DE KUNST VAN HET ETEN

[NACHTEN AAN DE KANT 26]

Nu is het aan mij om tentoon te stellen in het Pannenhuis; een droom die in vervulling gaat. Zie je me? Ik ben druk in de weer. Gelukkig steken Greta en Toulouse, die lieverds, een handje toe. Mijn werk is schatplichtig aan de kaligrammen van Guillaume Apollinaire, bijvoorbeeld ‘La mandoline l’oeillet et le bambou’. Ik schaam me wel wat voor dat plagiaat. Maar is dat nodig? “Le plagiat est nécessaire. Le progrès l’implique,” fluisterde een of andere Assepoester me in het oor.
Wat valt er zoal te zien op die werken van me? Daar vraag je me iets. Omdat ik al de hele dag zo’n honger heb kan ik alleen maar aan eten denken. Veel meer dan aardappelen en uien eet ik niet meer. Kijk, nu pas ontdek ik mijn onderwerp: eten. Zo zie je maar weer. Ik noem mijn tentoonstelling EAT ART. Die kaligrammen zullen niet volstaan. Er moet eten, heel veel eten te zien zijn. Forellen, lamsbouten, gebakken uier met Blackwellsaus, geperste kop, rode kool, sperziebonen, ossentong, pladijs, griet, makreel, snoek, zeeduivel, kersen, krieken, abrikozen, lychees, slagroom. Mogen de bezoekers ervan eten? Dat valt nog te bezien.
Toulouse vraagt zich af of ik de rekening zal kunnen betalen. Geen idee, zeg ik, hoeveel gaat me dat zaakje kosten? Toch zeker twaalfduizend frank, zegt Toulouse. Ja, dan vraag ik mij dat ook af, zeg ik.
Geen nood, zegt Senga, die ons is komen vervoegen, ik beschik over voldoende fondsen. Kijk maar eens hier, twee dikke pakken bankbiljetten!  Allemaal nieuw gedrukt. Dat is heel wat meer dan twaalfduizend frank. Gekregen van mijn lieve vriendin Boxcar Bertha.
De kroon op het werk wordt mijn tekst Stasis. Daar maak ik een spiraalvormige versie van die een hele wand van het Pannenhuis moet bedekken. Net op die plek waar ons in 1968 Pink Floyd met  vloeistofprojecties het adolescente hoofd op hol bracht. Alsof hun psychedelische sound alleen al niet volstond. Julia Dream, Apples and Oranges, Candy And A Currant Bun, je weet wel, het bestaat allemaal nog.  

In de avondschemering hand in hand door een slaperig dorp. Het is de Ladderstraat in Neerharen, daar is het huis van Berb, zie je, dat witte huis daar in de verte. De lucht hier is zo zuiver en fris als melk rechtstreeks van de koe. Met gezwinde tred lopen we door tot aan de kanaalkom. Wie ben je toch, jij die mijn hand zo stevig vasthoudt en me in de stilte van deze nacht, die nu gevallen is, de geheime betekenis van mijn ultieme kalligrafie onthult? Die me het vuur van de liefde aan de schenen legt en me vol van genade over mijn koortsachtige driften ontfermt?


[Dit deed zich voor tijdens de nacht van 19 februari 1979]

MET AMPHIONIE DE STAD DOORKRUISEN

AMPHIONIE 2

Bij Apollinaire (in Ketterpaus en Cie., een verzameling verhalen vertaald door Rein Bloem) las ik over een ‘nieuwe kunst’ gefundeerd op de peripatetische filosofie van Arisoteles. Deze kunstvorm heet ‘amphionie’, naar Amphion, de zoon van Zeus en de echtgenoot van Nioba. Bij de bouw van de muur rondom Thebe speelde Amphion zijn lier zo mooi dat de stenen zich uit eigen beweging samenvoegden. Maar is ‘amphionie’ nu eigenlijk?

“Het instrument van deze kunst én zijn materiaal , is een stad, waarbij het erom gaat een gedeelte van die stad te doorlopen, en wel zo, dat in de ziel van een amphion of een beginneling gevoelens worden opgewekt, die behoren tot het schone en het sublieme, zoals de muziek, de poëzie, etc. dat doen.
Om de stukken die door de amphion gecomponeerd worden voor het nageslacht te behouden, en opdat ze opnieuw kunnen worden uitgevoerd, noteert hij ze op een kaart van de stad door middel van een lijn die heel precies aangeeft welke weg men moet volgen.”

Dit is zeker een originele manier om door een stad te wandelen. Ik denk ook dat het al veel gedaan wordt, maar wie doet het écht amphionisch, door er ook nog een partituur bij te schrijven door middel van een aantal willekeurige – of wellicht onwillekeurige – lijnen?