DE RODE KAMER

STOCKHOLM 053.JPG

Tussen mijn boeken zag ik August Strindbergs ‘De Rode Kamer’ (1879) staan, een autobiografische roman, die ik lang geleden met, zo meende ik mij te herinneren, veel aandacht en bewondering had gelezen. Het kon niet anders of ik had er destijds iets over geschreven.

In mijn dagboek uit 1980 vond ik enkele notities terug. Ik was toen inderdaad zeer onder de indruk van deze bijtende roman van een verbitterde schrijver. Ja, ik voelde me in een aantal opzichten – van innerlijke aard – zelfs verwant met het personage Olle Montanus. Strindberg introduceert hem als volgt:

“De ander was een geciviliseerd boerentype, met een gebroken maar corpulent lichaam, hangende oogleden, een mongolensnor; hij was uitermate slecht gekleed en leek op Joost mag weten wat – sjouwer ambachtsman of artiest – op een bepaalde manier zag hij er verwaarloosd uit.”

Olle Montanus is kunstenaar, bohemien en anarchist. Hij heeft zijn hele jeugd zwaar lichamelijk werk verricht, als landarbeider. Voor de boeren bestaat de natuur alleen als iets nuttigs – ze bezit, in hun ogen, geen ‘schoonheid’, geen ‘ziel’, wat ze voor veel kunstenaars en filosofen als Rousseau juist wel bezit of zeker in die tijd bezat.

Montanus onttrekt zich aan de nuttige arbeid, “de vloek van de zondeval”, en wordt artiest: hij gaat nutteloze arbeid verrichten. Hij geeft gehoor aan zijn vrijheidsbegeerte, en aan die andere drijfveer die iemand ertoe aanzet kunstenaar te worden, met name de hoogmoed. De kunstenaar wil herscheppen, beter maken, mooier maken, als het ware voor god spelen.

Nu ontstaat al gauw de behoefte aan erkenning van zijn nutteloze arbeid – zonder deze erkenning ziet hij onvermijdelijk zijn eigen nietigheid voor ogen, “dan houdt zijn scheppingsvermogen dikwijls op en gaat hij ten onder, want om weer te keren tot zijn juk, als hij eenmaal de vrijheid geproefd heeft, kan alleen de godsdienstige”. Montanus verliest nu het geloof aan de zin (“het hogere”) van zijn kunst, probeert zich weer “in de slavernij te begeven” maar dat is onmogelijk: de enige uitweg uit deze onhoudbare toestand is zelfmoord.

Het belangrijkste is uiteraard dat de kunstenaar het geloof in de zin van zijn werk niet mag verliezen. Maar beslist hij daar zelf over? Is daar inderdaad niet een zekere erkenning voor nodig? En wat als hij die erkenning uit de weg gaat of onmogelijk maakt? Betekent dit dat een kunstenaar of schrijver die voor de miskenning kiest ook voor de zelfmoord kiest?

STOCKHOLM 032.JPG

Foto’s: Martin Pulaski, Stockholm, 18 8 2013, Strindbergs werkkamer; enkele van zijn publicaties.

ARBEIDERS

 

schrijven,werken,zomer,wachten,schip,auto,huis,vader,jeugd,arbeiders,scheepvaart,bob dylan,ecologie,appartement,huur,astma,woning,seizoenen,joni mitchell,stephen stills,gevoeligheid
Eugene de Salignac, Brooklyn Bridge Workers.

Mijn vrouw en ik wonen in een appartement dat we huren. Dat is ongewoon voor mensen van onze leeftijd. Zowat iedereen die we kennen bezit een huis, een auto, soms zelfs een ‘buitenverblijf’. Voor mijn autoloos bestaan heb ik een duidelijke uitleg. Ik heb nooit willen rijden. Op mijn negentiende ben ik in de hoofdstad gaan wonen, en daar is een auto meer een last dan een lust. Voor grote afstanden maakte ik gebruik van mijn duim. Dat ging heel goed in die dagen. Nu zijn er goedkope vluchten, zolang het nog duurt. Ik was een groene jongen toen er nog maar weinig groene jongens waren, hoewel iemand als Stephen Stills al wel een ‘Ecology Song’ had, en er was natuurlijk ook ‘Big Yellow Taxi’ van Joni Mitchell, wat later nog eens gecoverd werd door Bob Dylan.

Waarom we geen huis hebben heeft voor een deel met vroegere armoede, te maken, werkloosheid, economische crisis in de jaren zeventig, maar ook met onverschilligheid en verkeerde keuzes. En ik dacht altijd, je kunt het toch niet met je meenemen op je laatste reis. En was eigendom geen vorm van diefstal?

