HET INTERMITTEREND KLOPPEN VAN ONS HART

van morrison,bob dylan,cinderella s ballroom,junior murvin,jim thompson,james cain,hard-boiled,sam peckinpah,bertrand tavernier,marcel proust,onbewuste,depressie,geheugen,herinnering,hart,herinneringen,william styron,webb pierce,country

In die dagen, in de mooie stad Antwerpen woonachtig, in tijden dat ik veel en vaak uitging, niet om hele nachten tequila sunrise te drinken maar vooral om te dansen op Junior Murvin’s ‘Police and Thieves’, bijvoorbeeld in Cinderella’s Ballroom, een vochtige, rokerige kelder, die wij als ons tweede en soms als eerste thuis beschouwden, voor ons allen het hart van de wereld, las ik de dag nadien – als ik een kater had van rook en vocht en bloed en uitputting – donkere, meeslepende boeken van Raymond Chandler, Dashiel Hammett, Ross McDonald en James Cain. Vooral James Cain. The Postman Always Rings Twice. En oh ja, ik mag Jim Thompson  niet vergeten, The Killer Inside Me, inspiratiebron voor Bob Dylan, Sam Peckinpah, Green On Red en Bertrand Tavernier, onder meer. Nu hoor ik Webb Pierce op de achtergrond, die soms voorgrond wordt, There Stands The Glass, Van Morrison heeft dat onlangs gecoverd op zijn country-lp, en denk ik en vraag ik me af waarom ik me overgeef aan de boeken van Marcel Proust om te genezen van iets donkers, iets wat depressie wordt genoemd; maar eigenlijk is het een ervaring die helemaal niet beantwoordt aan dat versleten woord. William Styron is op zoek geweest naar een beter woord en kwam alleen maar bij het verouderde begrip melancholie, een mooie benaming – maar ze dekt de lading niet. Klinische depressie, zeggen de mensen nu, om aan te geven dat het ernst is. Maar wat is een klinische depressie? Ik weet het niet. Ik probeer te overleven, zoals in die boeken van de hard-boiled misdaadschrijvers. Vaak worden ze in mekaar geklopt of anderszins bijna het hoekje om geholpen. Zo is het ook een beetje met een depressie. Je zoekt het gevaar en de dood op omdat je er bang voor bent. Je wilt ontsnappen maar je wilt de smeerlap gelijkertijd recht in de ogen kijken. Ik wil niet dood, zeg je, ik wil waardig ouder worden. En dan lach je grimmig, vanwege die oude vergeten politieke partij. Toen waren die dingen nog zo onschuldig. Nu zitten we met massa’s contra-revolutionairen, NVA, Vlaams Belang (de eerste keer dat ik dit woord hier gebruik), FDF, mensen in groepen met elkaar verbonden om al het moeilijk bereikte weer op te blazen. Waar komen al die hatelijke haatdragende mensen vandaan? Walen, Vlamingen, immigranten die elkaar een mes in de rug willen steken. Waarom? Ze gaan voortdurend bij elkaar op vakantie en verklaren elkaar de liefde en willen vervolgens alles opblazen, de hele razzamatazz.

Waarom evenwel zoek ik mijn heil bij de moeilijke Marcel Proust, een intellectueel, een Jood en een homoseksueel? Ik weet het niet. Maar misschien is het antwoord eenvoudig. Als ik Marcel Proust niet meer kan lezen, de ongeveer moeilijkste literator – ik heb het niet over wetenschappers – maar ook de beste schrijver uit de twintigste eeuw, ben ik het niet waard om veel – en waardig – ouder te worden. Vandaag las ik in ‘Sodom en Gomorra’ (in een uitstekende vertaling van Thérèse Cornips) enkele zinnen, voldoende voor een dag, een week:

“Op welk tijdstip wij ook onze ziel in haar geheel zouden bezien, zij heeft als zodanig maar een vrijwel fictieve betekenis, ondanks de omvangrijke balans van haar schatten, want nu eens is daarvan het ene, dan weer het andere niet beschikbaar, of het overigens effectieve schatten geldt dan wel die van de verbeelding, en wat mij aangaat bijvoorbeeld, evenzeer als de oude naam Guermantes, de – zoveel zwaarder wegende – rijkdom van de werkelijke herinnering aan mijn grootmoeder. Want stoornissen staan in verband met het intermitterend kloppen van ons hart. Het is vermoedelijk het bestaan van ons lichaam, vergelijkbaar voor ons gevoel met een aarden vat waarin onze spiritualiteit zou zijn gevangen, dat ons ertoe brengt te veronderstellen dat al ons innerlijk goed, onze voorbije vreugden, al onze smarten, voordurend in ons bezit zijn. Misschien is het even onjuist om te denken dat ze ontsnappen of terugkomen. In elk geval, als ze al in ons blijven, dan voor het grootste deel van de tijd in een onbekend domein waar ze ons volstrekt niet van dienst zijn, en waar zelfs de allergewoonste woorden worden verdrongen door andersoortige herinneringen, die hun gelijktijdigheid in ons bewustzijn geheel uitsluiten.” (Marcel Proust, Sodom en Gomorra, 162-63, Pleiade II, 756-757).

GOLDEN YEARS: EEN LODEN DECENNIUM?

IMG_2380 (2)

Vreemd vind ik het nu dat de jaren ’80 zo weinig aan bod komen in mijn hoochiekoochie-teksten. In de periode van 1975 tot ongeveer 1985, maar ook de volgende vijf jaar, heb ik nochtans veel meer geleefd, geleden, gelezen en muziek beluisterd dan in de hele rest van mijn leven. Ik had alle tijd van de wereld voor zelfwerkzaamheid, omdat ik in die tijd vaak zonder job zat. Pas in 1987 heb ik uit pure financiële wanhoop aan een examen meegedaan om voor de overheid te gaan werken. Meestal kijk ik met negatieve gevoelens terug op de jaren ’80: ik was arm, soms hadden we niets anders te eten dan aardappelen, wortelen en uien, ik kon geen boeken kopen, om te kunnen lezen moest ik naar die verduivelde bibliotheek, waar ik zelden vond wat ik zocht, er was een economische crisis, Thatcher en Reagan beheersten de wereldpolitiek. Toch heb ik van die jaren ook genoten, ik heb bijvoorbeeld nooit meer en uitzinniger gedanst dan toen. We gingen zowat elk weekend dansen in Cinderella’s Ballroom of in de Tom Tom in Antwerpen.

In 1982 ben ik* begonnen met een eigen radioprogramma, Shangri La heette het, drie uur per week. Ik draaide toen punk en wat new wave werd genoemd, veel rockabilly en rock & roll. Dat ik ook muziek van de vroege Pink Floyd, the Who en the Beach Boys aan bod liet komen, daar werd mee gelachen. Niemand hield van the Beach Boys in die dagen, Brian Wilson, dat was een rechtse kerel met de verkeerde kleren aan en componist van absoluut achterhaalde muziek – en een gek. Een song als Caroline, No werd verafschuwd. Bob Dylan werd om mij onduidelijke redenen nog meer gehaat. Like A Rolling Stone, laat me niet lachen! Nee, nee, om mee te zijn moest je Simple Minds en Human League verafgoden. Dat deed ik niet. Dank zij The Clash, waar ik een grote fan van was, keerde ik terug naar Gene Vincent, Eddie Cochran, Buddy Holly en Little Richard en obscure rockabilly. Ik hield van Robert Gordon en Link Wray. The Jam – en later the Style Council -rechtvaardigde mijn ‘gedweep’ met the Who, the Small Faces, the Kinks, Stax en Tamla-Motown.

Ik beleefde genoegen aan de zachte popmuziek van die tijd, zoals die van The Marine Girls, Tracey Thorn (op haar eerste solo-elpee staat een sprankelend-ingetogen versie van Femme Fatale), the Gist, the The, Weekend, Young Marble Giants en the Blue Orchids. Wat hield ik van de stem van Alison Statton! Een speciale plaats in mijn muzikaal hart had de Amerikaanse band Blue Angel, die ik in 1981 ontdekt had dank zij de koopjes in de Grand Bazar op de Groenplaats. Het zangeresje van Blue Angel heette Cyndi Lauper. Ze zong een fantastische versie van Gene Pitneys I’m Gonna Be Strong. Cyndi Lauper werd zoals iedereen weet beroemd onder haar eigen naam. Ze was een voorloopster van Madonna, maar kon veel beter zingen. Nog liever hoorde ik de elpee ‘From Gardens Where We Feel Secure’ van Virginia Astley.

Elke week las ik New Musical Express. Dat was een goedkoop Brits poptijdschrift. De beste popmuziek kwam toen vreemd genoeg uit Groot-Brittannië. Heaven Seventeen en British Electric Foundation bijvoorbeeld. Die laatste ‘supergroep’ heeft Tina Turner uit de vergeetput gehaald. Een van de beste bands uit de eerste helft van jaren ’80 was the Associates, die twee perfecte singles maakte, Party Fears Two en Club Country. (Vergeef me als ik een titel niet helemaal juist spel. Ik schrijf dit in mijn werkkamer, waar ik geen elpees en maxi-singles bij de hand heb. Het komt allemaal uit het hoofd.) Billy Mackenzie, die helaas zoals zoveel andere van mijn ‘helden’ al een poosje dood is, was de betere David Bowie. Hoezeer hij Bowie ook imiteerde, hij zong veel beter, veel meer met hart en ziel. De allerbeste band was Joy Division, maar die hoorde eigenlijk nog bij de jaren ’70. New Order kon mij minder bekoren. De zanger kon absoluut niet zingen en er was iets mis met hun sound. Maar er waren zoveel andere goeie zangers, zangeressen en bands in die periode. Ik had het ook wel voor dwarsliggers als The Slits, This Heat en Pere Ubu. Natuurlijk.

In die jaren las ik vooral de klassieken, daar moest ik niet te lang naar zoeken in de bibliotheek. Maar mijn voorkeur ging uit naar Vladimir Nabokov, Peter Handke, Jorge Luis Borges, Hölderlin, William Blake, Eugenio Montale, Lucebert, Louis Paul Boon en Herman Gorter. In dat opzicht is er niet veel veranderd. Ik heb waarschijnlijk eveneens een heel aantal boeken gelezen van schrijvers die ik nu al vergeten ben. Ja, nu herinner ik me weer dat ik heel veel misdaadromans las, van onder meer Patricia Highsmith, James Cain, Raymond Chandler en Dashiel Hammett. Die las ik als ik een kater had. Ik had toen immers nog geen televisie. De jaren ’80? Een bijzonder mooie tijd, ondanks al de armoede en de lelijkheid.

