NACHTMERRIE EN MUZIEK

dylan-parijs

Bob Dylan lijkt in zijn nieuw werk, Murder Most Foul, muziek als een mogelijkheid te zien om uit de nachtmerrie van de recente geschiedenis te kunnen ontwaken. Die hypothese roept bij mij nogal wat denkbeelden en associaties op. Ik laat ze hier als toevallig opgeraapte steentjes en schelpen op dit geschreven pad neervallen, als een Klein Duimpje verloren gelopen in de bloedhete straten van Laredo. Of was het Nuevo Laredo? Een Klein Duimpje onderhevig aan de blues.

In een nachtmerrie kijken duizenden toe op een tragische gebeurtenis, maar geen stervende ziel ziet iets. Alleman, Jan zonder Vrees, Judge Priest, Julia Dixon en Rhett Butler waren erbij; ze stonden dicht bij het podium, maar niemand onder hen ving van wat dan ook een glimp op. Het leek of deze toeschouwers – en wij met zijn allen, die het van ver maar op de voet volgden – blind geboren waren. In zekere zin doofstom. Niet moeilijk om zo je weg te verliezen. Te verdwalen, strompelend van paradijs naar hel, als in de nachtmerrie van een kamer vol donkere spiegels.

Uit enkele akkoorden en een eenvoudige melodie komen handen tevoorschijn; het zijn die van John, Paul, George en Ringo. Kijk hoe ze je nu vasthouden, meisje, hoe ze je de zo gemiste warmte schenken. Komm gib mir, gib mir. Een lang ogenblik lang omhelzen de vier jongens je. Nee, niet zijzelf, hun stemmen doen dat.

Een heel eind daarvandaan, in het verre Amerika, waar de paarden in onze dromen veel ruimte vinden voor hun galop, verandert een akelige lange zwarte limousine in een troostende melodie, vanuit de ziel in de richting van de hemel gezongen. Het geluid van de fatale schoten op de president wordt een zotte dans van Junior Walker & the All Stars. Shoot ‘em ‘fore he run now do the jerk baby do the jerk now. Vrijheid is niet langer iets om na te streven, als het dat al ooit was. Vrijheid is bedrog, mijn zoon. De enige echte vrijheid is de dood, verklaart Bob Dylan in zijn lied. Dat wisten de joden in de concentratiekampen maar al te goed. Rook naar de hemel. Another word for nothing left to lose, jongen.

De dag dat John Fitzgerald Kennedy stierf overleed ook de New Frontier. Talking stopped, someone shouted, what / I ran out to the street. Wat kun je in deze nachtmerrie nog doen voor je land? Heb je nog wel een land? Tenzij een land van duizend deuntjes en duizend dansen. Het land dat Patti Smith al bezong toen zij nog maar een wat schriele rijzende ster was. Het zorgeloze land dat Christophe Kenner in New Orleans aan de vooravond van de koningsmoord bedacht. New Orleans, het enige koninkrijk dat de Amerika heeft gekend, met de Zulu King dansend in de straten genaamd St. Claude en Dumaine, met de Voodoo Queen Marie Laveau en met de lekkere Lady Marmalade. Getcha, getcha ya, ya, da, da. Getcha, getcha ya, ya, here. Het land waar je in goede en kwade dagen over de grond rolt van het lachen. New Orleans, een heel ander rijk dan dat van de eenzame ster en de onheilspellende olievelden. Waar Lyndon B. Johnson het daglicht en JFK de ultieme duisternis zag. Waar Bob Wills nog steeds de koning is.

Met kleine Susanna in de cinema genaamd Texas Theatre in Dallas vind je maar tijdelijk vermaak. Het is niet veel meer dan een vlucht in een camera obscura, zoals die van Lee Harvey Oswald. Wat je nodig hebt zijn liedjes, gekke liedjes, mooie liedjes, wonderlijke liedjes. Ook al duren ze niet lang. Kijk maar naar het levenslied genaamd Patsy Cline. Een korte wandeling na middernacht, een beetje gek gedoe, maar de ochtend haalt ze niet. Buddy Holly, Otis Redding, zovele anderen. Ze halen de dageraad niet. Zij brachten soelaas maar redden het zelf niet. Jimi Hendrix, Duane Allman, Janis Joplin, Alan Wilson. Je kent de namen. Mozart, Schubert. Brandon DeWilde, die van Shane, vriend van de cowboy engel Gram Parsons. Luister nog een keer naar In My Hour Of Darkness.
Tommy is doof, stom en blind. Hij hoort je niet en ziet je niet. Nog zo een. Een andere koningin, mishandeld, niet uit New Orleans afkomstig, zit aan de acid. Haar door Pete Towshend aangereikt. De man in de witte katoenen overall, uitvinder van muzikaal gestotter, erfgenaam van de vuilnismannen, van surfende vogels. Het zijn maar woorden, mijn vriend, wees gerust. Het is nog altijd geen echte muziek. Nu hoor je opeens het wild geraas van Shots, opnieuw en opnieuw, in een oud lied van Neil Young. De aarde is nu bijna een wilde hemel. Bif Bang Pow!

Niemand bevindt zich ver van het graf. Het einde is altijd in zicht. Veel verder dan zes mijl is het niet. Zo dacht Hank Williams erover. Misschien nog een geluk dat een dode Kennedy geen gedachten heeft. Als hij die toch had, zouden het er wellicht over vers fruit en rotte groenten zijn, wormen, pulpfictie.

