WONDERLIJKE VISVANGST

boek paul rigaumont 001

“With haunted hearts through the heat and cold
We never thought we could ever get very old
We thought we could sit forever in fun
But our chances really was a million to one”
‘Bob Dylan’s Dream’

Het was een wonderlijke visvangst. Want waren we niet stuk voor stuk wonderlijke vissen gevangen in het net dat Paul gedurende een groot deel van zijn leven met zijn lyrische kleuren en met zijn hersens en geest verzoenende vormen geweven had? Mooi is het om op een zondagochtend zo in hechtenis te worden genomen door de Geest van de vrijheid. Want het visnet – of was het een web? – gaf ons precies dat, vrijheid, in plaats van gevangenschap. Pauls labyrint leidde ons niet naar de Minotaurus maar naar de Geest van de vriendschap. Die hele zondag heeft mij ook in een lyrische toestand gebracht. Dat verklaart meteen waarom ik Geest met een hoofdletter schrijf.
In het atelier waar Paul Rigaumont al die jaren zijn zowel melancholische als vrolijke oeuvre bij elkaar geschilderd had waren wij nu bij elkaar gebracht door een boek waarin dat voorbeeldige werk eindelijk de aandacht krijgt die het verdient. Paul heeft nooit veel aandacht gewild. Hij schilderde liever in de schaduw. Schaduw bij wijze van spreken want net als elke andere schilder had hij meer licht dan schaduw nodig. Dat hij niet in de belangstelling wilde staan betekent niet dat hij – of zijn werk – die niet verdient. Van alle kunstenaars die ik persoonlijk ken verdient hij die het meest. Paul is al drie jaar dood, daar valt niets aan te veranderen. Maar zijn schilderijen zijn springlevend. Omdat zij zo springlevend zijn waren wij, gasten, dat zondag opeens ook. Al waren de akelige dood, de bespottelijke aftakeling en het giftige verdriet eveneens van de partij. Ik denk dat die schamper lachten met mijn idee van vrolijke vissen in een veelkleurige bokaal. Of dat van gelukkige bezoekers badend in het licht van Pauls abstracte doeken. Terwijl op het dak van zijn atelier de regen neerviel en aan onze schoenen nog stukjes geplette kastanjes kleefden.

Oude vrienden die elkaar terugzien – soms na vele jaren omzwervingen, avonturen, verzoekingen, en wat niet nog allemaal – in een warme omgeving: dat is heftig. Ieder van ons heeft zoveel meegemaakt. Talloze herinneringen komen daar binnengewandeld, bijna tastbaar of anders zeker toch latent. Alle mooie momenten, alle pijn, alle verdriet, elke seconde van extase. De muziek van de wereld die in onze hoofden zit. De schoonheid van elke steen en elke bloem die we zagen. De burgeroorlogen die ons woest maakten, die ons tot hoopjes verdriet herleidden, tot niemendalletjes. De nieuwe burgeroorlogen die eraan zitten te komen. Het is niet allemaal schoonheid wat in die hoofden van ons zit. Niet allemaal Tintoretto, Mapplethorpe, Aretha Franklin en Bach. De namen van het lelijke en van het kwaad wil ik nu evenwel niet noemen.
Mijn oude vriend Guillaume Bijl zegt sorry, net als Ronald Gipharts Phileine. Met een glimlach en de mogelijkheid van een verwijzing als resultaat. Ria Pacquée drijft de spot met wat ons ketent en blijft er heel kalm bij, een vrouwelijke Gary Snyder. Een soort van dichter en zenboeddhist was dat, die ik ontdekte in The Dharma Bums van Jack Kerouac. Veel humor bij de andere kunstenaars, en veel raadselachtigheid. Menno Meewis, Michel Kolenberg, Fred Michiels, Anne Niveau, Tamara Van San, Christian Van Haesendonck. Met Christian heb ik doorheen de jaren op een fijne manier samengewerkt. We hebben het literair evenement ‘woorden opgespqbrd’ in De Markten in Brussel georganiseerd en werkten mee aan het tijdschrift Brutaal, onder meer. Christian heeft  vorig jaar samen met Olga, de weduwe van Paul, het initiatief genomen voor het sublieme boek dat ons hier nu samenbrengt: Retrospectief Paul Rigaumont. Bij de opening van deze tentoonstelling in het atelier waar soms ook wild werd gedanst, bij weer een andere voorstelling, bijvoorbeeld van een van de achttien delen Anekdota van Paul Rigaumont, want die boeken waren er ook nog. Of op een nieuwjaarsparty of iets anders dat moest gevierd worden. Of ik ook een bijdrage wilde leveren aan het boek, vroegen Olga en Chris mij. Dat heb ik graag gedaan. Zoveel herinneringen aan Paul. De mooiste en de meest frappante heb ik neergeschreven. Terwijl ik zat te schrijven kwam Paul weer even tot leven. Maar toen het werk af was is hij opnieuw gestorven. Er is niets aan te doen. Zondag leek Eddy Borms zijn lieve vriend met zijn poëtische invocatie heel even uit de dood te kunnen opwekken, maar toen de adem van zijn laatste woord verdampt was, was ook Paul weer weg. Niemand van ons is Jezus, niemand Lazarus. En zoals Eddy later tegen me zei in een kort gesprek over Patti Smith: niemand sterft voor onze zonden.

Menno Meewis overleed plots in Montréal in 2012, alweer zes jaar geleden. Hij is nog altijd aanwezig in de ogen van Liliane, een van die oude vrienden die we al zo lang niet meer zagen. Maar wel alsof de laatste keer gisteren was. Zo is het zo vaak met goede vrienden. Met Ginette hetzelfde. Ook dat waren avonturen. Zij woonde een tweetal seizoenen bij ons, in de Dolfijnstraat in Antwerpen, in de periode dat Agnes en ik met Paul samenwerkten in de Filosofische Kring Aurora. Dankzij de vrienden van Ginette hadden we altijd lekkere verse groenten in huis. Aan de overkant in diezelfde legendarische Dolfijnstraat woonden Leo en Flor, eeuwenoude vrienden. Leo heb ik altijd Job genoemd, ik weet niet of hij dat weet. Net als in 1969 toen hij in mijn testfilmpje voor het Ritcs de Nowhere Man speelde (met een van zijn schilderijen als rekwisiet) gelooft hij nog steeds in de Verwondering. En vooral in de Geest. Flor of Flora, geboren in Congo, is net als Paul drie jaar geleden gestorven. Twee of drie dagen voor haar dood was ze nog springlevend. Verontwaardigd over Wolfgang Schäuble en geestverwanten, over de geldwolven en machtsslaven die de Grieken vernederden en uithongerden. En dan geen woord meer. Gedaan met de flamenco, haar lievelingsdans.