IMG_2353

Foto’s: Martin Pulaski (Contortions, Au Pairs)

*de eerste drie maanden samen met Max Borka, later met Patje, nog later met Sofie Sap.

EEN AVOND IN ANTWERPEN II

in de studio 2 juni 2007

annick en ik

Voor een laatste keer geef ik me over aan mijn vrij lang aanslepende narcistische bui. Voor morgen en de volgende dagen beloof ik verbetering. Ik zal mijn blik opnieuw op de wereld richten en op al de narigheden rondom ons. Nu nog een paar sfeerbeelden van radio centraal, waar ik al 25 jaar in alle vrijheid en waanzin een radioprogramma kan maken.  De foto’s zijn niet helemaal narcistisch. Op de onderste zie je mijn goede vriendin, de zeer begaafde styliste Annick. Op de bovenste, helaas wat op de achtergrond, een van de liefste mensen die ik ken, de fotografe Katrin, met wie we al heel wat reizen hebben gemaakt. Nu hebben we weer afscheid genomen en vallen we op onszelf terug. Op onze droefheid, onze eenzaamheid, onze dwaalwegen, onze vergissingen, onze domheden, onze vergetelheid. Even waren we gelukkig en uitzinnig. Nu is het weer tijd voor de alledaagsheid.

HET HEIMLICH MANEUVER

nick cave - heimlich

Gisteravond had ik het met mijn huisdokter over het Heimlich-maneuver. Hij vertelde me dat hij op een keer toen hij alleen thuis was een stukje voedsel in zijn keel had zitten en dreigde te verstikken. Het Heimlich-maneuver op zichzelf toepassen was onmogelijk. In een moment van helder denken heeft hij dan met alle macht zijn buik tegen een kast gedrukt, waardoor hij van de brok bevrijd werd. Anders had ik het niet overleefd, zei mijn huisdokter. Maar we mogen niet doemdenken, voegde hij eraan toe.

Vorige zaterdag in een Antwerps restaurant, na de radio en de witte blues, heb ik het Heimlich-maneuver moeten toepassen. Laura had een brokje vlees in de keel gekregen en kon nog maar moeilijk ademhalen. Onze vriendin Sofia zat ongerust toe te kijken. Kennelijk ben ik toch niet zo goed in zulke maneuvers, want het had geen resultaat.
Op dat ogenblik kwam mijn vriend Snaporaz net het restaurant binnen. Hij zou alleen maar iets komen drinken. Bij het zien van Laura’s toestand stelde hij meteen voor om ons naar het Sint-Vincentius Ziekenhuis te voeren. Op de spoedafdeling werden we bijzonder vriendelijk ontvangen, ook al had niemand van ons een identiteitskaart bij. Wij laten die thuis omdat we in Brussel voortdurend worden bestolen en overvallen. Over dat hele identiteitskaartengedoe heb ik vorig jaar al voldoende geklaagd.
Er moest wel een dokter worden opgebeld, die helemaal uit Hove moest komen voor dat stukje vlees. Laura kreeg gelukkig nog geen blauwe kleur, wat op verstikking zou wijzen. Iedereen bleef er nogal kalm bij. De dokter was er al snel. Enige minuten later kon Laura weer opgelucht ademhalen. Als dit in een Brussels restaurant was gebeurd had Laura het misschien niet overleefd. Ik heb niet bepaalde prettige herinneringen aan Brusselse ziekenhuizen. Zij geven mij vooral de indruk dat ik voet aan de grond zet in een ontwikkelingsland.

Sinds vorige zaterdag weet ik dat het Heimlich-maneuver die naam heeft en dat ik het niet helemaal goed heb gedaan. Ik heb al wat geoefend voor een volgende keer. Maar we mogen niet doemdenken, zegt mijn huisdokter. Ook al ben ik flink verkouden en vertrek ik zaterdag naar Portugal. Het is toch wel zeer eigenaardig, dat ik telkens voordat ik op reis vertrek ziek word. En het is geen ingebeelde ziekte, er zijn duidelijk waarneembare symptomen, een rode keel, hoesten, een lopende neus… Ik weet niet wat het vooruitzicht op reizen in mijn onbewuste teweegbrengt, maar het moet zeer onrustwekkend zijn. Mijn onbewuste wil kennelijk liefst van al braaf in zijn kamer blijven. Vorig jaar in april ben ik met een lichte verkoudheid naar La Palma vertrokken. Daar ben ik erg ziek geworden, bronchitis, een longontsteking. Aan mijn vakantie heb ik toen niets gehad, ik was al blij dat ik nog leefde toen ik weer thuiskwam. Dit mag nu niet gebeuren. Ik mag niet doemdenken, zegt mijn huisdokter. En ik zeg het hem na.

 

JOY DIVISION : DANCE DANCE DANCE TO THE RADIO

cof

Ik luister na lange tijd nog eens naar Joy Division. Love will tear us apart again… Transmission… Dance, dance, dance to the radio… Opeens is er weer die onbestemde angst voor het oud worden, de zintuigen die één voor één ‘uitvallen’, als onderdelen van een machine, of als programma’s op een computer. Ik denk aan L’homme machine van La Mettrie. Voor mij begint de aftakeling met doof worden. Ik ga inderdaad slechter en slechter horen. En nu het warme truiendag is kan ik eveneens toegeven dat ik veel last heb van de kou. Mijn verwarmingsmotor doet het niet meer zoals het hoort. Er zit roest op mijn lichaamsmachine. Dance, dance, dance to the radio. Hoor die energie, die bezetenheid!

Dance, dance, dance, Ian Curtis’ bezeten stem roept herinneringen op aan iets, een ‘je ne sais quoi’. Iets, niets, iets. Of alles? Ja, hier gaan we dan. Het ritme van Joy Division wordt geleidelijk mijn ritme, I ‘ve lost control again and how I’ll never know just why or understand. Toe-eigening, eenwording. Mijn ritme roept herinneringen op aan mijn tweede jeugd, in Antwerpen, van 1977 tot 1984, ongeveer.

Hoe je danste tot de gouden ochtend. Hoe je leven op danspassen en sprongetjes over slecht verlichte trottoirs doelloos zijn gang ging. Of zoals the Beatles al zongen: oh that magic feeling nowhere to go. Geen doelstellingen, geen maten en gewichten. My only ambition in life is to get high and dance, dance, dance to the radio. De andere, alledaagse wereld, was het vijandige element. De familie, de school, huis-tuin-en-keuken. Métro-boulot-dodo. Niet je vader of je moeder of een schoolmeester, maar Leopold Flam, een joodse atheïstische filosoof had je opgevoed. Je had jezelf heruitgevonden in de periode 1975-1977, toen je je thesis over het einde van het gezin beëindigde en de huiselijk haard ontvluchtte, toen je je geestelijk distantieerde van je Brusselse vrienden en je armen uitstak naar je geboortestad Antwerpen. Tijdens die vierentwintig maanden van transformatie – om niet te zeggen transsubstantiatie – beleefde je het theater van de liefde en de waanzin. Je verslond pagina’s Artaud en Rimbaud. Je was in de ban van de Franse Revolutie. Je schreef een toneelstuk waarin Marat en Saint-Just rechtvaardige helden waren. Empedocles sprong in de Etna vanwege ontgoocheling in laffe en domme soortgenoten. Geleidelijk aan, of nee, eerder bruusk, werd je filosofie er een van het feest. Zoals in het boek van Remco Campert, alle dagen feest. Je was tegelijk ernstig en ontleedde la société du spectacle en bekeek in het filmmuseum acht uren durende films van Jacques Rivette.

In ’77 verhuisde je naar Antwerpen. Je zei tegen Lenny dat niet de jaren ‘zestig maar de seventies je levensbepalende decennium waren. Hoe je danste in Cinderella’s Ballroom. Television, Patti Smith, the Ramones, David Bowie, Roxy Music, the Clash, the Slits, Joy Division, reggae, Talking Heads, X-Ray Spex, Ian Dury, Fad Gadget, Suicide en Holly & the Italians. Joy Division. Olifantenpijpen eerst, daarna rode broeken, Converse All Stars, meisjes in micro-rokjes en zonder ondergoed, T-shirts waarop de aan heroïne verslaafde Keith Richard stond afgebeeld. En the Dead Kennedys met Too Drunk To Fuck. Dat T-shirt droeg je als een trofee. Extase en illuminatie. De teksten van Philippe Sollers waarover je ruzie maakte met Leo, die zei dat het onleesbare troep was. Had hij geen gelijk? Nachtenlange dronken en speedconversaties met Jos. Over Schopenhauer, over Céline, over Gram Parsons, Neil Young en the Beach Boys (die totaal onhip waren in die dagen). Van het Pannenhuis naar Cinderella’s en daarna dansen op de tafels van de Gnoe. In de zomer werd op straat gedanst, voor café de Mok in de Wolstraat, Martha en the Vandellas indachtig. Ria Pacquée, Guillaume Bijl, Renée Strubbe, Nicole Van Goethem en al de andere nachtvrienden. Waar zijn ze gebleven? Waar ben ik gebleven? Gotta find my destiny, before it gets too late.
Een grotere intensiteit dan die in de stem van Ian Curtis ken ik niet. Joy Division zal nooit vergeten worden, dat weet ik nu wel zeker.

Iets helemaal anders of misschien ook niet: de Italiaanse filosoof Lucilio Vanini (1585-1619) ontkende de onsterfelijkheid van de ziel en werd leven verbrand op de markt van Toulouse.

“Instants that can still betray us
A journey that leads to the sun
Soulless and bent on destruction
Struggle between right and wrong
You take my place in the show-down
I’ll observe with a pitiful eye
And humble ask for forgiveness
A request well beyond you and I
Heart and soul, one will burn.”

Joy Division, Heart and Soul.

Closer: hoesontwerp van Peter Saville. Ian Curtis stief op 18 mei 1980. Joy Division-producer Martin Hannett stierf op 18 april 1991.

IS ALLES IJDELHEID?

suicide,elvis costello,drugs,rock   roll,dood,antwerpen,vrienden,kunstenaars,schrijvers,nachtleven,brussel,ab,live,concert,punk,new wave

“All these people that you mention
Yes, I know them, they’re quite lame
I had to rearrange their faces
And give them all another name.”
Bob Dylan, Desolation Row.

