BORDEEL

1980agnestrap2

[NACHTEN AAN DE KANT 23]

Het mag een raadsel zijn waarom ik gisteravond ging luisteren naar een voorlezing over reclame en massacultuur. Valt over dat onderwerp nog iets interessants te zeggen? Ik was echter niet de enige op het appel daar in het gemeentehuis van Borgerhout. Er waren in filosofie geschoolde vrienden van me, enkele kunstenaars die ik ken en twee individuen die zonder twijfel Geheim Agenten waren. Verder dan hun Burberry regenjassen en sjaals moet je niet kijken. Toevallig of niet kwam een van die lieden naast me zitten. Tijdens de lezing zat hij ijverig in een groen Atoma schrift te noteren. Ik las onder meer de woorden onbenullig, ergerniswekkend en hoofdpijn. Er kwam inderdaad maar geen einde aan die vervelende voordracht. Je zou van minder een migraineaanval krijgen. Tot slot volgde een epiloog van de Professor, onze gastheer en binnenkort zelfs mijn baas, of wordt dat Guy Spittaels, de bevoegde minister, of een van zijn BTK-inspecteurs? Ik wierp nog een blik op het groene boekje van de Geheim Agent naast mij. Manische spreekdrift, stond er, en verbaal sadisme. Wat hadden die bijtende woorden – en vooral die drie sissende s’en te betekenen? Wel was het waar dat mijn oren waren gaan fluiten, was dat het begin van een oorontsteking? Of tinnitus misschien? Met die luide muziek in de Cinderella zou dat wel eens kunnen. Bordeel, schreef de Geheim Agent, en stront in de mond. Wat een gezeik, dacht ik. Toen ik eindelijk buitenkwam voelde ik mij een beetje zoals toen ik in de tijd dat ik nog met tegenzin naar de Heilige Mis ging eindelijk de kerk mocht verlaten.

In café de Raadszaal bespeelde zoals daar steeds het geval is de plaatselijke artiest het Hammondorgel. Vandaag meende ik Green Green Grass of Home en A Man Without Love te herkennen. Tom Jones en Englebert Humperdinck waren hier nog niet vergeten. Mijn in filosofie geschoolde vrienden en ik kwamen er wat nakaarten: de altijd terugkerende symbolische moord op de vader. Ik zat er naar oude gewoonte stilzwijgend bij en bedacht dat de Professor wat leek op de makelaar Anton Saitz in Fassbinders film In einem Jahr mit 13 Monden. En ook wel wat op Fischerle, de pooier en schaakkampioen uit Die Blendung van Elias Canetti. Maar dat hield ik voor mezelf. Er werd al voldoende met giftige pijlen geschoten. En dan te denken dat ik op dat zelfde ogenblik in het Filmhuis naar Samuel Fullers Shock Corridor had kunnen zitten kijken. Het heeft dertig jaar geduurd eer ik die film dan toch te zien heb gekregen.

Middernacht. Graag had ik nog wat gelezen in De vrolijke wetenschap, maar je kunt niet alles hebben in het leven. Of zoals de Engelsen zeggen: You can’t have your cake and eat it too. We hadden een mooie avond met behoorlijk wat rode wijn en de heerlijke couscous die Senga met liefde had bereid. Overdag was ze gaan shoppen. Ze heeft twee mooie pullovers gekocht. De ene is doorzichtig en de andere diep uitgesneden. Vanavond had ze de diep uitgesneden versie aan, die ze als minijurk draagt. Na het eten hebben we platen beluisterd van Poet & the Roots en Mink Deville. Wat een schitterend album toch weer, dat Return to Magenta, in het bijzonder Just Your Friends, met die bezeten mondharmonica. Onder invloed van de wijn deed ik pogingen om voor Senga Big Joe Turner’s TV Mama te zingen:

Every time she loves me, man, she makes me scream
She just tastes like candy, boys, I really go for sweets
I love her from her head down to her little bitty feet

Het leven in het Dolfijnhuis is stukken minder vervelend dan in het gemeentehuis van Borgerhout, zei ik zomaar tegen Senga. En Geheim Agenten zie ik hier ook niet, voegde ik eraan toe. Geheim Agenten, vroeg Senga. Laat maar zitten, zei ik, we zijn hier veilig. Met mij aan het roer valt op dit schip niets te vrezen.

Foto: Martin Pulaski

 

 

OPGEKLAARDE HEMEL

1979-1980-aurora 6 001

[NACHTEN AAN DE KANT 18]

Januari 1979 loopt ten einde. Af en toe klaart de hemel op en dan schijnt de zon zo fel naar binnen dat ik een ogenblik verblind ben, wat mij, zeker omdat het maar van korte duur is, een prettig gevoel geeft. Op een kille winterdag zo onverhoeds de zon je huid voelen strelen, je verrukt voelen door haar unieke warmte: plots weer blij zijn dat je leeft. Het donkere seizoen heeft je niet klein gekregen. Om een dergelijke vreugde uit te drukken bestaan geen adequate woorden, er is muziek voor nodig, een wijsje dat wordt gefloten of geneuried, of gescat in de stijl van Louis Armstrong.

Gisteren kwam Paul Rigaumont ons goed nieuws brengen in verband met de filosofische kring Aurora en ons tijdschrift. Ons BTK-project is goedgekeurd [1]. Je zal je misschien afvragen wat dat was, een BTK-project. BTK was het acroniem voor Bijzonder Tijdelijk Kader. Het ging om een plan van de socialistische politicus Guy Spitaels, toenmalig minister van Arbeid en Tewerkstelling, dat in leven was geroepen om de toenmalige gigantische werkloosheid te bestrijden. Deze BTK-projecten hebben niets te maken met de BTK-moordenaar Dennis Rader, een man die tussen 1974 en 1991 onder het motto Bind, Torture en Kill in Wichita in de staat Kansas minstens tien mensen vermoordde. In brieven aan burgers en aan de politie beschreef hij zijn moorden in detail. Aangehouden werd hij pas in 2004.
Voor Senga, Paul en mij is het net een levensbevestigend project. Binnenkort zullen we, alvast gedurende een jaar, uit de ellende van de werkloosheid ontsnappen (en uit de statistieken). Voor die duur zullen we een vast inkomen hebben en niet meer dagelijks op een ander uur een stempeltje moeten gaan halen in het stempellokaal in de Lange Kievitsstraat. Het betekent vooral dat we voltijds kunnen gaan werken aan een project dat ons na aan het hart ligt. We zullen er onze eigenheid niet voor moeten opgeven, integendeel, onze zelfverwezenlijking [1] zal deel uitmaken van het project. We zullen zowel de kwaliteit van het driemaandelijks tijdschrift Aurora kunnen verbeteren als een echt en levendig centrum voor filosofie, kunst en literatuur worden. Naast het tijdschrift zullen we andere filosofische en literaire werken kunnen uitgeven, we zullen lezingen, performances, tentoonstellingen en poëziemiddagen organiseren.

