BADLANDS

Ik las dat Terrence Malicks ‘Badlands’ nu op Blu-ray verkrijgbaar is. De film, een klein meesterwerk, kwam veertig jaar geleden uit. Hij betekende de doorbraak voor Martin Sheen (Kit) en Sissy Spacek (Holly). Warren Oates schitterde in de bijrol van Holly’s vader. Maar de echte kunstenaar was de toen volstrekt onbekende regisseur: Terrence Malick.

‘Badlands’ was zijn eerste en naar mijn mening ook meteen zijn beste film. Het thema: de oorspronkelijke onschuld en de (zonde)val, zonder opvallende religieuze connotaties. Het machteloze individu verliest zichzelf in een zielloze maatschappij, waar de wet van het geld heerst en het sociale leven bepaald wordt door het spektakel. Twee doorsnee jongeren, verblind door de alomtegenwoordige populaire cultuur (vooral radio en film, met sterren als James Dean en Marylin Monroe), krijgen geen kans om een rijke identiteit op te bouwen. Hun onschuldige liefde mondt uit in brutaal geweld.

‘Badlands’ is een poëtische blik op de alledaagsheid en de onverschillige, gewetenloze misdaad. Malick dompelt de enkeling onder in een landschap dat elke vorm van onschuld/schuld opheft . De regisseur houdt zich ver van psychologische interpretatie, wellicht vanuit het besef dat poëzie en psychologie elkaars grootste vijanden zijn.

Waarom al die doden? Zomaar. Het verhaal is gedeeltelijk gebaseerd op waar gebeurde feiten: de Charlie Starkweather-moorden in de jaren vijftig. Bruce Springsteen heeft er een song over gemaakt, met dezelfde titel. Badlands is de streek in North-Dakota waar deze omineuze dingen zijn gebeurd. Maar Malick distantieert zich van die specifieke plaats, tijd en omstandigheden. Op die manier slaagt hij erin een verhaal te maken dat los staat van tijd, geschiedenis en moraal.

‘Badlands’ is verwant aan de gedichten van Rimbaud en aan sommige films van Nicholas Ray. Wat je te zien krijgt is een alchimistisch kunstwerk. Eens gezien, of liever: ervaren, blijft het nog jarenlang in je nazinderen. Bij mij al bijna veertig jaar.

 

THE MAN WHO SHOT LIBERTY VALANCE

‘The Man Who Shot Liberty Valance’ is een van de hoogtepunten in het oeuvre van John Ford. De film behandelt de invoering van law and order in het wilde Westen. Je ziet hoe de open range, waar de wet van de sterkste heerst, ingebed wordt in de grote democratische republiek, waar het volk het voor het zeggen heeft en niet uitsluitend machtige, prominente mannen over alles beslissen. Of met andere woorden, hoe dat ruwe land onderdeel wordt van een American Dream die nooit zal worden verwezenlijkt: de Staat waar iedereen gelijk is.

‘The Man Who Shot Liberty Valence’ is evenwel veel meer dan dat. Achter en onder de wetboeken en het prille democratische recht blijft het geweld zijn gang gaan. De rechtsorde is alleen maar mogelijk indien er naamloze revolverhelden bestaan die er niet voor terugschrikken ‘slechte mensen’ zoals Liberty Valence uit te roeien. De ware held van de film is niet Ransom Stoddard (James Stewart) maar Tom Daniphon (John Wayne), de man die Liberty Valance – vanuit een donkere hoek – over Stoddards schouder neerschiet.

‘The Man Who Shot Liberty Valance’ is eveneens een meditatie over legende en waarheid. De meeste mensen geven de voorkeur aan een verhaal, een mythe of een legende, ten koste van wat waar is. Ransom Stoddard wint het respect van het grote publiek door iets wat hij in werkelijkheid niet heeft gedaan. De western legt bloot hoe een legende ontstaat. Ook in onze tijd liggen weinigen wakker van de waarheid, of van versies van de waarheid. Velen verkiezen de verhalen die de media hen elke dag opdringen.

HERINNERINGEN AAN KEVIN AYERS

Kevin Ayers is dood. Hoewel ik hem maar enkele keren heb ontmoet – het waren intense, onvergetelijke uren – beschouwde ik hem in mijn verbeelding als een ware vriend en in werkelijkheid als een lange afstandsvriend. ‘I have a friend I’ve never seen, he hides his head inside a dream’ zingt Neil Young in ‘Only Love Can Break Your Heart’. Het zou over Kevin Ayers kunnen gaan, en een klein beetje over mezelf.

Ik hield van zijn songs, zijn stem, zijn elegantie, zijn merkwaardige schoonheid, zijn speelsheid, zijn intelligentie. Toen ik hem ontmoette was ik nog naïef. Hij vertelde me waar the Soft Machine vandaan kwam. Van William Burroughs. Net zoals Steely Dan. Kevin Ayers vertelde me dat er logica in dromen zit. Kijk naar de bananen op zijn schaakbord (op de hoes van ‘Bananamour’).

Kevin Ayers was een muzikant met een ziel, geen showman. Dat zie je meteen op het livemateriaal dat er op YouTube voorhanden is.  Hij hield van Nico, beschouwde haar als een vrouw met talent en niet als een freak. Over haar heeft hij het mooie ‘Decadence’ geschreven. Op Ayers’ meesterwerk, ‘The Confessions Of Dr Dream And Other Stories’ uit 1974, zingt Nico mee (op ‘Irreversable Neural Damage’, een titel waar ik destijds weinig van begreep, geestelijk gezond als ik was). Op zijn platen liet hij zich begeleiden door voortreffelijke muzikanten zoals David Bedford, zijn oude vriend van the Soft Machine Robert Wyatt, de jonge Mike Oldfield, Steve Hillage, Ollie Halsall en Lol Coxhill. Niet voor niets heette zijn band ‘The Whole World’.

Syd Barrett, die hij wellicht nooit goed gekend heeft, zag hij als een ‘soulmate’ en een vriend. Voor hem zette hij het sprookjesachtige ‘Oh! Wot A Dream!’ op plaat. Een van mijn lievelingsnummers. Eens gehoord vergeet je het nooit en het is zeer geschikt als slaapliedje voor de kinderen.

Op een avond zaten we samen aan tafel. Kevin Ayers had meer aandacht voor de wijn dan voor het eten. Maar niet alleen voor de wijn. Tussen ons in stond een vaas met een warmrode roos erin; van een van haar bladeren viel een vochtdruppel in mijn glas . “Look”, zei hij, “the rose is crying in your wine”. Weinigen zien zoiets kleins, en als ze het zien zeggen ze het niet. Zeker mannen doen dat niet. Ik kende in die dagen niets van wijn. Hij vertelde me dat hij graag Gewurztraminer dronk. Daarna heb ik die vrij fruitige wijn nog jaren geregeld gedronken, tot ik me door bourbon en tequila heb laten verleiden, dranken die ik al lang weer heb afgezworen: nu is er opnieuw plaats voor wijn in mijn leven. En zeker ook voor Gewurztraminer.

Soms hoor ik Kevin Ayers in mijn dromen zingen. Why are you sleeping, zingt hij. Va pisser dans un violon, zingt hij. Stranger in blue suede shoes, zingt hij. Colores para Dolores, zing hij. Puis-je, vraag ik hem dan. En vervolgens word ik wakker, ontbijt, de zon schijnt, ik maak een lange wandeling, loop voorbij een café waar een mooie vrouw alleen aan een tafel thee zit te drinken. Zou ik haar durven vragen of ik dicht bij haar mag komen zitten? Nee dat durf ik niet, zeg ik tegen mijn spiegelbeeld.

Nog zoiets: mede dank zij Kevin Ayers ben ik nooit oud geworden. Hij was een van die kunstenaars die me hebben leren dromen, dagdromen, mijmeren… Kevin Ayers heeft me geholpen om van het leven een feest te maken, ook al krijg je soms alleen maar een naakte lunch.

Kevin Ayers is dood. Maar hij blijft mijn heel bijzondere gezel, tot het einde. Ik zal hem elke dag missen.

Ω

Op 25 juni 2006 schreef ik nog over Kevin Ayers in De roos van Kevin Ayers en op 27 juni 2006 in Gesprek met Christa Pfaffgen.

ZULLEN DE WESTERSE INTELLECTUELEN DAN TOCH HUN GELD MOETEN DELEN MET ARMOEDZAAIERS EN ARABIEREN?

turning my back to school (1967)

Ik hoor Clarence Carter zingen. Baby your love makes me feel so good.  Amerikaanse soul uit de jaren zestig, nooit geëvenaard. Zwarte muziek uit het diepe Zuiden afkomstig, waar in weerwil van de gekende obstakels zowel zwarten als blanken op dansten – en sommigen doen dat nog altijd. Of op ‘Thriller’, of op ‘Black President’ van Fela Kuti. Om het nog maar niet over Lil’ Kim, Beyoncé en Bobbejaan Schoepen te hebben. En muziek uit Mali, Oekraïne, Las Vegas, Genk, Cuba, Mongolië. Allemaal melodieën en ritmes waar we graag op dansen, om onze zorgen, ons verdriet, onze pijn te vergeten. Om te tonen dat we verliefd zijn, of van iemand houden. Om duidelijk te maken dat we de liefde waard zijn. Dat we mensen zijn, verschillend maar hetzelfde. Vijanden soms, maar heel vaak ook kameraden, vrienden. Lees nog eens ‘Leaves Of Grass’, en de gedichten van Majakovski, Lorca, Kavafis, Pavese. De toekomst moest toen nog beginnen, zou je kunnen zeggen. Maar is het nu anders?

Waarom dan die vijandigheid, die hatelijkheid, die egoïstische waanzin die ik in elke elke krant lees, op de radio hoor, op televisie zie, op internet in de mate van mijn mogelijkheden bestrijd? Zoals vandaag nog – of was het gisteren –  in De Standaard een opiniestuk van Benno Barnard, een zekere Sanctorum, en iemand van wie ik me de naam niet herinner. Nu, dat zal wel wederzijds zijn(gelukkig maar.) ‘Democraten’, schrijvers, filosofen, moralisten. Wijze mensen, die ons graag vertellen wie en wat we zijn en waar we naartoe gaan als we dit doen en dat laten. Mannen. Blanke mannen. Dichters, kinderen van katholieken en protestanten. ‘Atheïsten’, ‘anarchisten’, ‘progressieven’, kerels met een open geest, etcetera. Niettemin blijkt uit hun artikel dat ze zichzelf als übermenschen beschouwen, niet eens in de Nietzscheaanse betekenis, maar in die van het Arische ras, van de ‘Westerse’ beschaving, van de Bijbel en de Renaissance. Kinderen van de Verlichting. Revolutionairen die bijzonder tevreden zijn met hoe het was en hoe het is – maar, denk ik, toch zo bevreesd voor wat komen moet. Straks lopen wij allemaal met een hoofddoek rond! Ondenkbaar! Dat kan toch niet! Verbieden! “Geen enkel teken van individualiteit, overtuiging, geloof, leugens, bedrog, illusie, fanatisme meer toestaan”, schijnen deze geleerde mannen te denken.  Niets. Alleen misschien nog een beeltenis van Plato, Da Vinci, Shakespeare, Elvis, Bach en een of andere Habsburger. En Luther mag ook wel. En Freud wellicht, en Marx. Maar… Maar Maimonides dan? En de grote Arabische dichters? De Sufi? De soulzangers? Martin Luther King? Jesse Ed Davis? Jesse Owens? Sitting Bull? Shirin Neshat? De Noord-Afrikaanse vrouwen die zulke prachtige tapijten weefden,  en tegelijk de abstractie uitvonden? (En alle namen van alle mensen die nu leven en ooit hebben geleefd op deze verdoemde planeet, op deze gelukzalige planeet.)