Hij dacht niet meer aan Phyllis. Hij zag haar niet meer. Uit het oog is uit het hart, zeggen de mensen. Wel wist hij dat ze aan de grens woonde, bij haar zus Marcella en haar schoonbroer Louis en hun kinderen Raoul en Emma (naar Emma Bovary genoemd). De laatste keer dat hij haar had gezien was in café Het Spiegelbeeld of dat andere café, er net naast. Haar toenmalige vriend, een zekere Spano, was toen bij haar. Zij zag er niet slecht uit maar toch ook niet goed. Spano leek hem niet iemand die haar uit haar miserie zou weghalen. Hij had wel grootste plannen: hij zou detectives gaan schrijven, in de stijl van Raymond Chandler en Dashiel Hammett. Dat vertelde Spano hem toen ze aan de bar whisky zaten te drinken maar hij geloofde de would-be misdaadauteur niet. Sommige mensen gelooft hij onmiddellijk, van anderen heeft hij meteen door dat ze zitten te liegen of te fantaseren. Phyllis sprak weinig. Hij had haar anders gekend. Ze kon bijvoorbeeld de hele autobiografie van Claire Goll op een uurtje navertellen.

Dat was de laatste keer dat hij haar heeft gezien. Later had hij van Job wel gehoord dat het niet zo goed met haar ging. Ze had last van de lever en zo en ze at veel te weinig. Ze dronk veel, wat in haar toestand om problemen vragen was, en ze slikte pillen en nam hoestsiroop, Tux of iets dergelijks. Het belangrijkste was dat er codeïne in zat. Daar was ze verslaafd aan. Maar hij geloofde niet dat je van Tux kunt sterven. Sam Phillips zegt dat Elvis Presley van een gebroken hart is gestorven. Hij kon Priscilla niet vergeten. Voor Phyllis was het precies zo: het waren mooie jaren, met haar grote liefde, Mijl. Beatnikjaren, één lang feest met vrienden en drank en verrukking. Een tijd van rock & roll, een UP-periode. Punk en new wave waren ‘natuurlijke’ speed.

suicide,elvis costello,drugs,rock   roll,dood,antwerpen,vrienden,kunstenaars,schrijvers,nachtleven,brussel,ab,live,concert,punk,new wave

Hij is samen met Phyllis en Mijl slechts naar één concert geweest: Elvis Costello & the Attractions, op 16 juni 1978 in Brussel, met de New Yorkse groep Suicide in het voorprogramma. Tijdens de optredens braken rellen uit. Het begon al met het optreden van Suicide. Niet iedereen was even gek op het gegil van Alan Vega in ‘Johnny Teardrop’. Een toehoorder vond het zo gortig dat hij Vega de microfoon uit de handen rukte. Na een korte pauze was Costello aan de beurt. Een boos kereltje boordevol drank en amfetamine. ‘No Action’ zong hij. En ‘All this and no surpises for this year’s girl…’ Zijn optreden duurde niet langer dan de pauze. Het was wel heel krachtig. Maar wat een arrogant mannetje (vond hij toen). Het publiek werd razend, vanwege Alan Vega, vanwege de kerel die de micro had gestolen, vanwege het minimale concert van Costello. De veiligheidsmensen werden echter helemaal niet razend. Ze sloegen met microfoonstaanders op de voorste rijen van het razende publiek. Zelf had hij heel wat Captagon en Jim Beam naar binnen. Daardoor en natuurlijk ook uit pure morele verontwaardiging wilde hij de security op zijn beurt te lijf gaan. Gelukkig heeft Angelina hem toen tegengehouden of hij was waarschijnlijk in het hospitaal beland.

Die zelfde dag was Gisèle bij hen komen wonen. Hij en Angelina hadden Gisèle geholpen met haar verhuizing. Dat kon toen nog: eerst een hele dag verhuizen en daarna naar Brussel voor een concert en dan nog een nacht in de Antwerpse kroegen. De dag daarna hielden ze in de Dolfijnstraat hun Summer Party. Een kunstenaar die zich Crazy Dreamer noemde was die avond heel goed : hij heeft een uur lang heerlijke rock & roll gedraaid, wat in die punkdagen niet zo voor de hand lag. The Trashmen klonken echt heel nieuw en terzake, want de meesten die op de Summer Party aanwezig waren, waren trashmen. Geen job, geen vooruitzichten, weinig illusies. Tweede handskleren, muziek van the Clash, plastic en neon, goedkope wijn en tequila, amfetamine. Wat vroeger het leven in de goot werd genoemd (en sinds het midden van de jaren tachtig opnieuw, remember de yuppies), was voor hen een flitsende levensstijl. Sommigen die er toen bij waren zijn trashmen gebleven. Eigenlijk hoorde het ook zo. Om trouw te blijven aan zichzelf hadden ze allemaal trashmen moeten blijven. Maar je moet daar sterk voor zijn en hij was zwak. Daarom is hij geen trashman meer. En met Phyllis is het slecht afgelopen, of wat had je verwacht? Zij is een trashwoman gebleven, tot haar laatste snik. Alles is ijdelheid.

IN MEMORIAM ROLAND ROM EN MARC MEULEMANS

marc meulemans kommeniste
Marc Meulemans, links (met zijn band De Kommeniste)

Er zijn onlangs twee mensen gestorven die me dierbaar waren. Ik heb beiden goed gekend. Ze waren nog jong, ongeveer vijftig. Het valt mij minder zwaar te schrijven over de dood van helden dan over het heengaan van vrienden en kennissen. Toch wil ik hun overlijden niet onbesproken laten. Wij vergeten elkaar zo gauw… Maar de dood maakt me moe en sprakeloos. Er vormen zich maar met moeite brokkelige zinnen in mijn hoofd, de woorden dalen als lood, als gestamel af tot in mijn vingertoppen.

Roland Rom is tien jaar lang, van 1982 tot 1991, een buur van me geweest, in de Antwerpse Lamorinièrestraat. We waren geen boezemvrienden, wellicht omdat we allebei nogal stil waren, maar we kwamen vaak bij elkaar over de vloer. Niemand noemde Rom bij zijn voornaam. Hij was gewoon Rom. Mij deed hij denken aan Père Ubu en aan diens schepper, Alfred Jarry. Hij was net zo eigenzinnig als de Franse schrijver. Overigens was hij perfect Franstalig en zeer goed op de hoogte van de Franse cultuur en tegen-cultuur (met name Guy Debord en de situationisten). Rom was een medeoprichter van Radio Centraal, een anti-instelling die nog steeds uniek is in België, onder meer door de toewijding en het anarchisme van haar ‘leden’. Mijn goede buur maakte vele jaren het zwaar gestoorde anarchistische programma ‘radio en tv-salon’, een uitzending die je met geen andere kunt vergelijken (in dat programma was hij overigens minder stil). Hij had zoals ik een uitgebreide platencollectie, maar er was een groot verschil: ik had bijvoorbeeld alles van Bob Dylan, Rolling Stones, Quicksilver Messenger Service, Moby Grape, Kinks, Clash, Roxy Music en zo; hij had elpees die toen niemand kende. Ik weet niet waar hij ze vandaan haalde. Hij schepte er een genoegen in mij keer op keer nieuwe dingen te laten horen, liefst zo experimenteel, avant-gardistisch en bizar mogelijk. Captain Beefheart was voor hem mainstream. Rom had aan de academie gestudeerd en restaureerde – zeer nauwgezet – schilderijen. Sinds 1991, het jaar waarop ik naar Brussel verhuisde, heb ik Rom niet meer gezien. Jammer, want hij was een unieke mens, van wie ik nog veel had kunnen leren. Nu hij er niet meer is, zal ik hem niet snel vergeten.

rom etc
Roland Rom, rechts op de foto.

Marc Meulemans had pretoogjes. Net als Rom heeft hij een tijdlang een programma gemaakt voor diezelfde verdoemde radio. Ja, er moet een vloek op rusten, dat kan niet anders. Toen ik Marc de eerste keer zag, in café het Pannenhuis, verzamelplek voor punks, new wave-adepten en kunstenaars, had hij al een ‘carrière’ achter de rug als muzikant bij de punkband De Kommeniste. Niet zo populair als de Kreuners maar wel veel authentieker. Marc Meulemans is zolang ik hem heb gekend erg begaan geweest met muziek. Wij zagen elkaar vaak in de Tom Tom Club, waar hij af en toe platen draaide. Hij volgde geen trends, hij maakte er. Marc had een rusteloze, ondernemende geest. Hij opende cafés, was dj in clubs, ontwierp platenhoezen, onder meer voor deus, en werkte voor het theater (voor Ivo Van Hove).
De laatste keer dat ik hem zag, een drietal jaar geleden, bij een concert van Think Of One (geloof ik, want ik had al wat gedronken), had hij ademhalingsmoeilijkheden. Er hing veel rook in de zaal. Hij zag er moe uit. Maar desondanks hebben we gelachen. Als ik in Marcs gezelschap was werd er altijd gelachen. Nu echter is het gedaan met het gelach. Deze lawaaierige planeet is nog lawaaieriger geworden, maar ook veel stiller. Rust in vrede, heren. Wij blijven achter in dit treurige oord, met onze momenten van geluk, tevredenheid en verdriet, maar ook ons zit de dood op de hielen.

De fotografen van bovenstaande foto’s zijn mij onbekend. Mogelijk is de foto van de Kommeniste van Dominique Grégoire, een Antwerpse vriend van me.

MEFISTO EN MAO: ALLE DUIVELS

mao 0

Op 26 november schreef ik een stukje over een aantal acteurs in het toneelstuk Mefisto Forever en sprak ik mijn bewondering uit voor regisseur Guy Cassiers en zijn ploeg. Daar vloeide een naar mijn mening vrij absurde maar toch zeer boeiende polemiek uit voort. Omdat niet iedereen de kleine lettertjes leest heb ik van alle uitspraken die oorspronkelijk als commentaar zijn verschenen een klein toneelstukje gemaakt. Voor de begrijpelijkheid – en niet uit ijdelheid – heb ik een ‘normale’ tekst van mezelf ingelast, die ik op 27 november al eens heb gepost.
Ik denk dat wat volgt heel wat aan het licht brengt over wat ons bewust en onbewust bezighoudt, op sociaal, individueel, erotisch, politiek en artistiek vlak. Enjoy!

