraakzucht?

Bij Dante vraagt een van de kinderen zelf om de vader tot voedsel te dienen:
‘O, vader, minder, minder werd ons lijden,
als ge at van ons; hebt gij ons eens omhangen
met dit armzalig vlees, neem gij ’t ook weder.’

De vader weigert daar uiteraard op in te gaan en ziet de kinderen vervolgens de een na de ander sterven. Daarna gebeurt dan toch het onuitsprekelijke, dat Dante desondanks onder woorden brengt:

En blind reeds, zocht ik ze één voor één te strelen
en riep ze nog drie dagen na hun scheiden.
En sterker dan de smart bleek toen de honger.

Kennelijk was mijn verbeelding gruwelijker dan de werkelijkheid, of toch zeker gruwelijker dan de verbeelding van Dante. Ruggieri had wel van het vlees van zijn kinderen en kleinkinderen gegeten, maar pas na hun dood en na dagen van diepe smart. Is dood vlees van je kinderen eten minder erg dan als het nog levend is? Wie zal daarover oordelen? Het is kannibalisme van de ergste soort, de overschrijding van een grens die niet eens zou mogen bestaan, het doorbreken van een taboe dat zwaarder weegt dan wat Oedipus deed.

In zijn gedicht ‘The Tower Of Famine’ verwijst Percy Bysshe Shelley, die samen met zijn vrouw Mary Godwin en Claire Clairmont enige tijd in Pisa woonde, zijdelings naar de gruwelen. In een voetnoot van Shelley (of van Mary, dat is onduidelijk) lezen we het volgende: “At Pisa there still exists the prison of Ugolino, which goes by the name of ‘La Torre della Fame’; in the adjoining building the galley-slaves are confined. It is situated near the Ponte al Mare on the Arno.”

De Shelleys en Claire Clairmont woonden aan de Lung’Arno Galileo Galilei op de bovenste verdieping van  wat Tre Palazzi di Chiesa heette, met uitzicht op de Ponte Fortezza. Door hun ramen konden ze Lord Byrons Palazzo Lanfranchi zien, aan de overkant van de Arno. Maar op die romantische geschiedenis, hoewel heel wat boeiender dan Witse, ga ik hier niet dieper in. Later misschien. Ik heb er veel notities over. In de jaren zeventig was ik verslingerd aan de romantische beweging en de vrije liefde. Meermaals ben ik in die dagen naar Pisa en Firenze gelift.

Dat is allemaal lang geleden, nu lijken alle minuten, alle dagen op elkaar. Borges echter, of zijn personage Villari, beweert in het verhaal ‘Het wachten’ “dat er geen dag is, zelfs niet in de gevangenis of het ziekenhuis, die geen verrassing brengt, die tegen het licht gehouden geen netwerk vol piepkleine verrassingen vormt.” Niet toevallig speelt ook in dat verhaal de ‘Divina Commedia’ een rol. Villari, die aan hevige tandpijn lijdt, begint “stelselmatig in dat kapitale werk te lezen; voor het eten las hij een canto en vervolgens, in strikte volgorde de noten. Hij achtte de helse pijnen niet onwaarschijnlijk of buitensporig en dacht niet dat Dante hem zou hebben veroordeeld tot de laatste kring, waar Ugolino’s tanden onophoudelijk knagen in Ruggieri’s nek.”

ugolino-doré.jpg

En zo blijkt weer dat alles met alles samenhangt en vooral dat het aantal verhalen eindeloos is. Maar de werkelijkheid? Net zoals er nog resten bestaan van Ugolini en zijn kinderen – ze werden opgegraven – bestaan er nog resten van de Gherardesca-familie. In 2002 voerde de paleoantropoloog Francesco Mallegni DNA-testen uit op de dode resten en vergeleek ze met het levende DNA van de nazaten. Het onderzoek leverde geen enkel bewijs voor kannibalisme. Het toont zelfs aan dat Ugolino in de maanden voor zijn dood helemaal geen vlees at. Bovendien was hij stokoud: hoe kon hij langer in leven blijven dan zijn kinderen en kleinkinderen?

