NACHTMERRIE EN MUZIEK

dylan-parijs

Bob Dylan lijkt in zijn nieuw werk, Murder Most Foul, muziek als een mogelijkheid te zien om uit de nachtmerrie van de recente geschiedenis te kunnen ontwaken. Die hypothese roept bij mij nogal wat denkbeelden en associaties op. Ik laat ze hier als toevallig opgeraapte steentjes en schelpen op dit geschreven pad neervallen, als een Klein Duimpje verloren gelopen in de bloedhete straten van Laredo. Of was het Nuevo Laredo? Een Klein Duimpje onderhevig aan de blues.

In een nachtmerrie kijken duizenden toe op een tragische gebeurtenis, maar geen stervende ziel ziet iets. Alleman, Jan zonder Vrees, Judge Priest, Julia Dixon en Rhett Butler waren erbij; ze stonden dicht bij het podium, maar niemand onder hen ving van wat dan ook een glimp op. Het leek of deze toeschouwers – en wij met zijn allen, die het van ver maar op de voet volgden – blind geboren waren. In zekere zin doofstom. Niet moeilijk om zo je weg te verliezen. Te verdwalen, strompelend van paradijs naar hel, als in de nachtmerrie van een kamer vol donkere spiegels.

Uit enkele akkoorden en een eenvoudige melodie komen handen tevoorschijn; het zijn die van John, Paul, George en Ringo. Kijk hoe ze je nu vasthouden, meisje, hoe ze je de zo gemiste warmte schenken. Komm gib mir, gib mir. Een lang ogenblik lang omhelzen de vier jongens je. Nee, niet zijzelf, hun stemmen doen dat.

Een heel eind daarvandaan, in het verre Amerika, waar de paarden in onze dromen veel ruimte vinden voor hun galop, verandert een akelige lange zwarte limousine in een troostende melodie, vanuit de ziel in de richting van de hemel gezongen. Het geluid van de fatale schoten op de president wordt een zotte dans van Junior Walker & the All Stars. Shoot ‘em ‘fore he run now do the jerk baby do the jerk now. Vrijheid is niet langer iets om na te streven, als het dat al ooit was. Vrijheid is bedrog, mijn zoon. De enige echte vrijheid is de dood, verklaart Bob Dylan in zijn lied. Dat wisten de joden in de concentratiekampen maar al te goed. Rook naar de hemel. Another word for nothing left to lose, jongen.

De dag dat John Fitzgerald Kennedy stierf overleed ook de New Frontier. Talking stopped, someone shouted, what / I ran out to the street. Wat kun je in deze nachtmerrie nog doen voor je land? Heb je nog wel een land? Tenzij een land van duizend deuntjes en duizend dansen. Het land dat Patti Smith al bezong toen zij nog maar een wat schriele rijzende ster was. Het zorgeloze land dat Christophe Kenner in New Orleans aan de vooravond van de koningsmoord bedacht. New Orleans, het enige koninkrijk dat de Amerika heeft gekend, met de Zulu King dansend in de straten genaamd St. Claude en Dumaine, met de Voodoo Queen Marie Laveau en met de lekkere Lady Marmalade. Getcha, getcha ya, ya, da, da. Getcha, getcha ya, ya, here. Het land waar je in goede en kwade dagen over de grond rolt van het lachen. New Orleans, een heel ander rijk dan dat van de eenzame ster en de onheilspellende olievelden. Waar Lyndon B. Johnson het daglicht en JFK de ultieme duisternis zag. Waar Bob Wills nog steeds de koning is.

Met kleine Susanna in de cinema genaamd Texas Theatre in Dallas vind je maar tijdelijk vermaak. Het is niet veel meer dan een vlucht in een camera obscura, zoals die van Lee Harvey Oswald. Wat je nodig hebt zijn liedjes, gekke liedjes, mooie liedjes, wonderlijke liedjes. Ook al duren ze niet lang. Kijk maar naar het levenslied genaamd Patsy Cline. Een korte wandeling na middernacht, een beetje gek gedoe, maar de ochtend haalt ze niet. Buddy Holly, Otis Redding, zovele anderen. Ze halen de dageraad niet. Zij brachten soelaas maar redden het zelf niet. Jimi Hendrix, Duane Allman, Janis Joplin, Alan Wilson. Je kent de namen. Mozart, Schubert. Brandon DeWilde, die van Shane, vriend van de cowboy engel Gram Parsons. Luister nog een keer naar In My Hour Of Darkness.
Tommy is doof, stom en blind. Hij hoort je niet en ziet je niet. Nog zo een. Een andere koningin, mishandeld, niet uit New Orleans afkomstig, zit aan de acid. Haar door Pete Towshend aangereikt. De man in de witte katoenen overall, uitvinder van muzikaal gestotter, erfgenaam van de vuilnismannen, van surfende vogels. Het zijn maar woorden, mijn vriend, wees gerust. Het is nog altijd geen echte muziek. Nu hoor je opeens het wild geraas van Shots, opnieuw en opnieuw, in een oud lied van Neil Young. De aarde is nu bijna een wilde hemel. Bif Bang Pow!

Niemand bevindt zich ver van het graf. Het einde is altijd in zicht. Veel verder dan zes mijl is het niet. Zo dacht Hank Williams erover. Misschien nog een geluk dat een dode Kennedy geen gedachten heeft. Als hij die toch had, zouden het er wellicht over vers fruit en rotte groenten zijn, wormen, pulpfictie.

Wat dacht je van de dithyramben van Nietzsche, van zijn antichrist, zijn Dionysos, zijn geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek? Hem is het niet om de zuivere schoonheid te doen maar om kunst die onthult. Zie je de naakte waarheid? Onmogelijk, dat kan niet. Nu gaat alles zo hard trillen dat het zwart voor de ogen wordt. Zie je Nietzsches Mansion on the Hill? Je hebt niet goed gekeken. Het is een gesticht in Bazel. Hoor je de leugens die zijn zuster Elisabeth over hem vertelt? Luister er niet naar. Luister naar zijn muziek. Hoe hij zijn piano te lijf gaat. Het lijkt wel John Cale, John Cage, John Lennon, een Beatle. Heeft een piano een lijf? Een lijf dat met zijn zwarte en witte vingers naar de eeuwigheid reikt.

Mooie liedjes duren niet lang? Bob Dylan denkt daar, geloof ik, anders over. De moderne ridder Wolfman Jack, de Ideale DJ, wijst de weg. Elke single die hij zinderend en sidderend de aardedonkere of vollemaanverlichte nacht instuurt biedt troost. Zelfs het eenvoudigste akkoord heft de tijd op en schudt het hart wakker.

In Junior Parker’s Mystery Train zien we nog steeds de betreurde doden zitten; zie je ze naar ons wuiven, Martin Luther King, Robert Kennedy, Malcolm X, Curtis Mayfield, Frances Farmer, Sister Rosetta Tharpe en Casey Jones? Er zitten nog veel meer reizigers in deze trein. Hobo’s, zwervers, swingende troubadours, componisten, parels van zangeressen, prinselijke zangers, muzikanten, hun koffertjes vol tekstvellen en partituren, vol demo’s en dromen. De mysterieuze trein die we zo goed herkennen is de trein van de lust die eeuwigheid wil. Kopen we een kaartje om daarmee samen aan deze nachtmerrie te ontkomen?

jimmorrison-graf

Foto’s: Martin Pulaski, Parijs. Boven: Bob Dylan, onder Jim Morrisons graf.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS 5: KICKS AGAINST THE PRICKS

1979-1980-aurora 13 001 (2)

Voor ik meer verhalen vertel over het Pannenhuis en de mensen die ik er ontmoette wil ik een idee geven van wat het jaar 1978 voor mij in petto had. Tweede en laatste deel van een lijst ‘hoogte- en dieptepunten’. Armoede, vriendschap, extase, rock-‘n-roll, letteren en filosofie.

3 6 1978 In de Ommeganckstraat voordracht van mijn tekst ‘Paradijsvogels en poëzie’. Voorgelezen samen met  Senga, Paul Rigaumont en Ginette.  Senga leest Lucebert heel mooi voor, Ginette deelt voorwerpen uit: een baksteen, een banaan, een kroontjespen, enzovoort. Cake gekregen van Rita B., een fles wijn van professor Flam. ’s Avonds in de straten gedanst.

8 6 1978 Darkness on the Edge of Town van Bruce Springsteen blijkt een meesterwerk. De teksten zijn korte verhalen, scenario’s voor ‘films noirs’.

16 6 1978 We helpen Ginette met haar verhuis naar de Dolfijnstraat. Daarna met Guillaume en Renée (en wie nog?) naar Brussel voor Suicide en Elvis Costello & the Attractions. Waarom wordt Alan Vega, zanger van Suicide, de microfoon uit de handen gerukt? Het optreden van Elvis Costello & the Attractions is kort en vijandig. Het publiek is razend, terecht vinden wij. Hardhandig optreden van de security. Er breken rellen uit. Het gaat er hard aan toe. Senga houdt me stevig vast, zodat ik niet mee ga vechten tegen die bruten van de ‘veiligheid’.

1978-1980-AURORA 15 DROMEN 001_editedb

Setlist Suicide
Ghost Rider /  Rocket U.S.A. / Cheree / Dance / Frankie Teardrop
(Voortijdig afgebroken, na boegeroep van het publiek. Waarom, want Suicide is geweldig? Later op cd uitgebracht als ‘23 minutes over Brussels’.)

Setlist Elvis Costello & the Attractions
Mystery Dance / Lip Service /  (The Angels Wanna Wear My) Red Shoes /Less Than Zero / This Year’s Girl  (Vanwege de chaos niet helemaal zeker van de volgorde en de songs.)

17 6 1978 Summer Party in de Dolfijnstraat. Gedanst op platen van the Stranglers, Sex Pistols en de rock-‘n-roll van Guy Bleus. Ik steek een poster van Lenin in brand: no more heroes anymore. Een performance? Het geluid van gebroken glas tegen een tegeltjesmuur. Niet kunnen verdragen dat iedereen naar huis gaat, dat het afgelopen is, dat we alleen achterblijven. Verlatingsangst.

bob dylan 23 juni 1978_3

23 6 1978 Bob Dylan in het Feijenoord Stadion in Rotterdam. De eerste keer dat we hem live zien. Met Leo en Flor. Leo had toen nog een auto. Flor is in 2015 overleden. Op weg naar Rotterdam roken we één jointje. Eerst Champion Jack Dupree en Eric Clapton en dan Bob Dylan. Regen en wind. Bob Dylan als een verbeten Casanova door engelachtige musici van Memling omringd. De muziek stijgt op, mathematisch precies, uit een afgrond van verloren jaren. De verloren zoon is teruggekeerd.