Ik schaam me diep voor België, voor Vlaanderen, voor Antwerpen. Meisjes worden vernederd aan de schoolpoort. Iets wat voor hen een sterk symbool is moeten ze verwerpen aan de schoolpoort. Het doet me denken aan mijn jeugd, zij het niet aan de schoolpoort. 1968. Ik had lange haren en hippe kleren (een  rooskleurig fluwelen jasje, een gestreepte broek, een hemd met bloemen…) en dat werd me op ‘mijn’ Atheneum niet in dank afgenomen. Geregeld werd ik bij de prefect geroepen, die dan als een mantra herhaalde, mijnheer Pulaski, u moet naar de kapper, zoniet wordt u de toegang tot deze school ontzegd. Ik moest de symbolen van mijn ontluikende persoonlijkheid nog niet afstaan aan de schoolpoort, maar het ging al in die richting. Ik ging dan maar naar Maastricht, waar ik een handige kapper kende, om daar een centimeter van mijn haren te laten knippen en enkele provoblaadjes te kopen. En dan was het weer goed voor een paar maanden.

Het was een soort overgangsritueel, de oudere ‘heren’ moesten wennen aan het nieuwe, het andere, het ongekende, het ‘gevaarlijke’. Ze moesten wennen aan het geleidelijk aan uitwissen van hun grenzen. Er werd veel over liefde gesproken. Wat moest er dan gebeuren met hun tegenstellingen, met hun socialisme, katholicisme, atheïsme? Hoe konden ze de verdeeldheid in stand houden en de bonussen onder elkaar verdelen. Ja, hoe konden ze dat?

En nu voel je hun angstige adem in je nek. Wat zal met onze ‘cultuur’ gebeuren, met onze economie, met ons geld, met onze ‘roem’, met onze subsidies, met ons ‘volk’? Ze vinden de Vlaamse belangen belangrijker, bijna opeens, dan de belangen van de wereld en van elk levend wezen. Ze geven de voorkeur aan ‘dorpspolitiek’ en verwerpen de universele dialoog, de kritische uitwisseling van gedachten. Ze vermijden kennis en inzicht. Ze willen niets meer leren. Ze schrijven er blindelings op los. Ze zijn zo bang, beste vrienden, zo bang zijn ze, dat zich beroepen op Guy Verhofstadt om de Koran een verderfelijk boek te kunnen noemen. Terwijl het gewoonweg een boek is als alle andere, alleen wat populairder dan het egoïstisch gezeur van Barnard, Sanctorum en hun ‘geestesgenoten’. Ik denk dat dit volstaat. Dicteer dit nu maar aan mijn secretaris.

Ω

Afbeelding: Martin Pulaski op het speelplein van het Koninklijk Atheneum in Tongeren, 1967. De haren waren veel te lang, de t-shirt was ongepast. Foto: Luc Verjans (?). Regie: MB.

 

EAST-WEST: THE BUTTERFIELD BLUES BAND

butterfield

Nee, je hebt gelijk. Ik stop ermee. Ik moet tot rust komen. Ik stop met mijn studie aan de universiteit. Het is afgelopen. Waarom zou ik nog langer psychologie studeren? Is één diploma dan niet genoeg? Ik kan de spanning van de examens niet langer verdragen. En door die lange, tochtige gangen lopen. Overal vervalsing van het ware leven, namaak. Het ware leven is elders, dat weet iedereen, daarvoor moet je geen psychologie gestudeerd hebben. Weet iemand nog wat een trimester is, een semester, en is vacature geen tijdschrift? Zitten we op de trein naar Babylon, of een andere stad, die tot de grond werd afgebrand? Zitten we met andere woorden niet met een probleem?

Ik heb trouwens al een diploma. Bovendien vergeet ik toch altijd alles. Het enige wat ik mij van al die lessen nog herinner is de uitspraak ‘bad girls go to hell’. Daar is een ander verhaal aan verbonden, dat ik nu liever niet vertel. Er zijn de buren, die zouden het maar eens moeten horen, als ik hier met luide stem de slechte meisjes zit te verheerlijken. Een filosoof die psychologie studeert is belachelijk, of op zijn minst niet ernstig. Nee, mijn beste vriend, ik stop ermee.

Het vorige kwam uit een droom die ik had.

Nu alweer eergisteren – wie weet waar de tijd heengaat? – zag ik in werkelijkheid de deejay-van-toen Zaki en zijn zonen Dewaele op televisie, evenals de door velen zeer gewaardeerde Roland. Ongetwijfeld is hij de nieuwe oude Belg, die zal moeten opdraven als Toots Thielemans het laat afweten. Ach. Er is zelfs geen Sam Peckinpah meer onder ons, voor wiens films hij soundtracks zou kunnen maken (zoals Thielemans voor ‘The Getaway’).

Er was een tijd dat ik Roland & the Blues Workshop zag optreden op een klein festival in Limburg. Dat greep me zo naar de keel, dat ik nu (eergisteren, bedoel ik) dacht, waarom worden wij allemaal oude zakken en waarom vertellen wij als we oude zakken zijn zoveel onzin? Maar wacht even! The Butterfield Blues Band, zei Roland in dat programma dat eigenlijk over de wereldtentoonstelling had horen te gaan, alsof er niet voldoende materiaal is te vinden om daar alleen al een fijne reeks televisieprogramma’s mee samen te stellen. Maar dat terzijde. Want deze aflevering over (vooral) de sixties was echt wel de moeite waard om voor op te blijven, niet vanwege wat Zaki en zijn zonen vertelden, want dat stelde niet veel voor, maar wel vanwege de blik in de ogen van Roland,  toen hij de naam, the Butterfield Blues Band uitsprak. In die blik zag ik de jonge Roland, met alles wat hij toen in zijn lijf en zijn hoofd had, maar al gauw kwam ikzelf weer in het centrum van mijn eigen belangstelling te staan. Zo is dat. Als je niemands centrum bent, moet je maar je eigen centrum worden. Je eigen centrum van de wereld. Je hebt dat nodig om te overleven in een schijnbaar onverschillige wereld. Je moet een centrum zijn, het middelpunt van een cirkel of een kring om de vijandige krachten die je willen verslinden het hoofd te bieden. Het hoofd te bieden? Niet echt. De strategieën, spinachtig, die je hoofd bedenkt. Het lokaas, de leugens, het zaaien van twijfel, het doen ontstaan van onzekerheid, vooral het zwijgen. De jonge Roland zag ik, en ik zag hem ook weer in die oudere man met baard, hij leefde nog in hem als een hem wat vreemd geworden ziel. Was hij de golem en zat de echte Roland in hem, of was het net omgekeerd? De blues had hij ontdekt dankzij the Butterfield Blues Band, zei hij. Zo belandde ik  opeens in Genk, bij mijn vriend Harry, in de zomer van 1968. Ik was op mijn gele Garelli naar Genk komen rijden. In dat gat was werkelijk niets te doen, toen. Wat er nu gebeurt zou ik niet kunnen zeggen. Harry liet mij een plaat horen van Blue Cheer. Natuurlijk kende ik ze. Het was ‘Vincebus Eruptum’, onze favoriet elpee in die dagen, hoewel ik ook dol was op ‘Bee Gees 1st’ en ‘White Light White Heat’ van the Velvet Underground. We dronken een glas limonade. Mijn gele Garelli stond af te koelen in de schaduw van Harry’s ouderlijk huis. Na het drinken van de limonade besloten we een tochtje te maken door het centrum van Genk. Honderden keren ben ik in die stad geweest, maar een echt centrum is er niet, was er niet en zal er waarschijnlijk nooit zijn. In dat opzicht is het net een stadje in de Verenigde Staten. Maar die dag was er wel een centrum, magisch bijna: omdat we ernaartoe werden gezogen. Een winkel waar elpees werden verkocht. Harry zei dat ik niet moest binnengaan, tenzij ik de Heikrekels of de Zangeres Zonder Naam op prijs stelde. Dat was niet het geval. Maar het vinyl liet zijn oerkreet horen: kom, luister, koop. Eens binnen viel mijn oog meteen op de (nu nog altijd) prachtige hoes van ‘East-West’ van the Butterfield Blues Band. Ik had nog nooit iets gelezen over die band. Maar ik twijfelde er niet aan dat dit verzengende muziek zou zijn. Bovendien kostte ze maar 99 frank. Het was wel een Franse persing, op Vogue in plaats van het originele en legendarische Elektra. Het was zo’n hoes met punten op die je kon uitknippen en als je die opstuurde naar Frankrijk kreeg je een of ander gadget. Mijn hoezen kapot knippen zeker! Ik heb de grijsgedraaide elpee later, toen ik in Antwerpen woonde, verkocht bij Brabo, voor 20 frank meen ik mij te herinneren. Daar konden we brood, jam, aardappelen en uien mee kopen. Nu ben ik in het bezit van een exemplaar op Edsel, degelijk van klank, maar het is natuurlijk niet the real thing.

Ik weet niet wat Harry en ik na de aankoop van de elpee nog deden. Ik wilde zo snel mogelijk ‘East-West’ horen. De beluistering van die blues, vooral van de titeltrack, was mijn eerste en mischien wel enige trip. Nee, ik overdrijf. ‘Music From Big Pink’ was er bijvoorbeeld ook een, en ‘Electric Ladyland’, en ‘John Wesley Harding’ en ‘The Notorious Byrd Brothers’. Et cetera. Van trips gesproken:‘East-West’, in de VS verschenen in 1966, had een grote invloed op de acid rock uit San Francisco.

Ik was altijd een grote fan van the Rolling Stones geweest, vooral van hun bluesy nummers, zoals ‘Walking the Dog’ en ‘Litte Red Rooster’. Echte blues kende ik  niet, die werd niet op de radio gedraaid en niet in de platenwinkels verkocht waar ik kwam. En nu hoorde ik de echte blues, uit Chicago. Gelukkig voor the Rolling Stones maakten zij op dat ogenblik popmuziek (‘Between the Buttons’, een heel mooie popelpee), zodat ik niet moest vergelijken. Later zijn ze trouwens echte blues gaan spelen, op ‘Let It Bleed’, ‘Sticky Fingers’ en ‘Exile  On Main Street’. Nooit echter zouden zij de dromerige intensiteit van ‘East-West’ evenaren. Het was 1968, revolutie in de steden van de wereld, communes, underground, psychedelica, vrije liefde en seks, dope, noem maar op. Maar ik hield me ver van het tumult en luisterde naar deze geweldige songs op ‘East-West’. Het driftige mondharmonicaspel en de bezielde zang van Paul Butterfield, de stevige drumsound van Billy Davenport, het koppige ritme van basspeler Jerome Arnold, het enigszins psychedelische orgel- en pianospel van Mark Naftalin, het jonge, delicate geweld van gitarist Elvin Bishop en de ultieme schoonheid van Mike Bloomfields gitaarspel. Ik geloof niet dat ik ooit een betere gitarist heb gehoord. Later ontdekte ik dat het Mike Bloomfield was geweest die meespeelde op ‘Like A Rolling Stone’ van Bob Dylan. Mike Bloomfield was de man van tientallen ‘supersessies’. Hij was een  bescheiden gitarist, maar beter dan de meesten, met uitzondering misschien van Jimi Hendrix.  Je kunt hem trouwens aan het werk zien, samen met the Butterfield Blues Band, als backing band van Bob Dylan op het folkfestival van Newport in 1965, in de documentaire ‘No Direction Home’ van Martin Scorsese.

