OVER OBAMA, APEN, IRONIE, INTELLIGENTIE EN VERBIJSTERING

gulliver-morten13.jpg

“You can please some of the people all of the time, you can please all of the people some of the time, but you can’t please all of the people all of the time”.
Abraham Lincoln.

Obama verbleef gisteren en vandaag opnieuw in Brussel. Op 26 maart was hij hier ook al te gast. Wat een eer voor ons land en onze hoofdstad, zou je bijna durven denken. Maar ik ben geen bewonderaar van de huidige Amerikaanse president, hij heeft mij en zovele andere aardbewoners met een idealistische inborst te zeer en te vaak teleurgesteld. Misschien hebben we in het begin te veel van hem verwacht, hebben we hem macht, daadkracht en doorzettingsvermogen toegedicht, eigenschappen die hij in werkelijkheid niet heeft en ook niet kan hebben, omringd als hij is door ‘haviken’ en ‘wolven’. Vreemd toch, die vergelijkingen met dieren altijd.

Ik heb me die eerste keer dat hij in het land was hier thuis erg boos gemaakt over de ronduit racistische cartoon die in De Morgen was verschenen (ik had er op sociale netwerken over gelezen en ze daar ook gezien). Ik heb over die woede toen niet veel geschreven, alleen een opmerking op facebook heb ik niet kunnen onderdrukken. Al die verontwaardiging is niet goed voor de gezondheid. In een of twee zinnen had ik mij kritisch uitgelaten over die racistische en bijgevolg schandalige spotprent. Dat werd me niet in dank afgenomen. Een sujet op facebook, gelukkig geen ‘vriend’, schreef dat hij verbijsterd was over mijn domheid. De man had altijd gedacht, schreef hij, dat ik over intelligentie beschikte, maar nu was ik door de mand gevallen. Wat was ik ronduit dom. Een ironisch kunstwerk racistisch noemen, wat kregen we nu! De man was vermoedelijk onwel geworden van mijn kritische opmerking en van mijn plaatsvervangende schaamte. Verbijsterd was hij over mijn onwetendheid. Dat woord gebruikte hij: verbijsterd.

Ik heb er het zwijgen toe gedaan, maar vandaag herinner ik me het voorval weer en wil ik niet langer zwijgen. Primo ben ik niet onwetend, ook al ben ik niet bijster intelligent. De meeste dingen die ik weet en ken, weet en ken ik toevallig, dat is mijn geluk. Maar, secundo, stel dat ik toch door en door onwetend ben: hoe kun je daar nu verbijsterd over zijn? Iemands onwetendheid is ontroerend, bedroevend, teleurstellend, misschien zelfs beschamend, maar zeker niet verbijsterend. Wat is dan wel verbijsterend? Enkele weken geleden zag ik in het Museum voor Schone Kunsten in Gent ‘Het vlot van de Medusa’ van Géricault (eigenlijk was het een kopie). Er werd een verband gelegd tussen de verschrikkingen op het schilderij en de gebeurtenissen in de buurt van het eiland Lampedusa op donderdag 3 oktober 2013. Op die dag verdronken minstens 300 van de ongeveer 500 vluchtelingen, het merendeel uit Eritrea en Somalië, die vanuit Libië geprobeerd hadden per boot Lampedusa te bereiken. Dat is verbijsterend. De harde houding van ex-Staatssecretaris voor Asiel en Migratie Maggie De Block ten aanzien van vluchtelingen zou je ook verbijsterend kunnen noemen. Mijn onwetenheid – die er in dat geval geen was, want de spotprent was door en door racistisch – is alledaags, niets om je druk over te maken; elke mens is onwetend over iets. Ik geloof ook dat elke mens naar kennis en weten streeft, ook al kan dat een illusie zijn, een nevenverschijnsel van mijn idealistisch optimisme.

géricault.jpg

Mensen die de onwetendheid van anderen verbijsterend vinden, die de anderen dom vinden, vinden dat niet echt. Het is een tactiek om zelf intelligent gevonden te worden. Noem de andere – je opponent – dom, dan ben jij intelligent, zo is de toch enigszins domme redenering.

Wat ik niet begrepen had, vond het intelligente sujet, was de ironie van de spotprent. Over die zogenaamde ironie schreef Arnon Grunberg, nog zo’n onwetende aap, het volgende: “En het is mij eerlijk gezegd ook onduidelijk wat hier precies geïroniseerd werd. Racisme? Obama? Of diende de ironie juist als dekmantel voor het al te traditionele racisme? De zwarte, de aap.”

superape.jpg

Ik weet dat ik onlangs schreef dat er geen groter kwaad bestaat dan domheid (ik geloof dat ik het net bij W.G. Sebald had gelezen, maar het is mogelijk dat ik me hier vergis), wat zeker de waarheid is. Ik wil er graag op wijzen dat dit een algemene uitspraak was en niet één bepaalde enkeling betrof. De uitspraak impliceert in geen geval dat ik niet dom ben, of dat ik bijzonder intelligent ben. Want, nogmaals, dat is niet zo. Ik ben gewoon maar een mens op weg naar het einde. Ondertussen probeer ik te leren, inzichten te verwerven en het goede te doen. Maar helaas kun je nooit voor iedereen het goede doen, zoals Abraham Lincoln al zei en Bob Dylan zong.