Ω

Geraadpleegde werken:

Dante, De goddelijke komedie (vertalingen van Christinus Kops en Frans van Dooren), De Nederlandsche Boekhandel, Ambo Olympus

Dante, La divine comédie. Index. Avec une introduction à la Bibliographie Dantesque, par Alexandre Masseron, Editions Albin Michel

Shelley, Poetical Works, Oxford University Press

Richard Holmes, Footsteps: Adventures of a Romantic Biographer, Hodder and Stoughton

Jorge Luis Borges, ‘De Aleph en andere verhalen’, De bezige bij

IMG_9724.JPG

Tekeningen: Gustave Doré

Foto Pisa, Piazza dei Cavalieri, Palazzo dell’Orologio: Martin Pulaski, juli 2014

 

 

DE ANATOMIELES VAN DOCTOR NICOLAES TULP

The_Anatomy_Lesson.jpg

Ik was al een heel eind gevorderd in ‘De ringen van Saturnus’, het eigenzinnige verslag van een pelgrimage door het Oost-Engelse graafschap Suffolk, met onverwachte zijsprongen naar bijzondere momenten in de wereldgeschiedenis, naar ongewone aspecten van het dagelijks leven, naar zonderlinge personen, naar vergeten wetenschappers en schrijvers, evenals naar grote voorbeelden als Flaubert, Jorge Luis Borges, Descartes en Joseph Conrad, eer ik me afvroeg wanneer nu eindelijk Hölderlin aan bod zou komen. Want ik wist dat dat zou gebeuren: het gaat bij zo’n weten bijna altijd om een sterk aanvoelen, een vermoeden; ‘Ahnung’ is een woord dat Hölderlin zelf graag gebruikt, vooral dichters hebben zulke sterke vermoedens, voorgevoelens, bijvoorbeeld van ‘het heilige’.

Een dag voor ik ‘De ringen van Saturnus’ begon te lezen had ik de Duitse film ‘Barbara’ van Christian Petzold gezien, met de mooie en geweldige actrice Nina Hoss. Het verhaal vertelt de geschiedenis van een vrouwelijke arts die Oost-Duitsland wil verlaten maar daar door een aantal pijnlijke voorvallen – en door verliefdheid – niet in slaagt. De film bevat meerdere lagen, de laag van ‘The Adventures Of Huckleberry Finn’, die van ‘De anatomieles van doctor Nicolaes Tulp’ van Rembrandt, en is doordrongen van paranoia, achterdocht, verraad, pijn, ziekte en liefde.

NINA HOSS2.jpg

Op pagina twintig van ‘De ringen van Saturnus’ las ik over Thomas Browne, die in Leiden de graad van doctor in de geneeskunde behaalde. Tot mijn grote verbazing vermeldt Sebald daar dat Browne zeer waarschijnlijk bij de anatomieles van doctor Nicolaes Tulp, zoals vereeuwigd door Rembrandt, aanwezig was. Op de volgende twee bladzijden trof ik een reproductie aan van het werk, zoals er ook een in het laboratorium in ‘Barbara’ aan de wand hing. Net als de collega van Barbara – een verklikker voor de Stasi – gaat Sebald dieper in op het werk, vooral op de ongerijmdheden ervan.

Dat Sebald wat later aandacht schenkt aan Borges’ ‘Boek van de denkbeeldige wezens’, een van de werken die ik koesterde toen ik nog veel moest leren, verbaast mij al niet meer. Ik lees door en laat me verrassen, door elke zin, door elk woord.