En toch is het waar dat die hele zondag een feest was en dat we gelukkig waren. Zelfs onze vriendin Guche, die er eerst ongelukkig en ontdaan uitzag, ging stralen. Haar levensgezel Wout Vercammen ging er begin dit jaar voor altijd vandoor. Manneke minder, noemde mijn moeder de dood soms. Wat een mooie, poëtische uitdrukking voor zoiets akeligs! Guche die ook Gislinde heet kan buitengewoon goed schrijven; zij heeft een stijl die je nergens mee kunt vergelijken. Absurd, prettig gestoord… geen enkel adjectief is hier toepasselijk. Zij is een fan van mijn werk, maar dat is niet de reden waarom ik haar graag zie. De reden is Guche zelf.
Nu ik fotograaf Marc Schepers terug voor me zie (en op een foto die Agnes van ons maakte) herken ik Theseus in hem. Ongetwijfeld had hij zondag de Minotaurus kunnen doden, maar dat was niet nodig, dat zei ik al, er was geen Minotaurus. En hoewel ik hier lijk te treuren om de doden is dat niet zo, zij waren er allemaal, levend in ons aanwezig, in onze woorden en in onze blikken. Ik heb ze allemaal gezien.
Met mijn oude vriend Jan Van Veen, over hem zou je meerdere boeken kunnen schrijven, dat is in zijn geval helemaal waar, met hem gaat het niet goed. Hij is slecht te been, heeft erge rugproblemen, astma, bronchitis. Roken is nergens goed voor. Maar het is nu te laat voor lesjes moraal. Straks ga ik hem bellen. Hij was zo vlug weg dat ik niet eens met hem heb kunnen praten. Heel even overviel mij een immense tristesse. Maar kort daarna zaten wij, opnieuw vrolijke vissen, in een pizza-aquarium met onze vissenmonden wijn te drinken en te praten en te lachen, alsof we nog altijd met zijn allen in die kamer van onze prille jaren zaten, waar Bob Dylan over zingt in ‘Bob Dylan’s Dream’, terug te vinden op het meesterwerk The Freewheelin’ Bob Dylan, dat ook over ons gaat, over onze generatie, over de mensen die we toen waren en die we nu zijn.

2018-09-23-paul rigaumont opening 005 (2)
2018-09-23-paul rigaumont opening 006 (2)2018-09-23-paul rigaumont opening 015 (2)

Foto’s: Agnes Anquinet / Martin Pulaski

HET GRENSOVERSCHRIJDEND GEDRAG VAN THE SLITS

‘Cut’ [1], het wonderlijke debuut van The Slits, verschijnt op 7 september 1979. Op 4 mei is Margaret Thatcher premier van Groot-Brittannië geworden, een gebeurtenis waarvan we ook in ons land nog steeds de gevolgen ondervinden. Privatiseringen, afbraak van de sociale zekerheid, verarming van de armen en de lagere middenklasse, verrijking van de rijke parasieten. Iran wordt een islamitische republiek, geleid door ayatollah Khomeini. Ook die religieuze revolutie heeft tot nu toe in ons land en op wereldvlak verstrekkende gevolgen. Ondanks massale demonstraties [2] gaat de Belgische regering akkoord met de plaatsing van 48 kruisvluchtwapens op de Belgische vliegbasis Florennes. De eerste Walkman komt op de markt.

Ik woon op dat ogenblik al twee jaar in de Dolfijnstraat in Antwerpen. Over mijn toenmalige habitat en levensstijl heb ik al eerder geschreven. Details laat ik voor dit verhaal even weg. Je kunt er meer over vinden in mijn tekst ‘Antwerpen in de jaren zeventig’ en zeker ook in de geweldige lezerscommentaren daarbij.
Net als de samenleving en de stad waar ik in leef is mijn leven dramatisch veranderd, ook op muzikaal gebied. Economie, leefomgeving en cultuur gaan hand in hand. Punk, new wave en reggae maken in die die barre dagen en nachten de soundtrack van mijn leven uit. Hoewel ik de grensoverschrijdende popmuziek uit de late jaren zeventig niet graag in de hokjes van de muziekindustrie onderbreng. Een van de reclameslogans van toen was “geef voor new wave”, belachelijk toch? Overigens denk ik dat the Slits er geen bezwaar tegen hebben dat wij hun elpee gaan stelen. Maar dat willen we de sympathieke platenzaak Brabo, waar we veel van ons vinyl aanschaffen, niet aandoen.