Wat dacht je van de dithyramben van Nietzsche, van zijn antichrist, zijn Dionysos, zijn geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek? Hem is het niet om de zuivere schoonheid te doen maar om kunst die onthult. Zie je de naakte waarheid? Onmogelijk, dat kan niet. Nu gaat alles zo hard trillen dat het zwart voor de ogen wordt. Zie je Nietzsches Mansion on the Hill? Je hebt niet goed gekeken. Het is een gesticht in Bazel. Hoor je de leugens die zijn zuster Elisabeth over hem vertelt? Luister er niet naar. Luister naar zijn muziek. Hoe hij zijn piano te lijf gaat. Het lijkt wel John Cale, John Cage, John Lennon, een Beatle. Heeft een piano een lijf? Een lijf dat met zijn zwarte en witte vingers naar de eeuwigheid reikt.

Mooie liedjes duren niet lang? Bob Dylan denkt daar, geloof ik, anders over. De moderne ridder Wolfman Jack, de Ideale DJ, wijst de weg. Elke single die hij zinderend en sidderend de aardedonkere of vollemaanverlichte nacht instuurt biedt troost. Zelfs het eenvoudigste akkoord heft de tijd op en schudt het hart wakker.

In Junior Parker’s Mystery Train zien we nog steeds de betreurde doden zitten; zie je ze naar ons wuiven, Martin Luther King, Robert Kennedy, Malcolm X, Curtis Mayfield, Frances Farmer, Sister Rosetta Tharpe en Casey Jones? Er zitten nog veel meer reizigers in deze trein. Hobo’s, zwervers, swingende troubadours, componisten, parels van zangeressen, prinselijke zangers, muzikanten, hun koffertjes vol tekstvellen en partituren, vol demo’s en dromen. De mysterieuze trein die we zo goed herkennen is de trein van de lust die eeuwigheid wil. Kopen we een kaartje om daarmee samen aan deze nachtmerrie te ontkomen?

jimmorrison-graf

Foto’s: Martin Pulaski, Parijs. Boven: Bob Dylan, onder Jim Morrisons graf.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS 5: KICKS AGAINST THE PRICKS

1979-1980-aurora 13 001 (2)

Voor ik meer verhalen vertel over het Pannenhuis en de mensen die ik er ontmoette wil ik een idee geven van wat het jaar 1978 voor mij in petto had. Tweede en laatste deel van een lijst ‘hoogte- en dieptepunten’. Armoede, vriendschap, extase, rock-‘n-roll, letteren en filosofie.

3 6 1978 In de Ommeganckstraat voordracht van mijn tekst ‘Paradijsvogels en poëzie’. Voorgelezen samen met  Senga, Paul Rigaumont en Ginette.  Senga leest Lucebert heel mooi voor, Ginette deelt voorwerpen uit: een baksteen, een banaan, een kroontjespen, enzovoort. Cake gekregen van Rita B., een fles wijn van professor Flam. ’s Avonds in de straten gedanst.

8 6 1978 Darkness on the Edge of Town van Bruce Springsteen blijkt een meesterwerk. De teksten zijn korte verhalen, scenario’s voor ‘films noirs’.

16 6 1978 We helpen Ginette met haar verhuis naar de Dolfijnstraat. Daarna met Guillaume en Renée (en wie nog?) naar Brussel voor Suicide en Elvis Costello & the Attractions. Waarom wordt Alan Vega, zanger van Suicide, de microfoon uit de handen gerukt? Het optreden van Elvis Costello & the Attractions is kort en vijandig. Het publiek is razend, terecht vinden wij. Hardhandig optreden van de security. Er breken rellen uit. Het gaat er hard aan toe. Senga houdt me stevig vast, zodat ik niet mee ga vechten tegen die bruten van de ‘veiligheid’.

1978-1980-AURORA 15 DROMEN 001_editedb

Setlist Suicide
Ghost Rider /  Rocket U.S.A. / Cheree / Dance / Frankie Teardrop
(Voortijdig afgebroken, na boegeroep van het publiek. Waarom, want Suicide is geweldig? Later op cd uitgebracht als ‘23 minutes over Brussels’.)

Setlist Elvis Costello & the Attractions
Mystery Dance / Lip Service /  (The Angels Wanna Wear My) Red Shoes /Less Than Zero / This Year’s Girl  (Vanwege de chaos niet helemaal zeker van de volgorde en de songs.)

17 6 1978 Summer Party in de Dolfijnstraat. Gedanst op platen van the Stranglers, Sex Pistols en de rock-‘n-roll van Guy Bleus. Ik steek een poster van Lenin in brand: no more heroes anymore. Een performance? Het geluid van gebroken glas tegen een tegeltjesmuur. Niet kunnen verdragen dat iedereen naar huis gaat, dat het afgelopen is, dat we alleen achterblijven. Verlatingsangst.

bob dylan 23 juni 1978_3

23 6 1978 Bob Dylan in het Feijenoord Stadion in Rotterdam. De eerste keer dat we hem live zien. Met Leo en Flor. Leo had toen nog een auto. Flor is in 2015 overleden. Op weg naar Rotterdam roken we één jointje. Eerst Champion Jack Dupree en Eric Clapton en dan Bob Dylan. Regen en wind. Bob Dylan als een verbeten Casanova door engelachtige musici van Memling omringd. De muziek stijgt op, mathematisch precies, uit een afgrond van verloren jaren. De verloren zoon is teruggekeerd.