Ik was al een heel eind gevorderd en dacht nauwelijks nog aan Hölderlin. Op pagina 178 begeeft Sebald zich naar het plaatsje Middleton, waar hij de schrijver Michael Hamburger wilde opzoeken, die daar toen al bijna twintig jaar woonde. Michael Hamburger is me niet onbekend: ik las zijn werk over moderne poëzie ‘The Truth Of Poetry’ in dezelfde periode als ‘Het boek van de denkbeeldige wezens’ en wist dat het hier nog ergens moest rondslingeren. Het bevond zich helemaal op de laagste plank van een rek in de donkerste hoek van mijn kamer. Eerst moest ik een stapel tijdschriften opzijschuiven, waaronder een exemplaar van ‘Photo’ met een zich masturberende Madonna op de kaft. De foto’s – uit haar boek ‘Sex’ – zegden mij niets meer, ze waren hopeloos gedateerd. Hadden ze mij ooit opgewonden?
J’aime ma chatte. Parfois je contemple dans la glace quand je me déshabille en me demandant à quoi elle ressemblerait sans plus de poils que quand j’étais bébé?

madonna sex2.jpg

Ik las de korte biografie in de Pelican-uitgave van Michael Hamburger. Net als Sebald een émigré woonachtig in Groot-Brittannië, maar van een oudere generatie. In 1933 uit Duitsland gevlucht. Docent aan de universiteiten van Londen en Reading, dichter, vertaler van Baudelaire en Hölderlin. Nu zouden we het krijgen… Op pagina 184 bij Sebald las ik: “Dagen- en wekenlang breek je je tevergeefs het hoofd, je zou geen antwoord weten op de vraag of je blijft schrijven uit gewoonte of uit geldingsdrang, of omdat je niets anders geleerd hebt, of uit verwondering over het leven, uit waarheidsliefde, uit wanhoop of verontwaardiging, en ook zou je niet kunnen zeggen of je van het schrijven nu wijzer of dwazer wordt.” Hier kan alleen maar een excursie naar de wereld van Hölderlin op volgen, naar de man die zijn brieven unterthänigst ondertekent met de naam Scardanelli, met zijn zeer geciviliseerde gasten die hem als een zeldzaam dier in een kooi gevangen kwamen begluren en hem desondanks aanspraken met Uwe Hoogheid en Majesteit. En Sebald besluit dit stuk met: “Welke tijdspanne kunnen geestverwantschappen en analogieën overbruggen? Hoe komt het dat je in een ander mens jezelf ziet en zo niet jezelf, dan toch je voorganger?”

michael hamburger.jpg

Een dag later las ik het fragment over het schrijven voor aan mijn psychiater. Ik geloof dat het de eerste keer was – sinds augustus 1997 – dat ik haar iets voorlas. De hele context en reikwijdte scheen ze niet te bevatten. Ik geloof niet dat ze Sebald, Hölderlin, Borges, kent. Maar ze weet alles over duizelingen en wanhoop. Ik besef nu wel dat schrijven voor jou existentieel is, zei ze. Schrijven is je identiteit, zei ze. Dat vond ik goed, dat iemand die ik zo goed ken en tegelijk helemaal niet ken me zei dat schrijven mijn identiteit is. Maar wat maakte me dat opeens bang.

WEER EEN NIEUWE WEERLEGGING VAN DE TIJD?

borges_1921.jpg
De jonge Jorge Luis Borges, een momentopname.

Ik hecht veel meer waarde aan de commentaren van zoveel lieve en tedere en aandachtige mensen (op flickr) dan aan mijn eigen foto’s. Daarom, ik herhaal het, heb ik die zo vluchtige reacties op een foto uit 1968 in de tekst van 1-11-11 even aan de vergetelheid willen onttrekken. Het gaat echt niet, in zoverre ik dat kan weten, om een narcistisch oprakelen van een voor mij idyllische tijd. Ik ben niet die jongen op de foto. Ik ben een andere, en dat moment is voor goed vervlogen. Evenmin was het een idyllische tijd. Ik geloof dat niemand ongelukkiger is dan een tiener, een jongen of een meisje van zeventien. En ik geloof nu dat in 1968 alle jongeren ongelukkig en ontevreden waren. Vandaar zoveel onrust, opstandigheid, escapisme. De beste mensen van mijn generatie gingen aan wanhoop en frustatie ten onder, om even Allen Ginsberg te parafraseren.