EEN NIEUWE SAMENLEVING, EEN NIEUWE MORAAL

gelijkheid,verleden,geschiedenis,leven,sixties,feminisme,kunst,nieuw,intolerantie,wereld,toekomst,ecologie,luisteren,verbeelding,cultuur,surrealisme,communisme,gemeenschap,moraal,modern,individu,samenleving,modernisme,verantwoordelijkheid,20ste eeuw,communie,realisme,revolutie,facebook,obama,rimbaud,broederschap,omwenteling,inaugurele rede,zusterschap,aanwezighied

Vandaag gingen mijn gedachten terug naar de min of meer geslaagde en gedeeltelijke en geheel mislukte pogingen  om de maatschappij, ‘het systeem’, de man, de vrouw, de verhoudingen tussen man en vrouw, de arbeidsverhoudingen, het economisch bestel, de machtsverhoudingen en zelfs het leven te veranderen. Zelf vond ik vanaf een bepaalde, enigszins bewuste leeftijd dat, zoals de surrealisten hadden gezegd, het leven moest worden veranderd. Lange tijd al houd ik me de uitspraak van Rimbaud voor ogen dat we ‘absolut moderne’ moeten zijn, wat ongetwijfeld niet hetzelfde betekent als opnieuw expo-brood eten of in stoeltjes uit de jaren ‘vijftig gaan zitten. We nemen plaats op stoelen en in zetels die het toeval ons aanwijst.

Ik kreeg zonder zelfs een kroniek of een geschiedenisboek ter hand te nemen (ik denk aan ‘1968’ van Mark Kurlansky, ‘De Russische revolutie’ van Marcel Liebman, ‘Ten Days That Shook the World’ van John Reed, de werken van Eric Hobsbawn, ‘In Europa’ van Geert Mak, ‘Timebends’ van Arthur Miller, ‘There’s A Riot Going On’ van Peter Dogget, etc.) een sterke indruk dat de hele twintigste eeuw een aaneenschakeling is geweest van pogingen tot revolutie, van werkelijke revolutie, van pseudo-revolutie (in salons en ministeriële kabinetten), van contra-revoluties, van staatsgrepen, van militaire regimes, van dictatoriale verdedigingen tegen revoluties en mogelijke revoluties, van – vanuit het zogenaamde standpunt van nationaal-socialistische revoluties en fascistische omwentelingen – etnische verplaatsingen en nooit eerder geziene etnische ‘zuiveringen’ en uitroeiingen.

Ik kreeg tevens de indruk dat de halve eeuw die ik heb meegemaakt, zonder ooit een oorlog aan den lijve te hebben ‘gevoeld’, alleen de gevolgen ervan, een verschrikkelijk, gewelddadig, ongewoon verwoestend tijdperk is geweest.

Welke rol had ik gespeeld in dit alles? Ik moest even een glas wijn drinken, twee glazen, om de vraag te laten bezinken. Vervolgens dacht ik, jongen, vergeet het maar. Er is muziek, film, kijk nog een keer naar ‘Last Tango In Paris’, een meesterwerk toch? Is er ooit iemand beter geweest dan Marlon Brando en hoe zit het nu met Maria Schneider? Of speel wat spelletjes op Facebook. Mijn vrouw kan ik niet lastig vallen: zij slaapt al. Een zware dagtaak staat haar te wachten. Zij helpt jonge mensen uit ontwikkelingslanden aan studiebeurzen in ons welvarend gebied van taalonenigheid (hoewel ik daar zelden iets van merk, tenzij bij fascistische heethoofden). Jongen, zei ik, je moet het alleen oplossen. Wat heb je gedaan?