Setlist Bob Dylan
A Hard Rain’s A-Gonna Fall / Love Her With a Feelin’ / Baby, Stop Crying / Mr. Tambourine Man / Shelter From the Storm / Love Minus Zero/No Limit / Tangled Up in Blue / Ballad of a Thin Man / Maggie’s Farm / I Don’t Believe You (She Acts Like We Never Have Met) / Like a Rolling Stone / I Shall Be Released / Going, Going, Gone / Rainy Day Women #12 & 35 / One of Us Must Know (Sooner or Later) / You’re a Big Girl Now / One More Cup of Coffee (Valley Below) / Blowin’ in the Wind / I Want You / Señor (Tales of Yankee Power) /Masters of War / Just Like a Woman / Don’t Think Twice, It’s All Right / All Along the Watchtower / All I Really Want to Do / It’s Alright, Ma (I’m Only Bleeding) / Forever Young / I’ll Be Your Baby Tonight / The Times They Are A-Changin’

Christus_met_zingende_en_musicerende_engelen,_Hans_Memling,_(1483-1494),_Koninklijk_Museum_voor_Schone_Kunsten_Antwerpen,_778

5 7 1978 Diner voor onze vrienden en buren Jules en Rita. Samen zeven flessen wijn leeggedronken. We praten voornamelijk over Samuel Beckett, het concert van Bob Dylan en ik draai platen van Ray Charles.

7 7 1978 Senga en ik spelen ganzenspel. We drinken te veel Old Granddad. Senga moet overgeven.

11 7 1978 Ivo Michiels (scenario) en André Delvaux (regie) draaien een film in onze straat: Een vrouw tussen hond en wolf, met Marie-Christine Barrault en Rutger Hauer. Delvaux en Michiels staan voor onze deur. Van Ivo Michiels heb ik acht jaar geleden les gehad, scenarioschrijven. Cameraman, scriptgirls, jeeps, tanks, allemaal in onze straat. Soldaten en bevrijde Belgen alom.

10 8 1978 Bij Guillaume en Renée maken we nu echt kennis met Ludo Mich en zijn vriendin. Documentaire over Martin Scorsese. De regisseur spat bijna uit elkaar van energie, emoties, hij is een spraakwaterval. Waar heb ik nog zo iemand gezien en gehoord? Gebruikt hij drugs, amfetamine, cocaïne?

11 8 1978 Met Senga naar The Last Waltz van Martin Scorsese (ik was al met Jos geweest).
De eerste geslaagde film over rock-‘n-roll. De muzikanten zijn stuk voor stuk grandioos – en duidelijk onder invloed. Neil Young ziet eruit als een vampier.

15 8 1978 Mogelijk eerste keer in Pannenhuis (met Guy Bleus?)

22 9 1978 Naar party in Studio Herman Teirlinck met Jos D. en zijn lief Hilde Van Mieghem. Ik voelde me eerst geremd en depressief. Het dansen op platen van John Cale, Patti Smith en Tom Verlaine heeft mij er bovenop geholpen. Gedanst tot iedereen naar huis was, dan wij ook naar huis, te voet.

23 9 1978  Naar Pannenhuis voor kunstmanifestatie Goddog. Anti-kunstenaars uit de wijdere buurt, punks, gekken, losers, outsiders presenteren hun ‘werk’. Het spreekt mij allemaal erg aan. Omdat ik deze mensen nauwelijks ken voel ik er mij wat onwennig bij. Maar ik hou van hun stijl, hun excentriciteit, de manier waarop ze de mode binnenstebuiten keren, hun anarchisme en non-conformisme.  Mijn sympathie ging altijd al naar mensen die hun waanzin durven tonen en weigeren deel uit te maken van wat we nog altijd het systeem noemen. I prefer not to. Eigenlijk gebeurde er niet veel. Het belangrijkste was dat iedereen er was. God-Dog is een mooi vormgegeven tijdschrift, waar geloof ik Dominique Grégoire, Ria Pacqueé en Yvette aan hebben meegewerkt. Alles met wijn overgoten.

27 9 1978 Ik weeg nog 55 kilogram.

5 10 1978 Ginette gaat weg bij ons. Vandaag wordt er verhuisd. Met Jos aan een toneelstuk begonnen dat Barman, Barmaid heet. Onafgewerkt gebleven. Er komt een paradijsvogel in voor en Mozarts Strijkkwartet nr. 14 in G, KV 387.

10 10 1978 Ik heb geen geld om het honorarium van mijn longarts, dokter Clerckx, te betalen. Hij vindt het niet erg. Bovendien geeft zijn secretaresse me zomaar 200 frank om antibiotica te kunnen kopen.

21 10 1978 Alleen naar de kroegen, op zoek naar Jos. Ik vind hem in de Gnoe. Hij zegt dat hij ziek is, zijn oog is ontstoken, hij draagt een zonnebril. Molenwiekt met zijn armen. Met hem naar het Pannenhuis, waar hij zich bitsig en agressief gedraagt. Ik lees er in Rolling Stone over de dood van Keith Moon.  Om 7 uur naar huis. Intense ervaring van het ochtendlicht in oktober.

27 10 1978 Voordracht van de filosoof Michel Serres: Les confessions de Jean-Jacques Rousseau. Paul Rigaumont vraagt zich af of Serres geen geconstrueerde naam is: twee keer RES, een keer omgekeerd.