Woorden van waardering en liefde worden gauw vergeten. Ze aan de vergetelheid onttrekken? Onbegonnen werk, misschien, net zoals Borges’ ‘Nieuwe weerlegging van de tijd’. Bij Borges heb je vaak die tegenstelling tussen het vergankelijke en de eeuwigheid, de tijd die duurt, en doordat hij duurt ook vloeit en voorbijgaat, en het moment dat eeuwig lijkt, omdat het niet duurt, niet vloeit, omdat het stilstaat.

Wij denken niet graag na over onze vergankelijkheid, kunnen ons niet voorstellen dat we er op een dag niet meer zullen zijn. We blijven plannen maken, al gauw is onze agenda voor een heel jaar ondergesneeuwd. Reizen, ontmoetingen, afspraken waarvan je zeker lijkt te zijn, maar die als drijfzand zijn, als onmogelijk te tellen zandkorrels op een vertrouwd strand. Nee, zandkorrels worden niet geteld, evenmin als haren. Zandkorrels nemen de golven mee naar niet vertrouwde streken, haren worden grijs en vallen uit. Om de tijd te trotseren draag je dan nog even een hoed. Of je wist de wilde dagen uit met wat plastische chirurgie. In een erger geval met niet-plastische chirurgie. Het zand raakt ondergesneeuw, onze agenda’s vergelen in het zonlicht. Wij ademen de maan in en de sterren, maar ook dat duurt niet lang. Elk moment heeft zijn tijd en wat gebeurt en gebeurd is valt niet te weerleggen.

Wat een dom idee om mooie woorden, wensen en gedachten te willen onttrekken aan de tijd, de tijd die met zijn momenten de eeuwigheid nabootst.

HET PLEZIER VAN OPSOMMEN EN CITEREN

borges,kierkegaard,opsomming,citaat,pierre menard,mozart,don juan,citeren,labyrint,spiegelbeeld

Het plezier van het citeren en het opsommen vind je bij veel auteurs. Mij doen de opsommingen en citaten van Jorge Luis Borges soms schateren. Een mooi voorbeeld van een dergelijke opsomming is ‘Chinese Fauna’ in ‘Het boek van de denkbeeldige wezens’, dat als geheel al een opsomming is.
Bekend is het verhaal ‘Pierre Menard, schrijver van de Don Quichotte’, waarin Borges de werken van de ‘obscure’ schrijver Pierre Menard opsomt in een lijst van A tot S. Het belangrijkste werk van Pierre Menard, zo betoogt Borges, was de Don Quichotte, die woordelijk geheel hetzelfde is als de beroemde ridderroman van Cervantes. “De tekst van Cervantes en die van Menard zijn woordelijk gelijk, maar de tweede is bijna oneindig veel rijker. (Dubbelzinniger zullen zijn tegenstanders zeggen; maar dubbelzinnigheid is een vorm van rijkdom.).” De stijl van Menard verschilt wel van die van Cervantes: “De stijl van Menard die naar het archaïsche overhelt – tenslotte is hij vreemdeling – lijdt aan een lichte geaffecteerdheid. Zo is het niet met zijn voorganger, die vrijmoedig het gangbare Spaans van zijn tijdperk hanteert.” Dit vind ik buitengewoon grappig.
De inval van Borges was niet nieuw. Want wat lezen we in Kierkegaards ‘Of/of’? “De muziek heeft (…) een tijdsmoment in zich, maar verloopt toch niet in de tijd tenzij in oneigenlijke zin. Het historische element van de tijd kan ze niet uitdrukken.
De volmaakte eenheid van deze idee en de eraan beantwoordende vorm bezitten we in Mozarts Don Juan. Maar juist omdat de idee zo enorm abstract is, en ook het medium abstract is, is het niet waarschijnlijk dat Mozart ooit een concurrent zal krijgen. Mozart had het geluk dat hem een stof in handen viel die in zichzelf absoluut muzikaal is, en als een andere componist met Mozart zou willen wedijveren, zou er voor hem niets anders opzitten dan Don Juan nogmaals te componeren.” De tekst van Kierkegaard is natuurlijk niet grappig, maar uitermate ernstig.