Marlon Vanco: Martin, drie fameuze bedenkingen:
1. Guy Cassiers is recent op een meer onfrisse manier in het nieuws gekomen: hij wil zijn vaste acteurs op straat zetten, er heerst momenteel verbijstering in en rond het Toneelhuis…
2. Mefisto en het gevaar van fascisme: okee, dat verstaan we, ttz de dreiging van extreem-rechts, een dankbaar en zeer hip onderwerp in het trendy A’pen…
3. Op je eigen site vinden we een foto van een schone naakte, prachtig, ware het niet dat aan de wand een portret van Mao prijkt, euh, hoe zit dat met het erfgoed van fascistisch links, zijn we die terreur van de gele culturele revolutie reeds vergeten, kan zoiets? Waarom geen foto’s van Hitler, Mussolini, Stalin, Hoessein… is Mao sexy?

Eva Vanhoorne: Ik wou net ook bemerking 1 van Marlon maken, maar de heer Vanco was me voor.

Martin Pulaski:
1. Marlon en Eva: ik woon sinds 1991 in Brussel en denk bovendien dat de wereld groter is dan Antwerpen. Mefisto gaat niet over Antwerpen. Zo heb ik het stuk toch niet gezien. Ik heb een groep acteurs gezien die samen iets brachten wat die akelige negativiteit – noem het gerust doodsdrift – overstijgt.
Van wat in het Toneelhuis gebeurt ben ik niet op de hoogte. Is het allemaal de schuld van Guy Cassiers, dan? Indien dat het geval is, doet het nog steeds geen afbreuk aan de kwaliteit van deze ‘voorstelling’, zoals ik ze, in al mijn subjectiviteit, heb gezien.
2. De verantwoordelijkheid van het individu in en voor de gemeenschap was al een belangrijk thema bij Sofokles. Kijk maar naar Antigone die, verwijzend naar ongeschreven ‘goddelijke’ (of matriarchale) wetten, zich verzet tegen de wereldse wetten (‘proclamaties’) van Creon.
3. Marlon, ik bezat in de jaren ‘70 – de punktijd, de tijd van No More Heroes van The Stranglers – helaas geen posters van Hitler, Mussolini, en zo verder. Hier in Brussel was er een winkel die Mao-posters verkocht die een werkloze jonge kunstenaar kon betalen. Overigens: 1) ken je Andy Warhol, 2) is de notie conceptuele kunst je bekend, 3) het begrip ironie kwam ook al bij de oude Grieken voor. 4) fascistisch links: daar kan alleen maar Salvador Dali mee bedoeld zijn.
(Een affiche van Lenin heb ik in 1978 op een feestje bij mij thuis in Antwerpen verbrand, al dansend op No More Heroes – No More Shakespearoes. Als je het dan toch wilt weten.)

Marlon Vanco: Rustig aan Martin, ik had ook wel door dat het die Warhol-Mao was, niet de Monroe-Warhol, et alors? In de jaren 70 werd (dictator) Mao als een afgod door weldenkend links bewierookt en bewonderd. Wie het Rode Boekje niet wou kopen, was een nerd (ikke!). Een tip: lees eens ‘Wilde Zwanen’ van Jung Chang. Je conceptuele Mao zal van schaamte van de muur afbrokkelen. En de ironie komt er achteraan gedonderd. Nee, fascistisch links was ook de Bende van Vier, je kent ze wel, de familiale terreurbrigade van je afficheman. Btw, Warhol was een geniale kunstenaar, maar hij had een zeer pragmatisch geweten (zoals Dali, inderdaad).

Martin Pulaski: Marlon, de poster van Mao die ik bezat, was een echte Chinese. Het was geen reproductie van een werk van Warhol. Maar dat betekent geenszins dat ik een Chinees was. Overigens heb ik filosofie gestudeerd in de jaren ’70. De leer van mijnheer Mao stond niet op het programma en niemand van mijn medestudenten bezat dat rode boekje. Ik kende zelfs niemand die het rode boekje bezat. In de winkel waar ik de Mao-poster had gekocht vond ik wel een boekje met rijmelarijen van dit heerschap.
Het woord nerd was toen nog niet uitgevonden. Hoe konden wij dan nerds zijn?
Je begrijpt dat ik je opmerkingen over mijn foto zeer ernstig neem, omdat ze zozeer naast de kwestie zijn. Dergelijke foto’s waren vooral geïnspireerd door echte individuen als Luis Buñuel (denk maar aan Fantôme de la liberté, en Cet obscur objet du désir). Ik vind Warhol geen groot kunstenaar, wel een grote persoonlijkheid met een immense invloed op deze laat-kapitalistische cultuur waar wij ons zo aan vergenoegen. Warhol was zo’n beetje de Mao van de New Yorkse kunstwereld en voor sommigen is hij dat nog steeds.
Ik vind het merkwaardig dat je op mijn andere punten niet ingaat. Het belang van het individu moet je toch nauw aan het hart liggen als thema.

Marlon Vanco: Martin, maar waarom hang je de (kunst)foto van een massamoordenaar aan je muur? Vorige week was er nog een rel in Nederland omdat Jan Marijnissen van SP een fan-blogger terugfloot omdat die zijn sympathie voor de oude linkse rakker had uitgedrukt met een gestyleerde affiche van Mao. Marijnissen zei zich gescandaliseerd te voelen, een grootmoedige geste van die man, hij is een gewezen communist. En heb je Wilde Zwanen niet gelezen, het is een bijbel en een antidotum tegen de terreur van rood (desgevallend: zwart, bruin…).
Martin, vat het niet persoonlijk op, maar jij lijkt me vaak zo verbijsterend wereldvreemd. Daarin zit ook je kwetsbaarheid. Alsof jij enkel in een bordkartonnen wereld van muziek, film en literatuur leeft. Kijk eens om je heen, naar het reële bestaan: daar wonen de mensen van vlees en bloed. Met schoon respect voor je persoon. Als individu schat ik je puur en hoog.

Martin Pulaski: Marlon, je praat volledig naast de kwestie. Jij begon plots te fulmineren over een foto, een kunstwerk van mij uit de jaren ’70 (of zeer waarschijnlijk uit 1980), terwijl mijn stukje over ‘Mefisto forever’ ging, een toneelproductie uit 2006. Aan mijn muur hangt geen foto van Mao, wel van Madonna en van James Brown. Die ‘foto’ van Mao waar jij het over hebt was deel van een enscenering (in 1980 dus, 26 jaar geleden). We construeerden een scène met als subtekst een aanval op de censuur van de culturele revolutie en meer bepaald van ziekelijke onderdrukkers als de heer Mao (figuren waar onder meer Wilhelm Reich ons zo voor gewaarschuwd heeft). Tegelijk was het tegen de toenmalige strakke maoïsten gericht. De inspiratie was Buñuel en meer nog Dusan Makavejev. Het was een deconstructie van de mythe van Mao en van de Bende van Vier, godnogantoe. Wel geen deconstructie van de Bende van de Stronk. Dat is voor een andere keer.

PAUZE

Martin Pulaski: Wat jij doet is insinueren. Je insinueert dat ik sympathie heb voor Mao en misschien zelfs voor maoïsten. Wat ik met mijn fotoserie – want er zijn meer foto’s dan die ene waar jij je zowat blind op staart – heb gedaan is net het tegenovergestelde aantonen. Je moet wel even naar de foto kijken, niet alleen naar het model, maar naar het geheel. Ook naar de titel en naar de tekst die er onlosmakelijk deel van uitmaakt. Ben je zo wereldvreemd en verblind dat je niet ziet dat dat een scène is? Dit maakt mij zo boos: het lijkt op Orwells Big Brother, mensen worden beschuldigd van net het tegendeel van waar ze voor staan. In 1984 is oorlog vrede. Zijn we nu ook zelf al zover gekomen? Dat kan toch niet in deze tijd, waar je met een klik in google de min of meer juiste informatie kunt krijgen.
Ik moet trouwens geen bestsellers lezen om te weten dat de Mao-dictatuur een bloederig regime was. Geen polonaise aan mijn lijf, ook geen wilde zwanen. De echte realiteit is veel gruwelijker dan de voorstelling ervan in een op Hollywood gerichte bestseller. Ik las destijds de kranten, Le Monde, om er maar één te noemen.
Zal ik het eens simpel zeggen: die foto die jij uit zijn verband rukt is een protest tegen Mao en tegen de toenmalige seksuele en andere repressie. Hij is een uitgesproken pleidooi voor de vrijheid. Overigens mag het duidelijk zijn dat ik destijds helemaal niet leefde en zeker nu niet leef in een wereld van boeken en muziek. Ik heb dit jaar nog maar één boek uitgelezen: The Wind Up Bird Chronicle van Haruki Murakami. Wellicht ook een bestseller. In de tegenspraak toont zich de meester. De realiteit is de wereld. Ik probeer zoveel mogelijk wereld te zien en te zijn. Maar ik ben wel zeer kwetsbaar. Gebrek aan empathie, gevoelloosheid en domheid maken sommige mensen inderdaad kwetsbaar.

Marlon Vanco: Met plaatsvervangende schaamte lees ik: “Geen polonaise aan mijn lijf, ook geen wilde zwanen. De echte realiteit is veel gruwelijker dan de voorstelling ervan in een op Hollywood gerichte bestseller. Ik las destijds de kranten, Le Monde, om er maar één te noemen”… Wel professor Pulaski, ik las toevallig (die dag) niet Le Monde, maar gedurende een etmaal het bloedstollende boek. Rot op le monde!
Waarom publiceer je die foto in kwestie niet? Vergeet niet om de originele datum te vermelden, die leek bedenkelijk recent. Ik wil je altijd helpen.

Martin Pulaski: Zulk dik boek op zulke korte tijd? Je bent geobsedeerd door een foto uit 1980. Of heb je het over een heel andere foto, dan? Misschien berust dit alles op een misverstand? En “rot op le monde”? Is dat jouw subtekst? En jij zegt dat ik wereldvreemd ben? Ik houd van de wereld. Ook als hij in het Frans wordt geformuleerd.

Marlon Vanco: Oké. Laten we het maar bij een misverstand houden, ik was gewoon vreselijk geschrokken van die foto, in schrille contradictie met de boodschap van Mefisto.