De rebelse en zelfs revolutionaire platen van die dagen zijn zoals altijd slechts onderdeel van een groter geheel. Ondanks de zware economische en existentiële crisis waar wij tot over onze oren in zitten, ondanks de overtuiging dat er geen toekomst voor ons is, gebeuren er op heel wat ‘vrijplaatsen’ verrassende en hartverwarmende dingen. Buiten is de sfeer dan wel terneerdrukkend en uitzichtloos, binnen wordt er met hart en ziel geleefd en feest gevierd. In het witte café het Pannenhuis aan het Conscienceplein komen kunstenaars en dichters bijeen om te praten, gedichten te schrijven, muziek te beluisteren en te spelen. De kunstenaars die ik daar en op andere subculturele plekken ontmoet, proberen koortsachtig hun nieuwe ideeën te verwezenlijken. Er zijn veel performances, onder meer in de immense Montevideo, gerund door Annie Gentils en haar kleine team. In het Aurora Atelier, een vrijplaats voor filosofie, literatuur en plastische kunst, waar ik zelf aan de slag ben gegaan, maak ik kennis met het werk van Ria Pacquée, waarin ze voornamelijk het gezag ondermijnt, met de ironische inbeslagnemingen van Guillaume Bijl, met de mailart-fantasieën van Guy Bleus en met Guy Rombouts’ bizarre alfabet. Elders ontdek ik de Belgische schande gezien door de ogen van Wout Vercammen, de perverse filosofische ‘tractaten’ en oefeningen van AMVK en DDV en de vuilniskunst van Frank Castelyns. De enige kunstenaar die niet schijnt te veranderen is Ludo Mich. Al verrijst hij binnenkort wel als de goeroe van de hologramkunst (ook in Montevideo). Geheel in de sfeer van het Slits-debuut is er Musical Snack Attack, een cafetaria waar je elders onvindbare reggaeplaten kan beluisteren en kopen. Geregeld zijn er in de buurt van de Wolstraat en de Stadswaag alternatieve modeshows te zien, met al die mooie boze mensen altijd een lust voor het oog. De Antwerpse Zes zijn niet uit het niets voortgekomen.
Eveneens op de Stadswaag, in Cinderella’s Ballroom, draait deejay Maryse de meest relevante én dansbare muziek van het moment. Op Assepoesters vochtige dansvloer leer ik eindelijk ongedwongen dansen, zij het op mijn idiosyncratische manier. Jongens mogen er aan het eind van de jaren zeventig ‘anders’ uitzien. Denk aan Tom Verlaine, Elvis Costello, Ian Dury, David Byrne. De freaks uit de gelijknamige horrorfilm van Todd Browning uit 1932 zien er nu voor ons bijna gewoontjes uit. Die voorbeelden spelen ongetwijfeld een rol in onze zelfaanvaarding. Niemand bekijkt je boos of fronsend als je tegen het ritme in danst of een beetje spastisch beweegt. Ik vermoed dat hetzelfde opgaat voor de meisjes. Een groep als the Slits zal voor hen ook wel een rolmodel zijn, net als the Raincoats, Lydia Lunch, Poly Styrene en Lora Logic.
Viv Albertine, gitarist en songschrijfster van the Slits, vertelt naar aanleiding van de cd-uitgave van ‘Cut’ dat haar band niet langer typisch mannelijke ritmes en structuren wilde nabootsen. De groepsleden gingen op zoek naar typische meisjesritmes, “skippy and light”. Een belangrijke bouwsteen voor hun sound is dub. Dat geluid hoorden de meisjes bij de DJ en cultfiguur Don Letts, die dansavonden organiseerde in de Roxy, de Londense punktempel. Don Letts is van mening dat the Slits met hun heel eigen geluid ver vooruit waren op hun tijd. Van de reggae namen zij het primaat van de baslijn over, waar zij gitaarspel en melodie ondergeschikt aan maakten. Ook het mengpaneel gebruikten zij als een instrument. Voor deejay Maryse vormen enkele songs van the Slits, zoals ‘Typical Girls’ en ‘Newtown’ een perfecte overgang naar de blok reggae die ze elke keer weer inlast in haar lange set. (Overigens deinst Maryse er niet voor terug om ook oud werk uit het rek te halen, onder meer van the Kinks, Rolling Stones, the Doors, Neil Young en Jimi Hendrix.)

slits 3

De bezoekers van cafés als Pannenhuis en clubs als Cinderella’s Ballroom lijken op personages die je aantreft op foto’s van Nan Goldin, pas later berucht en beroemd geworden, en Robert Mapplethorpe. Niemand van ons lijkt geschikt voor een fatsoenlijke rol in de maatschappij. We zijn tegendraads, mislukt van bij de geboorte, losers. In de Gnoe, een kroeg in de Wolstraat die tot het krieken van de dag openblijft, dansen we op de tafels. “Boys keep swinging”, zeg ik tegen A., in de vroege ochtend op weg naar huis en nog meer extase. En zij: ‘typical girls are emotional’. Ja, zeg ik, en van shoplifting zijn ze ook niet vies.

Wellicht omdat ik een jongen ben, heb ik in die transittijd een voorkeur voor the Clash, the Ramones, Modern Lovers, Television en Elvis Costello. Maar zeker ook voor the Slits en hun elpee ‘Cut’ heb ik een zwakke plek. Wegens geldgebrek ga ik weinig naar concerten maar voor the Slits maak ik een uitzondering. The Slits treden op in de legendarische club Plan K. in de Manchesterstraat in Molenbeek. Jos D. leent me geld voor de reis naar Brussel en voor twee kaartjes.  A. en ik moeten eerst uren wachten op de binnenkoer van het gebouw, waar het vreselijk koud is. Een longontsteking zit er dik in. Opener The Pop Group kan me maar matig bekoren, misschien ben ik nog te verkleumd. Maar van the Slits word ik helemaal warm en helemaal gek. Ari Up, Viv Albertine en Tessa Pollitt kun je moeilijk klassieke schoonheden noemen. Ze zijn zeker geen modellen van het jaar, waar Elvis Costello een jaar geleden over zong. Maar deze meisjes zijn echte meisjes, sexy, uitbundig, en polymorf pervers. Opgewonden keren we naar Antwerpen terug, met de zekerheid dat we deze show wel nooit zullen vergeten.

‘Cut’, is meesterwerk van blanke reggae en vrouwelijke ‘punk’. The Slits is de girl group van de late seventies, maar controversiëler en rebelser dan hun voorbeelden uit de sixties. Vrouwelijker. Los van rebellie en seksueel-politieke boodschappen is het een groot genot om te dansen op de sound van the Slits. Ook vandaag nog klinkt ‘Cut’ cool en opwindend.

2018-05-01-slits 003

[1] Vier jaar later, op zondag 23 oktober 1983, betoogden 400.000 mensen tegen de plaatsing van Amerikaanse en Russische kernraketten in West- en Centraal-Europa. Het was de grootste manifestatie die ons land ooit gekend heeft.

[2] ‘Cut’ van The Slits. Verschenen op Island op 7 september 1979.
Een creatie van the Slits en Palmolive.
The Slits zijn:
Ari Up – vocals
Viv Albertine – guitar
Tessa Pollitt – bass guitar
en
Budgie – drums
Dennis Bovell – sound effects
Producer: Dennis Bovell.
Alle songs werden geschreven door Viv Albertine, Tessa Pollitt, Ariane Forster (aka Ari Up) en Paloma Romero (aka Palmolive).

BEGGARS BANQUET

cof

Op facebook wordt aan muziekliefhebbers door andere muziekliefhebbers al een tijdje gevraagd een selectie te maken van 10 elpees die een blijvende invloed op hun leven hebben gehad. Je vertrekt van de hoes en vertelt er, als je daar zin in hebt, een verhaal bij, maar dat hoeft niet. Soms onthullen de naam van de artiest, de titel van het album en de afbeelding van de hoes al een heel stuk van dat verhaal. Ik wil vandaag ook aan zo’n reeks beginnen, zonder dat ik weet wat het gaat worden. Een plan heb ik niet. Ik wil mezelf geen regels of beperkingen opleggen. Misschien worden het stukjes van niet veel meer dan driehonderd woorden.