Helaas heb ik de band nooit live gezien. Daar had ik toch wel een paar maanden van mijn leven willen voor geven. Paul Butterfield en Mike Bloomfield zijn al vele jaren niet meer onder ons. Ook in hun geval eisten drugs en drank hun tol. Maar hun meesterwerk blijft overeind.

Voor wie meer blues van Butterfield wil horen is er een fraaie verzamelaar: The Elektra Years – An Anthology.

ACTEUR EN MASKERADE

42.119.528

De acteur stelt zich niet bloot aan zijn publiek. Zelfs als hij naakt op het podium staat is hij niet bloot. De toeschouwer ziet zijn naaktheid als een omhulsel, een lichaamomvattend masker, want de acteur draagt inderdaad een masker. Het masker is zijn rol, het spel met de anderen is zijn maskerade. Ook de toeschouwers zijn gemaskerd, maar bij hen is het geen spel, maar zeer vaak bittere ernst. Niet dikwijls kan een toeschouwer met zware problemen die tijdens zelfs een bijna perfecte opvoering van King Lear vergeten. Hopelijk voor hem zijn er toch momenten waarop hij zich bijvoorbeeld met Cordelia identificeert, of met Gloucester, het maakt niet echt uit met wie, het is maar een hoop die ik heb. Gaan niet alle mensen gemaskerd door het leven? Soms denk ik, nee, niet alle mensen, er zijn uitzonderingen, laten we zeggen: gekken en moordenaars. Maar speelt de moordenaar niet de rol van moordenaar? En de gek de rol van gek? Een korte episode van ongemaskerd zijn stelt de moordenaar in staat echt mens te zijn. Maar de prijs voor die menselijkheid wil geen mens echt betalen. Hetzelfde geldt voor de waanzin. Wie wil waanzinnig worden om mens te kunnen zijn? En dan nog maar heel kort, want al snel worden moordenaar en waanzinnige in de patronen van de maskerade, van de berusting gedwongen. Geneesmiddelen en straf, artsen en rechters hebben die functie en opdracht. Je weet toch dat alles normaal moet verlopen. Sterke, jonge mannen, vol dromen en verlangens, gaan de oorlog in alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Maar beste polemologen, is oorlog wel een normale zaak? Zeg het me, want ik heb zo mijn twijfels.

Na de voorstelling heeft de acteur zijn masker afgezet; hij heeft snel wat gemakkelijk zittende kleren aangetrokken, het spel is afgelopen. Als hij het café binnenstapt zie je dat hij nog wat nazindert, nog wat gloeit – de natrillingen van het genezende spel. Heel even zie je vanuit je ooghoek, terwijl je een slokje wijn neemt, de echte mens, zonder masker, op de grens van de gespeelde vervreemding en de echte, die waar wij in leven. Alles wat ik hier vertel is niet nieuw. Het thema van de vervreemding en de maskerade komt in duizenden boeken, films en toneelstukken voor. Een mooi voorbeeld is het personage Roger Thornhill (Cary Grant), in Hitchcocks ‘North By Norhtwest’. Het gaat om een doorsneeburger die verward wordt met een geheim agent, George Kaplan. Al van in het begin van het verhaal maakt alles wat Thornhill doet hem verdacht. Zijn gedrag maakt als het ware duidelijk dat hij George Kaplan is, terwijl dit toch niet het geval is. Deze man komt in een meta-maskerade terecht, waar niets is wat het lijkt, en het tegelijk toch is wat het is. Als je lang nadenkt over deze film stort je hele wereld in. Je weet niet meer wie je bent. Wat is je essentie, datgene wat je ziel wordt genoemd? Wat is je psyche? Ben je degene die je denkt dat je bent of ben je veeleer degene die door de anderen wordt bekeken en beoordeeld? Er zijn nog talloos veel andere voorbeelden van verhalen over maskerade en ontmaskering, over dubbelgangers en mensen zonder gezicht. Mag ik ‘Les yeux sans visage’ van Georges Franju aanbevelen? Of een biografie over Artur Rimbaud? Waarbij ik ervan uitga dat een biografie over Arthur Rimbaud niet echt over de dichter en avonturier gaat. Net zoals ‘Professione: Reporter’ van Antonioni niet echt over een reporter gaat. Veel lees- en kijkplezier!

SCHRIJVEN IN EEN BEHOEFTIGE TIJD

daringman

“…Indessen dünket mir öfters
Besser zu schlafen, wie so ohne Genossen zu sein,
So zu harren, und was zu tun indes und zu sagen,
Weiss ich nicht, und wozu Dichter in dürftiger Zeit.”
Friedrich Hölderlin, Brot und Wein.

Het schrijven moet vooral uit onszelf komen; als het niet uit een innerlijke noodzaak voortvloeit, betekent het niets. Ben je wel iets waard als je je laat ontmoedigen door gebrek aan succes? Ook al leef je sinds je vijftiende jaar ten dienste van het woord?
Je ‘voelt’ je al miskend sinds omstreeks 1975, dat is al meer dan dertig jaar. Nog erger is de zekerheid dat je uitgesloten en verzwegen wordt.

Je hebt destijds, vanaf je vijftiende, toen de leraren je hadden gezegd dat je een goede pen had, aan heel wat wedstrijden meegedaan, onder eigen naam, en nooit wat gewonnen. Toen je dan op latere leeftijd een verhaal opstuurde onder een gekozen naam, Martin Pulaski, voor een verhalenwedstrijd van De Morgen was je meteen bij de winnaars. Het verhaal werd gepubliceerd in een bundel bij Meulenhoff. Je had inderdaad hard aan dat verhaal gewerkt, maar niet harder dan aan heel wat andere van je vroegere verhalen en gedichten (die alleen in onbekende, onbeminde tijdschriften werden gepubliceerd; met uitzondering van het NVT, daar was je trots op, omdat je in een zelfde nummer stond als Hugo Claus, de eerste Belgische schrijver die je meteen goed vond.)

Het gevoel miskend, uitgesloten, verzwegen te worden vreet een mens geleidelijk aan kapot. Je voelt je almaar waardelozer worden, omdat je je eigen waarde uit het oog verliest en jezelf door de ogen van de anderen bekijkt. Je wordt niet geapprecieerd en trekt daaruit de conclusie dat je niets kunt. Je denkt dat je een dorpsidioot bent, ook al ben je een stedeling. Je gelooft niet dat je iets blijvends kunt maken, iets sterks, iets dat tot de verbeelding van de mensen spreekt. Je bron droogt op. De mensen zeggen: “hij gaat door een diep dal”. En zo is het ook, een diep, donker dal. Hetzelfde dal waar de zelfmoordenaars door moeten, voor ze tot de daad overgaan. Impotentie gaat je leven beheersen. Je hebt geen mogelijkheden meer, wil dat zeggen. Er valt niet meer te kiezen. Je hebt geen ‘macht’ meer, en ook geen ‘wil tot macht’. Wil je nog iets? In het begin wilde je succes, wilde je geliefd worden, door zoveel mogelijk mensen. Daardoor werd je afhankelijk van de anderen. En velen waren als roofdieren, maar erger, en profiteerden van je afhankelijkheid en je zwakheid. Zwakken worden altijd het eerst verscheurd. Je ging jezelf als een slachtoffer zien, een lachwekkend iemand. Een mislukkeling. Iemand die uit de annalen van de geschiedenis wordt gewist. (Je verloor uit het oog dat dat met bijna elke mens gebeurt.) Een slachtoffer is gekwetst, diep gewond zelfs. Meermaals lag je bloedend in de goot. Want in je waardeloosheid zocht je het gevaar op. Zoals Montgomery Clift met zijn geschonden aangezicht koppelde je je lot aan alcohol en medicijnen. Je strompelde door de straten van het donkere dal, op zoek naar een goed verlichte plaats waar vreemden je zouden troosten, vrouwen of mannen, dat maakte niet uit. Ja, zij luisterden naar je donker, dronken gebral, en naar je euforische uitvallen, in het Engels, het Frans, je moedertaal. Je moedertaal die je liefhad en haatte. In je moedertaal werd je verzwegen en miskend. In de bars sprak je een nieuw Esperanto, het was het zuchten van je nachtziel, die eigenlijk hoorde te rusten. Want je was lichamelijk zwak, dat had je moeder je al ingeprent toen je nog heel jong was. Je was een zwakke jongen. De vele dokters in je leven hadden dat bevestigd. Je was zwak, je moest rusten. Maar hoe zwakker je werd, hoe sterker je wilde zijn. Je daagde het noodlot uit. Je zei dat je alleen maar wilde genieten. Je dacht dat je een hedonist was, met genot als hoogste goed, als god.

Maar je wist heel goed dat je vluchtte, dat je een ontsnappingsroute zocht, een uitweg uit het dal.
En nu probeer je je diepte te peilen, en kijk je naar boven, naar het licht. Je schrijft nieuwe zinnen en luistert naar nieuwe muziek. Je zwartste zinnen moeten je in staat stellen om het lichtste licht te bereiken. Neen, je wil geen Jan Arends worden, geen Woyzeck, die niet in staat is voor zichzelf op te komen, zelfs geen Biberkopf, die van het ene uiterste naar het andere wordt geslingerd. Maar wat wil je dan eigenlijk, jongen? Ja, wat wil je eigenlijk?
Het schrijven moet vooral uit onszelf komen; als het niet uit een innerlijke noodzaak voortvloeit, betekent het niets. Ben je wel iets waard als je je laat ontmoedigen door gebrek aan succes? Ook al leef je sinds je vijftiende jaar ten dienste van het woord?

GUESS I’M DUMB: MIJN BEACH BOYS VERHAAL

beachboys

Opgedragen aan Haruki Murakami, schrijver van het surferverhaal ‘Hanalei Bay’.

Ik heb gisteravond zitten luisteren naar de compilatie ‘Pet Projects: The Brian Wilson Productions’ op het onvolprezen Ace-label. Op die cd staat het werkelijk sublieme ‘Guess I’m Dumb’, gezongen door Glenn Campbell en het al even wonderlijke’ Fallin’ In Love’, uitgevoerd door American Spring, een van de mooiste popliedjes die ik ken.

Meteen was het idee bij me opgekomen om eindelijk eens iets over the Beach Boys te schrijven; het verhaal van een blijvende fascinatie. Vandaag echter las ik op Peerke’s  blog twee schitterende artikels over Dennis Wilson, met grote kennis van zaken en veel liefde geschreven. Ik gebruik hier het woord echter omdat  tijdens die lectuur de moed me in de schoenen is gezonken. Ik heb niet het geduld om zo’n doorwrocht stuk te schrijven. Mijn concentratievermogen is dat van een puber; daarin lijk ik wellicht ook een beetje op Dennis Wilson. Het valt mij heel moeilijk om een project af te werken. Zelfs een gedicht beëindig ik zelden. Een roman, wat ik de hoogste vorm van schrijven vind, is voor mij helemaal onbegonnen werk. Want niet alleen heb ik geen geduld, ik heb ook geen verbeelding. Als de verbeelding hier ooit aan de macht komt, moet ik emigreren.

The Beach Boys, dus. Gisteravond dacht ik, ik moet mijn verhaal laten beginnen in de eerste helft van de jaren zestig. Niet het echte begin van the Beach Boys, omdat hun surfmuziek destijds onopgemerkt aan me voorbij is gegaan (later ben ik er wel naar gaan luisteren, natuurlijk).

