EEN MEIKEVER MAAKT HET VERSCHIL

sdr

Iedereen weet dat ook in een democratie een stem weinig betekent. Toch telt voor het geheel elk deel, zelfs het allerkleinste. Eén meikever kan het verschil maken: krijg er maar eens eentje in je oog.
Daarom ga ik stemmen. Als inwoner van Brussel geef ik die kleine stem van mij echter alleen maar aan een partij (of politica / politicus) die onvoorwaardelijk de strijd zal aangaan tegen armoede en uitsluiting en die er meteen alles zal voor doen om deze vuile stad van ons weer schoon te maken. En daarmee bedoel ik niet opkuisen in de betekenis die mijnheer Jambon en zijn Vlaams legioen eraan geven maar wel: dat de vuilnis uit onze straten en pleinen en parken en vijvers verdwijnt, dat onze lucht zuiver wordt, dat de gevels worden geschilderd. Ook moet de partij (of politica / politicus) voor wie ik stem voor een beleid gaan dat voorrang geeft aan voetgangers en fietsers en openbaar vervoer. Ik stem voor iemand die zich met hart en ziel inzet voor een leefbare stad voor iedereen.
Mocht ik in een andere stad dan Brussel wonen zou ik hetzelfde doen, maar in dat geval zouden propere straten misschien minder aandacht krijgen. Van alle steden die ik ooit bezocht, is die van ons werkelijk de smerigste. Ik kan er niet meer tegen.

Even concreet in verband met mobiliteit. In Anderlecht, het deel van Brussel waar ik woon, ondergaan wij het verkeer van drie afritten van de ring naar het centrum van Brussel (en die auto’s moeten ook weer terug). Er lopen vijf brede, extreem drukke lanen door Anderlecht. Eigenlijk zijn het autosnelwegen maar dan wel met verkeerslichten, wat voor nog meer vervuiling zorgt. In de historisch belangrijkste winkelstraat van Anderlecht, de Wayezstaat, inmiddels groezelig en verpauperd, moeten bus en tram tijdens werkdagen achter auto’s die daar niet horen in de file staan. De meeste straten in Anderlecht hebben tweerichtingsverkeer. Waar in de wereld vind je dat nog?
Ook dat is een vorm van smerigheid waar ik niet meer tegen kan.

Al die dingen bepalen mijn identiteit veel meer dan de Guldensporenslag of de Vlaamse Leeuw of het Belgisch volkslied. Al die klauwen en het hele heilig land der Vaad’ren kunnen mij gestolen worden. Mijn stem gaat naar een partij die oog heeft voor de werkelijkheid, voor het hier en nu en voor de toekomst.

ARMOEDE EN DE RELIGIE VAN BOEKEN

400 coups

Veerle Bekkers, een trol met vele onzichtbare gezichten, schrijft me dat ik rijkdom niet belangrijk vind. Dat ik één keer minder op reis moet gaan en met het op die manier gespaarde geld een mens in armoede moet helpen. In mijn grote kamer waar nu alleen maar boeken staan voor mij alleen, schrijft ze, moet ik een dakloze te slapen leggen. Dat is toch mijn boodschap, voegt ze eraan toe.

Mijn pleidooi in het manifest waar ze commentaar op geeft, was er echter een voor broederschap, voor de wereld intrekken, letterlijk of figuurlijk, voor openheid. Opnieuw leren zien, horen, voelen. Een pleidooi dat impliciet ook te lezen valt in Rilkes Aantekeningen van Malte Laurids Brigge. Ik schreef dat ik verlangde naar het neerhalen van muren en het openen van grenzen. Een muur is veel meer dan een stenen muur waar je niet door kunt; een grens is veel meer dan die tussen twee landen. Een grote kamer vol boeken is veel meer dan een grote kamer vol boeken, het is een droom, een toekomst opgebouwd uit woorden en zinnen, een nachtmerrie, een gevangenis, een zachte machine, een erotisch ballet, een taxi naar Timboektoe, een raket naar de maan en naar Venus.

Mijn pleidooi was er een voor gelijke rechten voor iedereen en overal. Ik voelde een sterk verlangen naar geluk voor alle mensen, overal. Voor me zag ik een visioen van vrede op aarde voor iedereen, mensen, dieren en planten. Ik betreurde de mogelijke ondergang van onze mooie wereld. Wat betekenen al onze bezittingen, onze rijkdom, ons aangenaam tijdverdrijven als daarbuiten – en binnenin onszelf – alles verwoest wordt? Ik schreef dat de meeste dingen die je thuis welvarend hebt vergaard niets voorstellen in vergelijking met een nacht van liefde onder heldere sterren.