LABYRINT EN FILM

annee derniere a marienbad

“In geen enkele film is de doolhof die gevormd wordt door bewustzijn en herinneringen zo krachtig in beeld gebracht en geanalyseerd als in dit meesterwerk” lees ik in een filmencyclopedie over ‘L’année dernière à Marienbad’ van Alain Resnais. Het scenario voor de film was van Alain Robbe-Grillet, de godfather van de nouveau roman. Als basis gebruikte Robbe-Grillet Adolfo Bioy Casares’ roman ‘De uitvinding van Morel’, een van mijn uitverkoren boeken. Het is een roman waarin weinig gebeurt en geen echt verhaal wordt verteld. Bioy Casares was overigens een goede vriend van Jorge Luis Borges, de bedenker van honderden labyrinten.

De uitspraak uit de encyclopedie, die geheel terecht is, heeft me aan het denken gezet – over doolhoven of labyrinten. Een drietal dagen geleden gebruikte ik de metaforen ‘wespennest’ en ‘labyrint’ om mijn weblog mee aan te duiden. Aangezien ‘L’année dernière à Marienbad’ een van mijn tien favoriete films is en bovendien de enige die ik zelf heb geprojecteerd tijdens mijn zeer korte carrière als filmoperator in de bioscoop, kan dat geen toeval zijn. Voor een deel is mijn wereldbeeld gevormd door die film, en uiteraard door nog heel wat andere films. Mijn wereldbeeld is labyrintisch omdat veel van die films, niet alleen ‘L’année dernière à Marienbad’, labyrintisch zijn.

Het aantal meesterwerken waarin de protagonisten ronddwalen in letterlijke of figuurlijke doolhoven kan ik niet op tien vingers tellen. Toch zal ik me, omdat ik het niet kan laten, aan een korte opsomming wagen:
‘The Shining’ van Stanley Kubrick bevat zowel het innerlijke labyrint van de schrijver als het uiterlijke labyrint in de tuin, en het huis waar de schrijver gek in wordt is ook een labyrint; ‘Satyricon’ van Fellini is een afdaling in het labyrint van de onderwereld; ‘Barbarella’ van Roger Vadim toont de toeschouwer een labyrint vanuit de hoogte gezien, met Barbarella op de rug van een Engel; ‘Zabriskie Point’ van Antonioni is een trip door en boven een labyrint in Death Valley, waar zich tevens de ‘absolute’ liefde voltrekt; in ‘L’avventura’, ook van Antonioni, verdwijnt Monica Vitti op een eiland dat een waar labyrint is; in ‘Rear Window’ van Hitchcok is het gebouw met de vele kamers aan de overkant het labyrint, samen met James Stewart krijgt de toeschouwer een idee van wat zich in die kamers afspeelt; in ‘The Searchers’ van John Ford worden sneeuwlandschappen, de woestijn en vooral Monument Valley als labyrinten voorgesteld; in ‘Der Engel über Berlin’ van Wim Wenders wordt Berlijn een labyrint genoemd, “waar je ook gaat, je stuit altijd op de Muur” zegt Curt Bois in deze film uit 1987, maar ook nu de muur al lang is afgebroken stuit je er nog op; Hitchcocks ‘Vertigo’ is een spiraal, maar een spiraal is in zekere zin ook een labyrint. Hier beëindig ik mijn opsomming, want is niet elke film een labyrint?
Of zoals Anton Haakman schrijft in ‘Achter de spiegel’: “Een doolhof van optische illusies, dat is natuurlijk een uitstekende aanleiding voor het illusionistische medium film om zichzelf te kijk te zetten – en dat is uiteindelijk het enige waartoe ieder medium tot in de perfectie in staat is.”

Volgens de verteller in Borges’ ‘De twee koningen en de twee labyrinten’ is het bouwen van een labyrint waarin zij die er binnengaan verdwalen een onbeschaamdheid “omdat de verwarring en het wonder onder de bedrijvigheden vallen van een God en niet van de mensen.”

De foto hierboven komt uit de film ‘L’année dernière à Marienbad’. Merkwaardig is dat de menselijke figuren een schaduw werpen maar de bomen niet.