Marc Tiefenthal: Vanco is net geen Brando. Door al dit proza tussen Vanco en Brando zou je, bij wijze van hypothese en van grap, bang worden om de heer Vanco in Brussel in het duister tegen het lijf te lopen. Wat Marlon niet weet, niet schijnt te weten en allicht niet wil weten, is dat Martin Pulaski een dichter is, d.i. iemand die een wereldbeeld heeft. Sommigen, de meesten, hebben dat niet en houden het bij het beeld dat hen pakweg op de treurbuis wordt voorgehouden. Iemand die een wereldbeeld heeft is daarom niet wereldvreemd, integendeel. Het zijn de lieden met een clichébeeld van de wereld recht uit de treurbuis die vervreemd zijn van de wereld. Bovendien heeft Martin Pulaski door wijsbegeerte te studeren de middelen meegekregen om een wereldbeeld te bouwen.

Martin Pulaski: Marc, you took the words right out of my mouth! Maar ik ben niet eens bang voor Virginia Woolf, waarom zou ik dan bang zijn voor Marlon Brando (met gestold bloed dan nog.)

Evy Zinnen: Mooi stukje bio van mp door mr mt.

daphne mao

Martin Pulaski: De ondertitel van de foto (op flickr) luidt: A Great Admirer Of An Electric Chairman Mao And, Especially, the Subcultural Revolution Guided By Ken Kesey and Lead Belly And Advised By Hunter S. Thompson And Not Forgetting Warren Oates. As Produced By Martin Pulaski.

Marlon Vanco: Doelfoto: rechter bovenhoek (was ook uitvergroot). Misverstand, achteraf bekeken, na tekst en uitleg? Maar geef toe, als een VB-er een analoge kunstfoto van Hitler op zijn blog zou plakken, zonder duiding, dan wordt hij gelyncht door de linkse inquisitie. En ook, professor, er wordt in die kringen nog vaak gekoketteerd met mister monster Mao. Ondanks dat met bloed doordrenkte boek, respecteer het alsjeblief.

Martin Pulaski: Marlon, je blijft rond de pot draaien én insinueren. Ik heb geen kunstfoto van Mao op mijn blog geplakt. Het gaat om een goedkope affiche van dat heerschap die als ‘prop’ werd gebruikt om een ironisch tafereel – ter bespotting van het maoïsme en uniformen op te bouwen. Jij laat uitschijnen dat ik een kunstfoto van Mao zelf heb gemaakt – waar op zich zelfs niets eens iets mis mee is, de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer werkte meermaals met de Hitler-figuur, Hans-Jürgen Syberberg deed hetzelfde, zonder dat iemand daar aanstoot aan nam – terwijl die Mao slechts een ironisch onderdeel van het geheel is (in de ondertitel wordt hij zelfs ‘electric chairman’ genoemd, zegt dat dan niet voldoende?). En nu ga je mij al – zij het onrechtstreeks met het VB associëren.
Van een linkse inquisitie in België weet ik overigens niets, staat daarover iets in de recente pers? Naar mijn weten pleiten sociaal-democraten ook niet voor de doodstraf. Maar wellicht ben jij beter geïnformeerd, wereldwijs als je bent. Ik denk dat een heer van stand ten minste zijn verontschuldigingen zou aanbieden, na het uiten van zoveel koppig volgehouden onjuistheden ten overstaan van een “wereldvreemd sujet”.

Evy Zinnen: Waarom dat strikje?

Martin Pulaski: Evy, wat had die strik te betekenen? Ik moet diep nadenken, want het gaat over iets dat ongeveer honderd jaar gelegen plaatsvond.
Die Mao-poster kwam uit een Chinese winkel in Sint-Joost. Ze hadden daar ook zeer grappige propaganda-posters. Een beetje zoals taferelen van heiligenlevens of van Jezus de heer. We vonden die Mao-poster wel grappig. De naïviteit van dat sociaal-realisme.
Ik heb sinds mijn kinderjaren een hevige afkeer van uniformen, ook van Chinese. Om dat Mao-uniform, dat op zich al belachelijk was, nog belachelijker te maken, had mijn vriendin daar zo’n strikje op gekleefd. Ligt dat niet voor de hand?
Die poster heeft daar – dat moet ik toegeven – een paar weken gehangen. Onze vrienden moesten er hartelijk om lachen. Daarna heb ik er de elektrische stoel van Andy Warhol gehangen.

Marlon Vanco: Martin, bedankt voor je uitleg achteraf. Maar waarom zou ik mij moeten verontschuldigen? De foto die aanleiding gaf tot een dubbelzinnige interpretatie stond toch op jouw blog. De duiding is geschied, het was dus om te lachen. Ik heb die seventies nooit grappig gevonden, de humor van dat intellectueel sérieux is mij steeds ontgaan. Ik ga simpel verder, volks en solo. Dag jong.

Eva Vanhoorne: (Zonder iets te willen insinueren maar… (-; )Is er een reden dat je zo hevig reageert, Martin?

Martin: Ja, Eva, er is een gefundeerde reden waarom ik zo hevig reageerde. Insinueren dat iemand het tegenovergestelde is van wat hij is, is een bedenkelijke tactiek, die me onder meer aan de schijnprocessen in de voormalige Sovjet-Unie doet denken. Dat wekt zeer terecht mijn verontwaardiging. Ik heb dat trouwens allemaal al uitvoerig uitgelegd. Maar ik vind – inderdaad – dat ik er nu voldoende woorden in heb geïnvesteerd. De hele zaak zal nu wel duidelijk zijn. Maar wat het voorbestaan van zulke tactieken betreft, ben ik pessimistisch.
Wat wou je eigenlijk niet insinueren, Eva?

Eva Vanhoorne: Ik bedoelde gewoon dat een mens zich meestal pas echt aangevallen voelt als 2 voorwaarden vervuld zijn:
a) de aangevallene de aanvaller een zekere autoriteit (recht van spreken, intelligentie, inzicht…) verleent (kwestie van te kunnen raken)
b) een kern van waarheid zit in wat de aanvaller insinueert en/of de aangevallene in het verleden een soortgelijke insinuatie te horen kreeg.
Maar je moet je niet aangevallen voelen door mij, hé. Ik ben een simpel meisje en observeer gewoon dat de reactie mij nogal disproportioneel tov de actie lijkt. Tenzij er achter de schermen ook vanalles is geschreven of gezegd, natuurlijk.

Martin Pulaski: Eva, hoe kom je aan voorwaarde b)? Mij lijkt verontwaardiging net zeer gerechtvaardigd als er geen kern van waarheid in de bewering zit, maar als het om een type bewering gaat die voor de gemeenschap en voor het vrije woord ernstige implicaties heeft en zelfs gevaarlijk kan zijn. Ergens in de polemiek stelde Marlon Vanco de vraag of “zoiets wel geoorloofd is” (doelend op een kunstwerk, of iets wat door de maker als een kunstwerk wordt beschouwd). Een zeer gevaarlijke uitspraak vind ik dat, en ik vind dat ik daar zeer terecht op heb gereageerd. Maar je hebt gelijk: het is buiten alle proporties. Waarschijnlijk tref je hier sporen aan van de kritisch-paranoïde methode.

Evy Zinnen: Volgens mij liep deze polemiek van in den beginne verkeerd; de 3 ‘fameuze bedenkingen’, zoals Marlon ze zelf noemde.
We moeten verder kijken dan onze neus lang is. Minstens proberen. Onderwerp van de week.

Martin Pulaski: Ik begrijp niet goed wat je bedoelt, Evy. Ik dacht niet alleen aan mezelf, hoewel ik me beledigd voelde. Ik dacht zeker ook aan de maatschappelijke implicaties van de uitspraken van Marlon Vanco. Het vrije woord, de vrijheid van de kunstenaar, en zo van die dingen. Bovendien stoorde ik me zeer aan de tactiek – typisch voor autoritaire en paranoïde karakters – van de insinuatie. Ik probeer de dingen zoveel mogelijk in een ruimere context te plaatsen, wat me uiteraard niet altijd lukt.

Evy Zinnen: Neen, Martin, ik had het hier ook niet enkel over jou. Ik bedoelde dat ik vind dat Marlon’s opmerkingen onvoldoende gefundeerd zijn. De maatregelen die Cassiers genomen heeft zijn waarschijnlijk niet zijn individuele beslissingen. Bovendien is hij niet de eerste in de toneelwereld die dergelijke ‘strategie’ toepast. En er zijn acteurs die ‘afvloeien’ maar er zijn ook nieuwelingen in de ‘poule’ van het Toneelhuis, waaronder, bijvoorbeeld, Dirk Roofthooft. Zie artikels in de pers. Ikzelf heb ‘Mefisto’ niet gezien. Maar ik vermoed dat de context veel ‘breder’ is dan enkel maar die van het ‘duidelijke’ extremisme, meerbepaald de verdokenheid, de hypocrisie, het gevaar dat kunstenaars (gewild en soms ongewild) partij kiezen en die boodschap verdoken uitdragen in hun kunst. De maatschappelijke implicaties, zoals je zelf schrijft. Vermoed ik. Vérstrekkende maatschappelijke implicaties zelfs. Wat betreft Mao moeten de kleine lettertjes gelezen worden. Die vragen een beetje moeite. Ze staan overal. Klik klik en scroll scroll. Het hangt trouwens samen met Mefisto. Mijn bescheiden mening.
Tenslotte wil ik nog zeggen dat ik me in feite niet in deze polemiek wou mengen (Wat ben ik hier dan aan het doen?). Ze gaat zelfs mijn petje te boven omdat ik bijzonder weinig weet over toneel en kunst in het algemeen.
Maar ondertussen heb ik weer wat bijgeleerd. Hier en elders. Als een kip zonder kop misschien. Dan is dat maar zo. Maar ik heb net even gekeken en hier zijn geen kippen, wel bij de overburen, dat zijn boeren. 😉

Foto: Martin Pulaski, Daphne & Mao

WERKEN IN DE MUZIEK

Bartók

Over enkele uren vertrek ik weer naar Antwerpen voor mijn maandelijks radioprogramma. Alleen al het idee naar mijn geliefde geboortestad terug te keren stemt me vrolijk, ook al is ze zo erg besmet door het haat en negativisme predikende Vlaams Blok (waar niemand enig belang bij heeft). Die politieke situatie wil ik vandaag echter vergeten. Ik word er enkele uren lang mijn andere, opgewekte zelf, dat van dj op radio centraal, en ontmoet nog een keer mijn goede vrienden.
De schrik om bij terugkeer ’s avonds laat op de trein beroofd te worden zit er wel in, maar ik probeer er zo weinig mogelijk aan te denken. Ik ben wel alert. Wantrouwen heeft zich meester van me gemaakt. Je moet altijd op je zaken letten. Mijn identiteitskaart kan niet worden gestolen, want die heb ik nog niet. Ik neem ook zo weinig mogelijk mee. Een iPod kan niet meer, dat is veel te gevaarlijk. Ik heb het niet over schrik om overvallen te worden in Antwerpen. De fascisten zijn niet gevaarlijk op dat vlak, voorlopig toch nog niet. Ik heb het over de schrik bij mijn terugkeer in Brussel; de stations Brussel-Noord, Brussel-Centraal en Brussel-Zuid. Alledrie spuuglelijke stations overigens, maar ook die wil ik buiten beschouwing laten. In ieder geval is het een herademing in Antwerpen Centraal aan te komen. Die grote open hal is voor mij een symbool van gastvrijheid. Het is alsof de stad mij met open armen ontvangt.