De eerste langspeelplaat die ik uit mijn rek haal is ‘Beggars Banquet’ van the Rolling Stones. Dat baanbrekend rockalbum verscheen in december 1968, nu bijna vijftig jaar geleden. Ik hoorde het voor het eerst in de kerstperiode in het legendarische bruine café De Kroeg in de Wolstraat in Antwerpen. Ik had in Wijnegem aan de sluis die ochtend de bus genomen voor een dagje in mijn toen favoriete stad (samen met Maastricht). Ik had het gevoel dat alle hippe mensen en alle mooie meisjes in Antwerpen rondhingen. Overal hing de geur van wierook en patchoeli en hoorde je het gerinkel van Tibetaanse belletjes; het Conscienceplein was een magische plek. Meisjes in heel korte minirokken, jongens met lange haren. Kleren even kleurig als die in San Francisco, London of Parijs. Nu het winter was zag je ook meisjes in van die prachtige Afghaanse jassen waaronder hun gelaarsde lange benen uitstaken. Met mijn hart en ledematen trillend van euforie liep ik, schipperszoon en intern in het provinciestadje Tongeren, door de betoverde straten, ging hier en daar een boetiek binnen, kocht enkele undergroundtijdschriften en boeken van Simon Vinkenoog en Hugo Raes. Tenslotte stapte ik met veel schroom De Kroeg binnen. Daar kende ik volstrekt niemand. Ik was er ook nooit eerder geweest. Ik ging aan de toog zitten, bestelde een pintje (hoewel ik bier helemaal niet lekker vond) en keek stilzwijgend voor mij uit. Hoewel mijn haren net zo lang waren als die van de meeste andere jongens en meisjes, kreeg ik al gauw het pijnlijke gevoel buiten gekeken te worden. Maar lang zat ik daar niet over te piekeren, want al bijna meteen weerklonk de nu overbekende riff van ‘Sympathy For The Devil’, het openingsnummer op ‘Beggars Banquet’. Je moet daarbij voor ogen houden dat we toen niets wisten. Er bestonden in het Nederlands nog geen noemenswaardige platenrecensies, met uitzondering van die in het Nederlandse weekblad Hitweek/Aloha. Popmuziek hoorde je alleen op de piratenzenders Radio London en Caroline en voor undergroundmuziek, genre Dr. John the Nighttripper en Tyrannosaurus Rex, moest je op het Nederlandse programma Superclean Dream Machine afstemmen. De film van Godard ‘One Plus One’ over de opname van ‘Sympathy For The Devil’ was bij ons nog niet in de bioscoop of op televisie geweest (en het zou nog lang duren eer ik hem zou kunnen zien). Wat betere popmuziek en progressieve pop en underground werd genoemd leek het terrein te zijn van een sekte van ingewijden, en dat was het ook. Een elpee was een geheim dat we deelden. Mijn vrienden en ik luisterden maandenlang naar één album en ontdekten er steeds nieuwe geluiden, betekenissen en verhalen in. Elke song riep een veelvoud van moeilijk te definiëren verlangens op. Je hoefde niet op reis te gaan om de wereld te ontdekken. Je legde een van die sublieme elpees op van the Beatles, the Rolling Stones, Pink Floyd, the Band en Traffic en je was al onderweg naar een ander universum.

‘Beggars Banquet’ van the Rolling Stones, de tot dusver beste en zeker meest opwindende rock- en bluesband die we kenden, was zo’n universum. Als het album een dichter was geweest had het met recht kunnen zeggen “I am large, I contain multitudes”. En eigenlijk zei het dat ook, maar met andere woorden, met andere stemmen, met heel aardse en bijwijlen toch ook verheven muziek. Elke song op de plaat greep me naar de keel. Een wervelwind van gitaren (Keith Richards, Brian Jones), bas (Bill Wyman), drums (Charlie Watts), piano (Nicky Hopkins), mondharmonica (Brian Jones) en de vuile goddelijke stem van Mick Jagger dreigde me van mijn barkruk te blazen. Stil blijven zitten hoorde er niet meer bij. Luister nog maar een keer naar ‘Parachute Woman’. Ook nu nog doet dat helse ritme je rechtveren. Zo hadden the Rolling Stones nooit eerder geklonken. Dat was voor een deel te danken aan hun nieuwe producer, Jimmy Miller, wat ik toen waarschijnlijk niet eens wist. Wilde, angstaanjagende schoonheid spatte uit elk lied. En zo’n rijkdom aan emoties had ik nooit eerder in popmuziek gehoord. Woede, verdriet, pijn, genot, geluk, vreugde, geilheid, sarcasme, vertwijfeling, opstandigheid, onzekerheid – al die eigenschappen kwamen aan bod. Zonder het helemaal goed te beseffen hoorde ik die avond in De Kroeg een verzameling weerbarstige songs die me voor lange tijd zouden bepalen en die me nu ik vijftig jaar ouder ben nog steeds geheimen vertellen. Met die schat in mijn hoofd liep ik naar het busstation om er de bus terug naar Wijnegem te nemen. De hele rit lang hoorde ik flarden ‘Beggars Banquet’ in mijn hoofd. Maar vooral deze regels uit ‘No Expectations’: “Never in my sweet short life have I felt like this before.”
Beggars Banquet, hét album van 1968, vertelt niet alleen geheimen aan oude ingewijden maar iedereen die het maar wil kan er bekende verhalen in horen,
verhalen over onszelf en over de wereld, telkens ongeveer dezelfde verhalen maar in telkens wisselende constellaties met verschuivende metaforen en betekenissen.

Als hoes kies ik de witte, die voor mij de originele is. De échte originele, die lange tijd verboden was, heb ik nooit zo mooi gevonden. Ik heb altijd van propere toiletten gehouden, goedverlicht en hygiënisch. Wat mij betreft mag ook smerige muziek in een schone hoes verpakt zitten.

Foto: Martin Pulaski

TROEBELE HERINNERINGEN AAN TROUWE HONDEN [1]

me and laika in lanaken (2)

Ik keer terug naar de Gomera Lounge via Carretera de Playa del Inglés. Voor een voetbalsupporterskroeg in Calle Normara staat een groepje Duitse televisievoetbalfans al rokend een match te becommentariëren. Ze gaan niet voor me uit de weg, of wat had je gedacht? Lompe mensen heb je hier ook, maar ze vormen gelukkig slechts een kleine minderheid. De meeste inwoners en toeristen hier zijn vriendelijk en hoffelijk.