Vorig jaar, op een donkere herfstdag, had Paul ons in ons Dolfijnhuis al eens met een bezoek verrast. We hadden al vaker over een wat minder amateuristische aanpak van de activiteiten van de filosofische kring Aurora gediscussieerd. Amateuristisch waren we omdat we geen geld hadden, geen subsidies, niets. We hadden alleen maar een huis in de Lange Leemstraat 58, dat ons gratis ter beschikking werd gesteld door een zekere dokter Stienlet. Onze kleurrijke verbeeldingskracht was ons enige wapen tegen het antraciet van de crisistijd [2]. Die dag was Paul ons komen meedelen dat de situatie mogelijk zou verbeteren. Paul had de ambtenaren van de RVA kunnen overtuigen van de culturele en maatschappelijke waarde van ons Aurora-project. Hij had kunnen bewerkstelligen dat we met zijn drieën een bediendencontract zouden krijgen.

Die dag had Paul nog een andere verrassing: hij zou opnieuw gaan schilderen. Zijn ogen kregen een vrolijke uitdrukking toen hij ons dat toevertrouwde. Tot dan had ik hem altijd als een ernstige jongeman gezien, nu kreeg hij iets speels over zich. Dat vrolijke, speelse zou ik later, als hij stond te schilderen of gewoon maar wat met me praatte, vaak terugzien. Als bewijsmateriaal, als wilde hij duidelijk maken dat hij het meende, had hij een klein schilderijtje op papier voor ons meegebracht. Achteraf besefte ik dat het al grotendeels een Paul Rigaumont was geweest terwijl ik op dat ogenblik vooral de invloed van Paul Klee ontwaarde.

Gisteren dan dit opbeurende nieuws. Alle redenen zijn goed om feest te vieren, maar een betere dan deze, dat onze praktische levens zo’n positieve wending krijgen, kan ik me niet voorstellen. Senga is een fles Jim Beam gaan kopen. Deze middag was Guy hier even om mij zomaar een cadeautje te brengen, een Greatest Hits-album van Del Shannon, een zanger die ik al sinds mijn elfde, toen ik voor het eerst zijn Runaway hoorde, uitermate bewonder. Jammer dat Guy geen tijd had om wat langer te blijven. Giuseppe, die ons toevallig ook even kwam begroeten, is wel gebleven. Met hem hebben we er een feestelijke Del Shannon- en BTK-avond van gemaakt. Giuseppe zat Stranger in Town mee te zingen, met zijn mooie, gevoelige stem waarmee we hem destijds in Brussel songs van Neil Young hadden horen coveren. Daarna kwamen Armed Forces van Elvis Costello & the Attractions en Street Hassle van Lou Reed nog aan de beurt, elpees die ik enkele dagen geleden heb aangeschaft. Ik denk dat Street Hassle tot op vandaag de meest geslaagde soloplaat van Lou Reed is. Alleen al dat nummer Dirt:

You remember that song
by a guy named Bobby Fuller?
It goes like this:
I fought the law
and the law won
I fought the law
and the low won.

Wij waren die avond echter lang niet zo pessimistisch. Voor een keer hadden wij de wet  aan onze kant. Ook al was dat maar voor een jaar.

[1] Zelfverwezenlijking: een begrip van de humanistische psycholoog Abraham Maslow.

[2]  De film ‘Die bleierne Zeit’ van Margarethe von Trotta was in die dagen in de Cartoons of in het Filmhuis te zien. Het was een drama over Gudrun Ensslin en haar zus Christiane. Gudrun Ensslin was vanaf 1970 lid van de eerste generatie van de Rote Armee Fraktion, werd in 1972 gearresteerd en opgesloten in de Stammheim-gevangenis in de buurt van Stuttgart. Ze ging talloze malen in hongerstaking tegen het strakke gevangenisregime. In 1977 hing ze zichzelf op in haar isoleercel. ‘Bleierne Zeit’ (loden tijd) is inmiddels een gevleugelde uitdrukking die naar de jaren van de links-radicale terreur in Duitsland en Italië verwijst. Margarethe von Trotta vond de woorden in een elegisch gedicht van Hölderlin, ‘:
“Trüb ists heut, es schlummern die Gäng und die Gassen und fast will
Mir es scheinen, es sei, als in der bleiernen Zeit.”

1979-1980-aurora 11 001

Foto’s: Tijdens een evenement van de filosofische kring Aurora; Senga aan het werk bij Aurora.

STILSTAND

Johann_Heinrich_Füssli_065thetis-hephaistos

[NACHTEN AAN DE KANT 17]

In onze levens en in de wereld hangt alles met alles samen, zo ook de dag met nacht en het café met de werkkamer van de schrijver. Tijdens de eerste maanden van 1979 werkte ik voor het tijdschrift Aurora aan een prozatekst die ik Stasis noemde, het vervolg op een gedeeltelijk autobiografische romance, Anastasis, verschenen in de zomer van 1976. Stasis betekent onder meer stilstand, vooral van de tijd. Een stasis-object is onbreekbaar. Het verschijnsel komt vaak voor in sciencefiction, maar dat wist ik toen niet [1]. Ik had nooit iets in dat genre gelezen en bij de film 2001: A Space Odyssey was ik al twee keer in slaap gevallen. Stasis was een experimentele tekst, een proeve van wat toen ander proza werd genoemd, een stijl die voor ons de revolutie in de literatuur leek aan te kondigen. In werkelijkheid was het een cul-de-sac. Ik was al van omstreeks mijn vijftiende trots op mijn anders-zijn, en nu was ik uitermate trots op mijn ander proza. Je had mij moeten zien glunderen. Of wat had je verwacht? Omdat ik met mijn bizarre literatuur bij Aurora terechtkon hoefde ik me om uitgevers geen zorgen te maken. Ik kon rustig experimenteren: eerst mijn zintuigen grondig ontregelen en vervolgens in die toestand nauwgezet verslag geven van wat ik waarnam en wat ik met die waarnemingen associeerde. Het gebeurde wel dat enkel de associaties overbleven. Ik was niet alleen beïnvloed door James Joyce en Samuel Beckett maar ook door een hele resem literaire theorieën. Het meeste gezag hadden voor mij, denk ik, de schrijvers van Tel Quel, en dan vooral Philippe Sollers. Maar er waren andere leermeesters die een nefaste invloed op me hadden en waarvan ik nu zo’n afkeer heb dat ik niet eens meer over hun namen wil nadenken. Peter Szondi (Hölderlin –Studien, Versuch über das Tragische) was er een van. Georg Lukacs (Die Seele und die Formen, Die Theorie des Romans) een andere. Een dichter die in mijn werk altijd wel aanwezig was, meestal op de achtergrond, was Dante. Wat vond ik het jammer dat ik hem niet in het Italiaans kon lezen. Inspiratie vond ik eveneens in de popmuziek die ik ’s avonds beluisterde, onder meer die van Talking Heads, Television en Lou Reed en in de hoestekst van Patti Smiths Radio Ethiopia. Zeker waren ook de gesprekken met vrienden, in de grote betegelde kamer beneden en in het Pannenhuis, altijd stimulerend. Toegegeven, er gebeurde ook nogal wat in de wereld en dat moest ook zijn plaats vinden in mijn werk.