Setlist Bob Dylan
A Hard Rain’s A-Gonna Fall / Love Her With a Feelin’ / Baby, Stop Crying / Mr. Tambourine Man / Shelter From the Storm / Love Minus Zero/No Limit / Tangled Up in Blue / Ballad of a Thin Man / Maggie’s Farm / I Don’t Believe You (She Acts Like We Never Have Met) / Like a Rolling Stone / I Shall Be Released / Going, Going, Gone / Rainy Day Women #12 & 35 / One of Us Must Know (Sooner or Later) / You’re a Big Girl Now / One More Cup of Coffee (Valley Below) / Blowin’ in the Wind / I Want You / Señor (Tales of Yankee Power) /Masters of War / Just Like a Woman / Don’t Think Twice, It’s All Right / All Along the Watchtower / All I Really Want to Do / It’s Alright, Ma (I’m Only Bleeding) / Forever Young / I’ll Be Your Baby Tonight / The Times They Are A-Changin’

Christus_met_zingende_en_musicerende_engelen,_Hans_Memling,_(1483-1494),_Koninklijk_Museum_voor_Schone_Kunsten_Antwerpen,_778

5 7 1978 Diner voor onze vrienden en buren Jules en Rita. Samen zeven flessen wijn leeggedronken. We praten voornamelijk over Samuel Beckett, het concert van Bob Dylan en ik draai platen van Ray Charles.

7 7 1978 Senga en ik spelen ganzenspel. We drinken te veel Old Granddad. Senga moet overgeven.

11 7 1978 Ivo Michiels (scenario) en André Delvaux (regie) draaien een film in onze straat: Een vrouw tussen hond en wolf, met Marie-Christine Barrault en Rutger Hauer. Delvaux en Michiels staan voor onze deur. Van Ivo Michiels heb ik acht jaar geleden les gehad, scenarioschrijven. Cameraman, scriptgirls, jeeps, tanks, allemaal in onze straat. Soldaten en bevrijde Belgen alom.

10 8 1978 Bij Guillaume en Renée maken we nu echt kennis met Ludo Mich en zijn vriendin. Documentaire over Martin Scorsese. De regisseur spat bijna uit elkaar van energie, emoties, hij is een spraakwaterval. Waar heb ik nog zo iemand gezien en gehoord? Gebruikt hij drugs, amfetamine, cocaïne?

11 8 1978 Met Senga naar The Last Waltz van Martin Scorsese (ik was al met Jos geweest).
De eerste geslaagde film over rock-‘n-roll. De muzikanten zijn stuk voor stuk grandioos – en duidelijk onder invloed. Neil Young ziet eruit als een vampier.

15 8 1978 Mogelijk eerste keer in Pannenhuis (met Guy Bleus?)

22 9 1978 Naar party in Studio Herman Teirlinck met Jos D. en zijn lief Hilde Van Mieghem. Ik voelde me eerst geremd en depressief. Het dansen op platen van John Cale, Patti Smith en Tom Verlaine heeft mij er bovenop geholpen. Gedanst tot iedereen naar huis was, dan wij ook naar huis, te voet.

23 9 1978  Naar Pannenhuis voor kunstmanifestatie Goddog. Anti-kunstenaars uit de wijdere buurt, punks, gekken, losers, outsiders presenteren hun ‘werk’. Het spreekt mij allemaal erg aan. Omdat ik deze mensen nauwelijks ken voel ik er mij wat onwennig bij. Maar ik hou van hun stijl, hun excentriciteit, de manier waarop ze de mode binnenstebuiten keren, hun anarchisme en non-conformisme.  Mijn sympathie ging altijd al naar mensen die hun waanzin durven tonen en weigeren deel uit te maken van wat we nog altijd het systeem noemen. I prefer not to. Eigenlijk gebeurde er niet veel. Het belangrijkste was dat iedereen er was. God-Dog is een mooi vormgegeven tijdschrift, waar geloof ik Dominique Grégoire, Ria Pacqueé en Yvette aan hebben meegewerkt. Alles met wijn overgoten.

27 9 1978 Ik weeg nog 55 kilogram.

5 10 1978 Ginette gaat weg bij ons. Vandaag wordt er verhuisd. Met Jos aan een toneelstuk begonnen dat Barman, Barmaid heet. Onafgewerkt gebleven. Er komt een paradijsvogel in voor en Mozarts Strijkkwartet nr. 14 in G, KV 387.

10 10 1978 Ik heb geen geld om het honorarium van mijn longarts, dokter Clerckx, te betalen. Hij vindt het niet erg. Bovendien geeft zijn secretaresse me zomaar 200 frank om antibiotica te kunnen kopen.

21 10 1978 Alleen naar de kroegen, op zoek naar Jos. Ik vind hem in de Gnoe. Hij zegt dat hij ziek is, zijn oog is ontstoken, hij draagt een zonnebril. Molenwiekt met zijn armen. Met hem naar het Pannenhuis, waar hij zich bitsig en agressief gedraagt. Ik lees er in Rolling Stone over de dood van Keith Moon.  Om 7 uur naar huis. Intense ervaring van het ochtendlicht in oktober.

27 10 1978 Voordracht van de filosoof Michel Serres: Les confessions de Jean-Jacques Rousseau. Paul Rigaumont vraagt zich af of Serres geen geconstrueerde naam is: twee keer RES, een keer omgekeerd.

10 11 1978 In Pannenhuis opening van tentoonstelling van Guillaume Bijl. Daarna een party met veel wijn, whisky en tequila. Lang gesprek met Jan Ceuleers. Black-out.

27 11 78 Toen ik vanuit de trein van Hasselt naar Antwerpen de kerktoren van Tienen zag, viel de tijd opeens stil. De trein en de reizigers waren er niet meer. Er was iets anders in de plaats gekomen, iets wat je niet kunt benoemen. Je zou van een diepe ervaring kunnen spreken, van een revelatie. Maar dat zegt niets omdat het aan de lezer niets meedeelt over de aard van de ervaring.

1 12 1978 Vandaag is de eerste editie van De Morgen verschenen, een nieuwe poging tot een Vlaamse linkse krant. Ondanks het slordig taalgebruik, de drukfouten, de “progressieve” spelling, ben ik toch tevreden dat de krant er is. Na vele jaren zag ik mijn oude vriend Luc Deleu terug. Hij was net terug uit Nepal. Leopold Flam zegt dat Aurora iets moet worden als de George-Kreis, de groep rond de dichter Stefan George. Meent hij dat? Dat was een elitaire kring van apolitieke dichters, kunstenaars en filosofen. In geen geval wil ik lid blijven van een groep fossielen. We moeten bijgevolg verhinderen dat de filosofische kring Aurora zo’n troep wordt.

31 12 1978 Barre kou en veel sneeuw. Bij Renée en Guillaume om Van Kooten en De Bie te zien. Daarna samen naar de punky reggae party van Jacques Chapon, in de Harmoniestraat. Reggae en tequila en iedereen is er, behalve Jos, die huivert van party’s. Al gauw ziek geworden, maar toch nog naar de Gnoe. Chantal en Gazoe brengen ons naar huis. Ik ga op de keukenvloer liggen en daar blijf ik tot een heel stuk in het nieuwe jaar.

Wailers be there
The Dammed, The Jam, The Clash
Maytals will be there
Doctor Feelgood too, ooh
No boring old farts, no boring old farts, no boring old farts
Will be there
No boring old farts, no boring old farts, no boring old farts
Will be there
And it’s a punky reggae party
And it’s tonight
Punky reggae party
And it’s alright
Bob Marley, Punky Reggae Party

door francois 1977

Afbeeldingen: Jos en ik in Antwerpen, 1979; Senga & ik; Bob Dylan in concert in Rotterdam, 1978; Hans Memling, Christus met zingende en musicerende engelen;  M.P. in zijn werkkamer in de Dolfijnstraat, omstreeks 1978, foto door mijn broer François Brouns.

BOB DYLAN EN DE AFGUNSTIGEN

2016-10-27-avignon-lyon 266

Opgedragen aan Christophe Vekeman

De zon schijnt maar vermoedelijk is het koud buiten. Wordt het een routineuze dag? Een dag als een andere? 13 oktober. Een ongeluksdag, misschien? Ik ben alleen thuis, hang een tijdje de ellendige nietsnut uit. Zet tegen beter weten de radio aan. Bob Dylan wint de Nobelprijs! Vreugdetranen, nooit eerder gevoelde blijdschap. Hoe kan ik dit voor mezelf houden? Ik bel A. op met de blijde tijding. Ik voel hoe ze daar in de metro haast aan het dansen gaat. Ik haal een single uit de kast, een die ik al sinds 1966 koester, ‘I Want You’, waarin deze versregels voorkomen:

“The silver saxophones say I should refuse you
The cracked bells and washed-out horns
Blow into my face with scorn
But it’s not that way
I wasn’t born to lose you”

Geen routineuze dag, dus, maar een dag van herinneringen aan euforische, gelukkige, dramatische, zieke, feestelijke, jaloerse, uitzinnige, pijnlijke en verwarde momenten. Meer dan vijftig jaar Bob Dylan-momenten. In het verleden heb ik er daar al heel wat van beschreven. Nu is dat niet nodig. Ik jubel en ik voel dat de hele wereld feest viert.

Later op de dag besef ik dat ik tegen wil en dank met Vlaanderen verbonden ben. Dat niet iedereen feestviert en jubelt. Want in Vlaanderen heb je Vlaamse schrijvers. Vlaamse schrijvers die geen ogenblik twijfelen aan hun vanzelfsprekende grootsheid. Zij weten wie een schrijver is en wie niet. Bob Dylan zeker niet. Dat is een rijmelaar, een neuzelaar, in het beste geval een ‘singer-songwriter’. Zo iemand geef je toch geen Nobelprijs! De jury bestond ongetwijfeld uit oude hippies, zeggen ze.

Het boegeroep – niets nieuws voor Bob Dylan – begon al op facebook. Ik las statements van Jeroen Olyslaegers, een auteur die ik stilaan begon te bewonderen vanwege zijn sociaal engagement, die van een vrij grote domheid, of toch zeker verblinding getuigden. “Bob Dylan zou nooit van zichzelf zeggen dat hij een schrijver is”, orakelde Jeroen. “Hij is een ‘song and dance man’, dat zijn zijn eigen woorden.”  Vreemd dat een gerespecteerd auteur geen ironie herkent. Geen sarcasme. Schrijvers zitten aan een tafel te schrijven, zeggen de Vlaamse schrijvers. Het zijn geen entertainers, geen circusartiesten… Maar wat is de Boekenbeurs dan, wat zijn de culturele centra? Wat is al dat signeergedoe, wat zijn die spelletjesprogramma’s en slimste mensen van de wereld?