Ik wilde schrijven hoe ik in de eerste helft van de jaren zestig in de ban was gekomen van de sound van the Beach Boys. De euforische gevoelens die in me opwelden toen ik voor het eerst ‘Help Me Rhonda’ op de transistorradio hoorde, in hetzelfde jaar als ‘Like A Rolling Stone’. Hoe mijn vrienden en ik wild tekeer gingen op ‘Barbara Ann’ (een cover, in 1961 een hit voor The Regents). De kick die ik kreeg elke keer ‘Sloop John B.’, ‘Caroline, No’, ‘Good Vibrations’ en ‘Heroes And Villains’ op Radio London werden gedraaid – en dat was heel vaak.

Ik wilde zeker ook toegeven – want ik wil niet aan persoonlijke geschiedenisvervalsing doen – dat ik niet meteen doorhad dat ‘Pet Sounds’ uit 1966, ik was toen zestien, een absoluut hoogtepunt is in het oeuvre van the Beach Boys en in de popmuziek in het algemeen.
Mijn voorkeur ging eerst naar de elpees ‘Smiley Smile’ (1967), ‘Sunflower’ (1970) en ‘Surf’s Up’ (1971). Pas in het midden van de jaren zeventig was ik helemaal rijp voor de schoonheid van ‘Pet Sounds’. Ik draaide de plaat zo vaak dat ik de teksten allemaal uit het hoofd kende. Die tijd is lang voorbij. Naar teksten luister ik niet langer. Ik hoor alleen nog ritmes en melodieën. Overigens moet ‘Pet Sounds’ het vooral van ritme en melodie hebben. Het genie van Brian Wilson zit in de muziek, in de arrangementen, niet in de teksten. Ach, beste lezer, hoe druk je de unieke schoonheid van die elpee uit in povere woorden? Ik kan het niet, het is zoals het schrijven van een roman: onbegonnen werk. Het enige wat ik kan zeggen is, leg de elpee of cd op en luister en word een andere mens!

Ik wilde het hebben over een van de mooiste avonden in mijn leven, in de winter van 1970, toen ik the Beach Boys live zag optreden in het Paleis voor Schone Kunsten, in Brussel. Mijn toenmalige vriendin en ik, die eruitzagen als hippies en voor de ‘hippe’ Beach Boys waren gekomen en de rest van het publiek dat uit vetkuiven en boerinnen bestond, die voor de surfmuziek kwamen en niet voor de kunst. Ik overdrijf natuurlijk een beetje. Maar alleen maar een beetje. Die verscheurdheid was het grote probleem van the Beach Boys. Op muzikaal gebied waren ze vooruitstrevender dan de meeste andere popgroepen uit die tijd, maar ze hadden een ‘straight’ imago. Hun fans zagen hen als brave strandjongens, en hun platenmaatschappij Capitol bleef hen ook op die manier promoten. Braaf waren ze zeker niet. Ik denk dat geen enkele popmuzikant meer drugs heeft genomen dan Brian en Dennis Wilson. Niet dat dat veel belang heeft. Maar voor de hippies en later voor de punks – met uitzondering van the Ramones, die bijzonder veel van the Beach Boys hebben opgestoken – was dat wel doorslaggevend. Op enkele uitzonderingen na bleven die weg van hun concerten, en ze kochten geen Beach Boys-platen. Gek, want Dennis Wilson was een tijdlang bevriend met Charles Manson, de hippie bij uitstek. (Een vreemd jaar was dat toch, 1969, van onder meer die verweving van het sublieme met het absolute kwaad. Er zijn veel boeken over geschreven en films over gemaakt, daarom ga ik er niet dieper op in. Ook omdat ik te lui ben en dit kort wil houden.)

Ik wilde het hebben over hoe ik overweldigd werd door het nummer ‘Cabin Essence’ op 20/20 en door ‘Surf’s Up’ op de gelijknamige elpee. De tekst van ‘Surf’s Up’ was van de hand van Van Dyke Parks, een James Joyce in popwonderland. Als u ooit de kans ziet om zijn eerste soloplaat, ‘Song Cycle’, te beluisteren, luister dan aandachtig, ook naar de teksten. Brian Wilson en Van Dyke Parks werkten een tijd lang samen en zijn nog steeds bevriend.

Ik wilde verder nog eens keer benadrukken hoe ik buiten mijn wil altijd tegen de stroom inga. Toen ik in 1982 mijn radioprogramma Shangri-La op radio centraal in Antwerpen begon, draaide ik zowat elke week een track uit ‘Pet Sounds’, of uit een van de andere hierboven genoemde elpees. Schandaal! Ik was een oude zak (tweeëndertig), met wel zeer commerciële smaak. De hippe deejays spuwden op the Beach Boys. Als je cool was draaide je Kid Creole & the Coconuts, Echo & the Bunnymen, Simple Minds, Frankie Goes To Hollywood en andere onzin. Ik gaf mijn helden echter niet op (er kwamen er gelukkig wel andere bij). Nu zijn we vijfentwintig jaar verder en the Beach Boys zijn nog steeds vaste waarden in mijn radioprogramma.

Ik heb een keer gehuild in de Beursschouwburg, toen ik David Thompson (van Pere Ubu) ‘Surfer Girl’ hoorde zingen.

Als mensen die niet beter weten mij nu naar mijn muzikale voorkeuren vragen vermeld ik nog steeds the Beach Boys, naast the Velvet Underground, Mazzy Star, Wilco, Eels en Townes Van Zandt en zo. “The Beach Boys”, zeggen ze dan, “dat zijn toch die surfers met die gestreepte hemden aan?” Dan draai ik me enigszins gekrenkt om en denk aan wat Jimi Hendrix zong op zijn ‘Third Stone From The Sun’: “You’ll never hear surf music again…” Hoewel hij zich toen vergiste. Hij had the Jesus & Mary Chain nog niet gehoord…
En nu ga ik nog een keer naar Glen Campbells ‘Guess I’m Dumb’ luisteren.

KRIS KRISTOFFERSON: EEN WANDELENDE CONTRADICTIE

nedkelly

De wandelende contradictie die Kris Kristofferson is, was al een tijdje aan mijn aandacht ontsnapt. Tot een lezer, Marc V. uit Genk, mij opnieuw op zijn spoor zette. Hoe had ik deze grote songschrijver zo kunnen verwaarlozen? Ik moet u het antwoord schuldig blijven, ik weet het gewoonweg niet. Het is mogelijk dat zijn naam er voor iets tussenzit, ik vind het een lelijke naam, met die twee K’s en dat dubbele ‘Kris’. Bovendien heeft hij samen met Barbra Streisand heiligschennis gepleegd door te ‘acteren’ in een stupide remake van ‘A Star Is Born’. De beste versie, die uit 1954 van George Cukor, met Judy Garland en James Mason was ook al een remake, maar een die het origineel overtrof.

Volstaat dat echter om de man te begraven? Een retorische vraag, natuurlijk. Want Kristofferson is de schrijver van ‘Sunday Morning Coming Down’, ongetwijfeld de beste song over een kater ooit geschreven, van ‘Help Me Make It Through the Night’, van ‘To Beat the Devil’, van ‘Why Me’, van ‘The Pilgrim: Chapter 33’, van ‘Me And Bobbie McGee’, en – niet te vergeten – van ‘Blame It On the Stones’.

Mijn kennismaking in 1970 met de naam Kris Kristofferson heb ik aan Mick Jagger te danken. Op het Vossenplein in Brussel had ik de soundtrack van ‘Ned Kelly’ gevonden, een film die ik toen heel goed vond, alleen maar omdat Mick Jagger er in meespeelde. Het komt niet in mijn hoofd op hem ooit nog een keer te bekijken.  De muziek was van Shel Silverstein, bekend van onder meer ‘A Boy Named Sue’ en ‘Sylvia’s Mother’. De meeste songs nam Waylon Jennings voor zijn rekening, maar een drietal, waaronder ‘Stoney Cold Ground’, zong Kristofferson. Wat later ontdekte ik dat hij ‘Me and Bobby McGee’ had geschreven, een grote, postume hit voor Janis Joplin. In dat hippielied horen we Janis op haar mooist. Het debuut van Kris Kristofferson verscheen eveneens in 1970, maar omdat er in België geen interesse bestond voor country kwam de elpee hier toen niet uit.

In het tijdschrift ‘Rolling Stone’ las ik allerlei verhalen over de songschrijver. Onder meer dat hij een master’s degree had in Engelse literatuur en zijn thesis aan William Blake had gewijd, dat hij op een boorplatform had gewerkt en met een helikopter gevlogen. Straffe verhalen over drugs en dronkenschap. Soms hoorde ik een van die gevoelige liederen van hem op AFN, het radiostation van het Amerikaanse leger in Europa. Kristofferson had een stem van soms zacht, soms hard leder, zijn teksten waren even goed als die van Dylan. In 1973 kwam de schitterende film ‘Pat Garrett and Billy the Kid’ van de dronkaard Sam Peckinpah uit. Kristofferson was Billy the Kid, James Coburn Pat Garrett – en Bob Dylan vertolkte het merkwaardige personage genaamd Alias. De in tequila gedrenkte soundtrack was van Bob Dylan. In datzelfde jaar trouwde Kristofferson met Rita Coolidge, die hij op de set van ‘Pat Garrett and Billy the Kid’ had leren kennen. Mijn goede vriend Marc D. leende me zijn exemplaar van ‘Full Moon’ uit, een duet-elpee van Kris Kristofferson en Rita Coolidge. Dat was niet echt een mijlpaal, maar door die plaat ontdekte ik de muziek van Bobby Charles (zijn mooie ‘Tennessee Blues’ was het hoogtepunt op ‘Full Moon’).

Het mooiste eerbetoon aan Kris Kristofferson is terug te vinden in Martin Scorsese’s ‘Taxi Driver’ uit 1976. Betsy (Cybil Shepard), het ‘onschuldige’ meisje in het wit op wie de eenzame taxichauffeur Travis Bickle (Robert DeNiro) verliefd wordt, is een fan van Kris Kristofferson. Ze is van mening dat het nummer ‘The Pilgrim: Chapter 33’ op haar vreemde vriend van toepassing is. In een volgende scène zie je Travis Bickle een platenwinkel buitenstappen met de elpee ‘The Silver Tongued Devil And I’ onder zijn arm. Een mijlpaal in de countrymuziek, en wellicht Kristoffersons beste plaat. De rest is, zoals men zegt, geschiedenis. Tot die geschiedenis behoort ook een van de mooiste films aller tijden, ‘Heaven’s Gate’ van Michael Cimino. Bekijk vooral niet de ingekorte versie.

VOETNOTEN BIJ VIJF MODERNE AUTEURS

Stendhal is, denk ik, van mening dat je in een ‘systeem’ – of noem het een orde – kunt functioneren ‘dat’ als zodanig belachelijk is en voorbijgestreefd, en dat je er tot op zekere hoogte rechtstreeks aan kunt meewerken, maar dat je er tegelijkertijd kunt toe bijdragen dat datzelfde ‘systeem’ nog sneller achterop raakt – en dat je met je vindingrijke taal en je observatievermogen een parallelle wereld kunt opbouwen, die bijna dezelfde is, maar net een klein beetje anders, dank zij de ironie en het inzicht. Iets waarvan latere generaties rijkelijk gebruik hebben gemaakt. Essentiële boeken van Stendhal zijn: Le rouge et le noir, La Chartreuse de Parme. De beste editie is die in de Pléiade-reeks, maar er zijn talloze andere degelijke en goedkopere uitgaven en geleidelijk aan begint de Nederlandstalige lezer enige interesse te tonen in Stendhals werk, zodat het nu ook mondjesmaat weer wordt vertaald. In sommige gevallen zelfs voor de eerste keer, zoals onlangs gebeurde met Lucien Leuwen (vorig jaar verschenen bij uitgeverij Atlas).