Vandaag is mijn programma gewijd aan het thema werk en jobs. Doordat ik een voorkeur heb voor Amerikaanse populaire muziek (country, blues, r&b, soul, folk, enzovoort) zijn de beroepen ook nogal Amerikaans geaard. Wat betekent voor de doorsnee Europeaan een ‘state trooper’, een ‘brakeman’, ‘pick a bale of cotton’, een ‘moonshiner ‘of de ‘new york mining disaster 1941’? Sommigen kennen dat allemaal wel, door de muziek, of dankzij de film, maar het maakt mij niet uit. Ik wil gewoon een goed en goed samenhangend programma maken. Anderen zullen wel aandacht besteden aan typisch Europese, Belgische en Vlaamse verschijnselen. Ik ben zeer sterk gehecht aan de Europese cultuur (Parijs, Wenen, Berlijn), maar naast die Europese Dr. Jekyll ben ik ook een Amerikaanse Mr. Hyde; mijn ziel vloeit over van de americana, ook al verafschuwt zelfs de Mr. Hyde in mij de Amerikaanse president en zijn trawanten. Americana is de cultuur van de ‘gewone’ Amerikaanse mensen, bijna allemaal immigranten. Van al deze mensen hebben er maar weinig voor Bush gestemd. Klootzakken vind je natuurlijk overal, net zo goed in de Verenigde Staten als bij ons. Maar ik houd met hart en ziel van al die hybride muziekvormen die de Amerikaanse bevolking in haar korte geschiedenis heeft voortgebracht. Exemplarisch is de muziek van Bob Dylan, die eigenlijk een synthese is van al die verschillende vormen. Zijn Modern Times brengt dat hybride weer voortreffelijk ten gehore.
In Budapest hoorde ik nogmaals hoe Béla Bartok zijn composities baseerde op de volksmuziek van zijn land, van Transsylvanië, maar ook van Turkije (waar hij opnames maakte). Het maakt niet uit welke muziek een muzikant speelt, zegt Bartok, alleen moet hij het kunnen en het goed doen, anders brengt hij er niets van terecht, niet in de ‘klassieke’ muziek en niet in de ‘volksmuziek’. Zelf maak ik niet eens dat onderscheid. Is het nodig, moeten we categoriseren, hiërarchieën aanbrengen om de werkelijkheid te begrijpen? Of moeten we ons net tegen dergelijk indelingen – het hokjesdenken – verzetten? Stof om over na te denken, maar niet nu, want ik ben gehaast, ik zie de treinbestuurder al aanstalten maken om te vertrekken.

Foto: Béla Bartok

HERBEGINNEN

poezieavond,muziekdoos,pauze,stilstand,antwerpen,herman j  claeys,marc tiefenthal,bart van peer,kaatje wharton,lieve mensen,vrienden,foto,martin pulaski

Waar herbeginnen? Het is alsof ik na de poëzieavond in de Muziekdoos in Antwerpen ben stilgevallen. Ik heb het niet over writer’s block of iets dergelijks, want ik weet dat het allemaal terugkomt. Misschien heb je dat leeg gevoel, die tijdelijke stilte wel nodig.

Hoewel ik het in café de Muziekdoos zeer naar mijn zin had, kan ik op dit ogenblik weinig kwijt over mijn eigen optreden en dat van de andere dichters (onder wie echte meesters in het vak). Wat ik ik nu wil doen, voor ik het nog zou vergeten, is iedereen die er bij was hartelijk bedanken. Natuurlijk Stichting Pipelines / De Muzeval die me uitnodigde, en in het bijzonder Herman J. Claeys, Marc Tiefenthal, Bart van Peer en Kaatje Wharton die me echt in de watten hebben gelegd. Lieve mensen! En natuurlijk mijn trouwe vrienden, zij die er bij waren en zij die er niet konden zijn. Ik wil meteen van de gelegenheid gebruik maken om Evy en Iris te bedanken voor hun interesse. Ze waren graag gekomen maar waren verhinderd. En Marc, die me moed insprak. Tot de volgende keer.

Foto: Martin Pulaski, door Agnes Anquinet

PERFORMANCE IN DE MUZIEKDOOS

Geen tijd voor nieuwe zaken vandaag. Syd Barretts dood neemt mijn gevoelens nog in beslag. De onzin die over de man werd en wordt geschreven! Op de voorpagina van het vodje dat Metro heet bijvoorbeeld.
Iets geheel anders is mijn optreden vanavond. Plankenkoorts, onzekerheid; twijfel of ik er wel goed aan doe nog eens in de ‘openbaarheid’ te komen. Voor iets nieuws is er geen tijd, geen geestelijke ruimte. Er is nochtans veel te zeggen, onder andere over die kleine polemiek naar aanleiding van mijn stukje over Slavoj Zizek. Maar niet nu.

Lezers van Hoochiekoochie die naar me willen komen luisteren: ik lees vanavond om 8 uuur voor uit ‘eigen werk’ in café de Muziekdoos, Verschansingstraat 63, in Antwerpen-Zuid. Een muziekdoos maakt normalerwijs muziek. Dat zal vanavond niet anders zijn.

GESPREK MET CHRISTA PAFFGEN

Voor Marco Polo

In die tijd kende Zwart alle titels van zijn boeken uit het hoofd, vond betekenis in zijn dromen en sprak zijn geliefde vrouwen bij hun voornaam aan. Dat vertelde hij op een late zomeravond in café De Kat tegen ‘Nico’. Hij zei dat hij – ook in die tijd – met ‘Kevin Ayers’ kreeft had gegeten, Gewürztraminer gedronken en Frans gesproken. “Puis je m’asseoir près de toi” had Kevin Ayers gezegd. “‘No kidding” had Nico geantwoord. En daarna: “Deutschland über alles”.
“Kindness I suppose”, zei Zwart, maar hij besefte meteen dat hij met zulke onzin aan het verkeerde adres was. De conversatie was afgelopen; in weerwil van haar traagheid snelde de donkerharige vrouw, als een bliksemflits op de purperen heide, de deur uit, haar harmonium aan haar zoontje ‘Ari’ toevertrouwend.

Later diezelfde nacht strompelde Zwart door de Venusstraat, vond zijn hotelkamer terug, zijn vrouw lag al in bed met twee vertrouwde gezichten waarvan de namen ontbraken. Hij had ze nochtans uren tevoren op alfabet op zijn planken gezet.

VALT IJSLAND NOG TE REDDEN?

deborah4

Zaterdag 24 juni ga ik wellicht nog een keer naar mijn geboortestad. In Antwerpen, in de omgeving van het Eilandje, vindt er die dag een muzikale benefiet met bands uit IJsland plaats. De opbrengsten van het evenement gaan naar de oganisatie Saving Iceland, die zich verzet tegen de zware industrialisering van het eiland, dat nu nog tamelijk ongeschonden is. Ik ben er nooit geweest, maar foto’s die ik er van heb gezien en wat er mij over verteld is hebben mij veel zin gegeven om er – nog voor de verwoesting die de multinationals er misschien zullen aanrichten – naartoe te trekken. Of kunnen ze toch nog worden tegengehouden? Valt IJsland nog te redden?
Het evenement begint om 19 uur, met een documentaire. Om 20.30 uur volgen de concerten.

Foto: Deborah Anné in Ijsland. De fotograaf ken ik niet.

BRUSSELSE NACHTEN

Het ware drukke dagen, maar een soort dorheid had zich daarna van me meester gemaakt. Dat gebeurt wel vaker, ik geloof ten minste één keer per week, maar ik houd het niet nauwlettend in de gaten. Vrijdag was het ongewoon druk op het werk. ’s Avonds ben ik gaan drinken en lekker eten met lieve vrienden (die ook ex-collega’s zijn). Ze zijn jong en weten zo buitengewoon veel dat ik soms denk dat ze hun ziel aan de duivel hebben verkocht. Meermaals vraag ik me af of ik dat niet beter zelf zou doen. Maar de vraag is of ik wel een ziel heb, ik ben geen katholiek, ik ben niet eens gelovig (tenzij je goedgelovigheid ook een geloof noemt). Ik geloof wel in de ‘ziel’ van de muziek, het ritme, de beweging, ook de ‘geestelijke’ beweging die ze veroorzaakt lijkt mij te bestaan, de ontroering, de vervoering. Daar geloof ik allemaal wel in. Maar een eigen ziel die ik zou kunnen verkopen, zoals Faust? Ik betwijfel het.

Laten we echter terugkeren naar de Greenwich. We zitten daar dan te praten en te luisteren en na een tijdje vergeet je wie wat weet, het heeft geen belang meer, er vindt een transcendentie van het ego plaats. Dat kan wel even duren, maar je komt natuurlijk altijd wel weer terug bij jezelf terecht. Nog een geluk, anders zou je niet meer kunnen functioneren in de gemeenschap van volkeren.
Ik zal geen poging doen om de conversatie hier te reconstrueren, veel meer dan zeven procent herinner ik er mij overigens niet meer van. We hadden het onder meer over Peter Sloterdijk en Geert Mak. Dat dat boek van Geert Mak over Europa zo moeilijk leest in bed. Dat Sloterdijk geen eenvoudige jongen is. Je kunt hem nergens bij indelen, hij hoort nergens thuis. En andere diepzinnigheden. Dan komt het moment van afscheid, mijn vrienden moeten naar huis, mij lokt de stad met haar bekoringen.