In het journaal op de Vlaamse televisie draven Vlaanderens bekendste auteurs opnieuw op. Jeroen Olyslaegers, die nog zo slecht niet is, alleen wat in de war. Dimitri Verhulst, die pure dronken nonsens vertelt. Hij heeft het over de karamellenverzen van Bob Dylan. De schrijver van zinnen als “Werkers van wijflijke kunne worden in geval van zwangerschap op straat gezet.” (Ja, ja, ik weet het, dat is ook sarcasme). Overigens, Nick Cave en Tom Waits zijn veel betere singer-songwriters, zegt hij. Uiteraard mag Kristien Hemmerechts niet ontbreken – hoe zou Bob Dylan de Nobelprijs voor literatuur kunnen krijgen zonder de goedkeuring van Kristien Hemmerechts? Onverdiend, vindt ook mevrouw Hemmerechts, Bob Dylan is helemaal geen schrijver. Like a rolling rolling stone, nee dat is niets voor mij. Mocht het nog Leonard Cohen geweest zijn, dat lijkt nog wat op poëzie, die liedjes komen ook op papier tot hun recht. En zo ging het nog een tijdje door. Gelukkig dacht ik aan wat Dylan ooit schreef: “Sometimes you gotta do like Elvis did and shoot the damn thing out”. Dat heb ik niet gedaan. Ik heb de televisie op dvd-functie gezet en ‘No Direction Home’ van Martin Scorsese in de lade geschoven. Het is een mooie, feestelijke avond geworden. Vier uur controversiële en convulsieve schoonheid.

[In een bui van vreugde/razernij geschreven. Niet op de stijl gelet. Dit is geen literatuur.]

 

 

BRINGING IT ALL BACK HOME

Over symbolistische dichters vond ik dit: “Symbolistische dichters roepen liever de maan op dan de zon, liever de herfst dan de lente, liever stilstaand dan snelstromend water en liever regen dan een blauwe hemel”, schrijft filosoof en kunsthistoricus Michael Francis Gibson: “Ze klagen over treurigheid en verveling, over teleurstelling in de liefde, over machteloosheid en over matheid en eenzaamheid. Ze zijn bedroefd omdat ze ondervinden dat ze in een wereld leven die in doodsnood verkeert”.
Zegt dat niet heel veel over deze fase in het werk van Bob Dylan? Meer wil ik over deze tijdloze plaat niet kwijt. De geschiedenis van ‘Bringing It All Back Home’ is bekend. Hoewel ik dat soms ook wel eens durf betwijfelen.

DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY

bob & sara.jpg

Deze romantische foto van Bob Dylan en Sara Lownds vond ik onlangs via google terug. Ik had hem sinds mei 1975 niet meer gezien, maar herinnerde me hem goed. Dat kan moeilijk anders: van 1966 tot 1975 was hij altijd ergens op de achtergrond – en soms voorgrond – in mijn leven aanwezig. Ik weet niet wie de fotograaf is, heb het nooit geweten en vind het ook nu niet belangrijk. Niet omdat ik fotografen minacht of zo, integendeel, nee, maar dit is een ander verhaal. Een verhaal van herinneringen, van emoties, van het terugvinden van de verloren tijd, een beetje zoals bij Proust, inderdaad.

Ik heb hem destijds uit een tijdschrift geknipt, Teenbeat, Salut Les Copains, of nog een ander blad, en dan ingelijst. Het was de enige ingelijste foto die ik in die periode bezat. Ik knipte massa’s foto’s uit tijdschriften (waar ik verslingerd aan was), vooral van popsterren, met een voorkeur voor Brian Jones, the Small Faces, the Kinks, the Who en Jimi Hendrix. Daarnaast ook van half blote meisjes, vooral uit Lui – heel mooie kleurenfoto’s. Vervolgens knipte ik ze op maat zodat ze in elkaar pasten als (rechthoekige) stukjes van een puzzel en kleefde ze tegen een houten wand van mijn slaapvertrek op het schip van mijn ouders, mijn ‘thuis’ tijdens weekends en vakanties. Zo ontstond er op korte tijd een mozaïek van rock & roll en erotica: perfecte ingrediënten voor een melancholische adolescentie. Voor een tijd van twijfel, frustratie en honger naar wat onbereikbaar is. De beste soundtrack daarbij is ‘In My Room’ van The Beach Boys.

De foto van Bob en Sara kreeg echter een ereplaats: in een vergulde lijst, waaruit ik  een portret van een mij onbekend familielid, dat mij steeds met enigszins verwijtende blik leek aan te kijken, had verwijderd. De lijst ging bijna overal met me mee; alleen niet naar het internaat, omdat Bob Dylan daar verboden was, of toch afbeeldingen van hem. Toen ik naar Brussel verhuisde om er film te gaan studeren hing ik hem aan een haak in de vermolmde muur van mijn kamer in de Karmelietenstraat. Daarna trok ik ermee naar de Boomkwekerijstraat en in de Visélaan nam ik er, zonder er bij na te denken, afscheid van.

Sindsdien heb ik er af en toe nog eens aan teruggedacht, me afgevraagd wat er met de foto zou gebeurd zijn.

67pulaski 001.jpg

Meteen toen ik het romantische beeld van Bob Dylan en de lieftallige Sara terugzag herinnerde ik me dat er foto’s van me waren uit 1967 of daaromtrent waarop ik afgebeeld sta met de bewuste lijst. Ik moest er een tijdje naar zoeken, maar niet echt lang. Mijn leven wordt wel chaotischer met de dag, maar er is toch ook nog veel orde om me heen. Zo staan de boeken die ik voor 1991 aankocht nog alfabetisch geklasseerd. Ik herinnerde mij mijn eigenaardige vriendschap met Daantje, de jongen die de foto’s van me heeft gemaakt. Hij was ongeveer drie jaar jonger dan ik, en ik denk dat hij naar me opkeek, omdat ik anders was dan de anderen, in de manier waarop ik me kleedde, in mijn liefde voor wat toen psychedelische muziek en underground werd genoemd, en natuurlijk ook omdat ik ouder was. Vreemd is dat ik zijn leraar psychedelica was, maar dat ik toch ‘Crown Of Creation’ van Jefferson Airplane van hem cadeau kreeg voor de kerst. Ik kan me niet goed meer herinneren hoe er aan die wat oppervlakkige vriendschap een eind is gekomen. Waarschijnlijk is ze gewoonweg uitgedoofd, zoals dat zo vaak gebeurt.

Wat vond ik nu zo fascinerend aan de foto van Bob Dylan en Sara? Waarom was hij niet in de collage beland? Alleszins heeft het te maken met Bob Dylan zelf, die voor mij een god was, de enige. Ja, ja, ik was een monotheïst. Van alle liederen die ik van Dylan bezat, de meeste op single of EP, kende ik de teksten uit het hoofd (nu helaas niet meer, hoewel mij onlangs weer hele stukken van ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’ te binnen schoten). Alles wat hij zong en zei en deed fascineerde me en raakte me diep. Dan was er ook nog de mysterieuze, mooie jonge vrouw. Wie was dat? Ze zag er zo zachtaardig, lief, teder en exotisch uit… Ik wist een hele tijd helemaal niet dat ze Sara heette en dat ze de echtgenote van Dylan was. Ze was voor mij de vrouw van die foto, zoals Suze Rotolo (wier naam ik evenmin kende) het meisje was van de hoes van ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ en Sally Grossman, echtgenote van manager Albert Grossman zoals iedereen nu weet, de elegante jongedame van de foto op ‘Bringing It All Back Home’.

Er is echter nog iets, iets wat ik pas nu heb opgemerkt. Op de achtergrond van de foto van Bob en Sara zie je iets wat op een houten boshut lijkt. Ik had, vanwege astma, meerdere jaren in de bossen doorgebracht. Dat zal ergens ook wel het fetisjkarakter van de afbeelding (voor mij) verklaren. Bovendien zijn er boven het hoofd van Sara tegen de voorkant van de hut enkele prenten te zien. Weliswaar is het geen collage zoals die van mij, met half blote meisjes en popsterren, maar het zou een begin kunnen zijn… Er is ook iets met de stoel. Zonder te weten dat ik door de foto was beïnvloed – en misschien is het alleen maar toeval – heb ik ongeveer twintig jaar op een bijna identieke stoel gezeten (soms, als ik dronken was, heb ik er songs van Dylan op zitten spelen en zingen). En zelfs nu, nu het al zo laat is, draag ik nog altijd een leren jasje dat sterk lijkt op dat van Dylan.

Een leven heeft iets magisch. Er zijn zoveel niet altijd duidelijke verbanden en toevallige, ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen kunnen grote gevolgen hebben.

bob dylan,sara dylan,sara lownds,sara noznizsky,sally grossman,albert grossman,suze rotolo,foto,fotgrafie,herinneringen,daantje,1967,adolescentie,pop,popcultuur,muziek,popmuziek,singles,ep's,seks,erotica,heldenverering,interpretatie,invloed,toeval,verbanden,vriendschap,vergetelheid,herinnering

Illustraties:

Boven: Foto van Bob Dylan & Sara Dylan (alias Sara Noznizsky alias Sara Lownds) door Daniel Kramer in Bearsville NY op 14 Maart 1965).

Midden: Foto van mezelf in 1967 of 1968. Mijn toenmalige vriend Daantje heeft de foto van mij gemaakt, met mijn fototoestel. Op de achtergrond is de woning te zien op het schip van de ouders van Daantje. Ik had de ingelijste foto van Bob & Sara speciaal meegebracht voor de sessie. Je ziet heel goed dat kappers de rol van priesters hadden overgenomen.

Onder: Daantje in mijn slaapvertrek. Op de achtergrond een deel van mijn popcollage. Boven Daantjes schouder zie je een stuk van de lijst waarin de foto van Bob en Sara. Enkele afleveringen van mijn lijfblad Hitweek / Witheek op het bed. Evenals enkele flessen, om de grote Jan uit te hangen.

 

 

MONOLOOG OVER TIJD EN RUIMTE

eenzaam2

De Palestijnse dansers en danseressen in Badke… Sensueel, opwindend, vurig… Mooie en krachtige meisjes, aan wie later het bloedige land zal toebehoren. De eerste minuten waande ik mij, door de muziek en vooral de ‘zangstem’ op de Brusselse kermis in een oude futuristische attractie en ook wel in een circus aan het einde van de wereld. Daarna wende ik toch wat aan de opdringerige dreun, het opzwepende tempo. Waarom ervaar ik het Arabisch van de zanger als bevelend, als agressief, en waarom hoor ik alleen mannenstemmen? Omdat ik niets begrijp van de Palestijnse cultuur? Kunnen vrouwen daar niet zingen? Maar wat is de dans overweldigend, een roes waar je je moet aan overgeven, je ziel en je lijf. En daarna het lange, dankbare applaus en de zonnebloemen.