10 11 1978 In Pannenhuis opening van tentoonstelling van Guillaume Bijl. Daarna een party met veel wijn, whisky en tequila. Lang gesprek met Jan Ceuleers. Black-out.

27 11 78 Toen ik vanuit de trein van Hasselt naar Antwerpen de kerktoren van Tienen zag, viel de tijd opeens stil. De trein en de reizigers waren er niet meer. Er was iets anders in de plaats gekomen, iets wat je niet kunt benoemen. Je zou van een diepe ervaring kunnen spreken, van een revelatie. Maar dat zegt niets omdat het aan de lezer niets meedeelt over de aard van de ervaring.

1 12 1978 Vandaag is de eerste editie van De Morgen verschenen, een nieuwe poging tot een Vlaamse linkse krant. Ondanks het slordig taalgebruik, de drukfouten, de “progressieve” spelling, ben ik toch tevreden dat de krant er is. Na vele jaren zag ik mijn oude vriend Luc Deleu terug. Hij was net terug uit Nepal. Leopold Flam zegt dat Aurora iets moet worden als de George-Kreis, de groep rond de dichter Stefan George. Meent hij dat? Dat was een elitaire kring van apolitieke dichters, kunstenaars en filosofen. In geen geval wil ik lid blijven van een groep fossielen. We moeten bijgevolg verhinderen dat de filosofische kring Aurora zo’n troep wordt.

31 12 1978 Barre kou en veel sneeuw. Bij Renée en Guillaume om Van Kooten en De Bie te zien. Daarna samen naar de punky reggae party van Jacques Chapon, in de Harmoniestraat. Reggae en tequila en iedereen is er, behalve Jos, die huivert van party’s. Al gauw ziek geworden, maar toch nog naar de Gnoe. Chantal en Gazoe brengen ons naar huis. Ik ga op de keukenvloer liggen en daar blijf ik tot een heel stuk in het nieuwe jaar.

Wailers be there
The Dammed, The Jam, The Clash
Maytals will be there
Doctor Feelgood too, ooh
No boring old farts, no boring old farts, no boring old farts
Will be there
No boring old farts, no boring old farts, no boring old farts
Will be there
And it’s a punky reggae party
And it’s tonight
Punky reggae party
And it’s alright
Bob Marley, Punky Reggae Party

door francois 1977

Afbeeldingen: Jos en ik in Antwerpen, 1979; Senga & ik; Bob Dylan in concert in Rotterdam, 1978; Hans Memling, Christus met zingende en musicerende engelen;  M.P. in zijn werkkamer in de Dolfijnstraat, omstreeks 1978, foto door mijn broer François Brouns.

BOB DYLAN EN DE AFGUNSTIGEN

2016-10-27-avignon-lyon 266

Opgedragen aan Christophe Vekeman

De zon schijnt maar vermoedelijk is het koud buiten. Wordt het een routineuze dag? Een dag als een andere? 13 oktober. Een ongeluksdag, misschien? Ik ben alleen thuis, hang een tijdje de ellendige nietsnut uit. Zet tegen beter weten de radio aan. Bob Dylan wint de Nobelprijs! Vreugdetranen, nooit eerder gevoelde blijdschap. Hoe kan ik dit voor mezelf houden? Ik bel A. op met de blijde tijding. Ik voel hoe ze daar in de metro haast aan het dansen gaat. Ik haal een single uit de kast, een die ik al sinds 1966 koester, ‘I Want You’, waarin deze versregels voorkomen:

“The silver saxophones say I should refuse you
The cracked bells and washed-out horns
Blow into my face with scorn
But it’s not that way
I wasn’t born to lose you”

Geen routineuze dag, dus, maar een dag van herinneringen aan euforische, gelukkige, dramatische, zieke, feestelijke, jaloerse, uitzinnige, pijnlijke en verwarde momenten. Meer dan vijftig jaar Bob Dylan-momenten. In het verleden heb ik er daar al heel wat van beschreven. Nu is dat niet nodig. Ik jubel en ik voel dat de hele wereld feest viert.

Later op de dag besef ik dat ik tegen wil en dank met Vlaanderen verbonden ben. Dat niet iedereen feestviert en jubelt. Want in Vlaanderen heb je Vlaamse schrijvers. Vlaamse schrijvers die geen ogenblik twijfelen aan hun vanzelfsprekende grootsheid. Zij weten wie een schrijver is en wie niet. Bob Dylan zeker niet. Dat is een rijmelaar, een neuzelaar, in het beste geval een ‘singer-songwriter’. Zo iemand geef je toch geen Nobelprijs! De jury bestond ongetwijfeld uit oude hippies, zeggen ze.

Het boegeroep – niets nieuws voor Bob Dylan – begon al op facebook. Ik las statements van Jeroen Olyslaegers, een auteur die ik stilaan begon te bewonderen vanwege zijn sociaal engagement, die van een vrij grote domheid, of toch zeker verblinding getuigden. “Bob Dylan zou nooit van zichzelf zeggen dat hij een schrijver is”, orakelde Jeroen. “Hij is een ‘song and dance man’, dat zijn zijn eigen woorden.”  Vreemd dat een gerespecteerd auteur geen ironie herkent. Geen sarcasme. Schrijvers zitten aan een tafel te schrijven, zeggen de Vlaamse schrijvers. Het zijn geen entertainers, geen circusartiesten… Maar wat is de Boekenbeurs dan, wat zijn de culturele centra? Wat is al dat signeergedoe, wat zijn die spelletjesprogramma’s en slimste mensen van de wereld?