Ik wilde helemaal geen autobiografische tekst schrijven en zeker geen rechtvaardiging voor wat ik doe en laat. Mevrouw Bekkers heeft mij er vroeger, onder andere namen, al van beschuldigd dat ik alleen maar over mezelf schrijf. Dat ik een narcist ben.
Nu zie ik mij genoodzaakt om toch enkele dingen te verklaren. Ik ben een groot deel van mijn leven arm geweest. Als je weet dat ik een schipperskind ben weet je eigenlijk al genoeg. Je moet heel hard vechten om aan die wereld te kunnen ontsnappen. Als je daar al zin in hebt. Als je zoals ik als kleine jongen de lokroep van het andere, in mijn geval van kunst en cultuur, hoort. De nieuwe wereld waar je in terechtkomt, die van kunst en cultuur, van o zo verfijnde mensen, is veel harder dan de oude, in mijn geval die van de binnenschippers. Je wordt er niet meteen toegelaten, wees daar maar zeker van. Talloos zijn de hindernissen op je levensweg, manieren om je uit te sluiten die de bourgeoisie sinds 1789 heeft bedacht. Schoenmaker blijf bij je leest, de appel valt niet ver van de boom, je weet wel. Ik ben vaak gevallen, af en toe weer opgestaan. Terug naar Reims, het boek van Didier Eribon dat nu zo in de belangstelling staat, vertelt veel over het parcours dat ik heb afgelegd. Over de uitsluiting, en over het triomfantelijk gevoel als de schone zielen je uiteindelijk aanvaarden. Eigenlijk heb ik dat triomfantelijk gevoel nooit gehad. Op zijn minst was het altijd gemengd. Ik heb me meestal vervreemd gevoeld van zowel de oude wereld, die van mijn ouders en van mijn broer, als van de nieuwe wereld, die van de stedelijke cultuur. Alleen als een dronken outlaw in bars en clubs voelde ik me met mezelf samenvallen.
Wat me sterkt heeft gemaakt – en gehouden – zijn boeken. Met boeken, met woorden van schrijvers en dichters heb ik rondom mij een wereld opgebouwd. Zij gaven uitleg bij wat mij in verwarring bracht, zij hielpen mij teleurstellingen en ontgoochelingen te verwerken en te boven te komen. Zij spraken me moed in, gaven me troost. Liefde voor boeken is een religie. Je kunt dat heel mooi zien in Les 400 coups van François Truffaut, als de jonge Antoine Doinel een altaartje bouwt voor zijn geliefde schrijver, Honoré de Balzac als ik me niet vergis. De boeken die mevrouw Bekkers zo verwenst zijn inderdaad ook materiële voorwerpen, maar tegelijk zijn ze immaterieel. In mijn ogen zijn ze heilig, een woord dat ik niet gauw gebruik, ik ben geen Allen Ginsberg. Samen met mijn muziekverzameling zijn de boeken mijn kerk. Ze zijn een onmisbaar deel van mijn existentie. Zonder boeken ga ik ten onder. Ik herken mij in veel van de dichters en schrijvers die zich hier rond mij verzameld hebben. Het is echter niet waar dat ik me er met huid en haar, op narcistische wijze, in terugvind. Ik zie mezelf avonturen beleven met Don Quichot, met Julien Sorel, met Geoffrey Firmin, Humbert Humbert, met de dubbelgangers van Borges. Als ik lees word ik een personage, een verzinsel. In boeken en hun verhalen, in de woorden en beelden van mooie gedichten, wis ik mezelf uit. Ik verdwijn uit mezelf zoals ik die ene keer toen ik opium gerookt had uit mezelf verdween. Met dit verschil dat ik van een roman of verhaal of gedicht nooit ziek geworden ben.

Het is absurd om mij ervan te beschuldigen dat ik hier in deze kamer waar mijn boeken staan geen dakloze te slapen leg. Ik ben oud en moe en al te vaak ziek. Lopen valt mij moeilijker met de dag. Ik ga mensen uit de weg omdat mijn geheugen erop achteruit gaat. Ik leef van een klein pensioen omdat ik geen volledige loopbaan heb. Ook dat is een gevolg van uitsluiting en de faalangst die daarmee samenhangt. Faalangst, existentiële onzekerheid. Ik lijd aan angst- en paniekaanvallen. Tegelijk houd ik van mensen, ben ik heel graag in hun omgeving. Ik kan niet zonder mijn vrienden. Ik kan niet leven zonder vriendschap. Ik ben gek op steden, wandelingen, ontmoetingen. Ik voel me leeg zonder de input van tentoonstellingen, concerten, films. Dat is de emotionele kant van het verhaal.