In café Kafka ontmoet ik een zielsverwant, al is het niet Kafka, zelfs niet Kamiel. Ik kan hem moeilijk ‘vriend’ noemen omdat ik hem nog maar twee weken ken. Maar ik noem hem toch maar zielsverwant. We houden onder meer van dezelfde muziek. Cat Power, Alexander Spence. Ik dacht dat ik de enige Belg was die Alexander Spence zelfs nog maar kende. Wat heb ik mij vergist. Vrijdagnacht in café De Monk bleek dat deze man zelfs de songs van Spence kon zingen, wat ik zelf niet eens kan. Ik kan helemaal niet zingen. In een van die liedjes van Alexander Spence (die ook Skip heet) komt de zin: ‘I’ve searched everywhere in heaven, but I’ve never found a friend like you…’ Ondertussen dronken we Orval, geloof ik, of was het Tripel van Westmalle? Ik denk Orval, niet omdat ik dat bier lekkerder vind, maar omdat het minder straf is dan de heerlijke Tripel. Ja, dit klinkt weer als een opstel. Zou ik het niet over een andere boeg gooien?

Die nacht heb ik in een droom zo liggen schaterlachen. Dat heb ik gisteren al verteld. Werklozen liepen in een processie en droegen elk een of ander grappig voorwerp. Een eindeloze stoet was het, op weg naar het stempelkantoor. Vroeger, nog in de jaren ’80 van de vorige eeuw, moesten werkloze Belgen elke dag op een ander uur een stempeltje gaan halen in een stempelkantoor. Ik heb dat zelf lang moeten doen. Vreselijk vernederend was dat. We moesten in dat kantoor in een rij gaan staan, op nummer! Nazi’s hadden het niet beter kunnen bedenken. Ik ben de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening er nog altijd dankbaar voor dat hij mij niet heeft vergast. Ik ben nu zeer ernstig. Het waren volgens mij zulke mensen als daar toen werkten die de Endlösung hebben bedacht. In ieder geval heb ik, in tegenstelling tot vrijdagnacht in mijn slaap, als werkloze nooit gelachen, toch niet als ik in de rij stond.

Trappist is lekker bier maar het is ook vergift. Over zaterdag kan ik daarom kort zijn (en over zondag ook). Ik had een flinke kater en in die toestand moest ik naar Antwerpen voor mijn radioprogramma. Ik neem in zo’n geval wat pilletjes tegen misselijkheid en braakneigingen. Anders zou het bijvoorbeeld kunnen gebeuren dat ik op het mooie pak van de kaartjesknipper overgeef, en daarvoor ben ik veel te goed opgevoed. De treinreis leek drie keer zo lang te duren. Misschien is dat een nevenwerking van die pilletjes? Eens in Antwerpen loop je dan dan misselijk over de Meir, tussen al die prille zonnige winkelende meisjes. Het is een verschijnsel dat ik heel sterk met Antwerpen associeer, prille zonnige winkelende meisjes. Vervolgens wat nachos met een glas bier; mijn vriend PG in hogere sferen; toch nog een radioprogramma maken dat enige samenhang vertoont; konijn met pruimen en abrikozen bij de vrienden; met een vroege trein weer naar huis.

Gisteren voornamelijk zitten suffen en me laten deprimeren door een programma op de VPRO over vrouwenhandel. Zonder enige glamour, gelukkig – maar wel een wakende nachtmerrie.

TWEE SPEEDFREAKS

playboy,jos d,vriendschap,foto,martin pulaski,speed

De betekenis van vriendschap. Jos D. en Pulaski: sneller dan het licht in 1980.

Jos kocht altijd de Playboy, voor de interviews…. Die maand stond er een interview in met Sartre. Zelf was ik niet zo gek op die lelijke schrijver, maar Jos vond dat ik absoluut ‘Les chemins de la liberté’ moest lezen. Dat Sartre aan de amfetamine zat gaf de doorslag om zijn boeken op zijn minst te doorbladeren.

HOE LUCINDA WILLIAMS IN MIJN LEVEN KWAM

Niemand ‘ontdekt’ iemand zomaar vanuit zichzelf. Wie is de eerste? Wie zal het zeggen? Ooit gaf een werkgever mij een boekje getiteld ‘Waar komen de juiste ideeën vandaan?’, ontsproten aan het brein van voorzitter Mao. Ik heb het nooit gelezen, saai en taai geschreven als het was. Eén zin volstond om tientallen onvruchtbare ideeën in slecht geformuleerde frasen te laten emaneren. Met alle respect voor voorzitter Mao’s zwemcapaciteiten en de goede bedoelingen van mijn toenmalige werkgever, die overigens zelf aan de culturele revolutie had ‘deelgenomen’. (Van hem heb ik geleerd om een goede knoop te leggen.)

Wat betreft Lucinda Williams weet ik wel zeker wie mij voor de eerste keer over haar sprak, en mij zelfs een elpeehoes van haar toonde, en mij naar de erin verpakte elpee liet luisteren. Het was Guido P., alias Teddy Bear, met wie ik nu nog steeds een radioprogramma maak. Hij is dan ook niet de eerste de beste. Hij is mijn beste vriend. De plaat – toen nog op vinyl, zo oud zijn we dan ook al weer – had als titel gewoonweg ‘Lucinda Williams’ en er stonden enkele songs op die mij toen kippenvel bezorgden: ‘I Just Wanted To See You So Bad’ en ‘Am I Too Blue’. Guido P. en ik verloren elkaar daarna enkele jaren uit het oog. (Dat was in de jaren ’80 in Antwerpen. Vanwege de verveling daar verhuisden we in 1991 naar Brussel.)

In september 1992 was ik in New York. Lucinda Williams was toen uit mijn geheugen verdwenen, ik had er geen muziek van in huis. Er was wel een concert van de prettig gestoorde Victoria Williams, bij wie toen net MS was vastgesteld. Zij was de liefste vrouw van de wereld en iedereen wilde een bijdrage leveren om haar te helpen genezen. Alleen was haar concert uitverkocht. In de Village Voice zagen we dan dat er nog een zekere Lucinda Williams optrad, ook ergens in Manhattan, niet te ver van ons hotel. Ik dacht meteen aan het lied ‘Lucinda’ van Randy Newman, niet aan de plaat die mijn oude vriend me had getoond en laten beluisteren. Lucinda Williams was toen – gelukkig voor ons – nog niet beroemd: er waren nog kaartjes. Een onvergetelijk concert was dat! De engelachtige jongen David Mansfield speelde viool. David Mansfield kenden we van bij Bob Dylan. Hij speelde ook mee in ‘Heaven’s Gate’ van Michael Cimino, een van mijn favoriete films. Die avond is Lucinda Williams mijn heldin geworden. Ik weet niet welke rol zij speelt in mijn leven… De zus die ik nooit heb gehad, misschien? Met wie je tot 2 uur ’s nachts kan zitten drinken in een bar een sentimenteel doen en sigaretten roken als je al twintig jaar gestopt bent?

HERINNERING AAN DOUG SAHM

Een beeld van een herinnering. Het beeld is de herinnering. De onophoudelijke strijd tegen het vergeten. In memory of wasted days and wasted nights. Doug Sahm in Hof Ter Lo. Een levende jukebox met een ziel. Jos en Leo en ik waren daar toen. Ik viel op m’n rug met drie glazen bier.

muziek,hof ter lo,antwerpen,herinnering,pop,doug sahm,foto,dak,jos d,leo,laura,jukebox

Op het dak haar rode benen onder het blauw van de hemel. Die zie je niet op de foto, die hemel. Ik zie hem wel. Nu, in de vuile donkere lucht. Nu in de miserie van de slechtere tijden. Ik postte dit gisteren al, maar de techniek liet het afweten. Wat hier stond was niet wat ik wilde zeggen. Wat wil ik zeggen? Wat wil ik betekenen?

SCHIJN BEDRIEGT: IL CATALOGO E QUESTO

IMG_2170

Natuurlijk vergeet ik dan heel wat hartendieven over wie ik evenmin een boekje opendoe. (Dit is overigens geen roddelrubriek, al kan het daar soms wel eens op lijken). Marc en Annick uit Antwerpen. Annick is een styliste en heeft een mooie klerenwinkel. Marc is dj-vrijwilliger op onze feestjes, en zoveel meer. Dank zij deze vienden hebben wij Essaouira en de Villa Maroc leren kennen. Theo en Anne-Marie ken ik nog niet zo lang, maar er is nog veel toekomst voor onze vriendschap. We gaan graag samen naar concerten. David en Els, want ‘nieuwe’ vrienden mag ik ook niet vergeten. Natuurlijk vertel ik niets over Leo, een denker. We hebben, lang geleden, in dezelfde straat gewoond en samen naar Im Lauf der Zeit gekeken op televisie. We hebben (samen met Flor, bijna over het hoofd gezien) tequila leren drinken in het Hard Rock Café aan het Fernand Cockplein. Dat bestaat niet meer. Misschien nog een geluk dat het niet meer bestaat. Er bestaan nogl voldoende Hard Rock Cafés en ze zijn allemaal hetzelfde. Niet beter dan een McDonald. Over de kunstenares Maria D zeg ik al helemaal niets. Geen woord. Het mag niet. Guido uit Lot. Talloze concerten gedeeld met Guido (Van Desmond Dekker tot Gillian Welch). Joost, de koning van de straathoekwerkers. Menchu, de prinses van Cadiz. Nico, de ecologista en Kiko, de arabist en verhalenverteller, beiden uit Cadiz. Katrin L. met wie we Londen, Parijs en Madrid verkenden en die we misschien nooit meer terugzien. Katrin, dat mag niet gebeuren! En waar zijn Ilse en Ton? Waarom niets over hen? Van Ilse staat er wel een foto op flickr, met een grote pompoen. Johny en Corine, Afrika-reizigers, situationisten, gewetenschoppers. Ria, kunstenares, van de Antwerpse en Romeinse nachten. Guillaume, een beroemd kunstenaar, een man met een warm hart. Koen P, Annick F, Sonja D, Sonja S (waar zit jij eigenlijk en je Jan?). Max, met wie ik altijd afspraken maak die nooit ergens toe leiden. De kameraden van Bureau des Ports. Harry en Herman en Gigi. Sabine en Tinneke. Martine, die al jaren door haar persoonlijk hel gaat. Tonko (dichter, professor) en Arlette. Ik word er moe van. Zoveel stiltes, zoveel ademnood, zoveel onuitgesproken gedachten, zoveel goeds, zoveel dagen, zoveel nachten. Zoveel leven in één leven. En dit is niet het einde. Het einde is niet in zicht.