In het journaal op de Vlaamse televisie draven Vlaanderens bekendste auteurs opnieuw op. Jeroen Olyslaegers, die nog zo slecht niet is, alleen wat in de war. Dimitri Verhulst, die pure dronken nonsens vertelt. Hij heeft het over de karamellenverzen van Bob Dylan. De schrijver van zinnen als “Werkers van wijflijke kunne worden in geval van zwangerschap op straat gezet.” (Ja, ja, ik weet het, dat is ook sarcasme). Overigens, Nick Cave en Tom Waits zijn veel betere singer-songwriters, zegt hij. Uiteraard mag Kristien Hemmerechts niet ontbreken – hoe zou Bob Dylan de Nobelprijs voor literatuur kunnen krijgen zonder de goedkeuring van Kristien Hemmerechts? Onverdiend, vindt ook mevrouw Hemmerechts, Bob Dylan is helemaal geen schrijver. Like a rolling rolling stone, nee dat is niets voor mij. Mocht het nog Leonard Cohen geweest zijn, dat lijkt nog wat op poëzie, die liedjes komen ook op papier tot hun recht. En zo ging het nog een tijdje door. Gelukkig dacht ik aan wat Dylan ooit schreef: “Sometimes you gotta do like Elvis did and shoot the damn thing out”. Dat heb ik niet gedaan. Ik heb de televisie op dvd-functie gezet en ‘No Direction Home’ van Martin Scorsese in de lade geschoven. Het is een mooie, feestelijke avond geworden. Vier uur controversiële en convulsieve schoonheid.

[In een bui van vreugde/razernij geschreven. Niet op de stijl gelet. Dit is geen literatuur.]

 

 

BRINGING IT ALL BACK HOME

Over symbolistische dichters vond ik dit: “Symbolistische dichters roepen liever de maan op dan de zon, liever de herfst dan de lente, liever stilstaand dan snelstromend water en liever regen dan een blauwe hemel”, schrijft filosoof en kunsthistoricus Michael Francis Gibson: “Ze klagen over treurigheid en verveling, over teleurstelling in de liefde, over machteloosheid en over matheid en eenzaamheid. Ze zijn bedroefd omdat ze ondervinden dat ze in een wereld leven die in doodsnood verkeert”.
Zegt dat niet heel veel over deze fase in het werk van Bob Dylan? Meer wil ik over deze tijdloze plaat niet kwijt. De geschiedenis van ‘Bringing It All Back Home’ is bekend. Hoewel ik dat soms ook wel eens durf betwijfelen.

DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY

bob & sara.jpg

Deze romantische foto van Bob Dylan en Sara Lownds vond ik onlangs via google terug. Ik had hem sinds mei 1975 niet meer gezien, maar herinnerde me hem goed. Dat kan moeilijk anders: van 1966 tot 1975 was hij altijd ergens op de achtergrond – en soms voorgrond – in mijn leven aanwezig. Ik weet niet wie de fotograaf is, heb het nooit geweten en vind het ook nu niet belangrijk. Niet omdat ik fotografen minacht of zo, integendeel, nee, maar dit is een ander verhaal. Een verhaal van herinneringen, van emoties, van het terugvinden van de verloren tijd, een beetje zoals bij Proust, inderdaad.

Ik heb hem destijds uit een tijdschrift geknipt, Teenbeat, Salut Les Copains, of nog een ander blad, en dan ingelijst. Het was de enige ingelijste foto die ik in die periode bezat. Ik knipte massa’s foto’s uit tijdschriften (waar ik verslingerd aan was), vooral van popsterren, met een voorkeur voor Brian Jones, the Small Faces, the Kinks, the Who en Jimi Hendrix. Daarnaast ook van half blote meisjes, vooral uit Lui – heel mooie kleurenfoto’s. Vervolgens knipte ik ze op maat zodat ze in elkaar pasten als (rechthoekige) stukjes van een puzzel en kleefde ze tegen een houten wand van mijn slaapvertrek op het schip van mijn ouders, mijn ‘thuis’ tijdens weekends en vakanties. Zo ontstond er op korte tijd een mozaïek van rock & roll en erotica: perfecte ingrediënten voor een melancholische adolescentie. Voor een tijd van twijfel, frustratie en honger naar wat onbereikbaar is. De beste soundtrack daarbij is ‘In My Room’ van The Beach Boys.

De foto van Bob en Sara kreeg echter een ereplaats: in een vergulde lijst, waaruit ik  een portret van een mij onbekend familielid, dat mij steeds met enigszins verwijtende blik leek aan te kijken, had verwijderd. De lijst ging bijna overal met me mee; alleen niet naar het internaat, omdat Bob Dylan daar verboden was, of toch afbeeldingen van hem. Toen ik naar Brussel verhuisde om er film te gaan studeren hing ik hem aan een haak in de vermolmde muur van mijn kamer in de Karmelietenstraat. Daarna trok ik ermee naar de Boomkwekerijstraat en in de Visélaan nam ik er, zonder er bij na te denken, afscheid van.

Sindsdien heb ik er af en toe nog eens aan teruggedacht, me afgevraagd wat er met de foto zou gebeurd zijn.