Tijdens de receptie, na menig glas witte wijn, vertel ik je over de landschappen in de westerns van John Ford. Monument Valley en de andere archetypische landschappen in het Westen. Hoe ik me nu soms nog schaam omdat ik als kind op naïeve en romantische wijze, en later me baserend op artistieke en intellectuele argumentatie, zoveel van de film van John Ford ‘The Searchers’ hield en houd, ondanks de racistische held, John Wayne’s personage Ethan Edwards. Ja, ik schaamde me soms voor die macho-heldhaftigheid, zo vreemd aan mijn wezen, en ik schaamde me nog meer voor het racisme, dacht zelfs lange tijd dat de hele film als zodanig racistisch was.

Vanwaar dan de bewondering van regisseurs als Wim Wenders en Jean Luc Godard voor John Ford? Godards fascinatie zal te maken hebben met de picturale schoonheid, met de filmkunst, maar ook met het – ongewild – blootleggen van de Amerikaanse geschiedenis en de veroverings- en oorlogseconomie, van de op bloedvergieten gestoelde politiek van dat immense land. Bij Wenders gaat het bijna zeker om de fotografie, en nog meer om het eindeloze landschap. De nietigheid van de kortstondige helden in dat landschap dat er omzeggens voor altijd is. De grandioze nietigheid van John Wayne bijvoorbeeld, of van zijn antipode in ‘Paris, Texas’, Harry Dean Stanton, de antiheld par excellence. De weidse vlaktes, de woestijnen en rotsformaties hebben zelfs zijn geheugen opgezogen. Het landschap relativeert in sterke mate de kleine gebaren van de helden, hoe verwerpelijk of triest ze ook mogen wezen. Wat heeft het menselijke nog te betekenen in die gigantische en oeroude setting, dat zielige figuurtje op zijn paard, dat niet veel meer te zeggen heeft dan ‘That’ll be the day!’ en de voortstrompelende, hongerige man zonder verleden en zonder stem? Het zal wel geen toeval zijn dat Buddy Holly zich in een lied de geest van Ethan Edwards eigen heeft gemaakt en Ry Cooder Travis Hendersons stilzwijgen in een muzikaal kunstwerk omgesmeed (ingebed in de zwarte gospel en blues van Blind Willie Johnson).

De wijn blijft rijkelijk vloeien en maakt me, voor een keer, spraakzaam. Door aan de ruimte van de John Fordwesterns te denken beland ik nu in de Tijd. Ik heb net het boek van Ian Bell over Bob Dylan gelezen, ‘Time Out Of Mind – The Lives Of Bob Dylan’, waarin de schrijver onder meer dieper ingaat op Dylans preoccupatie met de tijd. In zekere zin in het voetspoor van Augustinus en Marcel Proust en zeker ook van F. Scott Fitzgerald, wiens woorden uit ‘The Great Gatsby’ hij bijna letterlijk heeft overgenomen in ‘Summer Days’, een compositie uit ‘‘Love And Theft’’.

“’I wouldn’t ask too much of her’, I ventured. ‘You can’t repeat the past’. ‘Can’t repeat the past?’ He cried incredulously. ‘Why of course you can!’”

In ‘Summer Days’:

She looking into my eyes, she’s holding my hand,
She says, “You can’t repeat the past,” I say, “You can’t?
What do you mean, you can’t? Of course you can.””

Herinner je je die geweldige slotzin van ‘The Great Gatsby’: “So we beat on, boats against the current, borne back ceaselessly into the past” vraag ik en halfdronken wijs ik er nog op dat Marcel Proust in ‘A la recherche du temps perdu’ de tijd ontkent en bijgevolg ook de dood. De tijd kan worden achterhaald, herbeleefd, als er geen tijd is. Of is dat een paradox? Dan gaat de bel, last call for alcohol.

Later in het metrostation Sint-Katelijne zit ik wat voorafgaat in een klein notitieboekje neer te schrijven. Een man van omstreeks veertig komt op me af. Ik schrik niet omdat ik hem meteen herken. Wat ziet hij er nog goed uit, denk ik onwillekeurig. Het spijt me, zegt hij, maar ik herinner me je naam niet meer, heel vervelend. Voor mij een geruststelling want ik herinner me bijna nooit namen en gezichten al evenmin. Wat herinner ik me eigenlijk nog wel? Maar de naam van mijn oude compañero ben ik niet vergeten. Hoe zou ik kunnen, we hebben in 2002 samen een week in Barcelona doorgebracht. En een avond daar, in het voetbalstadion Camp Nou, het grootste van Europa, zal ik nooit vergeten: het was de koudste avond van mijn leven. Maar dat is een ander verhaal. De metro komt eraan.

Foto: Martin Pulaski, Londen.

BOB DYLAN’S RENALDO & CLARA

renaldoclara

De meeste soortgenoten die ik ontmoet, in de wereld of op papier, en zeker popmuziek- en filmrecensenten, houden niet van ‘Renaldo & Clara’. Of ze hebben er ronduit een afkeer van. Ze hebben er nooit van gehouden en ze zullen er nooit van houden. Ze geven er niet om. Ze vinden het een onding. Ze zeggen dat het een volstrekte mislukking is, een egotrip, alles behalve een behoorlijke film (een film zoals het hoort). Dat getuigt van verregaande luiheid, gebrek aan interesse en openheid; het getuigt vooral van domheid.

Iemand die bevooroordeeld is kan deze ongewone film niet begrijpen. Zo iemand zal zo vlug mogelijk een oordeel vellen, zal de film ‘slecht’ vinden, of ‘goed’, wat op hetzelfde neerkomt. Zo iemand zal hem niet kunnen categoriseren, hij heeft er geen genre voor binnen handbereik, geen herkenbare stijl, er zijn geen referenties naar grote voorbeelden uit de filmgeschiedenis of populaire kunsten mogelijk (toch wel hoor, die voorbeelden zijn er wel).

Maar iemand die aandachtig is en nieuwsgierig, die ogen en oren open houdt, die nadenkt, zal iets dergelijks zeker niet doen: ‘Renaldo & Clara’ is geen willekeurige, overbodige of pretentieuze aaneenschakeling van beelden. Het is een kunstwerk dat tegen de tijd inging en er nog altijd tegen ingaat en tegelijkertijd een getuigenis is van de tijd waarin het is gemaakt. Onderdompeling en transcendentie.

Bob Dylan is – zoals Buñuel – gefascineerd door het mysterie, het geheim, dat centraal staat in de poëtische ervaring en in de religieuze belevenis. In alles wat helder lijkt is er iets duisters aanwezig. Iets duisters dat zich aan het oog onttrekt door de diepte en de uitgestrektheid van alles wat licht is (door de zon belicht, enz.). Wat heeft deze duisternis te betekenen? ‘Cet obscur objet du désir’, zoals Buñuel het noemt, is een object/subject dat, als Proteus, om te ontsnappen aan de jager (een metafoor voor het bewustzijn), voortdurend van gedaante verandert. Een object dat nabij is èn onbereikbaar, zoals de sterren en de bliksem. De personages van Dylan zijn niet alleen loyaal aan hun geliefden maar zeker ook aan de sterren daar hoog boven hen. De sterren die van hen houden, hoe kan het anders, zoals in de film ‘Somebody Up There Likes Me’ van Robert Wise en het gelijknamige lied van David Bowie. De sterren die zich sneller dan het licht van hen verwijderen. En de geliefden die niet omkijken omdat ze artiesten zijn en hun liefde in waanzin is verdronken.

Dylan stelt het probleem van de roem (Robert betekent ‘schitterend door roem’), de beroemde kunstenaar, het idool. Hoe kan iemand die door massamedia en publiek tot idool of ster is uitverkoren integer blijven? Het publiek eist hem op, zijn leven wordt in beslag genomen door de openbaarbeid, door het publiek, door het spektakel. Het ‘ware ik’ verdwijnt, wordt een troebel symbool, onzichtbaar of opaak, verstart in een ‘public image’, of – wat het allerergste is in deze tijd, nu – in een ‘icoon’:

“You’re invisible now,
You’ve got no secrets to conceal.”

De transparantie van het masker, in het begin van de film. Onder het masker een ander masker, dat van de performer Bob Dylan, de clown met wit gelaat, die de dromen, fantasieën en verlangens van Renaldo ‘exposeert’ op het podium.  Exposeert, ontwikkelt : zoals je een film ontwikkelt, een rode loper uitrolt, een landkaart openvouwt, zoals een bloem ontluikt dankzij het licht van de zon. Exposeert eveneens in de betekenis van ‘verwoorden’ (denk aan exposé, maar ook aan het klassieke ‘expositio’).

Wie is Renaldo? Renaldo is de goede heerser zegt ons het woordenboek van voornamen. En wie is Bob Dylan? Een mythe? Een zoon van de golven, duistere zoon van de zee? Ongetwijfeld.

De film weerspiegelt een realiteit; maar de montage en zeker ook de cadrage, het ritme, de banaliteit van de ‘fait divers’, en uiteraard de muziek, maken het mogelijk door die realiteit heen te kijken, helder te zien, als een clairvoyant, zodat de ware toe-schouwer een diepere werkelijkheid te zien krijgt.  Een diepere werkelijkheid die tegelijkertijd oppervlakte is, want er is geen diepe diepte, zoals er geen oppervlakkige oppervlakte bestaat. Bob Dylan is hier – misschien tegen wil en dank, want hij is een dwarsligger – in geslaagd.  De film is integer als getuigenis, als onderzoek, als protest, als visueel gedicht. Een voorbeeld van integriteit: de vrouwen worden niet uitgebuit, verschijnen niet als louter lustobjecten. Zelfs in de bordeelscènes, als hoeren, zijn ze bovenal vrouwen van vlees en bloed en geest. ‘Renaldo & Clara’ is onder meer een hymne aan de vrouwen. Ze zijn allen even mooi, allen heten ze Clara – radiant beauty, schitterende, stralend-witte godinnen zoals in het baanbrekend werk van Robert Graves,’The White Goddess’.

Het wordt de hoogste tijd om ‘Renaldo & Clara’ opnieuw in roulatie te brengen en vervolgens op dvd/BluRay/cd aan film- en muziekliefhebbers ter beschikking te stellen. Hetzelfde mag overigens ook gebeuren met de films van Jacques Rivette en Jean Eustache. Mogelijk kunnen we dan vaststellen dat de jongere generaties minder bevooroordeeld en minder dom zijn dan de oudere?

 

 

ONENIGHEID / TEMPEST

Bob Dylan is de grootmeester van de onenigheid. Lees zijn teksten, beluister zijn songs, hoor zijn unieke stem. Niet is het eens met niets, niemand met niemand. Al van in het begin, en van voor het begin. I wish that for just one time you could stand inside my shoes and I could be you. You’d know what a drag it is to see you.

Die week hoorde ik niets anders dan Bob Dylan. Niet zo ongewoon voor mij, maar ik wilde te weten komen welke Bob Dylan mij het meest raakte, het meest ontroerde. Ik kon het maar niet eens worden met mezelf, met de stemmen in mij, met de stemmen in jou, met de vele stemmen – en maskers – van de zanger. Op een donderdag koos ik voor ‘John Wesley Harding’, jij koos voor ‘Blonde On Blonde’, Dylan gaf kennelijk de voorkeur aan zijn nieuw werk, ‘Tempest’.