Stasis kan ik niet samenvatten. De tekst is een microkosmos van de hele macrokosmos (voor zover die binnen het bereik van de auteur lag). In het bewustzijn en de dromen van het hoofdpersonage Crip – de naam spreekt boekdelen, in het hele ‘verhaal’ spreekt bijna elke naam en elk substantief boekdelen – doemen taferelen van vooral apocalyptische aard op. Hij heeft zich teruggetrokken op het eiland IS, of is daar als een tragische Icarus neergestort. Mogelijk dacht ik aan het Griekse eiland Lemnos. Terwijl het universum, of althans de mensheid, in een trage big bang ten onder gaat, ziet hij aan zijn geestesoog de hele westerse beschaving voorbijtrekken. Uiteraard kan Crip niet bewegen: hij is kreupel. Het is het laatste seizoen op aarde, dat van de suffocatie. Vanuit zijn zitplaats, of eerder vanuit de plek waar hij neerligt, waar hij is neergevallen, ziet hij de wereld als een podium waarop iedereen die ooit een rol heeft gespeeld in de menselijke geschiedenis tevoorschijn treedt om aan te kondigen dat dit de laatste keer is, dat het de tijd is van de val. In dit verhaal van 35 bladzijden propte ik alles wat ik in mijn leven ooit had gelezen, gezien en gehoord. Dat was te veel. Bijna ging ik eraan ten onder, bijna was het mijn eigen val.
Die dagen van schrijven duurden lang en waren zowel euforisch, ook al door de amfetamine, als uitputtend en soms zelfs angstaanjagend. Vandaar dat de nachten aan de kant voor mij zo welkom waren en waarom ik nu, in deze herinneringen, liever naar het Pannenhuis terugkeer dan naar mijn werkkamer in het Dolfijnhuis.

[1] The Dune series of novels refers to “nullentropy” containers, where food is preserved indefinitely, as well as entropy-free “no-chambers” or “no-ships” which are undetectable to prescience.

Rubens,_Peter_Paul_-_The_Fall_of_Icarus

The noted science fiction author Larry Niven used the concept of stasis fields and stasis boxes to a great extent directly or indirectly throughout his many novels and short stories set in the Known Space series. Niven’s stasis fields followed conductive surfaces when established, and the resulting frozen space became a completely invulnerable and perfectly reflective object. They were often used as emergency protective devices. They could also be used to create a weapon called a variable sword, a length of extremely fine wire in a stasis field that makes it able to easily cut through normal matter.
Wikipedia

Afbeeldingen: Henry Fuseli, Thetis bittet Hephaistos, für ihren Sohn Achilleus eine Rüstung zu schmieden; Peter Paul Rubens, De val van Icarus.

NACHTEN AAN DE KANT (9): OUTSIDE OF SOCIETY

paars

In het Pannenhuis en de andere cafés die ik frequenteerde wisten maar weinig nachtraven dat ik dichter en schrijver was. Ook al zat ik vijf dagen per week van negen tot vijf, soms tot zeven en af en toe zelfs tot later, aan mijn schrijftafel, in de weer met dagboeknotities, gedichten en wat ander proza werd genoemd. Ik weet niet zo goed wat er anders aan was en hoewel ze experimenteel van aard waren noemde ik die dingen verhalen. Als Paul Rigaumont, Senga – aan wie ik ze als eerste voorlas – en ik ze goed vonden werden ze in het tijdschrift Aurora gepubliceerd. Betaald werd ik er niet voor. Ik ben haast nooit betaald voor mijn schrijfwerk. Als schrijver was ik toen voor de meeste mensen onzichtbaar en dat ben ik nog altijd, ook al heb ik al een hele tijd geleden in de hoop daarmee wat meer op te vallen een andere naam gekozen: Martin Pulaski. Ik ging ervan uit dat er op mijn oude naam een vloek rustte. Zoals dat met veel oude namen het geval is. Voorouders komen er ’s nachts in spoken, soms zelfs overdag. Wellicht omdat ik toen niet veel inspanningen heb gedaan om in de gratie van andere schrijvers – en uitgevers – te vallen, om in hun kringen te worden opgenomen, werd ik later, toen ik wel naar erkenning verlangde, over het hoofd gezien. Ik was een buitenbeentje, een outsider. Of speelde de rol van outsider. In de jaren zestig waren the Outsiders, de band van Wally Tax, een van mijn favoriete popgroepen. Ik ben een outsider gebleven. Maar goed, zien jullie mij niet, geen probleem, ik blijf toch in de wereld, ben deel van de wereld, bevat zelf werelden. Zoals alle mensen. Dat schreef Walt Whitman al in de negentiende eeuw en het is nog steeds geldig. Elke mens is een kosmos, of niet soms?

waterkracht3 001

Tussen de wereld van de filosofische kring Aurora in de Lange Leemstraat, van mijn schrijftafel, van mijn experimenteel proza en die van het Pannenhuis op het Conscienceplein, de Gnoe in de Wolstraat en Cinderella’s Ballroom op de Stadswaag gaapte een kloof die niet kon gedicht worden.. (Zie deze reeks teksten als een poging om dat alsnog te doen.) En toch was het één en dezelfde wereld. Elke mens, hoe verschillend ook, heeft dezelfde bestemming. We leven met zijn allen in een eigen en in een gemeenschappelijk labyrint waar we een uitweg uit zoeken. Onderweg treffen wij talloos veel hindernissen aan, de ene al meer dan de andere. Maar als wij elkaar ’s avonds, na de dagtaak, ontmoeten vergeten we die dingen. Er is zo’n groot verschil tussen hoe we zijn als we alleen zijn in onze kamers en als we ons tussen onze soortgenoten begeven.

