THUISKOMST

 

ardennen1997 met johny

In een al wat oudere tekst van mijn oude en goede vriend Johny Lenaerts, las ik over de afname van de communicatie, van de ontmoeting. Wij zouden met zijn allen veel te veel televisie kijken en ons gezellig opsluiten in onze woonkamers, lekker bij de flikkerende beelden van soaps en reality shows. Cocooning, heet dat. Er zouden mede daardoor veel te weinig ontmoetingsplaatsen zijn. Dat zal wel waar zijn, maar geldt ongetwijfeld niet voor iedereen. Een eerste opmerking die ik daarbij wil plaatsen is dat afzondering vaak onder dwang gebeurt. Innerlijke dwang, sociale dwang, psychologische dwang, enzovoort. Ik zit veel thuis omdat ik niet anders kan. Buiten is heel vaak nergens. Ontmoetingsplaatsen zijn er in overvloed. Brussel, Gent en Antwerpen krioelen van de cafés, waar je vaak lang moet wachten op een ‘vrije’ stoel. Mogelijkheid tot ontmoeting is er zeker wel voldoende. Maar welke projecten hebben al die mensen die elkaar ontmoeten? Ik weet het niet. Ik voel me onder hen niet thuis. Of zoals Bob Dylan zei: ‘a house is not a home’. Als ik me in een ‘ontmoetingsplaats’ bevind, met name in een café, kan ik twee dingen doen: ofwel me bedrinken (en na verloop van tijd gaan denken dat ik een soort van Malcolm Lowry ben, of Guy Debord), ofwel me niet bedrinken en zo spoedig mogelijk weer naar huis gaan. Als ik niet drink in een café ben ik er alleen. Als ik wel drink ben ik ook alleen maar leef ik even in de illusie dat er diepe contacten zijn met verwante zielen.

Thuis echter is er de zelfwerkzaamheid, de communicatie via nieuwe sociale groepen (zoals die van de bloggers, en ook wel die van flickr); thuis luister je naar muziek, je bespeelt een instrument, zingt als je er zin in hebt, drinkt of drinkt niet, thuis kijk je naar films, niet zomaar naar het eerste het beste shitprogramma op het eerste het beste shitkanaal. Daarom denk ik dat het onderscheid tussen ‘binnen’ en ‘buiten’ nogal artificieel is. Ik weet dat de dialoog noodzakelijk is en dat je alleen jezelf kunt zijn (of worden) door communicatie met de anderen. Maar er worden voortdurend andere, nieuwe vormen van ontmoeting bedacht. Ik denk dat op die manier het kapitalisme zichzelf ondermijnt. Natuurlijk moeten wij niet passief zitten toekijken op die nieuwe vormen, maar moeten wij ze ons toe-eigenen. Ik neem aan dat we daar volop mee bezig zijn, thuis en op andere plaatsen. Het heeft geen zin het ene tegenover het andere te plaatsen. Thuis zijn, thuis komen, is fundamenteel voor de menselijke existentie. Johny Lenaerts verwijst in zijn artikel naar Leopold Flam, van wie we beiden heel veel hebben geleerd. Ik wil dat ook graag even doen in dit verband: Leopold Flam had het namelijk vaak over ‘het huis van de wereld’. Zonder een thuis kan de wereld onmogelijk ons huis zijn. We voelen ons dan vreemden op deze planeet. De eenzame Johnny Guitar, die zegt: ‘I’m a stranger here myself’. We vluchten dan weg in de religie van Born Again Christians en andere sekten en zingen (gemeend) liederen in de trant van ‘this world is not my home’ of we zoeken ons (on)heil in het nihilisme van Baudelaire (die overigens meestal in hotelkamers woonde) met zijn ‘anywhere out of the world.’ Het belangrijkste is dat iedereen naar huis gaat, en weet dat hij thuiskomt. Dat geldt nog het meest van al voor alle soldaten die nu ergens oorlog voeren zonder goed te weten waarom, zonder een doel voor ogen. All the soldiers must go home.

Foto: Johny & ik

BINNEN EN BUITEN

Na meer dan een week binnenshuis te hebben doorgebracht (overdag in gekoesterde eenzaamheid, af en toe een blik in de spiegel, veel gehoest, veel geslaap, veel muziek, veel gedachtenspinsels; ’s avonds in het gezelschap van de vertrouwde levensgezellin), ben ik deze morgen weer door kou naar het werk gegaan. Ondanks de zon was het een moeizame tocht, de ‘berg’ op, richting metrostation. Deze middag ben ik de nieuwe cd van Neko Case – ‘Fox Confessor Brings The Flood’, raadselachtige titel – gaan kopen. Daar heb ik ongeveer anderhalf uur over gedaan. Nu heb ik er spijt van dat ik mijn tijd niet beter heb besteed. Je wordt gek in zo’n mediamarkt. Je kunt er veel kopen, maar eigenlijk niet echt. Wat je echt zoekt is er niet. Ik vond het al vreemd dat Neko Case er was. Een paar jaar geleden zou je daar niet één cd van Johnny Cash hebben gevonden. Je moest bijna naar de VS om een cd van Johnny Cash te kopen. Op een bepaald ogenblik hebben de massamedia de man ontdekt. Opeens was hij geen maffe boer mee die christelijke liedjes zon, maar een oude, wijze, hippe vent. Nu moet iedereen die cd’s van Johnny Cash: in die mediamarkt lagen er wel honderd, of duizend, ik heb ze niet geteld. Ach ja, de markt is de markt. En je moet nooit spijt hebben van wat je hebt gedaan, ik weet het. Maar soms vergeet ik het. Nu schijnt de zon hier naar binnen en dat zou moeten volstaan. Opnieuw aan het werk!

SUB SPECIE AETERNITATIS

love itself

De zon schijnt door de wat vuile ramen, daarbuiten de nu nog kale bomen van het Astridpark en het groteske voetbalstadion. Nog verder de stad met al haar verlokkingen en gevaren. Je kunt er te voet naartoe, maar dat is ver. Beter de metro nemen, of de tram, of de bus – allemaal mogelijkheden vlak bij de deur. Maar ik blijf binnen omdat het moet. Ik ben ziek. Ik typ dit nu vlug met één hand, mijn rechter; mijn linkerarm kan ik niet bewegen, omdat een spier in mijn nek is ontstoken. Dat doet nogal wat pijn, vooral ’s nachts als ik er wakker van lig. Het is ook bijzonder vervelend omdat ik nu niet kan werken. Ik kan bijvoorbeeld mijn hoofd niet draaien, naar links noch rechts. Ik kijk nu recht naar het scherm. Wees gerust, ik zal niets citeren, dat gaat gewoon niet, of ik zou het citaat van een andere website moeten knippen en hier dan in plakken. Maar dat zal ik niet doen. Naast die spierontsteking ben ik ook nog opgezadeld met een virale infectie van de luchtwegen. Kop, keel, neus… Veel geklaag en veel wol, tegen de kou. Dat de winter maar gauw het land verlaat. Hij is nu lang genoeg onder ons geweest.

Ach, het is allemaal niet zo belangrijk, sub specie aeternitatis. Ik moet mezelf gewoon beter verzorgen, binnen mijn grenzen blijven, de gulden middenweg niet uit het oog verliezen. Nu moet ik deze kleine kwalen verduren. Er zijn boeken, misschien kan ik toch een uiltje knappen na het lichte middagmaal en daarna als het kan een film bekijken. Wat zachte muziek beluisteren, een glaasje water drinken. Vooral niet moeilijk doen en het niemand lastig maken.