In het station omhelsden we elkaar, zoals Renaldo en Clara, of waren het Bob en Sara – of waren het onze doodgewone, ongemaskerde zelven, zonder show, zonder make up? Het leek of er jaren tussen ons waren verzonken in vergetelheid; jaren, die ondanks hun onzichtbaarheid prikkels als van cactussen, sporen als van vossen of wolven hadden achtergelaten. Zoals zo vaak als we elkaar terugzagen hadden we weinig te verbergen: we waren open en oprecht voor elkaar. Wat verhuld bleef wisten we niet of wilden we niet weten.

Ik had er veel zin in. Je ogen, de wind die door de gemene straten joeg, de late zomerzon, het schuim in de cafés, elkaar dromen vertellen, en liever nog, verhalen van alledaagse waanzin. Niet weten waar je loopt omdat de wind in je hoofd is gaan liggen en de zon opeens niets meer wil verklaren. Wat is het heerlijk om op die manier te verdwalen en ergens aan te komen waar alles vertrouwd lijkt, maar toch unheimlich is. Alsof gele rozen geen doornen hebben en iedereen heeft leren lachen. De hele wereld, of dat stuk dat je ervan ziet, wordt opeens even erotisch als jij. Lust dringt binnen in voorbijgangers, in interieurs, in het spel van licht en schaduw, lust geeft alle dingen een bedwelmende geur.

En zo opeens verdwijnt de onenigheid. Is iedereen het eens met iedereen en niemand leeft nog in onmin met niemand. Want van in het begin is iedereen heilig als een eiland, is iedereen een naakt lichaam dat moet beminnen om te kunnen vergaan.

Ω

Oorspronkelijk gepubliceerd op 4-11-2012.

DENKEND AAN BOB DYLAN IN KAMER 428

Op de zeventigste verjaardag van Bob Dylan voerde een taxi me naar het Universitair Ziekenhuis Brussel. Het had mijn laatste rit kunnen zijn, maar ik heb geluk gehad. Misschien zat er wel een goede bewaarengel achter het stuur. Ik lag bloed en andere smurrie uit te braken. Ik wilde overleven. En dat heb ik gedaan. Niet alleen, op eigen kracht, maar toch. Ik voel me nog zwak, ik ben nog zwak, maar ik voel me tegelijk sterk. Ik word elke dag wat sterker. Lang geleden dat ik de dialectiek nog zo aan den lijve heb ondervonden.

Ik denk vaak aan Bob Dylan. Aan hele gewone dingen. Bijvoorbeeld: wat zou hij nu doen? Een ei koken? De kippen voeren. Ik denk dan aan die foto op de binnenkant van de hoes van Self-Portrait, een elpee waar ik altijd een zwak voor heb gehad.

Ik ga niet naar zijn concert in het Sportpaleis. Ik heb de illusie opgegeven dat Bob Dylan nog kan zingen. Bob Dylan kan al enkele jaren niet meer zingen. Ik vind het erg om dit hier zo te schrijven. Maar het is de waarheid. Dat neemt niet weg dat ik hem mateloos bewonder, sinds 1965, net voor mijn vijftiende verjaardag. Op school werd ik uitgelachen vanwege deze folie. Voor mijn medeleerlingen in het Koninklijk Atheneum in Tongeren kon Dylan toen al niet zingen. Hij had echter de meest expressieve en merkwaardige stem die ik ooit had gehoord, en een uitstekende dictie. Ik kocht zijn singles en elpees met geld dat ik kreeg om zaterdags de bus huiswaarts te betalen. Ik nam geen bus, maar liftte. Een heel prettig en vooral gratis tijdverdrijf. De eerste single van Dylan die ik me aanschafte was ‘Like A Rolling Stone’ (1) / ‘Gates Of Eden. Bezeten magie. Verbijsterend, hartveroverend. En sterker nog vond ik zijn bijtende ‘Positively 4th Street’. Als opstandige tiener kon ik me in die tekst goed herkennen. “I wish that for just one time you could stand inside my Shoes“. Mijn eerste Dylan-elpee die ik vond en kocht was ‘The Freewheelin’ Bob Dylan‘, aangeschaft in de V&D in Maastricht. Wekenlang zat ik er sprakeloos naar te luisteren. Het was een ander geluid dan dat van ‘Like A Rolling Stone‘, maar net zo betoverend en rijk. Hier moest de stem en de tekst al het werk doen. En een beetje niet al te virtuoze gitaar en mondharmonica. Ik was en ben gek op de cover van Corrina, Corrina. En al de rest, behalve Blowin’ In The Wind. Ik heb altijd gevonden dat dat lied niet veel voorstelt.

Waarom vertel ik dit eigenlijk?  Omdat ik blij ben dat ik nog leef. Omdat ik me vandaag nogal goed voel en iets wilde schrijven, om het even wat. En omdat sinds 24 mei 2011 mijn leven op een bepaalde wijze heel nauw verbonden is met dat van mijn grootste held. Voor wie ik niet meer buitenkom. Denk ik nu.

Ω

Groeten uit kamer 428.

Met dank aan Wim Blanquaert voor de dubbele T.

(1) Long piece of vomit, zoals Bob Dylan de tekst van Like A Rolling Stone beschreef, is zeer toepasselijk in deze context. Overigens bestaat er ook een prettig gestoord nummer van Allen Ginsberg met Bob Dylan getiteld ‘The Vomit Express’.

HET GEHEIME LEVEN VAN ENKELE LETTERGREPEN

P1000899

Er was eens een keer een dag dat ik je glimlach zag en dacht, dit is de waarheid en het leven, hoewel ik nooit in iets absoluuts had geloofd. Zomer, daarna kwam winter, je warme knieën, de Brusselse straten vol sneeuw, zoals op de hoes van “The Feewheelin’ Bob Dylan” – en zoals de jonge zanger en Suze Rotolo, zo liepen wij ook arm in arm door die straten, of armer nog, hand in hand, op zoek naar nog een andere plaats om het warm te krijgen. En ik dronk me vol schaamte en geluk – tot ik wankelde en jij me moest ondersteunen. Zou ik anders niet in de modder vallen? Vanwege die daad traden we in het huwelijk, werden we nachtbruid en nachtbruidegom en zaten we aan tafel kaas te eten en worstjes en Belgisch bier te drinken. En ons huwelijk was op worstjes en trappist gebaseerd. In ons rood boekje stond: als jullie dat niet meer kunnen doen, samen, wordt het huwelijk ontbonden. Ik kreeg zo’n schrik voor die regel dat ik nog meer bier ging drinken, maar vooral ook worstjes eten. Hoe langer hoe meer. Mijn omvang en gewicht durf ik niet meer te vermelden.

De lente kwam. We zaten in de zon in een grachtenstad en dronken weer bier en aten worstjes en kusten elkaar alsof ons leven ervan afhing. Ons leven hing er vanaf. Alles was plezierig; de harde, jonge zon op onze nog blote hoofden, sigarettenrook van vandalen, een knoopje of twee van je jurk open, de straten opengebroken, lawaai van bulldozers en kranen en, later, ganzen en duiven. Daarna de sussende wijn en ogen vol gloed en avontuurzucht.

Op een zomerdag vol regen reden we naar de Nederlandse kust om er de horizon te zien, en het zand onder onze voeten te voelen. Maar we bleven liggen, in de zachte kou, dicht bij elkaar, met onze sokken aan – en luisterden naar de natte druppels en hoorden ons ademhalen, ons gehijg. Nooit was de hemel ons zo goedgezind geweest. Je kussen hadden de smaak van champagne, om even een cliché te gebruiken. Je lippen ook. Ik geloof dat ik nog altijd wat van die geur ruik, die je toen uitwasemde, die geur van verlangen en voldoening. Het samenvallen van die twee. Zo was het bij mij. Ik was een met jou, en met de sterren en de wereld, zoals in een van de beste songs van John Lennon, of in een oude mystieke tekst van Hadwijch, Zuster Bertken of Meister Eckhart.

Er was eens een keer een hete zomeravond dat je me zei, dat is Venus. Boven de Schelde zag ik iets oplichten, een maan, een ster: nee, nee, Venus. Ja, zei ik, je hebt gelijk. Want ik had in een Hopperachtige wereld geleefd, eenzame kamers, drank, verdriet, monotonie. Daar had je mij uit ontvoerd. En nu zag ik dat in en zag Venus en hoorde je vervoerende stem, die de ‘dingen’ namen gaf, eigennamen, of die nieuwe namen ter plaatse uitvond. En ik was gelukkig als nooit tevoren. Maar hoe beschrijf je geluk? Ik zei dat ik lang geleden ooit achter een konijn had gelopen, na een wilde nacht in Cinderella’s Ballroom en we hadden honger, een dik konijn, maar ik had het niet kunnen vangen. In je ogen zag ik bijna medelijden met me vanwege mijn toenmalige honger, geen veroordeling vanwege mijn bloeddorstigheid, jachtinstinct. Ik was dronken van de Amaretto en van je kussen en dacht dat je een jager in me zag, iets wat ik zelf nooit had gezien. Nochtans had mijn vader een jagersinstinct, en wordt gezegd, zoals je vader was, zo ben je zelf.

Een andere keer, ook in de zomer, vertelde je me het verhaal van O. Het verschilde heel sterk van de bekende geschiedenis. Het spijt me en het spijt me ook niet, maar ik kan me dat verhaal niet goed meer herinneren. Dat komt een beetje, denk ik, door de woordspeling in het Frans, van O met eau. In het verhaal van Réage – dat ik niet heb gelezen – is de O het gat, de kut, de anus, de opening in de penis, de mondholte. In jouw verhaal was het de regen, de lavabo, het zweet op onze huid, het geluid van de buren, hoe lang kan dit nog duren, de dorst, de sappen die we bij mekaar opwekten, als nieuw leven, maar ook de olie en benzine in een auto die buiten op ons stond te wachten. Jouw O werd mijn O en is nu de letter die mij het liefst is. Zo lief dat ik graag oto zou schrijven, maar dat ziet er niet uit, dat woord. Auto, dan maar, zegewagen, rijdend hotel, bar, bushokje, schuilplaats, donkere kamer, laatste rustplaats.

Er kwam ook wind en vooral regen. Eerst was er het genot van de kleuren die we proefden op elkaars tong, nadat we ze in concertzalen hadden beluisterd. Heb je ooit een kleur gehoord? Gekleurde muziek is de mooiste muziek, zeker met een geliefde aan je zijde die je tegen onheil beschermt. We waren intens gelukkig, zo dacht ik. Ik zei, Bob Dylan. Jij zei, Bob Dylan. Zoals in een lied van Bob Dylan, ‘Tangled Up In Blue’, een autobiografische song maar tegelijk ook niet. De persoonlijke voornaamwoorden verschuiven voortdurend. En de personen zelf, en het al dan niet biografische, zoals in zijn film ‘Renaldo and Clara’. Dat is het model dat ik gebruik om deze tekst te schrijven. Verschuiving, verglijding. ‘Template’, zeggen ze, maar ik verafschuw dat woord.