Als ik aan die tijd terugdenk valt het mij op dat ik goed bevriend was met enkele beginnende, veelbelovende artiesten. Het valt mij eveneens op dat zij voor het merendeel conceptuele kunstenaars waren of, als zij schilderden, zoals mijn vriend Paul, voor abstractie kozen. Terwijl ik zelf van jongs af aan van figuratieve schilderkunst heb gehouden. Niemand heeft me voorgehouden welke kunst ik moest koesteren, niemand heeft me gezegd wat mooi was, wat lelijk, wat dom, wat verstandig. Of wat ik mooi, lelijk, dom, enzovoort moest vinden. Op een dag zag ik op televisie een documentaire over Salvador Dalí – een revelatie, het begin van een nieuw en blijvend avontuur en van een liefde-haatverhouding. Nog weken na de uitzending liep ik in een roes rond. Meteen bestelde ik de autobiografie van de meester, ‘Mijn leven als genie’, verschenen bij Privé-domein. Dat boek noemde ik eerder al eens een doos van Pandora. Vanaf dan werd alle kunst voor mij interessant en opwindend. Maar altijd met die lichte voorkeur voor figuratief werk en toch ook, denk ik, met een open geest. En nu telde ik onder mijn vrienden echte kunstenaars. Over deze bijzondere tijdgenoten zal ik het later in deze reeks nog hebben. Eerst moet ik nog een aantal hindernissen overwinnen en enkele spoken uit het verleden het hoofd bieden.

4-29-2013_079 (2)

Afbeeldingen: in Zurenborg (Draakplaats); romanticus omstreeks 1976 in de Waterkrachtstraat in Brussel; Aurora in de Lange Leemstraat in Antwerpen, omstreeks 1980, op de achtergrond Jesse en Vera.

BESCHOUWINGEN OVER ‘CLOSER’ VAN JOY DIVISION

cof

Eind 1980 wilde ik als kerstcadeau voor Agnes de elpee ‘Closer’ [1] van de Britse postpunkgroep Joy Division kopen. We vonden het beiden de mooiste en meest aangrijpende plaat van het jaar. We waren romantici en voelden ons aangetrokken tot melancholische kunstenaars en outsiders. Ian Curtis, de zanger van Joy Division, had zich op 18 mei verhangen. Kort voor zijn zelfmoord had hij de film ‘Stroszek’ van de Duitse regisseur Werner Herzog gezien. Op een koude nacht in januari waren wij toevallig ook naar die film gaan kijken. Het soms grappige maar vooral wanhopige verhaal had ons danig aangegrepen. Ik had er zelfs bij zitten huilen. ‘Stroszek’ vertelt de geschiedenis van de straatmuzikant Bruno S. en zijn vriendin, de prostituee Eva. Als Bruno S. over zichzelf praat, hanteert hij aldoor de derde persoon. Nooit ‘ik’, altijd ‘der Bruno’. Stroszek spreekt alle woorden uit met een grote inzet van zijn hele lichaam. Daaraan kun je zien dat elk woord door de onfortuinlijke straatmuzikant uitgesproken de waarheid is.

Voor ik naar huis ging met de elpee van Joy Division stapte ik nog even binnen bij Aurora, ons filosofisch atelier in de Lange Leemstraat. Daar stelde ik vast dat in de kerstdrukte een verkoper bij platenzaak Brabo mij per vergissing de maxisingle ‘Love Will Tear Us Apart’ verkocht had. Mijn vriend (en bij Aurora collega) Paul Rigaumont zag meteen hoe teleurgesteld ik was en stelde voor dat hij de single zou overkopen. Maar dan heb ik geen cadeau, zei ik. En die andere elpees dan, vroeg Paul. Hij had gelijk, ik had samen met wat ik dacht dat ‘Closer’ was ook nog langspeelplaten van Public Image Limited, Suicide en the Jam aangeschaft. Dat waren ook mooie cadeaus. Wat ik niet besefte was dat Paul nieuwsgierig was naar Joy Division. Ik dacht dat zijn voorstel alleen maar een gebaar van vriendschap was (wat het natuurlijk ook was). Later begreep ik dat Paul helemaal weg was van Joy Division en Ian Curtis. In 1995 verscheen in de reeks Aurorasporen een vertaling van de teksten van de band uit Manchester, een uitgave waar Paul aan had meegewerkt. In het voorwoord schreef hij: “Muziek en woorden die op de moeilijke keerzijde van ontspanning willen wijzen. Om geijkte gelederen te breken. Om hiërarchieën aan te wijzen. Muziek in de gecontroleerde gebieden van de muziekindustrie. Enkelvoudige stemmen en woorden met verbindingen naar ‘ontheiligd leven’, naar ‘gehoorzame gelederen’, naar wanhoop en fear. Muziek in bezette gebieden. Joy Division is bezeten muziek in bezette gebieden. Dit is onze reden om naar deze muziek te blijven luisteren en te blijven luisteren, om de teksten van Ian Curtis te lezen, te lezen met menselijke ogen die ook nog worden bedreigd, die ook nog met verblindend licht worden verleid. [2] ”

polaroid 1983

Heel wat van de beste vertegenwoordigers van onze generatie liepen tegen een harde muur, kwamen in het gekkenhuis terecht, maakten een eind aan hun leven. (Iets vergelijkbaars had Allen Ginsberg in zijn jonge jaren al moeten vaststellen (“I saw the best minds of my generation destroyed by madness, starving hysterical naked, dragging themselves through the negro streets at dawn looking for an angry fix…”). Bruno S. (fictief) en Ian Curtis (reëel) waren tragische voorbeelden van dat eindspel. Maar ook in mijn omgeving, bij mijn vrienden en kennissen, werd er gezocht naar a means to an end. De permanente tentoonstelling van wanstaltigheden in de supermarkt van het neokapitalisme werd sommigen te veel. Harde drugs of de dood waren dan de ultieme uitweg.

Voor mezelf was de rock ‘n roll van die periode (‘Lost In The Supermarket’ van The Clash en ‘She’s Lost Control’ en ‘Atrocity Exhibition’ van Joy Division, ‘Typical Girls’ van The Slits, ‘Street Hassle’ van Lou Reed, ‘Shout It Out’ van Burning Spear) een levensnoodzakelijk en bitterzoet antidotum tegen de gewichtigheid van Husserl en Descartes [3] , een middel om het voortdurende gevecht, dat tegelijk een ludiek spel is, met de demonen van het bewustzijn aan te kunnen.

Sommige van de mensen die er toen bij waren, kunstenaars, dichters, dokwerkers (denk aan Ludo Mariman van the Kids), intellectuelen, punks, waren trashmen. Ik noemde ze zo uit ontzag en liefde. Het was meer een verwijzing naar de Amerikaanse surfband the Trashmen, die een hit hadden gehad met het volstrekt absurde lied ‘Surfin’ Bird’, later gecoverd door the Ramones en the Cramps, dan naar echte vuilnismannen. Maar uiteraard zat die tweede betekenis er ook in. Hoe meer betekenis hoe liever. Had ik mijn vriend Guy Bleus, op dat ogenblik instant popart-frescoschilder, dat woord ook al niet horen gebruiken? Sommigen van hen, van ons, zijn trashmen gebleven. Misschien hoorde het zo. Hadden we niet uit trouw aan onszelf en aan onze idealen met zijn allen trashmen moeten blijven? Of was die opstandige attitude niet veel meer dan een stadium op de levensweg, onderdeel van een initiatie? Of kunnen we ze als een schakel in een minderheidswording [4] beschouwen?