67pulaski 001.jpg

Meteen toen ik het romantische beeld van Bob Dylan en de lieftallige Sara terugzag herinnerde ik me dat er foto’s van me waren uit 1967 of daaromtrent waarop ik afgebeeld sta met de bewuste lijst. Ik moest er een tijdje naar zoeken, maar niet echt lang. Mijn leven wordt wel chaotischer met de dag, maar er is toch ook nog veel orde om me heen. Zo staan de boeken die ik voor 1991 aankocht nog alfabetisch geklasseerd. Ik herinnerde mij mijn eigenaardige vriendschap met Daantje, de jongen die de foto’s van me heeft gemaakt. Hij was ongeveer drie jaar jonger dan ik, en ik denk dat hij naar me opkeek, omdat ik anders was dan de anderen, in de manier waarop ik me kleedde, in mijn liefde voor wat toen psychedelische muziek en underground werd genoemd, en natuurlijk ook omdat ik ouder was. Vreemd is dat ik zijn leraar psychedelica was, maar dat ik toch ‘Crown Of Creation’ van Jefferson Airplane van hem cadeau kreeg voor de kerst. Ik kan me niet goed meer herinneren hoe er aan die wat oppervlakkige vriendschap een eind is gekomen. Waarschijnlijk is ze gewoonweg uitgedoofd, zoals dat zo vaak gebeurt.

Wat vond ik nu zo fascinerend aan de foto van Bob Dylan en Sara? Waarom was hij niet in de collage beland? Alleszins heeft het te maken met Bob Dylan zelf, die voor mij een god was, de enige. Ja, ja, ik was een monotheïst. Van alle liederen die ik van Dylan bezat, de meeste op single of EP, kende ik de teksten uit het hoofd (nu helaas niet meer, hoewel mij onlangs weer hele stukken van ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’ te binnen schoten). Alles wat hij zong en zei en deed fascineerde me en raakte me diep. Dan was er ook nog de mysterieuze, mooie jonge vrouw. Wie was dat? Ze zag er zo zachtaardig, lief, teder en exotisch uit… Ik wist een hele tijd helemaal niet dat ze Sara heette en dat ze de echtgenote van Dylan was. Ze was voor mij de vrouw van die foto, zoals Suze Rotolo (wier naam ik evenmin kende) het meisje was van de hoes van ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ en Sally Grossman, echtgenote van manager Albert Grossman zoals iedereen nu weet, de elegante jongedame van de foto op ‘Bringing It All Back Home’.

Er is echter nog iets, iets wat ik pas nu heb opgemerkt. Op de achtergrond van de foto van Bob en Sara zie je iets wat op een houten boshut lijkt. Ik had, vanwege astma, meerdere jaren in de bossen doorgebracht. Dat zal ergens ook wel het fetisjkarakter van de afbeelding (voor mij) verklaren. Bovendien zijn er boven het hoofd van Sara tegen de voorkant van de hut enkele prenten te zien. Weliswaar is het geen collage zoals die van mij, met half blote meisjes en popsterren, maar het zou een begin kunnen zijn… Er is ook iets met de stoel. Zonder te weten dat ik door de foto was beïnvloed – en misschien is het alleen maar toeval – heb ik ongeveer twintig jaar op een bijna identieke stoel gezeten (soms, als ik dronken was, heb ik er songs van Dylan op zitten spelen en zingen). En zelfs nu, nu het al zo laat is, draag ik nog altijd een leren jasje dat sterk lijkt op dat van Dylan.

Een leven heeft iets magisch. Er zijn zoveel niet altijd duidelijke verbanden en toevallige, ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen kunnen grote gevolgen hebben.

bob dylan,sara dylan,sara lownds,sara noznizsky,sally grossman,albert grossman,suze rotolo,foto,fotgrafie,herinneringen,daantje,1967,adolescentie,pop,popcultuur,muziek,popmuziek,singles,ep's,seks,erotica,heldenverering,interpretatie,invloed,toeval,verbanden,vriendschap,vergetelheid,herinnering

Illustraties:

Boven: Foto van Bob Dylan & Sara Dylan (alias Sara Noznizsky alias Sara Lownds) door Daniel Kramer in Bearsville NY op 14 Maart 1965).

Midden: Foto van mezelf in 1967 of 1968. Mijn toenmalige vriend Daantje heeft de foto van mij gemaakt, met mijn fototoestel. Op de achtergrond is de woning te zien op het schip van de ouders van Daantje. Ik had de ingelijste foto van Bob & Sara speciaal meegebracht voor de sessie. Je ziet heel goed dat kappers de rol van priesters hadden overgenomen.

Onder: Daantje in mijn slaapvertrek. Op de achtergrond een deel van mijn popcollage. Boven Daantjes schouder zie je een stuk van de lijst waarin de foto van Bob en Sara. Enkele afleveringen van mijn lijfblad Hitweek / Witheek op het bed. Evenals enkele flessen, om de grote Jan uit te hangen.

 

 

MONOLOOG OVER TIJD EN RUIMTE

eenzaam2

De Palestijnse dansers en danseressen in Badke… Sensueel, opwindend, vurig… Mooie en krachtige meisjes, aan wie later het bloedige land zal toebehoren. De eerste minuten waande ik mij, door de muziek en vooral de ‘zangstem’ op de Brusselse kermis in een oude futuristische attractie en ook wel in een circus aan het einde van de wereld. Daarna wende ik toch wat aan de opdringerige dreun, het opzwepende tempo. Waarom ervaar ik het Arabisch van de zanger als bevelend, als agressief, en waarom hoor ik alleen mannenstemmen? Omdat ik niets begrijp van de Palestijnse cultuur? Kunnen vrouwen daar niet zingen? Maar wat is de dans overweldigend, een roes waar je je moet aan overgeven, je ziel en je lijf. En daarna het lange, dankbare applaus en de zonnebloemen.