De wind en de regen kwamen en we moesten ergens schuilen en onze toevlucht zoeken tot metaforen. Beminnen, liefhebben, genot, seks – konden die woorden herleid worden tot sterke metaforen om een moeilijk leven aan te kunnen? Nee. We moesten opnieuw beginnen.

Opnieuw naar die winter op je warme, rode schoot, je vurige armen, nachtelijke ritten in besneeuwde of natte of verhitte straten. Je lippen van smeltend goud, je ogen die de nacht verwensten en uitschakelden, je blauw en rood, vooral je rode schoenen, die al bij de zomer hoorden. Opnieuw naar al de plaatsen (waarvan ik alle namen ken), opnieuw naar onze lichamen in de kou en in de zon. Opnieuw naar onze tijd, het geluk, onze tranen van verdriet en genot. Opnieuw naar jou, naar mij. Opnieuw naar het begin waar geen eind aan komt.

ZERO DE CONDUITE: I’M NOT THERE – BOB DYLAN COVERED

edf

Een wat sombere, melancholische dag. Misschien wel uiterst geschikt voor het thema van zéro de conduite van vandaag: I’m not there – de songs van Bob Dylan gecoverd. Ik vermoed dat er weinig of geen andere songschrijvers zo vaak en door zoveel diverse zangers, zangeressen en bands werden gecoverd. Vaak is het resultaat quasi onbeluisterbaar. Ik heb een poging gedaan om een aantal betere covers te verzamelen. Neem het mij niet kwalijk als ik een of andere prachtige uitvoering over het hoofd heb gezien. En geniet van de mooie muziek!

Je kunt deze selectie beluisteren tussen 6 en 8 uur vanavond op Radio Centraal 106.7 FM in mijn programma Zéro de conduite. Online ga je via deze weg.

Like A Rolling Stone (Live version, 1966) – No Direction Home – Bob Dylan
I’m Not There – I’m Not There (Soundtrack) – Sonic Youth
4th Time Around – I’m Not There (Soundtrack) – Yo La Tengo
It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry – True: the Collection – Marianne Faithfull
All I Really Want To Do (single version) – Mr. Tambourine Man – The Byrds
I’ll Keep It With Mine – Chelsea Girl – Nico
Percy’s Song – Unhalfbricking – Fairport Convention
I Pity The Poor Immigrant – Who Knows Where The Time Goes – Judy Collins
Tomorrow Is A Long Time – May Your Song Always Be Sung Again – Elvis Presley
It Ain’t Me Baby – Man In Black: The Very Best Of Johnny Cash – Johnny Cash
Wallflower – Hard Rain: A Tribute To Bob Dylan – Buddy Miller & Julie Miller
If Not For You – All Things Must Pass – George Harrison
Outlaw Blues – Rockpile – Dave Edmunds
Down Along The Cove – Ton-Ton Macoute! – Johnny Jenkins
Stepchild – Don’t Give Up On Me – Solomon Burke
Positively 4th Street – Hard Rain: A Tribute To Bob Dylan – Paul Westerberg
Up To Me – Cardiff Rose – Roger McGuinn
Just Like A Woman – I’m Not There (Soundtrack) – Calexico & Charlotte Gainsbourg
Every Grain Of Sand – Wrecking Ball – Emmylou Harris
Girl From The North Country – Live At Town Hall – Eels
Going To Acapulco – I’m Not There (Soundtrack) – Jim James & Calexico
Just Like Tom Thumb’s Blues – Highway 61 Revisited Revisited – The Handsome Family
I Believe In You – Jukebox – Cat Power
The Man In The Long Black Coat – I’m Not There (Soundtrack) – Mark Lanegan
When I Paint My Masterpiece – Cahoots – The Band
I Shall Be Released – To Love Somebody – Nina Simone

Φ

Samenstelling: Martin Pulaski
Presentatie: Sofie Sap & Martin Pulaski

 

BOB DYLAN x 30

dylan-ik

  1. Like A Rolling Stone – Single – 1965
  2. Just Like Tom Thumb’s Blues  -Single B-side, live version – 1966
  3. It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry – Highway 61 Revisited – 1965
  4. Positively 4th Street – Single – 1965
  5. 4th Time Around – Blonde On Blonde – 1966
  6. One Of Us Must Know (Sooner Or Later) – Blonde On Blonde – 1966
  7. I Threw It All Away – Nashville Skyline – 1969
  8. Tell Me That It Isn’t True – Nashville Skyline – 1969
  9. Tonight I’ll Be Staying Here With You – Nashville Skyline – 1969
  10. I Pity The Poor Immigrant – John Wesley Harding – 1969
  11. Dear Landlord – John Wesley Harding – 1969
  12. Girl From The North Country – The Freewheelin’ Bob Dylan – 1963
  13. Bob Dylan’s Dream – The Freewheelin’ Bob Dylan – 1963
  14. She Belongs To Me – Bringing It All Back Home – 1965
  15. Love Minus Zero / No Limit – Bringing It All Back Home – 1965
  16. Went To See The Gypsy – New Morning – 1970
  17. Dirge – Planet Waves – 1974
  18. If You See Yer Say Hello – Blood On The Tracks – 1975
  19. Tangled Up In Blue – Blood On The Tracks – 1975
  20. Going To Acapulco – The Basement Tapes – 1975
  21. One More Cup Of Coffee – Desire – 1976
  22. I Believe In You – Slow Train Coming – 1979
  23. Blood In My Eyes – World Gone Wrong – 1993
  24. Blind Willie McTell – The Bootleg Series Volumes 1–3 (Rare & Unreleased) 1961–1991
  25. Sitting On A Barbed Wire Fence – The Bootleg Series Volumes 1–3 (Rare & Unreleased) 1961–1991
  26. Most Of The Time – Oh Mercy – 1989
  27. Trying To Get To Heaven – Time Out Of Mind – 1997
  28. Mississippi – Love And Theft – 2001
  29. One Too Many Mornings – The Bootleg Series Vol. 4: Bob Dylan Live 1966, The “Royal Albert Hall” Concert
  30. Most Likely You Go Your Way (And I’ll Go Mine) – Blonde On Blonde – 1966

 

 

BOB DYLAN IN BRUSSEL

cof

Dit schreef ik gisteren omstreeks middernacht op facebook: I enjoyed Bob Dylan so much tonight. A young man in an old man’s clothes. An eternal voice I heard once more. It will be forever among our children and their children. Bob Dylan, Bob Dylan, Bob Dylan, they will sing. And they will sing Masters Of War, and Like A Rolling Stone. In the 22nd century and on and on.

Laat dat mijn recensie van het werkelijk onvergetelijke concert van Bob Dylan & Band in Vorst op 22 april 2009 zijn. Uitgebreide analyses en ander gezeur kun je morgen in de kranten lezen (meestal steeds dezelfde nonsens) en vandaag wellicht op de blogs van Dylan-fans en Dylan-haters. Niet dat het allemaal slecht is, wat ze schrijven. Maar hoe evoceer je een mystieke ervaring? Alleen iemand als Tarkovski was daartoe in staat, zij het niet met woorden. Een goed idee: als je wil weten hoe een Bob Dylan-concert ‘overkomt’, wat het voor de aanwezigen betekent, kijk dan een keer naar Tarkovski’s Andrej Rublev.

Dit is de setlist:

s

1. The Wicked Messenger
2. It’s All Over Now, Baby Blue
3. Man In The Long Black Coat
4. Stuck Inside Of Mobile With The Memphis Blues Again
5. Blind Willie McTell
6. Desolation Row
7. Honest With Me
8. Sugar Baby
9. Highway 61 Revisited
10. Ballad Of A Thin Man
11. I Don’t Believe You (She Acts Like We Never Have Met)
12. Ain’t Talkin’
13. Thunder On The Mountain
14. Like A Rolling Stone
 Encore
15. All Along The Watchtower
16. Spirit On The Water
17. Blowin’ In The Wind

 

 

“Dylan’s public, his fans and followers, create him in their own image. They expect him to be who they interpret him to be. The very mention of his name invokes his myth and unleashes an insurmountable amount of minutae about the meaning of every word he ever uttered, wrote or sang.”
Suze Rotolo, A Freewheelin’ Time.

 

 

2008: BOB DYLAN EN NEIL YOUNG

Wat ben ik toch lui. Mijn vorige notitie – over een aantal van mijn favoriete platen uit 2008 – dateert alweer van vorige vrijdag. Maar het is niet alleen luiheid die me parten speel. Het is ook twijfel. Wat zijn nu toch die beste nieuwe platen! En ik ken er zo weinig. Nog niet zo lang geleden dacht ik dat ik een goed ‘beeld’ had van ongeveer alles wat op de ‘markt’ kwam, maar dat is al lang niet meer het geval. Ik koop nog steeds zeer veel muziek. Bijgevolg gaat een heel groot deel van mijn budget naar cd’s. En toch is dat maar een bijzonder kleine selectie van wat er allemaal verschijnt. In andere muziekblogs (Roen, Peerke) is het al vaker geopperd: er worden teveel platen uitgebracht. Het is onmogelijk te overzien, zeker niet als je een vrij brede smaak hebt.

Twijfels. Daarom duurt het zo lang eer ik mijn definitieve keuze kenbaar maak. Maar ik ben ermee bezig. Ik beluister alle elpees die ik dit jaar heb aangekocht. Hoeveel er dat precies zijn weet ik niet, maar het zijn er echt wel veel. Iemand heeft me ooit gezegd dat ik een huis had kunnen kopen met het geld dat ik in muziek heb geïnvesteerd. Misschien had ik dat beter gedaan. Maar naar een huis kun je niet luisteren. Huizen zijn meer iets voor slakken.

Een ding wil ik meteen duidelijk maken. Noch Bob Dylans ‘Tell Tale Signs’, noch de Ace-compilatie met nummers uit Dylans ‘Theme Time Radio Hour’, noch de werkelijk verbluffende live-elpee van Neil Young, ‘Sugar Mountain. Live At Canterbury House 1968’ stonden in mijn lijstje(s) van vorige vrijdag. Ik kon die buitengewoon mooie platen daar niet in onderbrengen. Ze vormen een categorie apart. Of twee categorieën: Bob Dylan en Neil Young.