Natuurlijk was die vraag mij ingegeven door de inaugurele rede van president Barack Obama. De tijd van intolerantie, zoals die door filmregisseur D.W. Griffith aan het begin van de vorige eeuw werd getoond, is voorbij. De tijd dat zwarten niet welkom zijn in een restaurant of café zijn voorbij. De tijd dat ik in 1968 in Maastricht aan mijn lange haren door het grind word gesleurd en met de dood bedreigd is voorbij. De tijd dat ik in het midden van de straat mijn vriend niet mag zoenen is voorbij. De tijd dat je voor een kruisbeeld of welk ander religieus symbool moet knielen is voorbij. De tijd waartegen zich Bob Dylan zo verzette (en al lang over zwijgt) is nu voorbij. Zelfs William Zanzinger is dood. Ik moet me ook niet meer boos maken op Sam Shepard, die het in zijn logboek over the Rolling Thunder Revue over Willams & Zinger had. Niemand is perfect. Sam Shepard was een goede drummer en stond aan de goede kant. Ten minste, als je er van uitgaat dat ik ook aan de goede kant stond, sta.

President Obama gaf in zijn speech de indruk dat die tijd – van pogingen tot verandering, van permanente revolutie, van intolerantie en onwetendheid – nu voorbij is. De verantwoordelijkheid voor de samenleving, die de geschiedenis ons heeft doorgegeven, ligt bij onszelf. Wij moeten het nu echt wel zelf doen.  We moeten niet alleen maar hopen, geloven, met onszelf bezig zijn, met muziek, met kunst, met vermaak en cultuur. Wat we zeker niet moeten doen is onszelf verrijken ten koste van de anderen. Wat we zeker niet moeten doen is op de anderen neerkijken, hen vernederen, miskennen, hen geheel uit het oog verliezen omdat ze bijvoorbeeld ziek of zwak zijn. Wij mensen hebben elkaar nodig. De wereld is een ingewikkeld geheel. We moeten het zelf doen. We moeten naar de anderen kijken: wat willen jullie? We moeten vriendschap sluiten. En uiteindelijk moeten we ook voor degenen die geen vriendschap willen, de fanatici, de mensen die uitgaan van bloed, bodem en geweld, moeten we voor hen op onze hoede zijn. Met onze overtuigingskracht, met onze kunst, met onze schoonheid moeten we hen voor de wereld winnen. Omdat die tegenstelling blijft moeten we een moraal hanteren, een betere moraal dan die we hadden, een waarin niet religie maar wel rede en droom een rol spelen. Waar een positieve verbeelding van een menselijke werkelijkheid in communie met het zijn (en wat voortdurend in het zijn geworteld is en eruit ontstaat) de grondslag van is. Als we die moraal niet uitvinden, vernietigen we niet alleen onze geschiedenis en alles wat we hebben vernietigd en opgebouwd maar blazen we ook alle bruggen op naar een mogelijke toekomst waarin de mensen nog aanwezig zijn.

IN MY HEART I’M AN AMERICAN: FOR BARACK OBAMA

coney island 2
With my friends in Coney Island. September 2002. Photo taken by Inge Vande Walle.

In my heart I’m an American. Since I was a child I lived in an America of the mind. Some part of me stayed in Europe and loved it. But the fire burning in me was always American. For me there was and is no difference between whites, Afro-Americans, hispanics, natives – in my mind they were always one, even though reality contradicted that ideal. Maybe now the time has come to start making the dream come true. I wish I was a real American today. Well, I’ll be with you, anyway. Time for a change.

AANWEZIGE AFWEZIGHEID

kubrick

Misschien valt het op, maar misschien ook niet: ik heb al een hele tijd niets meer geschreven voor hoochiekoochie. Eerlijk gezegd heb ik gewoonweg niets meer geschreven. En dat zal nog wel even duren. Ik ben flink verkouden en voel me zwak. Het is alsof ik al mijn energie nodig heb om gewoon aanwezig te zijn. Toch zijn er zeker een aantal dingen waarover ik zou willen schrijven. Over het bestand in Gaza, wat geen vrede betekent, maar voorlopig vallen er toch geen doden meer. Dat is al iets, een grote kleinigheid. En over de inauguratie van Barack Obama morgen. De hoop voor de toekomst, hoewel we misschien teveel van die man verwachten. De macht is veel te ingewikkeld en te corrupt om door een man hervormd te kunnen worden. Een revolutie moeten we zeker niet verwachten. Het is trouwens de vraag of een revolutie de wereld kan verbeteren. De mensen zijn zoals ze zijn. Ik bedoel: lees eens een tragedie van Shakespeare. Zo zijn de mensen, nog altijd. Het grote verschil met zijn tijd is de precisie waarmee alles gebeurt, de technologie en de zakelijkheid. Maar de strijd om de macht, de haat en het geweld zijn er altijd geweest. Het eerste gedeelte van ‘2001: A Space Odyssey’ laat daar, terecht, weinig twijfel over bestaan. Zouden een gedegen communicatie, artistieke ondernemingen en het voorbeeld van Orpheus ons enigszins voor nog groter onheil kunnen beschermen? Over zulke dingen wilde ik graag schrijven, maar het spijt me, ik moet er nog even het zwijgen toe doen.