Waarom zijn de herinneringen aan mijn kinderjaren zo troebel? Van mijn eerste acht levensjaren, de tijd die ik bij mijn ouders op het schip doorbracht, herinner ik me bitter weinig. Alleen vage indrukken zijn overgebleven. Ook de volgende periode, die van het internaatsleven van mijn achtste tot mijn negentiende, is gedeeltelijk in mist gehuld. Oude vrienden als Ivan P. en Henry J. herinneren zich nog de kleinste details: niet alleen namen van leerkrachten, ‘opvoeders’ en medeleerlingen; ze herinneren zich ook wat we precies deden, welke rotzooi we in het internaat te eten kregen, hoe we gekleed waren, wie onze vrienden waren en wie onze ‘vijanden’, welke cafés we bezochten en wat we daar dronken. Van die cafés herinner ik me voornamelijk nog welke liedjes er op de jukebox stonden. Zelfs de meeste namen van de meisjes met wie ik danste ben ik vergeten. Mijn allereerste hond, Jimpy, herinner ik me wel nog vrij goed, Suzy, mijn tweede, nog beter.
Mijn eerste hond had mijn vader toen ik twaalf was – het was het jaar van mijn plechtige communie – doodgeschoten in de buurt van een scheepswerf in het bierdorp Bocholt. Niet dat mijn vader een dierenhater was. Jimpy, een cocker spaniël, was altijd al een zwakke hond geweest. Om de drie maanden ongeveer kreeg hij een epilepsieaanval. Hij maakte dan eerst een aantal rondjes om de keukentafel, ging vervolgens op zijn buik liggen, strekte zijn poten uit, zijn ogen draaiden weg, er kwam kwijl uit zijn bek. Na een tiental minuten leek het of er niets gebeurd was. Maar later kreeg hij een donker gezwel op de buik. Soms barstte het open; een vieze smurrie maakte donkere vlekken op het vloerkleed. Aangezien ik op internaat zat, heb ik dat gelukkig niet vaak meegemaakt. Op den duur was het niet houdbaar, vonden mijn ouders. Jimpy had ongetwijfeld ook veel pijn. Mijn vader was bang voor geneesheren en alles wat zij vertegenwoordigden. Als ik ziek was, ik kreeg geregeld astma-aanvallen, werd er soms een dokter bijgeroepen. Mijn vader maakte zich dan uit de voeten. Hij bleef buiten staan wachten tot de arts weer weg was. Zelf bezocht hij nooit een dokter. Als hij door hevige tandpijn geplaagd werd, naast rugpijn de enige kwaal die hij soms had, trok hij de verduivelde tand zelf uit. Zo ging het ook met Jimpy: geen dierenarts, maar het karabijn.

Enkele jaren later kozen we een tweede hond. Die gingen we, zoals eerder Jimpy, op de Vogelenmarkt in Antwerpen kopen. Daar hadden ze de beste en de trouwste honden, werd ons op het hart gedrukt. Voor mij heeft Suzy nooit de plaats van Jimpy kunnen innemen. Mijn emotionele band met mijn eerste hond was veel sterker. Dat kwam omdat ik met die hond was opgegroeid. Tot mijn achtste was hij mijn enige echte vriend. Meermaals viel ik op de vloer van de stuurhut in slaap, met mijn hoofd op zijn warm, langharig lijf. Wat hield ik van zijn lange flaporen. Maar Suzy was ook een goede hond. Als ik de kans zag ging ik met hem wandelen. Ik heb altijd graag met honden gewandeld, hoewel dat nu lang geleden is. De laatste keer dat ik met een hond ging wandelen was met Laïka. Dat was een paar dagen voor de dood van mijn moeder. Laïka was de hond van mijn broer; na zijn echtscheiding was mijn broer samen met zijn hond weer ingetrokken bij mijn ouders. Na de dood van mijn vader zorgde hij zo goed als het ging voor mijn moeder. Zij werd stilaan dement, op den duur dacht ze dat mijn broer mijn vader was en mij hield ze voor mijn broer. Tot ze helemaal niemand meer herkende. Laïka is gestorven op de dag dat mijn moeder begraven werd. Hoe Laïka aan zijn naam is gekomen weet ik niet. Mijn broer heeft zijn geheugen in de bars en cafés van Lanaken en Neerharen achtergelaten. Het heeft weinig zin dat ik het aan hem nu nog zou vragen. Waar Suzy’s naam vandaan kwam weet ik nog goed, zoals ik al zei. Mijn moeder en ik waren in de keuken. De soep stond op; ik herinner me de heerlijke geur van bouillonvlees, selder en laurier. Hoe gaan we die hond nu noemen, vroeg ik. Ook Jimpy, stelde mijn moeder voor. Nee, dat kan niet, zei ik. Er kan maar één Jimpy zijn, ook al is hij dood. In de keuken stond altijd een transistorradio aan, vaak op de piratenzender Radio London afgestemd. Op dat ogenblik weerklonk ‘Hello Suzie’ van Amen Corner, een Britse popgroep die toen populair was. Hun ‘(If Paradise Is) Half As Nice’ vind ik nog altijd een mooi en warm liefdeslied. Voilà, zei ik, we hebben een naam: Suzy. Mijn moeder was een goede vriend van me. Hoewel we veel ruzieden kon ik haar ongeveer alles vertellen, zelfs mijn diepste geheimen. Ze was het zeker niet altijd eens met wat ik deed en zei. Ik mocht bijvoorbeeld niet in mijn hemd, zonder onderlijfje, in de regen gaan fietsen, hoewel ze terwijl ze het zei al wist dat ik het toch zou doen. Nu echter ging ze meteen akkoord. Ja, Suzy, dat is een geschikte naam voor die hond, zei ze. Ik heb nu al zin in die soep, zei ik.

neerharen12 001

[1] Dit is deel 10 van een reeks impressies van een reis naar Valle Gran Rey in La Gomera, Canarische Eilanden. Lees het als een raamvertelling.