Walt Whitman maakt keer op keer duidelijk dat alles begrijpelijk is én wonderlijk tegelijkertijd, de wereld van de mensen en de machines (technè), en de wereld van de natuur en de elementen, alle vormen van seksualiteit en liefde, het platteland en de stad, oorlog en vrede, dat we voor niets moeten terugschrikken, dat we het geheel in ons omdragen, de kosmos.
Essentiële boeken van Walt Whitman zijn: Leaves Of Grass en Specimen Days. Talloze en soms elkaar aanvullende edities. Whitman heeft meerdere versies van Leaves of Grass gepubliceerd. Tot aan zijn dood heeft hij aanvullingen bezorgd en ‘correcties’ aaangebracht.

André Breton staat voor de bekoring van de droom, het spel met woorden en taal, het objectieve toeval, de verleiding en wreedheid van het sprookje en de magische krachten en magnetische velden in de wereld. Als je er goed over nadenkt zijn de sixties en de psychedelische leefwijze een onrechtstreeks gevolg van de woorden van Breton. Essentiële boeken van André Breton zijn: Anthologie de l’humour noir (de inleidingen), uitgegeven bij Jean-Jacques Pauvert en naar mijn weten nooit in het Nederlands vertaald; Manifestes du surréalisme, uitgegeven bij Jean-Jacques Pauvert in 1962; Nadja, uitgegeven bij Gallimard in 1963. Er bestaat een mooie vertaling van Laurens Vancrevel maar je zal er wel op zoek moeten naar gaan; en L’amour fou, uitgegeven bij Gallimard in 1937.

Malcom Lowry beschrijft de positieve kracht van alcoholisme, het waarnemen van de wereld met een door alcohol verstoorde zintuiglijkheid. De magische wereld die Mexico heet. De ultieme eenzaamheid van de scheppende enkeling zonder god of gebod. Meerdere baanbrekende romans en films zijn hieruit voortgesproten. Welke films? Zoek het zelf maar uit.
Essentiële boeken van Malcolm Lowry: Under The Vulcano, 1947, Jonathan Cape. In het Nederlands uitgegeven als Onder de vulkaan in 1998 bij De bezige bij.

Jorge Luis Borges heeft het heel vaak over de onbetrouwbaarheid van de geschiedenis en de verhalenvertellers en hoe mooi het is dat de verbeelding en de literatuur die onbetrouwbaarheid aanvullen of versterken. Borges’ eigen verhalen zijn de bewijsstukken voor deze hypothese.
Essentiële boeken van Jorge Luis Borges: er bestaat een uitstekende selectie uit het verzameld werk van de meester, Werken in vier delen, uitgegeven bij De bezige bij in 1998. De data van de uitgaven die ik opgeef zijn onbetrouwbaar.

Het gaat over de edities die ik hier naast me heb liggen in mijn oververhitte kamer.

Voetnoot: Kennelijk kan ik niet meer tellen. Ik gaf dit stuk oorspronkelijk de titel ‘Voetnoten bij vier moderne auteurs. Vermoedelijk was ik Malcolm Lowry vergeten. (8-1-08)

SIN CITY

dav

Telkens als ik ‘Christine’s Tune’ (“her number always turns up in your pocket / whenever you are looking for a dime”) en ‘Sin City’ hoor, of eigenlijk om het even welk ander nummer uit ‘The Gilded Palace Of Sin’ van The Flying Burrito Brothers ben ik weer negentien, aan boord van het schip van mijn ouders, de Rocco. De plaats van handeling is Neerharen, nu een deelgemeente van Lanaken, een grensgemeente met veel drugsproblemen. Mijn schoonzus is er al een hele tijd geleden gestorven van een overdosis Rohypnol. Mijn broer heeft haar op een zondagochtend dood aangetroffen op de keukenvloer.

Op de achtergrond zie ik een groot wit huis, waar de uit het verre Antwerpen afkomstige sluismeester woont, op wiens dochter Henriette ik als kleinere jongen zo verliefd was.

Het is inmiddels 1969, midzomer, ik ben met enkele elpees uit Maastricht teruggekeerd, waaronder deze vreemde ‘Gilded Palace Of Sin’. Vreemd omdat ik ze in het bakje ‘underground’ heb gevonden in platenwinkel ‘De Harp’, de plek in Maastricht waar ik me meestal ga bevoorraden. Dat gebeurt niet zo vaak, omdat mijn budget beperkt is, en een elpee kost 19,90 Nederlandse gulden wat, als ik met nog goed herinner ongeveer overeenkwam met 299 Belgische franken. Ik spaar wat geld door ’s zaterdags autostop te doen van Tongeren, waar ik op internaat zit, tot Neerharen, ongeveer dertig frank toch telkens. Soms stop ik muntstukken in de jukebox in een kroeg in Tongeren, om naar the Bee Gees, the Equals of Julie Driscoll te luisteren. Op ‘Massachussetts’ kon je heerlijk slowen. ‘This Wheel’s On Fire’ was niet alleen van Bob Dylan, maar ook ongelofelijk psychedelisch en zeer aanstekelijk om op te grooven.

De busrit van Maastricht naar Lanaken is goedkoop. Het loont de moeite niet om er met de fiets naartoe te rijden, want die moet je ergens in een fietsenstelling onderbrengen, en dat kost zelfs meer. Het goedkoopste is te voet, dat is ongeveer een uur lopen. Maar we zijn ongeduldig, we willen onze nieuwe aanwinsten horen.

Ik zet mijn draagbare, geelkleurige Philips platenspeler buiten en ik haal de plaat zeer voorzichtig uit de prachtige hoes – nu, in 2007, nog altijd een van mooiste hoezen die ik ken – en leg ze op het ‘draaitafeltje’. Het volume zet ik vanzelfsprekend op maximum. Dat moet zo van Jimmy Miller, de producer van the Rolling Stones. En dan weerklinkt wat in België nooit eerder geklonken heeft, weerklinkt over het kanaal en de oever en de weide en de populieren daarachter, en tot aan de legerbrug, dan weerklinkt in Neerharen, dan weerklinkt voor iedereen die het horen wilt in dat stukje Maasvallei de allermooiste muziek die op het einde van de jaren zestig werd gemaakt, de ‘Cosmic American Music’ van the Flying Burrito Brothers, met de ongeëvenaarde samenzang van Chris Hillman en Gram Parsons.

gilded palace of sin

Ik had de elpee gekocht omdat ik een grote fan van the Byrds was en met name van Chris Hillman. Hillman was tot voor kort de bassist van the Byrds geweest – zijn muzikale rol op ‘The Notorious Byrds Brothers’ kan niet voldoende benadrukt worden – en schreef tevens een aantal van hun mooiste songs, waaronder ‘Time Between’. Gram Parsons kende ik nog niet zo goed. Hij had the Byrds pas vervoegd ten tijde van ‘Sweetheart Of the Rodeo’, ook een baanbrekende elpee die in 1968 verscheen. In een bespreking had ik gelezen dat hij Roger McGuinn, de ‘leider’ van the Byrds, in de richting van de ‘country and western’ muziek had gestuurd, terwijl ze kort daarvoor nog space rock en psychedelische pop speelden en de hipste groep van de VS waren. Wie wilde er niet uitzien zoals McGuinn met zijn space age-brilletje? Zelfs John Lennon had de mode overgenomen, en na een tijd herkende je in elke vreemde stad waar je kwam je ‘soortgenoten’ niet alleen aan hun haardracht maar ook aan de vorm van hun bril. Maar ‘country & western’? Dat was toch iets voor het klootjesvolk, zoals Armand de gewone mensen noemde, en de gewone mensen waren degenen die gewoonweg niet blowden zoals hij. Zowat iedereen die dacht niet tot het klootjesvolk te behoren noemde het klootjesvolk toen nog het klootjesvolk, dat was politiek correct. Nu kan dat niet meer. Ik hield niet van country, ik had er een afkeer van. Maar die zonnige avond in Neerharen weerklonk ‘The Gilded Palace Of Sin’ over het kanaal en over de velden en de weiden en drong door tot in mijn hart, tot in mijn ziel – en ik was bekeerd. Voortaan zou ik het woord verkondigen: country is de echte rock, is de echte soul, is de echte blues. Ik overdreef een beetje in mijn bekeringsijver, maar in zekere zin komt het daar wel op neer.

byrds sweetheart

Een week later ben ik een elpee van Hank Williams gaan kopen en toen begreep ik het helemaal. Dit was de blues voor arme blanke mensen, ook voor schippers en hun kinderen. Dat was geen racistisch idee, maar het genre was gewoon anders, niet beter en niet slechter, dan de zwarte blues – waar ik overigens al jaren tevoren voor gewonnen was. Ray Charles was in mijn kinderjaren een van mijn helden, maar ja, hij heeft ook country opgenomen, en van de allerbeste. Ik denk aan ‘Born To Lose’, ‘Crying Time’ en ‘I Can’t Stop Loving You’.  Gram Parsons en Chris Hillman raakten echter nog iets in mij wat Hank Williams en Ray Charles niet deden: ze spraken niet alleen mijn gevoelens, mijn ‘ziel’ aan, maar ook mijn intellect. Zij vertelden verhalen waar ik me in kon herkennen, en naarmate ik ouder werd nam die herkenning toe. Drugs, vrouwen, religie, domme hippies, noem maar op. Al de kwalen van de wereld, zelfs de oorlog, kwamen aan bod. In ‘My Uncle’ riepen ze de Amerikaanse jongens op om naar Vancouver uit te wijken; in die Canadese stad zouden ze niet naar Vietnam worden gestuurd.

Toen ik ‘The Gilded Palace Of Sin’ terug in de hoes stak, was ik een andere jongen. Waren de Rolling Stones nog wel mijn helden? Brian Jones? Was ‘Beggar’s Banquet’ echt zo origineel? Ik wist het niet meer. En dan was er bovendien ‘Nashville Skyline’ van Bob Dylan die dezelfde richting uitging als Parsons en Hillman: Nashville. What the fuck was happening? Ik kon niet meer volgen. Was al die ‘underground’-muziek dan voor niets geweest? ‘Music From Big Pink’! Ik bezat nog niet veel elpees, maar ik had aan wat ik bezat toch al wel een fortuintje uitgegeven, en in die periode honderden keren gelift van Tongeren naar Neerharen. Gelukkig was ik nooit verkracht door een naar country luisterende trucker of zo. Waren die nu allemaal waardeloos geworden? Cream, Fleetwood Mac, HP Lovecraft, Blue Cheer?

The ‘Gilded Palace Of Sin’ liet me onder meer – al liftend – in Amsterdam belanden, waar ik the Flying Burrito Brothers zag optreden in het prestigieuze Concertgebouw (waar ongeveer iedereen zat te blowen), helaas een paar weken nadat Gram Parsons de band had verlaten. We logeerden bij een student die zware ruzie had met zijn vriendin. De gesprekken – de volgende dag – gingen vooral over de censuur in België, die toen woedde ‘dank zij’ een ‘socialistische’ minister van cultuur (hier moet ik veel ironietekens gebruiken). Wij waren al op straat gekomen in Brussel, waar ik inmiddels was gaan samenwonen met mijn vriendin, om te betogen tegen allerlei repressieve maatregelen van de Belgische staat. Onder meer hadden we een Amerikaanse legertank bezet die tentoongesteld stond, als was het een kunstwerk van een omgekeerd seniele Panamarenko, op het De Brouckèreplein (wat toen nog een echt plein was). Het is de enige keer in mijn leven geweest, totnogtoe, dat een flik mij met een matrak heeft weten te raken.

