DAVID CROSBY IS DOOD

It’s been a long time comin’
It’s goin’ to be a long time gone
But you know
The darkest hour
Is always, always just before the dawn
David Crosby

David Crosby is dood. Mythische helden sterven niet. Maar David Crosby was behalve een mythe ook een mens (zoals blijkt uit zijn autobiografie Long Time Gone). Zijn stem en zijn melodieën schonken mij – een halve eeuw geleden – van de allermooiste en warmste uren. Nu hij er niet meer is komen met zijn eigen songs, en met die waarop hij quasi perfect harmonie zong, intense herinneringen naar boven.

Ik hoorde hem voor het eerst op de transistorradio toen ik vijftien was. All I Really Wanna Do, een single van the Byrds. Mijn eerste grote liefde noemde ik in een romantische bui Guinnevere. Kort voor de geboorte van mijn zoontje kwam If I Could Only Remember My Name uit, een lievelingsplaat. Telkens als ik Laughing hoor, denk ik aan hoe Jesse in de Boomkwekerijstraat, toen nog een levendige zijstraat van de Naamsestraat, daar in het midden van de kamer in zijn wieg lag. Zijn met niets vergelijkbare, zachtzoete babygeur. Mijn toenmalige vriend Luc Deleu zie ik weer voor me als ik Traction in the Rain hoor, of Have You Seen the Stars Tonite van Paul Kantner / Jefferson Starship. Déjà Vu, in een stevige Amerikaanse klaphoes verpakt, is een koud, idyllisch voorjaar in Amsterdam.

De vroege platen van the Byrds, voorbeeldig en onovertroffen, roepen niet alleen Crosby’s moeilijke karakter op, maar ook zijn onmiskenbare inbreng in de sound van die baanbrekende band. Over de mythe doe ik er het zwijgen toe. David Crosby is dood.

LEVEN ZOALS HET WAS: BOOMKWEKERIJSTRAAT

1970-matti12

Vaak als ik the Everly Brothers beluister, meer bepaald de schitterende elpee ‘Roots’, waarop Ry Cooder, Clarence White en Randy Newman meespelen, denk ik terug aan mijn eerste vrouw, mijn zoon (toen een baby) en zeker ook aan mijn oude vriend Marc D. en aan die wonderlijke tijd van mijn eerste maanden in de Boomkwekerijstraat, boven de nightclub Les Anges Noirs van Fonseca. Marcs langspeelplaten, of toch een deel ervan, stonden bij ons in de salon tegen de muur. Hij maakte een lange reis door de Verenigde Staten, iets waar wij in die tijd alleen maar van konden dromen, wat we overigens heel vaak deden. Plaatsnamen als Mendocino en Mobile, Alabama bezaten een magische klank voor ons.

Wij leefden in de Boomkwekerijstraat in een luizige flat waar alleen maar liefde en armoede heersten. Dat luizig bedoel ik letterlijk. We hebben de beestjes met DDT moeten uitroeien. We wisten dat DDT een smerig goedje was, maar hadden weinig keuze. Luc, een andere vriend van ons, die bepaald rijke ouders had, kwam ons soms blikjes ganzenlever met truffel brengen. Dat mysterieuze voedsel aten we met een stuk bruin brood. En dan waren er die langspeelplaten van Marc om te ontdekken: ik herinner me de eerste van Crosby, Stills & Nash, een dubbele verzamelaar van Them (ik had slechts ep’tjes van Them, Gloria, Here Comes The Night, Baby Please Don’t Go, vlijmscherpe rock & roll is dat), maar bovenal herinner ik me ‘Roots’ van the Everly Brothers. Alleen al het nummer ‘I Wonder If I Care As Much’. Ja, ‘Roots’ was de mooiste uit de stapel, ik legde ze zeker één keer per dag op. Nu doe ik dat nog steeds zeker twee keer per jaar, terwijl ik kan kiezen uit een zesduizendtal vinyl grammofoonplaten en ongeveer evenveel cd’s. Vaak is die keuze trouwens moeilijk, en dan keer ik gewoon terug naar de oude vertrouwde stuff: Bob Dylan, Nico, Joni Mitchell, Fairport Convention, Nick Drake, Fred Neil, Tim Buckley, Randy Newman, the Byrds, Gene Clark en the Rolling Stones. En naar ‘Roots’ van The Everly Brothers, met hun hemelse stemmen.

1970-19

Een andere onvergetelijk plaat uit die periode – zomer 1970 tot zomer 1971 – was ‘New Morning’ van Bob Dylan. Als ik me in de badkamer bevond hoorde ik de elpee bij de bovenburen weerklinken. Dat gebeurde alleen overdag. ’s Avonds was er alleen maar een tientallen minuten durend Sans chemise et sans pantalon van Fonseca, de zwarte zanger beneden in Les Anges Noirs. Die muziek klonk zo luid dat de vloer ervan daverde. Dat gebonk was heerlijk om bij te slapen. Bij ons lag in die tijd ook de hele dag ‘New Morning’ op. Went To See The Gypsy vind ik nog altijd onovertroffen, maar eigenlijk is de hele plaat een meesterwerk, één van de beste van Bob Dylan. Die eenvoud, dat zichzelf herontdekken… In die tijd gingen elpees maandenlang mee. Je kocht iets wat je goed vond en dat beluisterde je haast onafgebroken, tot je de songs door en door kende. Een elpee omdraaien was haast een rituele handeling. Je moest er alleszins je handen voor gaan wassen.

Op een dag werd in de Boomkwekerijstraat langs de smalle trap een piano naar boven gedragen, naar de tweede verdieping. Daar woonden studenten van het Insas, de Franstalige filmschool, tegenhanger van het Rits (dat toen nog Ritcs heettte). Onze kant van de straat was bijna helemaal door filmstudenten ingepalmd. De overkant bestond uit dure uitzuipbars. De hele nacht reden de Jaguars en Alfa Romeos af en aan. Hun eigenaars kwamen champagne drinken en hoeren inladen. Wij dronken muntthee en water. Alcohol was volstrekt uit den boze, dat hoorde niet bij het rustieke leven waarvan wij droomden, de terugkeer naar de roots. Ik geloof dat ik nooit gelukkiger ben geweest dan toen ik hele dagen het tijdschrift Aloha zat te lezen, en Rolling Stone, toen nog een hip tijdschrift, terwijl op de achtergrond de stemmen van Don en Phil Everly en van Bob Dylan klonken.