[1]  Closer, de tweede elpee van de Britse rock band Joy Division kwam uit op 18 juli 1980 op Factory Records.
De groep bestond uit:
Ian Curtis – zang
Bernard Sumner – gitaar, synthesizers
Peter Hook – basgitaar en zessnarige basgitaar
Stephen Morris – drums, elektronische drums, percussie
Producer: Martin Hannett.
De prachtige hoes was ontworpen door Martyn Atkins en Peter Saville.
De titel van de song ‘Atrocity Exhibition’ verwijst naar een boek van J.G. Ballard.
[2] Joy Division, Aurorasporen, Antwerpen, 1995
[3] Enkele van de filosofen die we in die tijd bij Aurora bestudeerden.
[4] Minderheidswording. In zijn ‘Anekdota VIII’ beschrijft Paul Rigaumont Aurora als een “plaats van een minderheidswording. (…) Een verstervingsoefening die een afstandelijkheid ten overstaan van de Staat en zijn apparaten veronderstelde. Een oefening die vooral impliceerde dat wij als gezworenen zouden ‘stotteren’ in de talen die men ons had toegespeeld. In onze spreek- en schrijftaal, in onze denktaal, in al die talen die door instellingen worden gebruikt om individuen te onderwerpen.” ‘Anekdota VIII’ (p. 81).  Toen ik dat las dacht ik meteen aan Roger Daltreys gestotter in ‘My Generation’ van the Who, dat in zekere zin het lijflied van onze generatie was.

Foto’s: Closer, Martin Pulaski, 2018; Polaroid, Lamorinièrestraat, vroege jaren 80.

HET WERELDBEELD VAN FRANCIS BACON (in 2013)

14_francis-bacon_three-studies-for-a-crucifixion_1962.jpg

Het heeft even geduurd maar nu neem ik de draad weer op van mijn ‘toevallige’ genealogie. Hoewel invloeden en bewondering toch bijna altijd op zijn minst zijdelings, terloops, naar boven komen.

Toevallig, want ik begin inderdaad te vermoeden dat wat mij op ‘geestelijk’ gebied altijd al heeft aangesproken het gevolg is van toevallige omstandigheden en situaties. Net zoals je toevallig mensen ontmoet met wie je het goed kunt vinden, kom je soms oog in oog te staan met kunstwerken die je ontroeren, of boeken die je naar binnen zuigen in hun wereld, of muziek die je voorbij de regenboog brengt.
Zo bezocht ik op een zonnige dag in 1973 het nog jonge Europalia, toen aan Groot-Brittannië gewijd. Daar trof ik niet alleen werk aan van de reus William Blake, met wiens mystieke gedichten ik al enigszins vertrouwd was en van David Hockney, die ik kende dankzij de documentaire ‘A Bigger Splash’, maar ook van Francis Bacon van wie ik nooit eerder had gehoord. Ik weet niet meer welk werk van Bacon het was dat mij zo van mijn stuk bracht, maar ik herinner me wel nog heel goed dat ik flink door elkaar geschud werd. Sinds die dag kijk ik op een andere manier naar kunst, heb ik er een andere band mee, en ben ik zelf ook anders. Sinds die dag ben ik verslaafd aan Bacon.

francis_bacon__studies_for_a_portrait_of_peter_beard_i-139-1.jpg

In 1977 verscheen in het filosofisch tijdschrift Aurora mijn semi-autobiografische tekst ‘Het wereldbeeld van Francis Bacon’. Die was het product van drie jaar opzoekingen, onder meer in de Albertina, maar ook op andere plaatsen. Op den duur was ik zo ondergedompeld in de geest van Bacons werk dat ik er bijna overal sporen van aantrof. In mijn archiefkast staan nog meerdere cahiers vol aantekeningen ter voorbereiding van het experimentele ‘verhaal’*. Ik durf er nauwelijks in lezen: bijna uit alles, behalve de citaten, wordt duidelijk dat ik op de rand van de waanzin balanceerde.
Ik denk dat het om die reden is – angst voor waanzin en afgrond – dat ik deze nieuwe tekst, hoe realistisch ik ook probeer te zijn, niet naar behoren geschreven krijg. Het moet, maar ik kan niet, het is een onmogelijke opdracht.
Het vreemde is dat ik zulke angsten helemaal niet heb als ik reproducties bekijk – ik heb enkele mooie monografieën en een voortreffelijke catalogus uitgegeven in 1996 door Centre Georges Pompidou – of als ik zijn werken in musea/tentoonstellingen aantref. Integendeel: de figuren op zijn doeken zijn me al zo vertrouwd dat ik ze haast als familieleden ben gaan beschouwen. Bijna, maar nog niet helemaal, ken ik er elk trekje van.

Ik hoop dat deze schaarse woorden voorlopig volstaan als uitdrukking van mijn onvoorwaardelijke bewondering voor deze ongeëvenaarde kunstenaar. Voor mijn liefde voor zijn kunst en zijn techniek, zijn vaardigheid, zijn kijk op de mens, op de erotiek en op het geweld dat wij dagelijks plegen. Ja zelfs dat bewonder ik in Francis Bacon: de gruwel, de horror, het afschuwelijke. Francis Bacon heeft niemand mij cadeau gedaan: ik stond oog in oog met zijn werk en daar was hij, meteen diep in mij, in een ogenblik was het gebeurd, zoals liefde op het eerste gezicht. Na al die jaren is de aanvankelijke waanzin weggeëbd, maar zijn beelden zijn gebleven, ik zie ze op straat, in winkelcentra, in hotelkamers, op recepties, in vliegtuigen, hier thuis als ik in de spiegel kijk of als ik vrienden ontvang, ik zag ze in het gezicht van mijn stervende vader, mijn stervende moeder, ik zag ze op polaroids van mezelf, waarop ik zwaar toegetakeld door crimineel tuig stond afgebeeld. Het zijn meestal geen prettige beelden, maar er zit zoveel diepe, diepe lust en schoonheid in. Het is de lust die eeuwigheid wil maar tegelijk tragisch en kwetsbaar is en ten onder moet gaan.

francis bacon 01.jpg

*Dat verhaal, ‘Het wereldbeeld van Francis Bacon’, is te lang voor een blog. Misschien dien ik u later wel enige fragmenten toe.