Tijdens de receptie, na menig glas witte wijn, vertel ik je over de landschappen in de westerns van John Ford. Monument Valley en de andere archetypische landschappen in het Westen. Hoe ik me nu soms nog schaam omdat ik als kind op naïeve en romantische wijze, en later me baserend op artistieke en intellectuele argumentatie, zoveel van de film van John Ford ‘The Searchers’ hield en houd, ondanks de racistische held, John Wayne’s personage Ethan Edwards. Ja, ik schaamde me soms voor die macho-heldhaftigheid, zo vreemd aan mijn wezen, en ik schaamde me nog meer voor het racisme, dacht zelfs lange tijd dat de hele film als zodanig racistisch was.

Vanwaar dan de bewondering van regisseurs als Wim Wenders en Jean Luc Godard voor John Ford? Godards fascinatie zal te maken hebben met de picturale schoonheid, met de filmkunst, maar ook met het – ongewild – blootleggen van de Amerikaanse geschiedenis en de veroverings- en oorlogseconomie, van de op bloedvergieten gestoelde politiek van dat immense land. Bij Wenders gaat het bijna zeker om de fotografie, en nog meer om het eindeloze landschap. De nietigheid van de kortstondige helden in dat landschap dat er omzeggens voor altijd is. De grandioze nietigheid van John Wayne bijvoorbeeld, of van zijn antipode in ‘Paris, Texas’, Harry Dean Stanton, de antiheld par excellence. De weidse vlaktes, de woestijnen en rotsformaties hebben zelfs zijn geheugen opgezogen. Het landschap relativeert in sterke mate de kleine gebaren van de helden, hoe verwerpelijk of triest ze ook mogen wezen. Wat heeft het menselijke nog te betekenen in die gigantische en oeroude setting, dat zielige figuurtje op zijn paard, dat niet veel meer te zeggen heeft dan ‘That’ll be the day!’ en de voortstrompelende, hongerige man zonder verleden en zonder stem? Het zal wel geen toeval zijn dat Buddy Holly zich in een lied de geest van Ethan Edwards eigen heeft gemaakt en Ry Cooder Travis Hendersons stilzwijgen in een muzikaal kunstwerk omgesmeed (ingebed in de zwarte gospel en blues van Blind Willie Johnson).

De wijn blijft rijkelijk vloeien en maakt me, voor een keer, spraakzaam. Door aan de ruimte van de John Fordwesterns te denken beland ik nu in de Tijd. Ik heb net het boek van Ian Bell over Bob Dylan gelezen, ‘Time Out Of Mind – The Lives Of Bob Dylan’, waarin de schrijver onder meer dieper ingaat op Dylans preoccupatie met de tijd. In zekere zin in het voetspoor van Augustinus en Marcel Proust en zeker ook van F. Scott Fitzgerald, wiens woorden uit ‘The Great Gatsby’ hij bijna letterlijk heeft overgenomen in ‘Summer Days’, een compositie uit ‘‘Love And Theft’’.

“’I wouldn’t ask too much of her’, I ventured. ‘You can’t repeat the past’. ‘Can’t repeat the past?’ He cried incredulously. ‘Why of course you can!’”

In ‘Summer Days’:

She looking into my eyes, she’s holding my hand,
She says, “You can’t repeat the past,” I say, “You can’t?
What do you mean, you can’t? Of course you can.””

Herinner je je die geweldige slotzin van ‘The Great Gatsby’: “So we beat on, boats against the current, borne back ceaselessly into the past” vraag ik en halfdronken wijs ik er nog op dat Marcel Proust in ‘A la recherche du temps perdu’ de tijd ontkent en bijgevolg ook de dood. De tijd kan worden achterhaald, herbeleefd, als er geen tijd is. Of is dat een paradox? Dan gaat de bel, last call for alcohol.

Later in het metrostation Sint-Katelijne zit ik wat voorafgaat in een klein notitieboekje neer te schrijven. Een man van omstreeks veertig komt op me af. Ik schrik niet omdat ik hem meteen herken. Wat ziet hij er nog goed uit, denk ik onwillekeurig. Het spijt me, zegt hij, maar ik herinner me je naam niet meer, heel vervelend. Voor mij een geruststelling want ik herinner me bijna nooit namen en gezichten al evenmin. Wat herinner ik me eigenlijk nog wel? Maar de naam van mijn oude compañero ben ik niet vergeten. Hoe zou ik kunnen, we hebben in 2002 samen een week in Barcelona doorgebracht. En een avond daar, in het voetbalstadion Camp Nou, het grootste van Europa, zal ik nooit vergeten: het was de koudste avond van mijn leven. Maar dat is een ander verhaal. De metro komt eraan.

Foto: Martin Pulaski, Londen.

BOB DYLAN’S RENALDO & CLARA

renaldoclara

De meeste stervelingen die ik ontmoet, in de wereld of op papier, en zeker popmuziekrecensenten, houden niet van ‘Renaldo & Clara’. Of ze hebben er ronduit een afkeer van. Ze hebben er nooit van gehouden en ze zullen er nooit van houden. Ze geven er niet om. Ze vinden het een onding. Ze zeggen dat het een volstrekte mislukking is, een egotrip, alles behalve een behoorlijke film (een film zoals het hoort). Dat getuigt van verregaande luiheid, gebrek aan interesse en openheid; het getuigt vooral van domheid.