Op dit ogenblik wordt er aan het huis gewerkt. Al meer dan vijf jaar slapen wij in een vochtige slaapkamer. Vocht sijpelde er binnen, het was er klam, koud, heel ongezond. In mijn werkkamer, waar het grootste deel van mijn boeken staat, regende het zelfs binnen. Al die jaren hebben wij de eigenaar gebeld en aangetekende brieven gestuurd.  Dat er iets moest gebeuren, dat ik elk jaar zieker werd. Er gebeurde niets. En nu opeens, als mijn vakantie begint, als ik wat wil schrijven, van de rust genieten, staan de arbeiders voor de deur. Het dak is een paar weken geleden hersteld. Daar hebben we geen last van gehad. De dakwerkers gingen via een ladder het dak op. Ik heb hen maar enkele keren gezien. Nu wordt er binnen gewerkt. De schimmel en het rot moet van de muren, er moet opnieuw worden geplamuurd. Overal verfschilfers, overal stof. Ik kan maar moeilijk ademhalen. En ik voel me niet op mijn gemak. Als ik een boterham wil eten voel ik me bijna een indringer in mijn eigen keuken, want daar wordt ook gewerkt, daar ligt ook overal stof.

Aan een vriendin schreef ik: “ Ik ben een socialist. Maar dat is niet meer dan theorie. De praktijk is dat ik overgevoelig ben;  hoe erg, dat besef ik nu pas. Ik wist het wel, maar dat het mij tot in mijn kern kon raken, dat wist ik niet. Dat belet me niet om respect te hebben voor arbeiders. Maar ik kan met hen niet op een ongedwongen wijze omgaan, ik ken hun taal niet, hun codes; ik heb het nooit geleerd.”

Destijds toen ik klein was mocht ik van mijn vader nooit iets doen op het schip, schoonmaken na het lossen van een vracht, de stuurhut verven, binnen vernissen, geen sprake van, want ik was zogenaamd zwak en ziek. Ik was een astmalijdertje. Maar die houding van mijn vader heeft me pas écht zwak gemaakt. Wat mijn vader natuurlijk niet wist, hij was geen psycholoog, zijn bedoelingen waren goed. Het hard labeur was voor mijn oudere, veel sterkere broer ( hij heeft evenmin een eigen huis).  Ik moest maar lezen of naar muziek luisteren. Of fietsen met de vrienden. Of, later, toneelstukjes spelen. Toch jeukten mijn vingers om een verfborstel vast te houden, toch wilde ik de handen uit de mouwen steken. En nu verdraag ik niets meer.

Daaruit concluderen dat ik mij verheven voel boven een arbeider, dat zou verkeerd zijn, want het is gewoonweg niet zo. Ik vind dat iemand die boeken leest ook niet beter is dan iemand die geen boeken leest. Nee, ik ben gewoonweg anders. Het is een hypergevoeligheid, en die is niet alleen lichamelijk.

Nu wacht ik op het einde van de zomer, de rustige dagen van de herfst. Op een tijd dat ik eindelijk mijn meesterwerk kan schrijven. Ja.

TEGEN DE ARBEID: ANDRE BRETON

breton 2Mijn korte vakantie is gisteren begonnen. Eigenlijk al donderdagavond en vrijdagochtend, een heel stuk nacht waarvan ik me te weinig herinner. Dan ook maar beter – voorlopig dan toch, tot het allemaal wat bezonken is – zwijgen over restaurants, cafés, toevallige ontmoetingen, potentiële nieuwe vriendschappen. Om mijn vakantie in te leiden wil ik hier gewoon even citeren uit André Breton’s Nadja:

“En laten ze mij hierna niet spreken over de arbeid, ik bedoel over de zedelijke waarde van de arbeid. Ik ben gedwongen het denkbeeld van arbeid als materiële noodzaak te accepteren, in dit opzicht ben ik er een groot voorstander van dat het werk beter, dat wil zeggen rechtvaardiger wordt verdeeld. Dat de troosteloze verplichtingen van het leven mij tot werken nopen, het zij zo, maar als ze mij vragen erin te geloven, mijn werk of dat van anderen met eerbied te beschouwen, dat nooit. Nogmaals, ik loop liever in het donker dan dat ik mij verbeeld dat ik in het daglicht loop. Terwijl je werkt heb je er niets aan dat je leeft. De gebeurtenis waarvan ieder mens het recht heeft de openbaring van de zin van zijn eigen leven te verwachten, die gebeurtenis die ik misschien nog niet gevonden heb maar waarheen ik mijn weg zoek, kan door arbeid niet worden verkregen.”