Reproducties: Three Studies For A Crucifixion, 1962; Study For A Portrait Of Peter Beard, 1976; Second Version Of Triptych, 1944

6

FERNANDO PESSOA, EEN GESCHENK

PESSOA1.jpg

Deze ‘culturele genealogie’ verschijnt hier niet zonder horten en stoten. Prettige herinneringen worden soms verdrongen door het opeens weer opduiken van droeve gebeurtenissen, van frustraties, mislukkingen, van ziektes en overlijdens van familieleden en vrienden. Hoe dan ook wilde ik dit verhaal niet chronologisch vertellen, al krijgt mijn jeugd er een belangrijke rol in toebedeeld.

Het is 1978, ik woon al een jaar in de Dolfijnstraat in Antwerpen. Misschien is het zomer, ik heb er het raden naar. We hadden daar aan de Dageraadsplaats via vrienden in 1977 een klein huis kunnen huren en leefden er arm maar redelijk gelukkig. Het was een huis waar je je meteen goed voelde, ook al hebben we er niet altijd fraaie dingen meegemaakt.  Alleszins heb ik daar vaak feest gevierd, veel gelezen en veel geschreven. Wat mij dreef – benevens een innerlijke noodzaak – was het tijdschrift voor filosofie Aurora. Daar kon ik met mijn nogal experimentele teksten terecht – zelfs een essay over Hölderlin werd er aanvaard. Vreemd genoeg kende ik bijna niemand die ooit van de grote dichter had gehoord. Hölderlin en Rimbaud pasten helemaal in mijn manier van denken en ik wilde ook leven als zij, onverschrokken, gevaarlijk, onderzoekend, bovenal in dienst van het woord. Wilde ik beroemd worden? Dan had ik wel heel slechte voorbeelden gekozen. Van beide dichters verscheen tijdens hun leven één dun boek.

In de boekenbijlage van Vrij Nederland lees ik dat jaar een artikel over een mij volstrekt onbekende Portugese dichter: Fernando Pessoa. Iedereen kent nu zijn verhaal, zijn spel met de heteroniemen, zijn eenzaamheid, zijn alcoholisme, zij Lissabon, maar in die dagen was het een man van en voor ingewijden. Niemand lag wakker van die bizarre Portugees. Ik kende zelfs nauwelijks iemand die geïnteresseerd was in Portugal, dat kleine, arme land. Na lectuur van het artikel ging ik in de bibliotheek in de Lange Nieuwstraat op zoek naar een boek van de dichter, maar vond volstrekt niets. Ook in de boekwinkels ving ik bot. Ik zette Fernando Pessoa en zijn heteroniemen uit mijn hoofd en ging door met mijn werk en mijn extases.

Op een dag in maart 1980, ik werkte toen op de redactie van het hierboven genoemde Aurora, kwam mijn toenmalige boezemvriend en drinkebroer Jos Dorissen het kantoortje binnen met een vierkant boek in zijn rechterhand. Ik had net deze twee zinnen in mijn dagboek genoteerd:
“Wij hebben ervan afgezien een onderscheid te maken tussen lichaam en geest. Maar zijn we aan dat dualisme voorbij? De geschreven taal immers is er nog helemaal van doordrongen, en zeker het spreken.”
Geen idee naar aanleiding van wat ik dat schreef, maar het is wel een mooie coïncidentie. Jos overhandigde me meteen dat boek: ‘Fernando Pessoa. Gedichten. Vertaling August Willemsen’. Twee jaar eerder uitgegeven bij De Arbeiderspers in Amsterdam. “Je hebt Pessoa!”, riep ik uit en sloeg het mooi uitgegeven werk op een willekeurige plek open en las dit:

“Ik heb gefaald in alles.
Daar ik nooit één plan gemaakt heb, was alles misschien niets.
De wijze lessen die men mij gegeven heeft
Heb ik verlaten door het achterraam.
Ik ging het land op vol van grote plannen.
Maar daar vond ik alleen gras en bomen,
En als er mensen waren, waren die net als de anderen.
Ik keer van het raam af, ga zitten in een stoel.
Waar zal ik eens aan denken?”*

Gelukkig zat ik zelf ook in een stoel, zoniet was ik omver gevallen. Dit was het, dit was de poëzie waar ik van gedroomd had. Walt Whitman, maar dan door en door modern. Zulke gedichten wilde ik zelf ook schrijven, even melancholisch, even echt en waar, even tijdloos, even eenvoudig – en voor altijd modern. Maar zou ik het ooit kunnen? Het fragment dat ik gelezen had was van Alvaro de Campos, een personage dat Pessoa heeft gecreëerd, wellicht om orde in de chaos van stijlen en vormen te brengen (lyrisch, elegisch, episch, dramatisch). Naast Alvaro de Campos zijn Pessoa’s bekendste personages of heteroniemen Alberto Caeiro en Ricardo Reis; maar er zijn er meer. De dichter schrijft er zelf het volgende over: “Men moet in geen daarvan ideeën of gevoelens van mij zoeken, want vele ervan drukken ideeën uit die ik niet aanvaard, gevoelens die ik ooit heb gehad. Men moet ze eenvoudig lezen zo als ze zijn, hetgeen trouwens is zoals men moet lezen.” In die twee stappen is Fernando Pessoa, de moderne dichter bij uitstek, in mijn leven gekomen en er gebleven: eerst via een krantenartikel en wat later, doorslaggevend, dankzij de empathische vriendschap van Jos D. Ik heb tot juli 1988 moeten wachten eer ik voldoende geld had om naar dat arme land te reizen en vooral naar die mooie witte stad aan de Taag, Lissabon, de stad van Fernando Pessoa. Sindsdien is het samen met Porto de plaats waar ik me het meest thuisvoel. Luiheid en een slecht geheugen hebben me belet om de mooie Portugese taal te leren, wat ik eigenlijk een schande vind. Maar zo is het leven en zo is mijn karakter.

PESSOA 3.jpg

Het toeval wil dat Jos D., aangespoord door mijn enthousiasme, in augustus van dat jaar zelf naar Lissabon reisde. Op 25 augustus in de vroege ochtend werd hij samen met de andere gasten geëvacueerd uit een pension in het Chiado. Enkele uren later had een hevige brand een belangrijk deel (8000 m²) van Lissabon verwoest.
Maar sindsdien leeft Fernando Pessoa er meer dan ooit tevoren. Op het Chiado verwelkomt zijn standbeeld de toevallige passanten en de bezoekers van ‘Café A Brasileira’, waar de dichter zelf ooit een stamgast was.

[Met dank opgedragen aan de nagedachtenis van Jos Dorissen, die me in 1980 Fernando Pessoa cadeau gaf.]

a brasileiro.jpg

Foto onder: Café A Brasileira, Martin Pulaski, 11 november 2009.
*Fragment uit: ‘Sigarenwinkel’,  Alvaro de Campos

AURORA – EEN VERGETEN RUIMTE?

aurora.jpg
Onze kinderen in Ruimte Aurora, Antwerpen 1980.
Foto: Martin Pulaski.