Iemand die bevooroordeeld is kan deze ongewone film niet begrijpen. Zo iemand zal zo vlug mogelijk een oordeel vellen, zal de film ‘slecht’ vinden, of ‘goed’, zelfs (wat op hetzelfde neerkomt). Zo iemand zal hem niet kunnen categoriseren, hij heeft er geen genre voor binnen handbereik, geen herkenbare stijl, er zijn geen referenties naar grote voorbeelden uit de filmgeschiedenis of populaire kunsten mogelijk (toch wel hoor, die voorbeelden zijn er wel).

Maar iemand die aandachtig is en nieuwsgierig, die ogen en oren open houdt, die nadenkt, zal iets dergelijks zeker niet doen: ‘Renaldo & Clara’ is geen willekeurige, overbodige of pretentieuze aaneenschakeling van beelden. Het is een kunstwerk dat tegen de tijd inging en er nog altijd tegen ingaat en tegelijkertijd een getuigenis is van de tijd waarin het is gemaakt. Onderdompeling en transcendentie.

Bob Dylan is – zoals Buñuel – gefascineerd door het mysterie, het geheim, dat centraal staat in de poëtische ervaring en in de religieuze belevenis. In alles wat helder lijkt is er iets duisters aanwezig. Iets duisters dat zich aan het oog onttrekt door de diepte en de uitgestrektheid van alles wat licht is (door de zon belicht, enz.). Wat heeft deze duisternis te betekenen? ‘Cet obscur objet du désir’, zoals Buñuel het noemt, is een object/subject dat, als Proteus, om te ontsnappen aan de jager (een metafoor voor het bewustzijn), voortdurend van gedaante verandert. Een object dat nabij is èn onbereikbaar, zoals de sterren en de bliksem. De personages van Dylan zijn niet alleen loyaal aan hun geliefden maar zeker ook aan de sterren daar hoog boven hen. De sterren die van hen houden, hoe kan het anders, zoals in de film ‘Somebody Up There Likes Me’ van Robert Wise en het gelijknamige lied van David Bowie. De sterren die zich sneller dan het licht van hen verwijderen. En de geliefden die niet omkijken omdat ze artiesten zijn en hun liefde in waanzin is verdronken.

Dylan stelt het probleem van de roem (Robert betekent ‘schitterend door roem’), de beroemde kunstenaar, het idool. Hoe kan iemand die door massamedia en publiek tot idool of ster is uitverkoren integer blijven? Het publiek eist hem op, zijn leven wordt in beslag genomen door de openbaarbeid, door het publiek, door het spektakel. Het ‘ware ik’ verdwijnt, wordt een troebel symbool, onzichtbaar of opaak, verstart in een ‘public image’, of – wat het allerergste is in deze tijd, nu – in een ‘icoon’:

“You’re invisible now,
You’ve got no secrets to conceal.”

De transparantie van het masker, in het begin van de film. Onder het masker een ander masker, dat van de performer Bob Dylan, de clown met wit gelaat, die de dromen, fantasieën en verlangens van Renaldo ‘exposeert’ op het podium.  Exposeert, ontwikkelt : zoals je een film ontwikkelt, een rode loper uitrolt, een landkaart openvouwt, zoals een bloem ontluikt dankzij het licht van de zon. Exposeert eveneens in de betekenis van ‘verwoorden’ (denk aan exposé, maar ook aan het klassieke ‘expositio’).

Wie is Renaldo? Renaldo is de goede heerser zegt ons het woordenboek van voornamen. En wie is Bob Dylan? Een mythe? Een zoon van de golven, duistere zoon van de zee? Ongetwijfeld.

De film weerspiegelt een realiteit; maar de montage en zeker ook de ‘cadrage’, het ritme, de banaliteit van de ‘fait divers’, en uiteraard de muziek, maken het mogelijk door die realiteit heen te kijken, helder te zien, als een clairvoyant, zodat de ware toe-schouwer een diepere werkelijkheid te zien krijgt.  Een diepere werkelijkheid die tegelijkertijd oppervlakte is, want er is geen diepe diepte, zoals er geen oppervlakkige oppervlakte bestaat. Bob Dylan is hier – misschien tegen wil en dank, want hij is een dwarsligger – in geslaagd (net zoals Andy Warhol/Paul Morrisey in ‘Trash’, ‘Flesh’ en ‘Heat’).  De film is integer als getuigenis, als onderzoek, als protest, als visueel gedicht. Een voorbeeld van integriteit: de vrouwen worden niet uitgebuit, verschijnen niet als louter lustobjecten. Zelfs in de bordeelscènes, als hoeren, zijn ze bovenal vrouwen van vlees en bloed en geest. ‘Renaldo & Clara’ is onder meer een loflied aan de vrouwen. Ze zijn allen even mooi, allen heten ze Clara – radiant beauty, schitterende, stralend-witte godinnen zoals in het baanbrekend werk van Robert Graves,’The White Goddess’.

Het wordt de hoogste tijd om ‘Renaldo & Clara’ opnieuw in roulatie te brengen en vervolgens op dvd/BluRay en alle andere mogelijke beeld- en geluidsdragers aan film- en muziekliefhebbers ter beschikking te stellen. Hetzelfde mag overigens ook gebeuren met de films van Jacques Rivette en Jean Eustache. Misschien kunnen we dan vaststellen dat de jongere generaties minder bevooroordeeld en minder dom zijn dan de oudere?