Hoe zit het met de rationele kant? Hoe zit het met armoede? Zijn wij als individuen verantwoordelijk voor onze armen? Zijn wij geen gemeenschap, hebben wij geen sociale zekerheid, hebben wij geen politici verkozen? Zijn er geen instellingen om armoede en andere maatschappelijke problemen aan te pakken? Willen wij niet zoals iedereen bijdragen aan het verbeteren van die instellingen? Willen wij als gemeenschap geen humane aanpak van de armoede en van de vluchtelingen in het Maximiliaanpark en elders?
Al heel lang, sinds ik Marx heb gelezen, ben ik tegen liefdadigheid. Liefdadigheid bestendigt armoede. Het is ook weer een vorm van uitsluiting en onderdrukking. Als er armoede is moet de samenleving veranderen, moeten de structuren veranderen. Dat kunnen wij niet als individu, als enkeling, als eenzame en toch empathische ziel. Niemand heeft het recht ons ervan te beschuldigen dat wij niet aan liefdadigheid doen.
(Overigens weet niemand of ik me wel zo streng aan die principes houd. Niemand weet of ik stiekem toch niet een beetje aan liefdadigheid doe. Je krijgt zoveel verzoeken voor dit of dat, dat je hart wel van steen moet zijn om niet af en toe gehoor te geven aan al die jammerklachten. Toch blijf ik ervan overtuigd dat een instelling als Artsen zonder grenzen, of welke andere vergelijkbare organisatie dan ook, de volledige financiële steun van de overheid zou moeten krijgen. Daarvoor dient ons belastinggeld. Mijn geld hoeft niet zo nodig naar de verstikkende ring rond Brussel te gaan. Maar daar beschuldigt me vooralsnog niemand van: dat ik via die belastingen mijn steentje bijdraag aan allerlei werken die de lucht verpestende auto’s de toegang tot deze stad vergemakkelijken.)

Maar wat voor zin hebben deze woorden nog? Iemand als mevrouw Bekkers wil alleen maar beschuldigen en beschadigen. Ik ben ermee gestopt me af te vragen waarom sommige mensen ervoor kiezen zo door de wereld te gaan. Ze moeten het zelf maar weten. Er is altijd een andere, een betere wereld.

Fahrenheit-451-don quichot

Afbeeldingen: Les 400 coups, François Truffaut; Fahrenheit 451, François Truffaut.

HET GELD VAN DE RIJKE FAMILIES

lanotte-nothing.jpg

Ik heb weinig verstand van economie. Wel ken ik het verschil tussen rijkdom en armoede, tussen rechtvaardigheid en sadisme, tussen solidariteit en uitbuiting. Bestaat er geen eenvoudige oplossing voor wat met zoveel gretigheid ‘de Griekse tragedie’ wordt genoemd?

De familie Saverys is een van de belangrijkste redersfamilies in België. Zij controleert onder meer de bedrijven CMB-groep, Bocimar, Delphis, ASL Aviation, Euronav en Exmar. Het gezamenlijk vermogen in 2012 van de families Saverys werd geschat op 1,353 miljard euro. Als we dat geld nu al eens zouden verdelen onder die Grieken die het werkelijk nodig hebben? Uiteraard is de familie Saverys niet de enige extreemrijke familie in België? Wel integendeel. Er bestaat zelfs een lijst van: http://derijkstebelgen.be/de-lijst/

En dan heb het ik alleen nog maar over België. Als we alle Europese extreemrijke families nu eens hun geld zouden afnemen (ze mogen wat mij betreft per familie 1 miljoen euro houden, daar kunnen ze toch mooi van leven, en noem mij dan ook maar geen communist) en dat vervolgens op een weloverwogen wijze verdelen onder de armen van Europa, de daklozen, de vluchtelingen, de sans-papiers, de zieken die hun rekeningen niet kunnen betalen, de werklozen, vul het lijstje zelf maar aan, als we dat nu eens zouden doen? Uit eigen beweging zullen ze het nooit doen. Sommige rijken, zoals Bill Gates, doen wel aan liefdadigheid, maar we weten of weten niet waar dat toe leidt: meestal tot afhankelijkheid, onderwerping, nog meer ellende. Daarom moeten wij, burgers van Europa, het doen. Dat is de enige oplossing voor dit probleem. Dat was al van in het begin duidelijk en het is sinds het begin van de crisis almaar duidelijker geworden.

De belangrijkste vraag is vervolgens: hoe zullen we dat organiseren? Zelf ben ik een voorstander van geweldloosheid. Maar kan een revolutie zonder geweld? Ik weet het niet. Dat het echter om een revolutie zal gaan, daar twijfel ik nauwelijks aan. Want hoe moet je dit anders noemen? De introductie van rechtvaardigheid in de Westerse wereld, een nieuwe democratie, hervorming?

Ik weet dat dit allemaal bijzonder naïef klinkt in vergelijking met wat politici en economen vertellen  – ik ben dan ook maar een dromer. John Lennon zong het echter al: ‘I’m not the only one’. Nu komt het er op aan om onze droom te verwezenlijken. Met een kleine inspanning moet dat lukken.

 

Afbeelding: La Notte, Michelangelo Antonioni.