EEUWIGE TERUGKEER

éternel retour

Ik wil toch nog even terugkomen op de Oeroboros en de vicieuze cirkel. In de Wikipedia las ik dat vicieuze cirkel niet noodzakelijk een negatieve betekenis heeft. De term is afgeleid, zo staat er, van het Latijnse circulus viciosus, waarbij viciosus ‘wederkerig’ betekent. Het ene leidt tot het andere waarbij het andere weer tot het ene leidt. De verwarring ontstaat doordat ‘vicieus’ ook een afleiding kan zijn van het Latijnse vitiosus, ‘schadelijk’. Als gevolg van deze verwarring wordt de term tegenwoordig meestal wel als negatief opgevat. Aldus de Wikipedia. De Vicious Circle van Lou Reed is duidelijk een negatieve constructie, de eeuwige terugkeer van Nietzsche niet.

In ‘Het boek van de denkbeeldige wezens’ schrijf Borges over de Uroboros (zijn spelling) onder meer het volgende:

“Heraclitus had gezegd dat bij een cirkelomtrek het begin en het einde hetzelfde punt zijn. Op een Griekse amulet uit de derde eeuw die in het British Museum wordt bewaard, staat een afbeelding waardoor die oneindigheid beter voor ons wordt geïllustreerd: de slang die in zijn eigen staart bijt, of zoals Martinez Estrada het fraai zegt ‘die bij het eind van zijn staart begint’. Uroboros (hij die zijn staart verslindt) is de technische naam van dit monster die later door de alchimisten werd verspreid.”

De illustratie hierboven is een kopie van pagina’s 54 en 55 uit mijn exemplaar van Pierre Klossowki’s ‘Nietzsche et le cercle vicieux’. Ik lees daar nu het volgende:
Or, à partir de l’expérience de l’Eternel Retour, qui s’énonce en tant qu’une rupture de l’irréversible une fois pour toutes, se développe aussi une version nouvelle de la fatalité: celle du Cercle vicieux qui, précisément, supprime le but et le sens, le commencement et la fin se trouvant toujours confondus l’un dans l’autre.” Ook hier bijt de slang weer in zijn eigen staart.
De Britse filosoof Roger Scruton, die wat op Brian Jones lijkt, hoorde ik op televisie ooit beweren dat de zeventig jaar die je krijgt – in de veronderstelling dat je zeventig wordt – volledig de jouwe zijn. Ze zijn voor alle eeuwigheid van jou. In zekere zin is die gedachte zeer verwant aan de eeuwige terugkeer van Nietzsche, en zo zijn we terug bij de circulus viciosus en bij het begin dat tevens het einde is. Voorlopig toch.

LOU REEDS VICIOUS CIRCLE EN DE OEROBOROS

alchimie,herhaling,letteren,filosofie,lou reed,nietzsche,pierre klossowski,oeroboros,rilke,balthus,zarathoestra,borges,muziek,boeken,troost,radioIk draai in kringetjes. Op 3 februari dit jaar schreef ik ook al over de troost van de muziek en maakte ik zelfs een radioprogramma over de troost. Lijd ik aan geheugenverlies?

Ik ben als de Oeroboros van Borges en van de alchimisten, de slang die zichzelf in de staart bijt. Alleen heb ik niet echt een staart; ik heb niet meer dan een beentje. Maar ooit heb ik zeker een staart gehad en Nietzsche beweert dat alles terugkomt. Dat staat in Aldus sprak Zarathoestra, en het concept wordt bestudeerd in Nietzsche et le cercle vicieux van Pierre Klossowski. Klossowski is dan weer de broer van de onvolprezen schilder Balthus en er wordt tevens beweerd dat hij verwant zou zijn met Rainer Maria Rilke. Deze dichter had een relatie met Lou Andréas-Salomé, de enige vrouw die Nietzsche ooit heeft liefgehad. Of toch bijna. En zo is de cirkel weer gesloten.

En dan heb je de – als het over staarten gaat – altijd op de proppen komende Lou Reed, die zingt:
“You’re caught in a vicious circle
Surrounded by your so called friends
You’re caught in a vicious circle
And it looks like it will never end.”