Door ‘The Gilded Palace of Sin’ raakte ik bevriend met Jos, die weliswaar ook van the Eagles hield (die ik verafschuwde) – maar voor wie Gram Parsons en Neil Young echt wel de allergrootsten waren. De synthetische klanken van de jaren tachtig heeft hij niet overleefd. Hij is door de onbewuste bemiddeling van Gram Parsons tot aan zijn dood mijn beste vriend gebleven. Met mijn andere vriend uit de jaren zeventig, Marc D., die ik op de filmschool in Brussel had ontmoet, discussieerde ik  tijdens wandelingen in het Zoniënwoud over CSNY (waar hij zielsveel van hield), the Band, Gram Parsons en Creedence Clearwater Revival aan de ene kant en Soft Machine, Kevin Ayers, Silver Apples en United States Of America aan de andere kant. Over het verschil tussen ‘echte’ rock & roll en ‘underground’ muziek. Ik kon moeilijk een keuze maken, ik hield van de twee kanten van de medaille. Altijd heb ik een verzoener willen zijn. Pas op vrij late leeftijd heb ik begrepen dat je dan de meeste vijanden maakt. Je moet kiezen voor het ene of het andere, wordt gezegd. Ik ben anders. Ik hield van ‘The Gilded Palace Of Sin’ en van ‘White Light, White Heat’. En zo ben ik nog steeds. Further along we’ll understand why. En Lou Reed (the Velvet Underground, Loaded) is dan fel gemaquilleerd op het podium gestapt met ‘Rock and Roll’. Werd op dat ogenblik niet alles duidelijk?

Voilà, hier stop ik, om het kort te houden. Want wij hebben niet meer het geduld om ons lang met één ding bezig te houden. De wereld zit propvol ‘amusement’ en je moet alles een keer proberen. Zo is het, helaas en zelf heb ik ook geen geduld meer. Wat me nog van het hart moet is dat ik aanvankelijk als een paria beschouwd werd toen ik met ‘The Gilded Palace Of Sin’ op de proppen kwam. Jongen, dat was toch geen ‘underground’, dat waren allemaal smartlappen! Hetzelfde had ik eerder meegemaakt met ‘White Light White Heat’. Als ik die plaat oplegde was na vijf minuten iedereen de deur uit. Ik heb zelden zulke hatelijke gezichten gezien als toen ‘Sister Ray’ die mensen hun oortrommeltjes raakte.  Maar daarover – of over iets anders leuks – een volgende keer.

the white house in neerharen

Foto’s:
Boven – de jonge Martin Pulaski dansend op ‘Christine’s Tune’ uit ‘The Gilded Palace Of Sin’. Het schip ligt aangemeerd aan de kleine kade in Neerharen.
Onder: het huis van de sluismeester, waar Henriette woonde.

DE TECHNIEK VAN GUY CLARK

clarks

Gisteravond zat ik nog een keer te luisteren naar ‘Better Days’ van Guy Clark, de singer-songwriter uit Texas die over enkele dagen 66 wordt en in ons land nog steeds even weinig bekend is als bij het verschijnen van ‘Old No. 1’, zijn verrassend debuut uit 1975.  Maar liefhebbers van americana noemen hem meestal in één adem met Townes Van Zandt en Steve Earle. Townes is inmiddels dood en een legende en Steve Earle berucht en (bijna) beroemd. Waarom vallen de liedjes van Guy Clark dan zo weinig in de smaak? In België houden maar weinig melomanen van countrymuziek; soms wordt over het genre zelfs met afgrijzen gesproken en geschreven. Waarschijnlijk te wijten aan de nasale stemmen, de realistische teksten – en in sommige gevallen aan de sentimentaliteit en de kitscherige kostuums.

Maar Guy Clark een typische countryzanger noemen zou verkeerd zijn. Zijn stijl leunt meer aan bij folk; zijn songs zijn verhalen, soms gedichten. Sentimentaliteit is hem vreemd. Hij heeft het over zeilboten, tomaten, de mandoline van Picasso, spullen die werken (“stuff you don’t hang on the wall”), gitaarsnaren, de Texaanse keuken, whisky, de laatste revolverhelden, instantkoffie, daklozen, hotelkamers, timmerlieden, enz. Je hoort op zijn platen veel plezier en bezieling, zowel in zijn warme stem als in het verfijnde spel van de muzikanten die hem begeleiden. Voor hen is het een eer erbij te mogen zijn. Je voelt aan dat ze houden van zijn levensechte songs, van zijn warme persoonlijkheid. Jammer toch dat niet wat meer muziekliefhebbers Guy Clark’s parels uit het duister tevoorschijn halen. Bij ons wordt het zelfs moeilijk om nog platen van de man te vinden. Maar de liedjesschrijver uit Texas volhardt. Zijn liefde voor het vak is groot. Ja, net als een timmerman of een meubelmaker is hij een vakman, wat hetzelfde is als een kunstenaar, zeker als je kunst als τέχνη (techné) beschouwt, wat de oude Grieken deden. Toch wordt techniek vaak als het tegenovergestelde van kunst beschouwd. Kunstenaars mogen in dat geval geen vuile handen hebben, zangers geen rauwe stem, gitaristen geen bloedende vingers. Op de hoezen van Guy Clark’s platen zie je wel eens mooie afbeeldingen van instrumenten, zelfs van schaafsel. Dat is geen toeval: de liedjesschrijver is ook ‘luthier’, hij herstelt en maakt gitaren. Is dat de reden waarom in de opnamestudio zoveel zorg wordt besteed aan de klank van gitaren, violen, mandolines, en andere snaarinstrumenten? Voor de ‘crafstman’ naar de studio trekt schaaft hij lang aan zijn teksten, dat hoor je al bij een eerste beluistering. Toch is het eindresultaat niet klinisch, niet ‘perfect’. De songs zijn ruwe diamanten, om de titel van een elpee van John Prine aan te halen.

Ja, en gisteravond kreeg ik nog een keer tranen in de ogen bij ‘Randall Knife’, het lied dat Guy Clark schreef naar aanleiding van de dood van zijn vader. Zonder sentimenteel te zijn weet de zanger met die song toch keer op keer het hart te raken. ‘Better Days’ is waarschijnlijk zijn beste langspeelplaat, maar heel zijn oeuvre verdient bestaansrecht. Schitterend is ook ‘I Don’t Love You Much Do I’, terug te vinden op ‘Boats To Build’ en op de pas verschenen ‘Songbird’-box van Emmylou Harris. En er is nog veel meer moois. Zal ik nog eens een lijstje maken?

Foto: Susanna and Guy Clark, fotograaf onbekend.

ZOMER ZONDER INGMAR BERGMAN

sdr

Ik zeg in stilte een ongelovig gebed op voor Ingmar Bergman, een van de weinige leermeesters die ik echt heb gehad en erkend, ook al ben ik geen regisseur geworden, wat nochtans mijn roeping was. Allerlei hindernissen hebben mij belet te worden wat ik moest worden. Maar dat is bijkomstig. Stilte is nu de hoofdzaak. De man van de Laterna Magica is overleden. De regisseur van Mijn zomer met Monika, van Persona, van De stilte. Al zijn werken zijn zwijgzame en levendige monumenten die zich hoog verheffen boven het kabaal van het gespuis, boven het helse lawaai van Hollywood en would-be Hollywood (alle pretparken ter wereld). In zijn beelden is geen beeld teveel, in zijn dialogen, geen woord teveel. Bergmans blik door de camera is de blik van de mens bij uitstek. Het is de blik van de denkende mens, met morele en existentiële problemen. Alle films van Ingmar Bergman tonen de schraalheid van de wereld zonder een god. Zoals in de gedichten van Hölderlin hebben in de wereld van Bergman de goden definitief afscheid van ons, mensen, genomen.
En hoe moet het nu verder? Met veel vallen en weinig opstaan, met veel kreten en gefluister, met wreedheid en onderwerping, met onschuld die wordt geofferd aan niemand in het bijzonder, met oorlog, met stilte en schaamte, met schuld zonder zin, met een weddenschap met de dood. Met teloorgang en verlies. Met compassie en liefde.

“Iedereen neukte, ik was de enige die masturbeerde, bleek was, zweette, zwarte wallen onder mijn ogen en concentratieproblemen had. Bovendien was ik mager, liet ik mijn hoofd hangen, was prikkelbaar, voortdurend woedend, maakte overal ruzie, schold en schreeuwde, kreeg slechte cijfers en oorvijgen. De bioscoop en het derde zijbalkon van Dramaten waren mijn enige toevlucht.”
Ingmar Bergman, Laterna Magica

Ingmar Bergman werd 89, trouwde vijf keer en had negen kinderen.

 

LABYRINT EN FILM

labyrint metro londen

“In geen enkele film is de doolhof die gevormd wordt door bewustzijn en herinneringen zo krachtig in beeld gebracht en geanalyseerd als in dit meesterwerk” lees ik in een filmencyclopedie over ‘L’année dernière à Marienbad’ van Alain Resnais. Het scenario voor de film was van Alain Robbe-Grillet, de godfather van de nouveau roman. Als basis gebruikte Robbe-Grillet Adolfo Bioy Casares’ roman ‘De uitvinding van Morel’, een van mijn uitverkoren boeken. Het is een roman waarin weinig gebeurt en geen echt verhaal wordt verteld. Bioy Casares was overigens een goede vriend van Jorge Luis Borges, de bedenker van honderden labyrinten.
In het park in ‘L’année dernière à Marienbad’ werpen de menselijke figuren een schaduw maar de bomen niet.

De uitspraak uit de encyclopedie, die geheel terecht is, heeft me aan het denken gezet – over doolhoven of labyrinten. Een drietal dagen geleden gebruikte ik de metaforen ‘wespennest’ en ‘labyrint’ om mijn weblog mee aan te duiden. Aangezien ‘L’année dernière à Marienbad’ een van mijn tien favoriete films is en bovendien de enige die ik zelf heb geprojecteerd tijdens mijn zeer korte carrière als filmoperator in de bioscoop, kan dat geen toeval zijn. Voor een deel is mijn wereldbeeld gevormd door die film, en uiteraard door nog heel wat andere films. Mijn wereldbeeld is labyrintisch omdat veel van die films, niet alleen ‘L’année dernière à Marienbad’, labyrintisch zijn.