DE GENIALE EN STIJLVOLLE GEDACHTEN VAN EEN DRONKAARD

polaroid 1983.jpg
‘Niets heeft meer weet van de dood’, ging hij door, ‘dan de zomerzon, het felle licht en de uitbundige natuur. Je ademt de lucht, je ruikt het bos, en je merkt dat bomen en planten zich niets van je aantrekken. Alles leeft en vergaat in zichzelf. De natuur is de dood…’
Cesare Pavese, De duivel op de heuvels

Gisteravond laat, voor het inslapen, herinnerde ik me weer de sfeer in Antwerpen in de jaren tachtig. Hele nachten in cafés, het buitensporig drinken, de vele lange gesprekken met vrienden, kennissen, onbekenden. Veel van wat ik zei als ik dronken was, was banaal, maar door de alcohol, door de roes kreeg het voor mij een diepere betekenis. Soms vond ik, geloof ik, mijn uitspraken haast geniaal. Terwijl ik ze uitsprak, niet daarna, als ze al neergedwarreld waren op een vochtige tafel of toog. En al helemaal niet als ik ontwaakte in de walgelijke bleke ochtend. Die eigendunk zal wel typisch zijn voor dronkaards die al eens een boek lezen of wat gestudeerd hebben. De drank heeft vooral mijn geheugen aangetast, besef ik al veel langer dan vandaag. Vandaar dat ik me die jaren tachtig in Antwerpen – en elders – ook maar vaag herinneren kan. Al die nachten ging ik op zoek naar iets, maar ik weet nog altijd niet wát.

Ik dacht terug aan de nostalgie van Cesare Pavese. Ook bij hem het nachtleven, maar zo verschillend van het mijne destijds, dat van hem zo bitterzoet en luchtig – en toch ook leeg, zinloos: er gebeurt niets in die nachten; het echte leven van zijn personages voltrekt zich overdag. Maar ook dan heeft het geen zin, geen toekomst. De gelukkige momenten zijn altijd al achter de rug en de herinneringen eraan bieden geen soelaas, integendeel ze maken de dagen zwaar. Veel beter is het te vergeten, te leven in een grenzeloos nu. Het verleden dien je zoveel mogelijk uit te wissen en je maakt best ook geen plannen voor de toekomst.

Ik benijdde Pavese om zijn stijl, om zijn eenvoud. Een stijl, een vorm die ik noodgedwongen moest missen, omdat ik voor ‘ander proza’ gekozen had. Of ‘ander proza’ had mij gekozen: het gebeurde immers onder druk van de tijdsgeest. Hoe de juiste vorm geven aan weemoed, vroeg ik me af, aan de lijdensweg van de uren in eenzaamheid doorgebracht, hunkerend naar iets dat je zou kunnen verlossen. Een kleinigheid of iets groots, dat wist je niet.
Je wist wel dat je het lijden niet mocht verheerlijken. Ondanks de mateloosheid van het experiment voelde je de noodzaak van soberheid, van naakte woorden en zinnen. Samuel Beckett, de late Sylvia Plath. Nostalgie, weemoed, melancholie mochten een rol spelen in je ‘teksten’, maar met mate. Bovendien: hoe kon je controle behouden over dergelijke stemmingen? Gingen zij niet telkens weer met je gedachten op de loop, en schreven zíj niet je gedichten en dromen van proza?

Toen je met schaamte terugdacht aan het belachelijk stukje dat je geschreven had naar aanleiding van de dood van Harper Lee en Umberto Eco viel je gelukkig in slaap. Maar niet voor lang.

agnes-didi-matti-patje.jpg

 

 

HET SHANGRI-LA ARCHIEF 1

KEITH RICHARDS.jpg

Er komt maar geen einde aan de grote schoonmaak van mijn werkkamer en archief. Zaterdag schreef ik dat ik nog steeds alle playlists van Shangri-La en Zéro de conduite bezit, maar ik had er geen idee van waar het niet-digitale materiaal zich bevond. Vandaag heb ik de mappen met alle lijsten van 1982 tot 1991 toevallig teruggevonden. Het gaf mij een vreemd gevoel die al zo oude documenten nog een keer te bekijken. Alleen al het lettertype van mijn Olivetti: ik had keuze uit één font en dat was nooit een probleem. Tipp-ex. Rode balpuntpen voor correcties. De songtitels. Stuk voor stuk liedjes die ik nu nog zou draaien (en dat doe ik ook).

De eerste aflevering van Shangri-La zonden we uit op Radio Centraal in Antwerpen op donderdag 4 maart 1982. Ik herinner me een vrij koude namiddag ergens aan de Scheldekaai op het Zuid. We: dat waren Max Borka, die toen nog Frank Lissens heette, en ikzelf, die toen nog Matti Brouns werd genoemd. In ons appartement aan de Lamorinièrestraat hadden we dagenlang naar platen geluisterd, ondertussen bourbon drinkend, Jim Beam en Old Granddad. Max had een mooie collectie recente elpees, zelf was ik meer gespecialiseerd in rock & roll, sixties pop, psychedelica en country. Als DJ’s waren we volstrekte amateurs, daarom noemden we ons soms Two Bad DJ. er bestond een plaat van General Saint & Clint Eastwood die zo heette, vandaar. Maar onze echte artiestennamen waren Rudolf & Rudolph. Ik weet niet meer wie de ene was en wie de andere. Dat Rudolph kwam van het kerstlied Run Rudolph Run,waar Keith Richards in die dagen net wat succes mee had. En we waren allebei fans van Chuck Berry.

Toen we bij de radio aanbelden werden we niet binnengelaten. Jan Van den Eynden, die het programma voor dat van ons maakte, wilde graag plaatjes blijven draaien, een hele week als het van hem afhing. Hoe we uiteindelijk toch binnen geraakt zijn kan ik me niet meer herinneren. Een duidelijk thema hadden we nog niet, maar vluchten (‘run’) was wel de rode draad.

Dit is een scan van de allereerste playlist.

shangrila1 001.jpg

shangrila1b 001.jpg
polaroid 1983.jpg

Foto’s: Lamorinièrestraat, circa 1982.