Ik vind het nog altijd vreemd en onterecht dat je via google of andere zoekmachines zo weinig aan de weet komt over het in veel opzichten baanbrekende tijdschrift Aurora, van de gelijknamige filosofische kring. Aan een min of meer objectief artikel daarover waag ik mij niet: het is allemaal te lang geleden en ik ben maar een viertal jaar lid geweest van de redactie. Aurora zag het daglicht in 1976 aan de VUB, toen die universiteit nog geen eigen campus had, wat ik heerlijk vond. De stichter van het tijdschrift was de enigszins controversiële filosoof Leopold Flam, schrijver van talloze filosofische werken, die nog altijd zeer het lezen waard zijn. Stuwende kracht was de eigenzinnige schilder en schrijver Paul Rigaumont. Mijn vrienden en ik zijn Leopold Flam altijd als een mentor blijven beschouwen.

Het secretariaat van ‘Aurora’ bevond zich niet in Brussel maar in Antwerpen. Spoedig werden in het pand aan de Lange Leemstraat allerlei boeiende activiteiten georganiseerd. Voor mij was dat een aansporing om na het behalen van mijn filosofiediploma en enkele mislukte experimenten met door Antonin Artaud geïnspireerd theater – in ons appartement in Sint-Joost-Ten-Node en in ‘Doorndal’ – naar mijn geboortestad terug te keren. In Ruimte Aurora werd werk tentoongesteld van toen nog onbekende kunstenaars (onder meer Ria Pacquée*, Guillaume Bijl, Guy Rombouts), er werden lezingen gehouden over poëzie, literatuur en uiteraard filosofie; er werden poëzienamiddagen georganiseerd, soms werd er zelfs gedanst.
Wat evenmin zou mogen vergeten worden zijn de talloze gesprekken, vaak een dialoog van kunst en filosofie. Naast het driemaandelijks tijdschrift publiceerde Aurora werk van Leopold Flam, Annie Reniers, Eldert Willems, Eric Min en anderen.

In het tijdschrift verschenen essays, beschouwingen, gedichten, experimentele teksten van bekende en minder bekende auteurs. Ik heb een sterk vermoeden dat er tussen decenniaoud kaf nog heel veel koren aan te treffen valt. Het is de hoogste tijd dat dit werk wordt ontsloten. Het is tevens de hoogste tijd dat Aurora als unieke experimentele ruimte de aandacht krijgt die ze verdient in de cultuurgeschiedenis van dat deel van België dat zich Vlaanderen noemt en zo begaan is met zijn cultureel erfgoed.