Het aantal meesterwerken waarin de protagonisten ronddwalen in letterlijke of figuurlijke doolhoven kan ik niet op tien vingers tellen. Toch zal ik me, omdat ik het niet kan laten, aan een korte opsomming wagen:
‘The Shining’ van Stanley Kubrick bevat zowel het innerlijke labyrint van de schrijver als het uiterlijke labyrint in de tuin, en het huis waar de schrijver gek in wordt is ook een labyrint; ‘Satyricon’ van Fellini is een afdaling in het labyrint van de onderwereld; ‘Barbarella’ van Roger Vadim toont de toeschouwer een labyrint vanuit de hoogte gezien, met Barbarella op de rug van een Engel; ‘Zabriskie Point’ van Antonioni is een trip door en boven een labyrint in Death Valley, waar zich tevens de ‘absolute’ liefde voltrekt; in ‘L’avventura’, ook van Antonioni, verdwijnt Monica Vitti op een eiland dat een waar labyrint is; in ‘Rear Window’ van Hitchcok is het gebouw met de vele kamers aan de overkant het labyrint, samen met James Stewart krijgt de toeschouwer een idee van wat zich in die kamers afspeelt; in ‘The Searchers’ van John Ford worden sneeuwlandschappen, de woestijn en vooral Monument Valley als labyrinten voorgesteld; in ‘Der Engel über Berlin’ van Wim Wenders wordt Berlijn een labyrint genoemd, “waar je ook gaat, je stuit altijd op de Muur” zegt Curt Bois in deze film uit 1987, maar ook nu de muur al lang is afgebroken stuit je er nog op; Hitchcocks ‘Vertigo’ is een spiraal, maar een spiraal is in zekere zin ook een labyrint. Hier beëindig ik mijn opsomming, want is niet elke film een labyrint?
Of zoals Anton Haakman schrijft in ‘Achter de spiegel’: “Een doolhof van optische illusies, dat is natuurlijk een uitstekende aanleiding voor het illusionistische medium film om zichzelf te kijk te zetten – en dat is uiteindelijk het enige waartoe ieder medium tot in de perfectie in staat is.”

Volgens de verteller in Borges’ ‘De twee koningen en de twee labyrinten’ is het bouwen van een labyrint waarin zij die er binnengaan verdwalen een onbeschaamdheid “omdat de verwarring en het wonder onder de bedrijvigheden vallen van een God en niet van de mensen.”

Foto: Martin Pulaski

 

DE WARE BETEKENIS VAN HOOCHIEKOOCHIE

B4 (3)

Het woord ‘hooch’ is slang – of bargoens, nu je toch aandringt – voor sterke alcohol, ‘strong liquor’ zeggen de Amerikanen, meer bepaald als het spul van inferieure kwaliteit is of illegaal gestookt werd. De uitdrukking komt nogal veel voor in oude gangsterfilms en meer nog in de blues. ‘Coochie’ verwijst naar de vrouwelijke genitaliën. Voor de naam van mijn weblog heb ik van de C een K gemaakt, hoochieKoochie, niet omdat ik meer van de K dan van C houd, want het tegendeel is het geval, maar om vooral niet de indruk te geven dat mijn blog een creatie is voor bluespuristen. De K moet monomanen en volbloed ‘hoochie coochie men’ op een dwaalspoor zetten, of zelfs verhinderen dat ze me vinden. Ze zullen de uitdrukking nooit met een K spellen, geen sprake van. Voor Amerikanen, en zeker voor zwarte Amerikanen, heeft de K nogal negatieve connotaties, in zoverre een letter connotaties kan hebben. Als ik naar de KKK verwijs, wordt echter alles duidelijk. Het was bij het opstarten van mijn blog uiteraard niet mijn bedoeling dat mijn K naar die diabolische organisatie zou verwijzen. Als ‘coochie’ een benaming is van het vrouwelijke geslachtsorgaan, dan kan mijn K alleen maar naar het woord ‘kut’ verwijzen, hoe lelijk ik dat woord ook vind (wat ik hier al meermaals ter sprake heb gebracht, dacht ik).

Ik wil vooral benadrukken dat mannen en vrouwen van om het even welke kleur hier welkom zijn, alleen heb ik een aversie tegen – vooral blanke – door blues geobsedeerde puristen, degenen die bijvoorbeeld weten op welke dag Blind Lemon Jefferson ‘Matchbox Blues’ opnam.

‘Hoochiekoochie’ of ‘hoochie coochie’ houdt tevens verband met voodoo en in het bijzonder met de voodoo ‘priesters’ en ‘predikers’, en dat kunnen zowel mannen als vrouwen zijn. Het fenomeen voodoo staat bekend om zijn ‘voodoo queens’; de beroemdste is Marie Laveaux, begraven op het Lafayette-kerkhof in New Orleans. Of er nog iets van haar stoffelijke resten overblijft is twijfelachtig. De zwarte cultuur is in New Orleans na de orkaan Katrina voor een groot deel uitgeroeid. Blanke mannetjes in de regering-Bush – en bij haar slaafjes in dienst van de federale overheid – willen van de stad een soort van permanente Disneyland-achtige Mardi Gras voor blanke vrouwtjes en mannetjes maken. Alle dagen feest, alle dagen kermis: laat de toeristen maar komen, maar houd ze weg van de echte stad, de stad van dood en verderf. (Ja, ik heb de documentaire van Spike Lee gezien.)

Niets wat betreft ‘hoochiekoochie’ of ‘hoochie coochie’ is echt zeker. Het is een twilight zone van de begrippen. Sommigen beweren dat de twee woorden samen, ‘hoochie coochie’, niets meer of minder betekenen dan het vrouwelijk geslachtsorgaan. Drank (foezel) komt in deze betekenis niet aan bod. Een ‘hoochie coochie’ is de vagina, de ‘hoochie coochie man’ is degene die erop belust is. Sommige van die mannen willen het liever kort houden en korten het geslacht af tot ‘coochie’, zeker in een gesprek van man tot man.

Een bravere betekenis, in zekere zin, is die van de dans, de ‘hoochie coochie’. Het is alleszins een zeer seksueel beladen en geladen dans. De lichamen worden elastisch, zitten opeens vol dynamiet, elk spoor van gelatenheid verdwijnt als een blokje ijs in een glas Southern Comfort. Er wordt veel met de heupen gewiegd, met de bekkens geschud. Bovendien is elke dans een vorm van voorspel tot de daad, of alvast tot een poging tot de daad, want niet altijd lukt het de ‘hoochie koochie man’ om zich staande te houden, en vooral niet om te ejaculeren, meestal vanwege teveel ‘hooch’, maar vaak eisen ook de jaren hun tol.

Er wordt met stelligheid beweerd dat ‘coochie’ gelijk staat aan ‘cunt’, vagina. Vagina vind ik wel een mooi woord. Het roept bij mij altijd associaties op met Virginia Woolf en vooral met haar zuster, Vanessa. Ik heb daar geen duidelijke verklaring voor. Dat van die vagina wisten we inmiddels al. De ‘hoochie coochie’ doen echter is in deze versie niet zomaar wat schuifelen op de dansvloer, maar is echt de daad begaan. In niet zo lang vervlogen dagen was het datgene waarover niet mocht worden gesproken. En indien er echt niet over gesproken kon worden dan moest er ook niet over gesproken worden. Men kon nog altijd zingen en, tientallen jaren later, schreeuwen en brullen zoals Yoko Ono, John Lennon, John Lydon en Kurt Cobain.

Voilà, beste lezers, zo weet u in welk wespennest u terecht bent gekomen. Maar schrik niet, het is niet alleen een wespennest, het is ook een labyrint – en elk labyrint is aangenaam om in te vertoeven, ook al wil je voor het donker naar huis.

The night they ended Prohibition

 

IN MY SOLITUDE: CESARE PAVESE EN IK

cesare pavese illustratie

In 1950, toen ik geboren werd, zette Cesare Pavese een dramatisch punt achter zijn leven. Tussen beide gebeurtenissen is er geen logisch verband. Maar niemand verplicht je ertoe logische beweringen te formuleren. Je kunt zoveel verbanden leggen als je zelf wilt. Een verband dat ik leg tussen mezelf en Pavese is de eenzaamheid, het alleen-zijn.  De eenzaamheid hoort voor Pavese bij de stad. ‘Een dorp wil zeggen dat je niet alleen bent, dat je weet dat er iets van jou is in de mensen, in de planten, in de aarde, dat er op je wordt gewacht ook als je er niet bent’.

Ik maakte eerder al het onderscheid tussen een positieve eenzaamheid en een negatief alleen-zijn. Maar dat was een theoretisch onderscheid. Je kunt net zo goed het omgekeerde beweren. De eenzaamheid als het pijnlijke isolement, zoals Billie Holiday er zo hartverscheurend over zingt in ‘In My Solitude’, en het alleen-zijn als de zelfgekozen, trotse afzondering van de anderen, die je hinderen in je gedachten, in je werk, in je bestaan. Laat me maar een tijdje alleen, zodat ik eindelijk eens mijn zaken op orde kan brengen. Eenzaamheid is in deze benadering een vorm van de blues, het is afzien. Je mist de aanwezigheid van de andere, de geliefde, de vriend. ‘The blues ain’t nothing but a woman on your mind’, wordt er gezongen. En daar bestaan natuurlijk variaties op. Ben je alleen, dan kun je je overgeven aan dagdromen, aan plannen smeden, aan euforie. Er zijn talloos veel mogelijkheden, je denkt niet aan de zwaarte van onmogelijk uit te spreken woorden. In de romans en gedichten van Cesare Pavese lees ik de verstrengeling van deze twee tegengestelde en toch zeer verwante begrippen. In mijn eigen leven is het niet anders. Bij de anderen kan ik me goed voelen, gelukkig zelfs, maar ik heb me zelden zo eenzaam gevoeld als in een groep of in een menigte. Voor mij is het onmogelijk om op mijn eentje naar de bioscoop of naar een concert te gaan. Dan word ik gek van eenzaamheid.

Een ander verband tussen Pavese en mezelf is het treuren om de verloren adolescentie. Zodra de adolescentie ophoudt begint de aftakeling. Maar je weet tegelijk heel goed dat je niet meer terug kan. Het heeft geen zin nostalgisch te doen. Het gaat er niet om dat het vroeger beter was. De adolescentie was het diepe leven, toen je nog niet nadacht over aftakeling en mislukking. De adolescentie is het beste, maar dat weet je pas als je volwassen bent en je leven mislukt is. Als je weet dat je niet meer naar huis kunt en dat zelfs niet wilt. Eigenlijk is het dan ook geen treuren om de adolescentie, maar om de onvermijdelijke mislukking van het leven. Je zou kunnen zeggen dat de adolescentie de mogelijkheid is, en de volwassenheid de onmogelijkheid. Je verwijdert je steeds verder weg van je ‘thuis’. Elvis Presley verwoordt dit gevoel in een prachtige song, Long Black Limousine, terug te vinden op From Elvis in Memphis, zijn meesterwerk. Met deze verwijzing naar toch weer rock & roll wil ik deze korte beschouwing over eenzaamheid, adolescentie en mislukking beëindigen en iedereen nog een mooie lentedag wensen.
Of nee, ik wil eindigen met dit fragment uit het dagboek van Cesare Pavese: ‘Laten we eerlijk zijn. Als Cesare Pavese voor je zou verschijnen, je zou aanspreken, proberen vriendschap met je te sluiten, ben je zeker dat je hem niet verwerpelijk zou vinden? Zou je vertrouwen in hem hebben, zou je bereid zijn met hem mee te gaan voor een plezierige avond in zijn gezelschap?’ (uit ‘Leven als ambacht’)

STEMMEN, STEMMINGEN

In boeken, films, toneelstukken, ga ik zelden of nooit op zoek naar structuren. Ik laat me liever meeslepen door het narratieve, en betoveren door woorden, zinnen, beelden; af en toe zie ik een symbool en blijf dan even stilstaan bij de betekenis. Maar meestal glijd ik over de oppervlakte verder. Ik houd van originele uitdrukkingen en ‘echte’ dialogen. Ik houd van films waar (bijna) niets in gebeurt; een mooi voorbeeld is In The Mood For Love van Wong Kar Wai. Natuurlijk gebeuren er wel allerlei dingen in die film, maar ik bedoel: er wordt niet geschoten, gevochten, gemoord, men loopt niet met grote machinegeweren rond, er verschijnen geen groene monsters, niets van dat alles. En ik kan dat allemaal missen. De films van Rohmer zijn ook een mooi voorbeeld. Daar wordt vooral in gepraat, en, vaak via de woorden, verleid. La collectioneuse, Le genou de Claire. Of de vele uren durende films van Jacques Rivette, zoals La belle noiseuse, over een schilder en zijn model. De schilder blijft aan de oppervlakte van zijn model, haar huid, haar ogen. Ja, haar ogen, de ogen van Emmanuelle Béart, een van de mooiste vrouwen van de wereld.