Foto: vrienden

GEEUWEN BIJ AL DIE SCHOONHEID

We zitten al de hele middag te drinken, mijn vriend Alfred en ik. Zoals veel van mijn vrienden en kennissen is Alfred het leven beu. Optimisten (en eigenlijk al degenen die geslaagd zijn in hun carrière) hebben mij om een of andere reden al lang de rug toegekeerd. Bestel nog een glas wijn, is Alfreds leuze, want het leven is niets en de wereld heeft mij niet nodig.

’s Avonds in café de Kat laat ik Alfred even aan zijn lot over om dag te gaan zeggen tegen Ronald, een vermolmde architect, die in de jaren zestig zijn laatste huizen heeft ‘gebouwd’. Ik wijs – niet al te opvallend – naar Alfred en leg uit dat hij diep in de put zit. Ronald haalt zijn schouders op.

“Niemand mag sterven, Ronald”, zeg ik.
“Laat ze allemaal maar zelfmoord plegen”, zegt Ronald. “En trek het je niet aan, als ze het willen doen ze het toch”.
Terwijl we zitten te praten loopt Alfred De Kat uit en roept, zonder echter zijn stem te verheffen, “ik wil sterven”. Ik ga hem achterna, grijp hem bij zijn mouw en trek hem weer het café binnen. Ondanks zijn duidelijke afkeer van alles wat hij nu een tweede keer ontwaart gaat hij gewillig op een wankele stoel zitten.
“We nemen meteen een taxi”, zeg ik. “Eerst bestel ik nog een rondje voor Ronald en zijn vrienden”.

“Ben jij wel van Antwerpen?” vraagt de pooier van een blondje (ongeveer 19 jaar, groene ogen). Waarschijnlijk is hij geen pooier, maar ik vind het prettig hem zo te noemen. Had hij maar niet dat felblauw zijden hemd moeten aantrekken. En dat hij het meisje behandelt alsof ze zijn poedel is kan ik al helemaal niet hebben. Na één seconde haat ik deze man reeds en heb ik zin om hem een vuistslag te geven. Jammer dat ik niet sterker ben. Een goedgeplaatste vuistslag zou nochtans veel oplossen. Maar in de Kat houden ze mij voor een intellectueel. Het soort dat niet vecht. Bovendien doe ik niets aan mijn conditie, draag ik een bril en ben mager, allemaal zaken die weinig efficiënt zijn als het op vechten aankomt.
“Ik ben van Brussel en van Antwerpen”, antwoord ik zo vriendelijk mogelijk.
“Daar heb ik ook gewoond, in Brussel”, zegt het blondje.
“In Brussel was alles beter”, voegt ze er aan toe.
“Overal was altijd alles beter”, zeg ik.
Ze kijkt me boos aan. Heb ik iets verkeerds gezegd?
“Ik wil zelfmoord plegen”, kreunt Alfred.
“Laat hem toch zeuren”, zegt Ronald, “het is nog te vroeg voor je taxi”.
“Overal was altijd alles beter”, zeg ik, “overal!”.

Een Indiër met bloemen komt het café binnen. Niemand is geïnteresseerd in zijn koopwaar. Ik wel : het tafereel roept een vaag gevoel van herkenning in me op, het is alsof ik gedwongen word de man aan te spreken en te zeggen wat ik zeg.
“Hoeveel voor zo’n roos?”, vraag ik.
“Een euro”, zegt hij.
“Vijftig cent”, zeg ik. Ondertussen vraag ik me af: voor wie?
“Negentig”, zeg de Indiër.
“Vijftig”, houd ik vol.
“Tachtig”, zegt de Indiër.
“Vijftig”.
“Zeventig”.
“Vijftig”.
“Zestig”.
“Vijftig”.
“O.K.”, zegt de Indiër, “vijftig frank voor deze mooie roos”.
Ik voel me zo sterk door deze overwinning dat ik me afvraag of ik de pooier toch maar niet in zijn gezicht zal slaan. De roos geef ik aan Lydia. Aan wie moet ik ze anders geven? Lydia is natuurlijk verbaasd. Al die jaren dat ik in haar café kom heb ik nauwelijks het woord tot haar gericht, laat staan haar iets gegeven, en nu dit.
“Waarom geef je mij een roos?” vraagt ze.
“Omdat ze in mijn hand verwelkt”, zeg ik. “Lydia, ik woonde graag in Antwerpen. Dit is altijd mijn heilige stad geweest. Je had al veel meer bloemen van mij moeten krijgen, al was het maar om de tijd te verzachten”.

Pieter De Zwaan komt naar me toe. We begroeten elkaar.
“Je bent wel dik geworden”, zeg ik.
“Vind je?”, vraagt hij.
“Wel zeker”, zeg ik, “erg dik. Als ik ooit een acteur zoek voor mijn versie van Pere Ubu, weet ik bij wie ik terecht kan. A propos, ken jij die pretentieuze kerel daar, met dat brilletje op zijn neus? Nu ja, ik heb ook wel een brilletje op. Maar dat is toch nog een ander brilletje, als je het mij vraagt. Ik heb zin om die man een pak slaag te verkopen. Vooral vanwege dat zijden hemd dan”.
“Je moet dat doen”, zegt Pieter. “Het is een klootzak. Een echte chauvinist. En hij is niet eens van Antwerpen !”
“Dat is gemakkelijk gezegd”, zeg ik. “Maar kan ik die man nu in mekaar rammen, terwijl mijn vriend Alfred daar zelfmoord wil plegen?”
“Wil Alfred zelfmoord plegen?” vraagt Pieter.
“Ja”, zeg ik. “Ik breng hem meteen naar huis, met de taxi. En daarna neem ik in Berchem de junkietrein die van Amsterdam komt. ”
“Je moet nooit bang zijn”, komt Ronald ertussen “Dat is nergens goed voor. In Brussel moet je ook niet bang zijn. Je moet brutaal zijn. En brullen. Als je brult, weten ze dat je niet bang bent. Je moet brullen zoals je hier in Antwerpen hebt gedaan toen die motorrijder je vriend omver wilde rijden”.
“Ja, dat is waar”, zeg ik, “die sonofabitch is wel even geschrokken”.

(Op weg van de Volle Maan naar de Kat had een verschrikkelijke kerel op een Honda geprobeerd Alfred omver te rijden, zij het zeer traag. Vlakbij de kathedraal nota bene ! Ik ben heel luid beginnen te brullen dat hij een verdomde klootzak was. Daarop is hij zo vlug als hij kon met zijn Japans monster op de vlucht geslagen.)

Alfred staat op, neemt een aantal briefjes van twintig uit zijn jas en werpt die op de vloer. Ik raap ze op en geef ze hem terug. Nu is het echt wel tijd voor de taxi.
Als we aan het station van Berchem aankomen heb ik nog twee minuten voor de trein naar Brussel vertrekt. Ik geef Alfred twintig euro, met de bedoeling dat hij zich nog tot voor zijn deur laat brengen, maar hij geeft het geld meteen aan de taxichauffeur en stapt ook uit.
“Zal het gaan?”, vraag ik.
“Ja”, zegt hij”, het is niet ver”.

Op de junkietrein zitten geen junkies, zo te zien. Er wordt zelfs geen joint gerookt. Ik zet mijn koptelefoon op en luister naar Townes Van Zandt:
“To live is to fly high and low…”.

Een uurtje later hang ik op een barkruk in een armemensen-café nabij het Zuidstation. Het bier smaakt er slecht maar de mensen die er rondhangen zien er tevreden uit, ook al is hun smaak even slecht als die van de pils. Een paar oudere koppels dansen op de muziek van de juke box. “Pepito Mi Corazon”, zingt de zangeres van Los Machucambos. Het herinnert me onmiddellijk aan een gedicht dat ik schreef naar aanleiding van de dood van mijn vader (waarin ik hem, met een schipperspet op, zie dansen op “Pepito Mi Corazon”). Het wordt tijd om op te krassen. Dit is mijn verleden. Mijn ware leven is elders. Ik moet bellen naar mijn vriend. Hij mag niet sterven.

In de taxi heb ik een discussie met de Limburgse chauffeur, een uitgesproken racist.
“Die Marokkanen moeten hier weg”, zegt hij. “Ze maken hier alles kapot”.
Ik word niet boos, probeer hem te begrijpen. Maar hem tot een inzicht brengen dat mij juister lijkt, dat lukt mij niet. Voor mijn woning aangekomen zet hij de teller af, om onze discussie voort te kunnen zetten. We praten nog een half uur. Mijn argumentatie is gebaseerd op één idee: als de Marokkanen weg zijn, dan zullen het de Limburgers zijn die alles verpesten. Want dat zijn ook geen echte Vlamingen, echte Vlamin
gen zingen namelijk niet. En het zijn zeker geen echte Walen. Mensen kiezen altijd een vijand uit. Dat probleem los je niet op met de Marokkanen of wie dan ook naar ‘huis’ te sturen.
“De mensen moeten met elkaar leren leven”, zeg ik, “dat geldt net zo goed voor u als voor mij. Ik heb net zo goed een heleboel vijandige gevoelens in mijn lijf als u”. Zal hij hier over nadenken? Ik betwijfel het. Toch geven we elkaar een hand en nemen we op vriendelijke wijze afscheid.

Het is vier uur in de ochtend. Ik bel Alfred op. De telefoon wordt niet opgenomen. Zou hij slapen? Of is hij dood? Wat maakt het uit voor hem ? Het leven is niets. Alleen wij die blijven zullen treuren. En elkaar met tegenzin in de ogen kijken. Op reis gaan naar plaatsen waar iedereen al geweest is, en geeuwen bij al die schoonheid. Alleen wij zullen leugens vertellen. Anders is het leven niets. Alfred is een taaie kerel. Hij kan tegen een stootje.

HEIMWEE NAAR ANTWERPEN

Mooi is de Schelde met de Mamas en de Papas. Boys and Girls Together. Een gelukkige verjaardag voor Koperke. En de volgende keer weer wat filosofie. Antwerpen is een fantastische stad. Hier enkele uren aanwezig zijn is een groot genot. De zon boven de rivier. Leve! Leve!

Maar straks de terugkeer in ballingschap, omringd door onverschillige en vaak gevaarlijke mensen. In the streets where everyone walks.