De Ace-compilatie ‘Theme Time Radio Hour With Your Host Bob Dylan’, heeft eigenlijk weinig met de meester te maken. Of toch wel: hij heeft uiteraard alle vijftig zeer gevarieerde songs in zijn show gedraaid. Zijn presentatie moet je er wel bij fantaseren. Met een beetje zoeken vind je de programma’s trouwens online. Je moet er dan wel een aantal dagen voor uittrekken want er zijn al veel afleveringen. Ik houd bijzonder veel van het programma, niet alleen omdat ik zelf al meer dan vijfentwintig jaar een thematische radioprogramma maak, maar vooral door de buitengewone songs, met zoveel kennis van zaken en gevoel voor humor samengebracht, in een geheel geplaatst waar ze pas echt tot hun recht komen. Overigens is deze compilatie reeds de aanschaf waard voor alleen al de lange versie van Aretha Franklins ‘Chain Of Fools’ en zeker ook voor ‘I Ain’t Drunk’ van Lonnie “The Cat” (waar Ike Turner op meespeelt). Er zit een uitstekend boekje bij de dubbel-cd: uitvoerige informatie over alle songs en hun uitvoerders, en hele mooie illustraties.

In de Bootleg Series van Bob Dylan verscheen dit jaar volume 8: ‘Tell Tale Signs. Rare and Unreleased 1989-2006’. Er is al zoveel over geschreven – ik heb daar weinig aan toe te voegen. De dubbele cd, meer dan twee uur muziek, is over het algemeen goed ontvangen. Alleen is er veel kritiek geuit op de prijs van de luxe-uitgave, waar een twaalftal bijkomende nummers op staat. Er werd vastgesteld dat oudere mensen, minder begoede Dylan-fans die misschien van een klein pensioentje moeten leven, die nog nooit iets hadden gedownload, nu ook de weg naar de piraten hebben gevonden. Een slechte zaak voor jonge muzikanten die royalties letterlijk broodnodig hebben. Ik vraag me af of Dylan zich bewust is van deze vreemde strategie. Maar het zij zo. De dubbel-cd bevat voldoende schoonheid en de rest, dat zien we later wel.

Aanvankelijk vond ik de plaat niet zo goed. Maar nu heb ik ze toch al zo’n twintig keer gehoord, en ze wordt almaar beter. ‘Tell Tale Signs’ lijkt door de grote eenheid wel een gewone elpee en geen compilatie. Ik vind ze ook stukken beter dan zijn jongste sudioplaat, ‘Modern Times’, waar ik niet van houd. Het hoogtepunt van ‘Tell Tale Signs’ is ‘Most Of the Time’, al bijzonder mooi op ‘Oh Mercy’, maar hier zonder de Daniel Lanois-behandeling, en met de intensiteit van iets uit ‘Blood On the Tracks. ‘Someday Baby’ overtreft de versie op ‘Modern Times’. De gospel ‘Marchin’ to the City’ is een juweel. Dylan bewijst hier nog een keer hoe bijzonder zijn pianospel is.

Voor mij hoort ‘Tell Tale Signs’ tot de beste platen van 2008. En hetzelfde geldt voor de nieuwe live-plaat van Neil Young. ‘Sugar Mountain’ is een tijdscapsule die je meeneemt naar 1968. Neil Young, jong, onschuldig, kwetsbaar, grappig: er was niemand zoals hij, er is nog altijd niemand zoals hij. Sommige mensen zijn van mening dat er teveel gepraat staat op de plaat. Maar dat vind ik er net zo mooi aan. Daardoor is het niet een tijdloze opname, maar geeft ze ook uitdrukking aan de tijdsgeest, toen lang haar, stoned worden, utopische idealen werkelijk iets betekenden, heel anders dan het postmoderne escapisme. Bij mij roept de plaat talloos veel herinneringen op. Aan Buffalo Springfield, aan Amsterdam (waar ik bij Onno en Cees voor het eerste een elpee van Neil Young hoorde), aan mijn studentenkamer in de Karmelietenstraat, waar Neils eerste elpee en ‘Everybody Knows this Is Nowhere’ dagelijks werden gedraaid. Ik herinner me ook nog hoe gelukkig ik was toen ik de single ‘Sugar Mountain’ voor vijf frank in de Pêle-Mêle vond. Ja, in die dagen was zelfs Neil Young nog goedkoop.

Nog meer goed nieuws is dat Bob Dylan op 22 april naar Brussel komt. Nu heb ik al een eerste datum om naar uit te kijken.

BOB DYLAN IN LISSABON EN ANDERE PLAATSEN

 

muziek,metro,lachen,tekst,portugal,slapen,meisjes,bob dylan,ipod,straat,zingen,fnac,pessoa,patroon,lissabon,like a rolling stone,rua garrett
Lissabon, 2007. Foto: Martin Pulaski.

In Lissabon in de Rua Garrett, de straat van het befaamde café A Brasileira, waar Pessoa voor de deur een koffie zit te drinken, vreemd genoeg geen alcohol, kwam ik op een zonnige ochtend uit de metro. Ik wandelde rustig naar de Fnac, want, ja, ook in mooie steden als Lissabon, zuigt deze consumptietempel mij aan. Achter mij op straat hoorde ik de stemmen van twee – ongetwijfeld nog jonge – meisjes. Ze zongen ‘Like A Rolling Stone’, kenden de hele tekst uit het hoofd. Af en toe schoten ze in de lach, als de frasering niet helemaal klopte, of een noot niet helemaal zuiver was. Ik had zin om mee te zingen, want ik herinner mij ook nog hele fragmenten van de song, maar liet het toch maar zo. Ik kan helemaal niet zingen. Ik liep gewoon door, met de meisjes achter me aan, tot ze de straat overstaken en ik vaststelde dat het inderdaad twee jonge, waarschijnlijk Portugese, meisjes waren. Mooi, zo was het patroon niet doorbroken. Want tijdens elke reis die ik maak hoor ik ten minste één lied van Bob Dylan. Dat was tijdens deze reis tot die ochtend in de buurt van het Chiado nog niet gebeurd. Ik had weliswaar mijn iPod bij, maar dat telt niet en ik geloof niet dat ik er iets van Dylan op heb gehoord. Ik heb trouwens alleen maar van de iPod gebruikt gemaakt in het vliegtuig en tijdens mijn slaap. Ik kan heerlijk slapen met de oortjes van de iPod in mijn oren. Wat voor slaapverwekkende muziek moet er niet allemaal op dat schijfje staan.

SCHWAB’S, MEMPHIS

schwab's, memphis

Dit is Schwab’s klerenwinkel in Beale Street, in Memphis. Ik ging er destijds een kijkje nemen alleen omdat ik wist dat de jonge Elvis Presley er zijn jeans en ondergoed kocht. Sterke jeans, werd mij verteld. Later ging the Memphis Flash bij ‘echte’ kleermakers, kerels die hun prijs kenden. Ik weet niet meer of ik iets kocht bij Schwab’s. Het was september 1992, een tijd toen ik nog niet met vallen was begonnen. Wel dronk ik af en toe graag een glas rum. Niemand spreekt het woord ‘rum’ zo mooi uit als Bob Dylan, de auteur van ‘Stuck Inside Of Mobile With the Memphis Blues Again’. Op dit ogenblik klinkt in mijn kamer een andere song van de maestro, het onovertroffen ‘If You See Her Say Hello’. De herinneringen die dat lied oproept begraaf ik terstond.

HOE WORD IK WEER ZICHTBAAR?

 

muziek,werken,lichaam,feest,pop,vriendschap,stront,geheim,vergeten,droom,verbergen,wereld,geluk,zwijgen,identiteit,seks,woorden,onzichtbaar,bob dylan,spreken,blik,absurd,huid,behoefte,oppervlakte,zelf,ejaculatie,ondoorgrondelijk,grond,geheimen,zichtbaarheid,plooi,the who,bestaan,heidegger,like a rolling stone,iris dement,caspar david friedrich,ambiguiteit,doorgrondelijk,ondergrond,gestel,gesteldheid,faeces
The invisible man, 1933.

Bob Dylan zong meer van veertig jaar geleden, bijna triomfantelijk, ook al was het ambigu, “you’re invisible now, You’ve  got no secrets to conceaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaal’.
Iedereen maar dan ook iedereen kent het lied. Alleen dat al kan een moment van geluk veroorzaken. Grote tevredenheid, verzoening met de wereld en de vele domme streken van de mensen. Maar ik twijfel eraan of onzichtbaarheid een goede zaak is. In feite ben ik er zeker van dat het geen goede zaak is. Evenmin is het aangenaam als je je geheimen niet kunt verbergen. Het is ook mogelijk dat het personage waarover Dylan zingt helemaal geen geheimen heeft, en dat is nog erger. Als je geen geheim hebt, heb je geen ‘ziel’, geen ‘zelf’, geen ‘identiteit’. Zonder geheimen word je oppervlakte, volkomen doorgrondelijk – hoewel er eigenlijk geen grond is. En nog veel minder is er zonder geheimen een ondergrond. Want zijn je geheimen niet de kern van je ondergronds bestaan? Zijn het niet je geheimen die je in leven houden, als je ademhaling het begeeft, of een of ander orgaan uitvalt? Die je helpen weerstand te bieden tegen de orkanen van de tijd en de beschaving. Je ondergronds bestaan, waarvan je je niet altijd bewust bent, of zelfs helemaal niet, nooit.

Je geheimen zijn aan elke blik onttrokken. Ze zitten in de plooien en de vouwen van je huid, van je tweede huid, in je irissen, in je hele gestel, in je gesteldheid. Je bent een individu met geheimen. ’s Nachts droom je vaak van mensen die sommige van hun geheimen prijsgeven. Ze doen hun donkere behoeften op een met zweet, bloed en tranen geweven Perzisch tapijt en ejaculeren waar je bij staat, alsof het niets is. Ze strooien hun zaad in het rond alsof het druppels afwasproduct zijn. Ze tonen hun meest intieme plooien. Terwijl ze zich ontplooien lijk jij te ontdooien, maar dat is niet zo. Je hoort de zanger zingen: ‘You’re pushing too hard on me”. Je wordt hard, en die hardheid maakt dat je ontwaakt. Eenmaal wakker ben je in je lichaam terug. Niemand weet iets van de ejaculaties en ontplooiingen die je bijwoonde. Alsof het gewoon een pornofilm was geweest en verder niets.

Spoedig ben je zelf die wereld vergeten. Je staat er weer alleen voor. Je vraagt je af: hoe word ik zichtbaar? Want alleen kun je niet leven. Je wilt je geheimen delen, niet alle geheimen, sommige. Je gaat de deur uit: eenzame mensen in auto’s op weg naar je weet niet waar. In het metrostation zwijgende mensen die het blaadje ‘Metro’ doorbladeren. Niemand zegt een woord. Er schijnt niemand geneigd te zijn om je te bekijken. Maar wat achter je rug gebeurt, weet je natuurlijk niet. Op het werk wordt er gewerkt, af en toe gepraat. Wat heb je aan gepraat? Wat je zoekt is een gesprek. Wat je zoekt is iemand die een geheim me je wil delen. Zoek je echter wel? Wordt niet alles wazig om je heen, de anderen onzichtbaar. Ja, ze onttrekken zich aan je blik, ze hebben geen geheimen meer over, geen geheimen om te onthullen.