Ja, ik blijf ook graag aan de oppervlakte. Ik ben geen intellectueel, wel een moreel mens. Ik denk en handel intuïtief. Ik hoef niet diep te graven om te weten wanneer iets verkeerd is, wanneer een mens slecht is. Is het een zesde zintuig? Alleszins weet ik meestal van een moreel slechte mens dat hij een moreel slechte mens is. Aan een kunstwerk zie ik ook vaak of het echt is of fake, zonder er eerst over te lezen. Het is wel prettig om er achteraf wat over te lezen. Om te vernemen wat ik nu eigenlijk heb gezien. Wat betekenden die rozen op de achtergrond, of die dode vogel op de voorgrond? Maar ik moet die betekenissen niet noodzakelijk allemaal kennen om van een werk te kunnen genieten. Ik ben geen intellectueel, ook al staat mijn kamer vol boeken en liggen ze nu al in stapels op de vloer en op de tafeltjes. Ik lees die boeken ook wel, maar louter voor het plezier van de tekst, voor het genot. Wijzer word ik er niet van, geloof ik. Ik blijf altijd dezelfde naïeve dromer. I don’t want to lose that teenage feeling. Het enthousiasme moet blijven, als dat er niet meer is, hoeft het voor mij niet meer. Ach, ik zal wel een hedonist zijn. Zou ik dat erg moeten vinden?

Ik houd ook zo van stemmen. Stemmen van actrices en acteurs in films. Delphine Seyrig in Le jardin qui bascule, die van Sami Frey in dezelfde film, de stemmen van Caroll Baker en Jean Simmons in The Big Country, de stem van Jean-Pierre Léaud in de Antoine Doinel-films van Truffaut. De stem van Arletty in Les Enfants du Paradis. De stem van Isabelle Huppert in La pianiste (en in alle andere films waar ze in meespeelt). De stem van Bruno Ganz in Der Amerikanische Freund. De stem van Willem Dafoe in Light Sleeper. De kinderstem van Brandon DeWilde in Shane. (Brandon DeWilde was later een goede vriend van Gram Parsons, en stierf net zoals zijn vriend op jonge leeftijd, zij het in zijn geval niet van de drugs maar in een auto-ongeval). Marlon Brando’s stem in Last Tango In Paris, in On The Waterfront. Sissy Spaceks verhalende stem in Badlands, die van Linda Manz in Days Of Heaven. Wat zou er met Linda Manz gebeurd zijn? Nooit meer iets van gehoord. Sam Shepard – in Days Of Heaven een man van weinig woorden – leeft alleszins nog. Hij speelt zelfs mee op de nieuwe cd van Patti Smith, nog zon’ bijzondere stem. Ja, natuurlijk ook de stemmen van zangers en zangeressen. De stem van Bob Dylan in Just Like Tom Thumb’s Blues. Die van Kris Kristofferson in Me And Bobbie McGee. De stemmen van The Be Good Tanyas. De stem van Chan Marshall. De stem van Eleni Mandell, de mooie stem van Françoise Hardy. De stem van Aretha Franklin in Try Matty’s, die van Billie Holiday in I Cover The Waterfront. De fictieve stemmen van Tess, Madame Bovary en Anna Karenina. De goddelijke stem van Teresa Salgueiro. Goddelijk bij wijze van spreken. Duizenden stemmen, miljoenen stemmen. Een oneindig aards en hemels koor dat over de aardse en hemelse liefde zingt en over een eeuwigdurend Pasen, een eeuwigdurende Summer of Love.

THE MAN WHO FELL TO EARTH

Iets over The Man who Fell to Earth, van de onovertroffen filmregisseur Nicolas Roeg. Met David Bowie in de rol van Thomas Newton, Candy Clark (Mary-Lou) en Buck Henry (Oliver Farnsworth).
Een film over vervreemding? Het personage van David Bowie is de ‘alien’, afkomstig van een andere, uitgedroogde planeet. Hij is op zoek naar water. Maar misschien heeft hij – bewust of onbewust – ook een ‘geestelijke’ opdracht, een zending. Misschien is zijn werkelijke missie: de aardbewoners erop wijzen dat ze ‘gealiëneerd’ zijn, van zichzelf, van hun werk, van elkaar, van de natuur? Zoals hij vaak doet behandelt Roeg ook in deze sciencefiction film de fatale consequenties van een ontmoeting van twee werelden of twee culturen. Ontmoeting? Het is veleer een botsing. Zoals in het lied When two worlds collide:

“Your world was so different from mine, don’t you see
And we couldn’t be close, though we tried
We both reached for heavens, but ours weren’t the same.
That’s what happens when two worlds collide.

Your world was made up of things sweet and good.
My world could never fit in, I wish it could.
Two hearts lie in shambles and oh, how they’ve cried.
That’s what happens when two worlds collide.”

The Man Who Fell To Earth is naast het verhaal van een odyssee een onderzoek van het beeld in de Westerse cultuur. Van de voor- en nadelen van het beeld. Tegenover het statische beeld (ook het filmbeeld is statisch : 24 beeldjes per seconde) plaatst Nicholas Roeg het reizen en het zien. Elke reis is een ontdekkingsreis. Elk landschap opent een wereld. Elke ontmoeting schept mogelijkheden, positieve of negatieve.
Er is een overeenkomst tussen Thomas Newton en Stephen Dedalus in Ulysses van James Joyce; en Farnsworth verwijst in zekere zin naar Leopold Bloom uit dezelfde roman. In Performance – de eerste film van Nicholas Roeg (in een co-regie met Donald Cammell) – heb je een gelijkaardige botsing van culturen, met name van die van de ex-rockster en hipster Turner en die van Chas, de misdadiger. De wereld van de hippies – in 1970, toen Performance uitkwam, was er sprake van ‘underground’ en ‘tegencultuur’ – komt in ‘aanraking’ met die van de misdaad. Harry Flowers, de naam van een ander personage uit Performance, is overigens ook een pseudoniem van Leopold Bloom in diens correspondentie met een jong meisje.
Wat mij bij deze tekst ook weer opvalt is mijn zoeken naar overeenkomsten, gelijkenissen, analogieën. Wijst dat op innerlijke onzekerheid? Ik denk het niet. Liggen analogie, gelijkenis, en overeenkomst niet aan de basis van alle poëzie?

 

WAAROM KIEZEN MENSEN ERVOOR OM VERBLIND EN ONDERDRUKT TE WORDEN?

De politieke wereld heeft het graag over anti-politiek in verband met burgers die op extreemse-rechtse partijen zoals Vlaams Blok en Front National stemmen. Maar zou je van mensen die anti-politiek denken niet verwachten dat ze reikhalzen naar echte politiek, naar meer politiek, gemeenschap, gemeenschapszin, een werkelijke ‘polis’, etcetera, dat ze vooral behoefte hebben aan een uitgesproken, duidelijke, transparante democratie? Dat ze verlangen naar politici en politiek met een menselijk gezicht. Mensen met ogen in en oren aan hun hoofd.

Waarom zouden mensen die zich afkeren van de traditionele partijen (inderdaad traditioneel, ook al hebben ze, zoals de banken, hun namen veranderd) stemmen voor anti-politieke partijen bij uitstek? Partijen waarbij het alleen maar om negativiteit en naakte macht gaat, partijen bevolkt door anti-politici, heerschappen die nog nooit naar de woorden van een ‘gewone’ – en zeker niet van een ‘ongewone’ – mens hebben geluisterd en die geen enkel besef hebben van wat het is in de wereld te zijn en zorgen te hebben. Waarom zouden zulke zogeheten anti-politieke burgers hun stem geven aan degenen die precies belichamen wat zij vrezen, aan degenen die hen een ‘ideologie’ willen opdringen van wreedheid, haat, afgunst en een absoluut onbehagen in de cultuur?

 

IN MEMORIAM JAMES BROWN

in memory of james brown

Het was zo al een somber jaar voor de populaire muziek. Anti-helden Syd Barrett en Arthur Lee en de legendarische stichter van het Atlantic label, Ahmet Ertegun, waren eerder al van ons weggerukt. Nu net voor de finale van dit ellendige jaar – ook op persoonlijk vlak – komt pietje de dood James Brown nog gauw aan ons ontfutselen.

Wat kan ik zeggen? Waar zijn die verdomde woorden nu? Het is de dag na kerstmis en ik draai al sinds vanochtend James Brown blues en rhythm & blues en funk en al de rest: muziek zoals niemand anders er heeft gemaakt. Een ononderbroken funky groove, soms traag en zwoel, soms gereduceerd tot een vlijmscherp naakt ritme, altijd onweerstaanbaar, gaande van Bewildered en I Don’t Mind in de jaren vijftig via Prisoner Of Love, (Do The) Mashed Potatoes, It’s A Man’s World, Papa’s Got A Brand New Bag, Cold Sweat en I Can’t Stand Myself (When You Touch Me) in de jaren zestig tot Get Up (I Feel Like Being A) Sex Machine PTS. 1 & 2, King Heroin, Get On The Good Foot en It’s Too Funky In Here in de jaren zeventig. Wat ben ik ook verslingerd aan zijn songtitels, en vooral aan die met een paar woorden tussen haakjes.

Zijn recentere opnames heb ik niet meer zo gevolgd. Zijn geestelijke erfgenamen Bruce Springsteen, Michael Jackson, Prince en Beck hebben de aandacht van de godfather wat afgeleid. Er waren tevens een aantal duistere zaken, wilde autoachtervolgingen in de stijl van The French Connection PT. 1, gevangenisstraffen, schandalen. Dingen waar ik niet nader op inga. Ik deed dat vroeger niet, nu zeker niet. Ik verwijs er hier alleen maar terloops naar om mijn afzwakkende interesse enigszins te verklaren. Dat de nadruk bij popmuziek zo sterk op het schandaal wordt gelegd, vind ik uiterst vermoeiend en vooral onterecht.
Ondanks die schandaalsfeer had Brown alleszins een sterke educatieve en morele ingesteldheid, denk maar aan zijn songs Don’t Be A Dropout, waarin hij de jongeren aanspoort om een diploma te halen, en Say It Loud-I’m Black And I’m Proud, een trots en welluidend manifest van en voor de Afro-Amerikaan.
De soulzanger was voor ons allen geïncarneerd ritme, ook in voor Brown – of voor onszelf – slechte tijden. En dat zal hij blijven, tot de laatste dag. James Browns grooves zijn de heerlijkste die ik ken. Al zijn nummers zetten mij tot dansen aan, zelfs nu nog, op toch al wat gevorderde leeftijd. In de Antwerpse Cinderella’s Ballroom behoorde hij tot de grote favorieten van de dansvloer. Cold Sweat, baby!

James Brown was niet de grondlegger van de soul en van de country soul; dat was Ray Charles, maar zijn funk zorgde net zo goed voor een revolutie in de populaire muziek. Moge de Funky President in vrede rusten.

Foto: James Brown In Memoriam.