*”Na zelf enkele performances te hebben geïnitieerd, solo of in groep, stelt ze in 1977 samen met Guillaume Bijl tentoon in de Filosofische Kring Aurora in Antwerpen. Pacquée presenteert er assemblages met goedkope spulletjes die ze in een supermarkt had gestolen.” Koen Brams, Dirk Püttau, in: De Witte Raaf.

~~~
Oorspronkelijk gepubliceerd op 24-11-2012.

GENEALOGIE VAN EEN MYSTERIE

familie klepkens.jpg
Foto: Martin Pulaski, 20ste eeuw.

In ‘Winterlogboek’ van Paul Auster trof ik enkele zinnen aan die me vertrouwd in de oren klonken. “Want je weet niets over waar je vandaan komt, je hebt lang geleden besloten aan te nemen dat je een mengsel bent van alle rassen van het oostelijk halfrond, een deel Afrikaans, een deel Arabisch, een deel Chinees, een deel Indiaas, een deel Kaukasisch, de smeltkroes van vele vijandige naties in één enkel lichaam. Het is eerst en vooral een moreel standpunt, een manier om het rassenvraagstuk te elimineren, dat volgens jou een onzinvraagstuk is, een vraagstuk dat degene die het aanroert enkel te schande kan maken, en daarom heb je er bewust voor gekozen om iedereen te zijn, om iedereen in je jezelf te omarmen teneinde volledig en vrijelijk jezelf te zijn, omdat wie je bent een mysterie is en je geen enkele hoop koestert dat het ooit wordt opgelost.”

Vertrouwd in de oren, ja. Want A. las me op mijn verzoek deze passus, en wat eraan voorafgaat, voor.  Waar kende ik dit van? Waar kwam dit vandaan? Van wat was dit een echo? Deze woorden leken wel mijn eigen intentieverklaring, lang geleden geformuleerd, nog altijd van kracht. Na een kwartier pijnigen van de hersenen had ik het gevonden (in mijn hoofd). Het was ongetwijfeld een fragment van de experimentele tekst ‘Stasis’, die ik in de winter van 1977-1978 schreef en wat later in het tijdschrift Aurora publiceerde. Wat is ‘Stasis’? Wat betekent die tekst? Als ik hem nu probeer te lezen denk ik, dat is ofwel waanzin ofwel genialiteit. En ik denk, waarom heb ik zoveel talent opgeofferd om alleen maar wat tegendraads te zijn, een narcistisch genot te beleven in het onderscheid – het verschillen van de anderen? De energie die me die ene tekst van een vijftiental bladzijden heeft gekost had kunnen volstaan voor een tiental Vlaamse bestsellers, denk ik dan. Misschien maar goed dat ik een narcist ben en een man zonder eigenschappen.

Ik heb ‘Stasis’ inderdaad niet alleen in mijn hoofd teruggevonden, maar ook in aflevering 9 (jaargang 3) van Aurora, verschenen in 1978. Lang heb ik niet moeten zoeken naar de schoenendoos waarin het tijdschrift zat opgeborgen. Een kwartier ongeveer, terwijl een troostende lentezon mijn kamer begon te verwarmen.

“Wie ben je? Wat ben je? Waar kom je vandaan? Welke taal spreek je? Wat komt van Attica? Wat is van flarden Romeinse tongval de echo? Wat van Attila en Bleda? Wat van de Visigoten? Wat van Egypte en het gouden Nubië? Wat blijft in jou resoneren van Philips ii, van Margaretha van Parma, van de hertog van Alva, van don Lodewijk van Zuniga van Requesens, landvoogd der Nederlanden, van don Juan van Oostenrijk, zoon van Barbara Blomberg, van Hieronymus Kegel, van Matthias van Oostenrijk, van keizer Rudolf ii, van Don Pedro Enriquez de Acevedo, graaf van Fuentes, van aartshertog Albrecht van Oostenrijk, echtgenoot van de Infante Isabella, die haar laatste jaren doorbracht in een klooster in Tervuren, een plek ongeveer tien kilometer verwijderd van waar je woont? Wie bent je? Wat ben je? Waar kom je vandaan?”

De in Aurora verschenen tekst is zonder interpunctie. Ik heb alle namen opgezocht in Wikipedia. Ze kloppen allemaal. In 2012 duurt opzoekingswerk dat in 1978 drie maanden duurde een half uur. Paul Auster schrijft nog altijd met de pen, en vervolgens op een oude, mechanische schrijfmachine. En net zoals ik is hij een mysterie dat nooit wordt opgelost.

EEN HUWELIJK – VOOR JOHN LENNON

huwelijk1

Ik ben in 1970 getrouwd, op twintigjarige leeftijd, jong en naïef, met mijn eerste grote liefde. We hadden elkaar ontmoet tijdens een concert van Jethro Tull in Londerzeel. Dat was in de tijd dat Jethro Tull nog voortreffelijke, avontuurlijke muziek maakte, in de voetsporen van Captain Beefheart & His Magic Band. Toen we elkaar in het Brussels stadhuis het ja-woord gaven kenden we elkaar ongeveer een jaar. We waren allebei wat toen ‘alternatief’ en ‘werkschuw langharig tuig’ werd genoemd, we behoorden tot de ‘tegencultuur’, de ‘underground’, we lazen Simon Vinkenoog, Jan Wolkers, Henry Miller, Jack Kerouac, Allen Ginsberg en Gerard Reve – en we waren uiteraard zeer sterk tegen het burgerlijke huwelijk gekant. Waarom dan trouwen? Ik denk dat het vooral door John Lennon is gekomen. Hij was kort voor ons huwelijk met Yoko Ono getrouwd in Gibraltar. Luister maar naar ‘The Ballad Of John And Yoko’, waarin het hele verhaal wordt verteld. In die periode was – naast Bob Dylan – John Lennon onze grote held. We stonden achter zijn ideeën, alsof het evangelie was, maar ik vond tevens dat hij er erg cool uitzag, met zijn brilletje en zijn wit pak. Mijn haren waren minstens even lang, ik had ook zo’n brilletje, maar helaas geen wit pak. Dat heb ik me later aangeschaft in Firenze (met dank aan Allan Farbman), toen ik alweer gescheiden was. Door dat legendarische huwelijk van John en Yoko was dat ‘sacrament’ voor ons plots geen taboe meer, maar eerder een na te streven ideaal. We hebben onze ouders ongeveer moeten chanteren om ons toestemming te geven. Het was de omgekeerde wereld. Ik vertel deze anekdote alleen maar om te laten zien welke betekenis John Lennon in onze levens had. Zoals hij was, zo wilden wij ook zijn. We streefden dezelfde waarachtigheid na, we koesterden dezelfde dromen, de aardbeienvelden van de jeugd waren ons niet vreemd, we waren met zijn beiden ook walrussen en deden aan revolutie, maar ze moest geweldloos zijn. John Lennon was geen god en geen afgod, maar een echte ‘working class hero’, zoals hij dat type persoonlijkheid in zijn eigen song noemt. Een van zijn mooiste songs, trouwens (na zijn werk met the Beatles, bedoel ik).

Op 8 december 1980 was ik al een hele tijd gescheiden. Ik was van Brussel naar Antwerpen verhuisd en woonde daar samen met mijn muze Laura, die ik in mijn door de romantiek beïnvloede gedichten Daphne noemde. Je kunt het je nu niet meer voorstellen. Je moet echter in gedachten houden dat Gian Lorenzo Bernini in de 17de eeuw een prachtig beeld van Daphne en Apollo maakte, dat in de tijd van de romantiek nog nazinderde en op die manier het midden van de twintigste eeuw heeft bereikt, een heuglijk feit waar de historicus Mario Praz een belangrijke rol in heeft gespeeld. Je kunt het beeld gaan bekijken in de Villa Borghese in Rome.
Punk en New Wave hadden in die jaren de plaats van de ‘tegencultuur’ en de ‘underground’ ingenomen. Maar John Lennon was een held gebleven. ‘Shaved Fish’ was een elpee die heel vaak werd gedraaid, en dan vooral het nummer ‘Power To the People’. Laura en ik werkten bij de filosofische kring Aurora, een vereniging gesticht door professor Leopold Flam. Toen ik op de radio hoorde dat John Lennon was doodgeschoten was mijn eerste reactie er een van ongeloof. De waarheid was onvoorstelbaar. Maar er komt altijd een moment waarop ze volledig tot je doordringt. Het was alsof ik zelf diep in mijn hart werd geraakt. Alles in mij begon te sidderen, tranen liepen over mijn wangen, daarna werd ik woest. In die bezeten toestand ben ik naar huis gelopen, over de Lange Leemstraat naar de Lamorinièrestraat, waar we woonden. In ons appartement heb ik een stoel stukgeslagen, er bleven alleen splinters van over. Ik was door een soort van razernij bevangen. Langzaam is die woede weggeëbt en heeft ze plaats gemaakt voor diep verdriet.
Een week later maakten we met vrienden, allemaal klanten van café Het Pannenhuis op het Conscienceplein, per bus een Magical Mystery Tour naar Vorst Nationaal. Daar trad Talking Heads op, een band die in die dagen op zijn hoogtepunt was. Ze gaven een hemels, of laten we zeggen een bijzonder funky concert, waarbij je voelde dat elke noot voor John Lennon werd gespeeld. Dat concert heeft me over mijn verdriet heen geholpen. De busrit terug naar Antwerpen was euforisch, we waren allemaal dronken of stoned en zongen liedjes van the Beatles en John Lennon.

John Lennon was de spirit van rock & roll. Zijn slechtste plaat heet ‘Rock And Roll’ (geproduceerd door Phil Spector), maar dat is tegelijk zijn allerbeste, zijn meest bezielde. Probeer dat echter maar eens aan een vreemde uit te leggen. De wereld is complex en het leven is een strijd.

Φ

Foto: 1970, het jonge echtpaar in Neerharen, door François Brouns.

OUDE LIEDEREN (ZUSTER BERTKEN)

zuster bertken (2)

Oude liederen klinken altijd goed, zeker op gekraste grammofoonplaten. Een zeer oud lied is dat van Zuster Bertken, die zich in een kluisje aan de Buurkerk te Utrecht liet inmetselen, waar ze pas zestig jaar later zou sterven. Ik heb er nooit een versie van gehoord, tenzij die van mezelf (niet om aan te horen denk ik).

“Ic sie den engen wech bereyt,
Met doernen is hi al bespreyt,
Nature en ghi moet sterven;
Dat ic dus lange verloren heb,
Hope ick noch te verwerven.”

Zie: L. Leopold en W. Pik, Nederlandsche Letterkunde – Schrijvers en Schrijfsters voor 1600. Zie ook: Aurora, tijdschrift van de Filosofische Kring Aurora, Antwerpen, Jaargang 1, nummer 3, zomer 1976, het verhaal ‘Anastasis’ van Matthias Brouns.