Wat je zoekt is een vriend, een vriendin, een mensch – van hen hangt je leven af. Zij maken je zichtbaar, omdat ze je herkennen en erkennen. Voor hen ben je er gewoon. Geen zonderling, geen ongenaakbare, geen vreemde, geen boomstronk. Zij weten je altijd te vinden voor het weer te laat is. En dan komen ze bij je binnen en leggen een plaatje op van the Rolling Stones, van Bob Dylan. Kom, zeggen ze, monkey man, the kids are alright. Lay down your weary tune, zeggen ze. Een van de vrienden, een aantrekkelijke vrouw, probeert boven het rumoer uit te stijgen en fluistert, hotter than Mojave in my heart. En je schenkt ze nog eens vol, sharp as a formula.

JE BENT NIET ANDERS DAN DE ANDEREN, OF WEL SOMS?

1967l 001


Al te vaak misschien wil ik schrijven over enkele antihelden, in mijn ogen vaak de echte helden, als we dat woord tenminste nog wensen te gebruiken.… Mijn gedachten gaan dan onwillekeurig naar in een of ander opzicht geniale muzikanten, performers, singer-songwriters, ‘wijze dwazen’, die destijds verstoten en verguisd werden, naar Alexander Spence, Karen Dalton, Nick Drake en Syd Barrett, muziek- en woordkunstenaars die nu evenwel door een globale elite aanbeden worden. Ik zou nog veel andere namen kunnen noemen, maar vandaag doe ik het niet. Beweren zou ik kunnen dat ik wat hen betreft een van de eerste ingewijden was. Dat ik zes kilometer verwachtingsvol langs de Zuid-Willemsvaart liep, van Neerharen naar Maastricht, om in platenwinkel De Harp ‘Oar’ te kopen, en dan weer zes kilometer terug. Ik zou kunnen schrijven over de diepe emoties die ik voelde bij het beluisteren van de gebroken stem van Skip Spence, die de kleine luidspreker van mijn gele Philips materialiseerde. “I’ve searched everywhere in heaven but I never found a friend like you…” De platenspeler had dezelfde kleur als mijn Garelli brommer. Het genot dat ik voelde bij het horen van de diepe wanhoop van een gebroken mens, toen ik nog zo jong en naïef was en nooit van Hölderlin had gehoord. Waarom had ik niet van hem gehoord? Omdat ik slechte leraren had, zonder enige twijfel. Het genot was overigens geen leedvermaak, maar identificatie, de wanhoop en het verdriet die Skippy bezong, waren ook mijn wanhoop en verdriet. Dacht ik, meende ik.

Al te vaak wil ik daarover schrijven, maar heeft het enige zin? Je hemelt die mensen op om jezelf te vergeten en maakt lijstjes tegen het verdriet. Je wilt de wereld bezitten, maar alles valt uiteen in partikels, in atomen. Ergens moet er een eenheid zijn, een Zijn dat al de zijnden samenhoudt en zin geeft, bestaansrecht. Daarom is het ook niet erg dat ik er nu niet over schrijf.

Ik heb me nooit lang in de marge opgehouden. Ik wilde geen snob zijn. Iemand die boeken leest die niemand kent, die platen koopt waar maar vijf exemplaren van bestaan, die nachtenlang naar onbegrijpelijke films uit Nieuw-Zeeland zit te kijken. Af en toe ging ik eens kijken in de donkere straatjes, nam ik zijwegen, luisterde ik naar schril gekras, bekeek ik films over geweld en geestelijke verminking, gaf me over aan het wrede theater van Antonin Artaud en Sarah Kane, je weet wel. Maar veel vaker koos ik voor Elvis Presley, the Rolling Stones, John Fogerty, Francis Ford Coppola, François Truffaut, Haruki Murakami, Paul Auster, Franz Kafka. Kunstenaars die iedereen kent. Ik was niet anders dan de anderen, dacht ik.

Een mooie kromme lijn door alles waar ik me door liet overspoelen trok Bob Dylan. Hij was er altijd, van in het begin en hij is er nog altijd. En het laatste lied dat ik zal horen, mocht ik ooit sterven, zou er een van Dylan zijn. De beste song die ik van hem ken is, denk ik, ‘It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry’. Misschien is het gewoonweg de beste song. De mooiste versie is de originele op ‘Highway 61 Revisited’, maar op de soundtrack van ‘The Concert For Bangladesh’ staat ook een uitstekende versie. Bob Dylan wordt er begeleid door twee Beatles en Leon Russell, nog zo’n miskende held.

 

 

BURN THE LOUVRE?

“Burn the Louvre,” the mechanic says, “and wipe your ass with the Mona Lisa. This way at least, God would know our names.”

Deze uitspraak komt uit ‘Fight Club’ (1996), de eerste roman van de Amerikaanse auteur Chuck Palahniuk. Als ik me nog goed herinner is de  ‘mechanic’ hetzelfde personage als Tyler Durden, die op zijn beurt een afsplitsing is van de verteller, die soms Joe wordt genoemd. In de gelijknamige film (1999) van David Fincher speelt Brad Pitt de rol van Tyler Durden. Hij doet min of meer dezelfde uitspraak als in het boek.

‘Fight Club’ is een bijzonder fascinerend verhaal; de film echter sleept je nog meer mee in een donkere, absurde wereld, waar niets is wat het lijkt. Fincher is daar een meester in, denk maar zijn andere succesfilm, ‘Seven’.

Het is niet mijn bedoeling het oorspronkelijke verhaal hier uit de doeken te doen. Je kunt het boek lezen, de film bekijken, en materiaal opzoeken op andere websites. Gisteren werd ik toevallig opnieuw met deze uitspraak geconfronteerd toen ik nog eens ging kijken op de flickr-pagina van Kathy Slamen, alias Hellophotokitty, een fotografe die ik fascinerend vind en al lang volg. Maar dat volstond voor mij nog niet om dieper op de uitspraak in te gaan.

Gisteravond was ik bijzonder onrustig. Ik overliep mijn honderden dvd’s en kon maar niet beslissen welke film ik zou bekijken. Waarom weet ik niet, maar uiteindelijk koos ik voor ‘Butterfly Kiss’ (1995) van de uitstekende regisseur Michael Winterbottom (zijn ‘I Want You’ vind ik een meesterwerk). ‘Butterfly Kiss’ is een roadmovie over een godsdienstwaanzinnig meisje, Eunice, dat door Noord-Engeland trekt, op zoek naar de mysterieuze Judith en een lied dat niemand schijnt te herkennen. Eunice is bijzonder gewelddadig, moordlustig zelfs. Ze is zelf de bijbelse Judith die Holofernes onthoofd. We zijn vertrouwd met haar beeld door de werken van Boticelli, Veronese en Caravaggio. Het verschil tussen Eu(nice) en Judith is de herhaling: Eu blijft de moord op Holofernes herhalen.
Ze betrekt bij haar wanhoopsdaden, want dat zijn het, het naïeve, lesbische meisje Miriam. Natuurlijk is ook de oorspronkelijke Miriam een bijbels personage. Zij componeert onder meer een lied als het leger van de Farao verdrinkt in de Rode Zee. Miriam is zo ongeveer het enige personage in ‘Butterfly Kiss’ dat niet wordt vermoord. Waarom niet? Eunice / Judith is een godsdienstwaanzinnige. Ik gebruik dit woord niet graag, maar ik vind geen ander. De waanzin van Eunice, hoe vreselijk ook, is namelijk bijzonder oprecht en wreed en zuiver. Goorheid, verschrikking en zuiverheid gaan meestal hand in hand. Eunice gaat gebukt onder een diep schuldgevoel. Ze kastijdt zichzelf. Eunice zoekt god. Maar god laat niet van zich horen. Als ik het ergste doe wat een mens kan doen, dan zal god me horen en zien, denkt ze. Maar god blijft zwijgen. En Eunice zet haar bloedige tocht verder, het ene na het andere slachtoffer kruist haar weg, en Miriam volgt haar en wist de bloedsporen uit. Miriam is niet op zoek naar god, zij wil alleen maar begrijpen, liefde geven. Haar god is de liefde. Als Eunice ervan overtuigd raakt dat, wat ze ook doet, god zich nooit zal laten zien, vraag ze Miriam haar te doden. Miriam verdrinkt Eunice in de zee.

Boticelli-Judith

De film was gedaan. Ik zat in stilte in mijn kamer. Daar was die zin van Chuck Palahniuk weer. Ik dacht niet aan onnozelheden als plagiaat. ‘Le plagiat est nécessaire’, schreef Lautréamont in zijn ‘Poésies II’. Ik dacht aan Goebbels, aan de nazi’s, aan de ‘Entartete Kunst’. Burn the Louvre! “Als ik het woord cultuur hoor grijp ik naar mijn revolver”, is de vaak geciteerde uitspraak van Goebbels. “Wipe your ass with the Mona Lisa…” Jongens toch… Ik kreeg het er moeilijk mee. Uiteraard wist ik dat het zeer waarschijnlijk niet de mening van de auteur was, maar van een van zijn personages. En toch… Ik herinnerde me het bijna ondraaglijk mooie lied van Bob Dylan, ‘Visions Of Johanna’, met daarin die onvergetelijke regels:

‘Mona Lisa must have had the highway blues
You can tell by the way she smiles…”

Wat een verschil. Bob Dylan noch Robert Zimmerman veegt zijn gat af aan de Mona Lisa, ook al gaf Duchamp haar een snor. Maar nog altijd liever een Mona Lisa met een snor, en zeker een die de highway blues heeft, dan een die stront in plaats van make-up op het glimlachende aangezicht heeft. Nee, dacht ik, ‘Fight Club’, is mijn wereld niet. (Gek is dat in Finchers ‘Seven’ ook een hoofd wordt afgehakt, een heel mooi hoofd trouwens.) Overigens denk ik niet dat een god, als hij zou bestaan en schepper zou zijn van de mens, er wakker van zou liggen dat het Louvre zou worden afgebrand, of de Mona Lisa besmeurd. Maar een god die toestaat dat een mens wordt vermoord bestaat niet, kan niet bestaan.

En waar de absolute, van god verlaten eenzaamheid toe leidt zag ik in ‘Butterfly Kiss’. Die wereld ken ik beter. Ik begrijp hem beter. Eunice zal nooit de Mona Lisa met haar excrementen besmeuren. Het is de eenzaamheid die haar tot haar wrede daden leidt. De afzondering. Het geloof in een genadige god, de hoop dat die haar zal troosten, haar zal zien. Terwijl ze alleen van de mensen heil kan verwachten. Alleen de verschrikkelijke mensen kunnen haar redden. Het geloof heeft haar blind gemaakt voor de genade van de mensen, de troost van vreemden.