IN DE RAND VAN HET VERLANGEN*

paul rigaumont,schrijver,filosoof,schilder,vriend,aurora,anekdota,popcultuur,tegencultuur,protest,minderheid,minderheidswording,verlangen,beat generation,gilles deleuze,my generation,leven,dood

Voor Paul Rigaumont

BEAT GENERATION

“I’ve got every reason on earth to be mad”, zong John Lennon als jonge Beatle. Aan die woorden moest ik denken toen ik hoorde dat Allen Ginsberg was overleden.
Nu zal ik het hier niet over de dood van Allen Ginsberg hebben en evenmin zal ik anekdotes over zijn wonderlijk leven vertellen. Maar ik wil wel even wijzen op het belang van figuren als Ginsberg in wat ik met een woord van Paul Rigaumont onze ‘minderheidswording’ noem.
Toen ik als jonge filosofiestudent in de eerste helft van de jaren ’70 Paul Rigaumont leerde kennen, waren Allen Ginsbergs teksten voor mij belangrijke levenslessen. Van Ginsberg leerde ik niet schrijven, maar wel het leven binnenbrengen in het schrijven; zowel het ‘platvloerse’ als het verhevene moest een plaats krijgen in mijn werk. (Zowel John Keats als Elvis Presley, zowel Lee Marvin en Angie Dickinson als Theseus en Ariadne).

Allen Ginsberg las wijze boeddhistische teksten, luisterde naar Thelonious Monk en the Beatles. Van die ervaringen – maar uiteraard van nog veel meer –  zijn sporen terug te vinden in zijn uitbundige gedichten en dagboeknotities. Zoals veel schrijvers van de beat generation ging hij uitvoerig in op zijn seksleven. Zijn taal was een taal van het verlangen en van het lichaam, geschreven vanuit een diepe ervaring met alle zintuigen open (en vaak nog gestimuleerd door geestverruimende middelen).
Het verlangen en het lichaam zijn twee thema’s die Paul Rigaumont zeker niet onberoerd hebben gelaten. De zes Anekdota die intussen zijn verschenen (hoewel we al aan nummer 8 hebben bereikt) kunnen daarvan getuigen.

Paul Rigaumont schrijft in ‘Anekdota VIII’: “Daar waar het verlangen zich manifesteert is er geen uitstel en geen berekening en geen beslag. (Een verlangen is onherleidbaar tot het gehoorzame reproduceren van regels en normen.)” (p.137)

De taal van het verlangen breekt met de algemeen geaccepteerde regels. Luis Bunuels films, en in het bijzonder ‘Un chien Andalou’ zijn er welsprekende voorbeelden van. Verlangende lichamen ontwrichten de spelregels van het menselijk verkeer. Bliksem en donder zijn, bij wijze van spreken, hun beste vrienden. Allen Ginsberg schrijft in zijn Indian Journals: “Throw doubt on whole of previously accepted human humanistic reality”.

Het is geen toeval dat Paul Rigaumont zich in zijn filosofische dagboeknotities ent op filosofen als Deleuze, Foucault en Nietzsche. Wat zij gemeen hebben is de aandacht voor het verlangen, het wilde leven, het lichaam. Voorts hebben zij heel wat op te merken bij allerlei instellingen en tradities die precies het verlangen, met name de seksualiteit en de waanzin, in toom moeten houden.

TRASHMEN

Paul en ik leerden elkaar beter kennen toen we gingen samenwerken aan het Aurora-project. Dat zal in 1977 zijn geweest, het jaar van de Sex Pistols. De begindagen van punk en new wave waren vergelijkbaar met de naoorlogse beatnik-periode en met bepaalde elementen uit de jaren ’60 (in hoofdzaak de beweging van de mods in Engeland gecombineerd met thema’s van de situationistische beweging in Frankrijk en elders). Opnieuw hing de elektriciteit van de revolutie in de lucht. Zowel in de kleine Aurora-ruimte als in de grote Montevideo-hangar gingen jonge en minder jonge mensen met wapens van de verbeelding de verveling van de heersende stijlen en de economische crisis te lijf.

In die dagen klonken de Trashmen (die van ‘Surfin’ Bird’) weer nieuw en terzake. Mijn vrienden en ik waren zelf Trashmen: we hadden geen job, geen vooruitzichten op een glansrijke carrière of een andere clownerie. We maakten ons weinig illusies. We spraken onszelf tegen, leefden van dag tot dag en zaten desondanks met de toekomst in ons hoofd. We droegen tweedehands kleren, dansten op muziek van the Clash, Television en Patti Smith. We (her)ontdekten de bijzondere charmes van plastic en neon-licht, we dronken goedkope wijn en tequila, waren niet vies van amfetamine en marihuana. Opnieuw gaven Kerouac, Ginsberg maar ook Sartre ons het goede voorbeeld. Wat vroeger het leven in de goot werd genoemd en tegenwoordig kansarmoede, was voor ons een flitsende levensstijl.

Sommige van de mensen die er toen waren zijn Trashmen gebleven. Misschien hoorde het ook zo. Om trouw te blijven aan onszelf hadden we wellicht allemaal Trashmen moeten blijven. Maar misschien was het alleen maar een stadium op de levensweg, onderdeel van een initiatie – of toch ook weer element van een minderheidswording.Voor mezelf was rock ’n roll (‘Lost In The Supermarket’ van The Clash en ‘She’s Lost Control’ van Joy Division) een levensnoodzakelijk en zoet antidotum tegen de gewichtigheid van Husserl en Descartes, een middel om het voortdurende gevecht, dat tegelijk een ludiek spel is, met de demonen van het bewustzijn aan te kunnen.
Heel wat van de beste mensen van onze generatie liepen tegen de muur, kwamen in het gekkenhuis terecht, maakten een eind aan hun leven. (Jos D., Willy B., Renée S. om de onbekendsten te noemen.)  Iets gelijkaardigs had Allen Ginsberg in zijn jonge jaren al moeten vaststellen (“I saw the best minds of my generation destroyed by madness, starving hysterical naked, dragging themselves through the negro streets at dawn looking for an angry fix…”)

Wij treurden maar waren sterker dan de dood. Ons verlangen naar een ander leven was niet uitgeschakeld. Alle decibels van de Cinderella en alle arbeidsbemiddelaars van de RVA waren niet bij machte dat verlangen uit te schakelen. Wij bleven dromen van proza en poëzie en van een ruimte waarin we konden schreeuwen en schilderen, experimenteren en ontdekken. We werkten aan het eigenzinnige tijdschrift Aurora, waaraan ik nu met trots terugdenk, we organiseerden poëziemiddagen en -avonden in het Filmhuis in de Lange Brilstraat, Paul begon zijn hardnekkige onderzoek naar vormen en kleuren. We volgden sporen van Friedrich Nietzsche, Friedrich Hölderlin, Virginia Woolf, Edmund Husserl, Gilles Deleuze, Michel Foucault, Francis Bacon, Bram Van Velde, Maurice Wyckaert en, dichter bij huis, van Leopold Flam en Annie Reniers.
Paul had in die jaren onafgebroken onzichtbare handschoenen aan. Ik weet het, ik heb ze gezien. Ik heb ook de stekelige wereld gezien, die hem niet bijster veel keuze liet.

P-P-PEOPLE TRY TO PUT US DOWN, TALKING BOUT MY GENERATION

Maar hoe is het allemaal begonnen? Waarschijnlijk met gestotter. Gestamel dat voortvloeide uit frustratie. In de rij staan op tochtige plaatsen die men speelpleinen noemde, smakeloze soep eten en gelaten de blaffende stemmen van meesters en opvoeders in de gehoorgangen toelaten. Ons dagelijks leven tijdens de koude oorlog van de jaren ’50 en ’60 was niet bepaald een pretje.

Tot plotsklaps het pistoolschot klonk waarmee ‘Like A Rolling Stone’ opende. Dylans bevestiging van de naamloze, de hoer, de zwerver, de onbekende. Personages die allemaal in onszelf sluimerden. Die elkaar tegenspraken en zich systematisch vergisten.
Op Radio London hoorden we het gestotter van ‘My Generation’. Stotteren mocht, vond Pete Townshend. Je kon anders zijn, ook al werd je in dat anders-zijn niet zomaar aanvaard.

my generation.jpg

En meteen wisten we: dit is het nieuwe leven. Dit is het nieuwe leven dat wij gaan maken. Paul De Wispelaere had het over “een eiland worden”. Maar mijn vrienden en ik zouden geen eilanden worden, maar wel minderheden, we gingen ondergronds, werden “subterraneans” om een woord van Jack Kerouac te gebruiken.
Paul Rigaumont heeft het daarover in ‘Anekdota VIII’ als hij Aurora beschrijft als een “plaats van een minderheidswording. (…) Een verstervingsoefening die een afstandelijkheid ten overstaan van de Staat en zijn apparaten veronderstelde. Een oefening die vooral impliceerde dat wij als gezworenen zouden ‘stotteren’ in de talen die men ons had toegespeeld. In onze spreek- en schrijftaal, in onze denktaal, in al die talen die door instellingen worden gebruikt om individuen te onderwerpen.” ‘Anekdota VIII’ (p.81).
Natuurlijk waren we jong in 1965 en we wisten niet dat we in een traditie stapten: die van beatniks, van dada en sommige surrealisten, van prerafaëlieten als William Morris, van allerlei opstandige/utopische bewegingen in de middeleeuwen. Dat zouden we later vernemen, toen we al volop bezig waren ons te harden, toen we filosofie studeerden, toen we in gesprekken en teksten schrijvend vaststelden dat ons verlangen naar de wereld onverzadigbaar was.

In weerwil van de traditie – met haar akelige leuze ‘alles is voltooid’ – volhardden we met Ernst Bloch in het ‘principe van de hoop’ en wilden we iets van onszelf aan de wereld schenken. Omdat we kristallen waren geworden die moesten schitteren. John Lennon – alweer John Lennon – had het daarover in ‘Instant Karma’, een ingenieuze tegenspraak vol wanhopige vreugde (want hoe kan karma ‘instant’ zijn zoals koffie ?). We waren kristallen geworden die nooit af geraken. Het soort kristallen waarvoor André Breton een lofzang schrijft in ‘L’amour fou’:

(Ik parafraseer) Een kunstwerk heeft geen waarde als het niet die hardheid, regelmaat en schittering van een kristal bezit. Een hardheid die onverenigbaar is met het bewuste streven naar perfectie en naar formele schoonheid. Het kristal van het verlangen krijgt spontaan vorm.

Volharding is niet hetzelfde als verstarring. Het is jong blijven, met de zintuigen in de war, de chaos aanvaarden. Jong blijven zoals Simon Vinkenoog jong is gebleven. Niet op de valse manier van mode en reclame, maar op de manier van Gombrowicz, Picasso en Beckett. Zoals mijn vriend Paul Rigaumont, de dagboekschrijver van het verlangen, het verlangende lichaam, de verlangende tekst, ook al hebben zijn zinnen soms handschoenen aan.

In zijn woorden hoor ik de echo van een wereldverlangen. In zijn woorden hoor ik tederheid en woede, systematische vergissingen, zinvolle begoochelingen. Ik zijn woorden zie ik sporen van nachten vol donkere zon, gesprekken met duivels en demonen en met engelen die weliswaar met uitsterven zijn bedreigd. In zijn woorden vind ik vertrouwen in de minderheden die wij worden. Zijn woorden maken mij nieuwsgierig naar toekomstige ontluisteringen en taalgeschitter. Zij zetten mij aan om zelf weer woorden te gaan vinden om mij vanuit de stilte stotterend tot een publiek te richten, in liefde en tegenspraak.

‘Anekdota VIII’ is een universum dat direct uit het hart van Paul Rigaumont komt. Wat kun je meer van een schrijver verlangen?

flam vub.jpg

* Dit is de tekst van een redevoering gehouden in Antwerpen op vrijdag 16 mei 1997, naar aanleiding van Paul Rigaumonts ‘Anekdota VIII’.
Afbeeldingen: Paul Rigaumont; Thelonious Monk; William Burroughs & Jack Kerouac; Patti Smith; Gilles Deleuze; My Generation single; Leopold Flam circa 1972-73.

HERINNER JE JE WILLIE BOY?

willie boy 2.jpg

Ziezo, kerstmis is in aantocht, het feest van de vrede. Overal in de stad schitteren de lichtjes en in de etalages staan lachende kerstmannetjes. Welke drugs zouden zij hebben genomen? Want hoe kan zo’n kerstman zonder hulpmiddelen nog lachen in deze tijd die in elke levenssfeer het einde lijkt aan te kondigen? Het is koud en donker buiten, er hangt een vuile nevel boven de huizen. Ik denk niet dat er waar dan ook in deze stad veel valt te beleven.

Hoe anders was het in de dagen dat we naar ‘London Calling’ van the Clash luisterden alsof in die muziek een nieuwe wereld kon worden ontdekt. Geen mooie of aangename wereld maar wel opwindend en stimulerend. Zo’n dag herinner ik me nu opeens weer, alsof het gisteren was. Eigenlijk was het zelfs meer gisteren dat het zogezegd echte gisteren dat nu, na een slapeloze nacht en veel gepieker, ver weg in het verleden ligt.

Het was een vrieskoude vrijdagavond. Mijn oude vriend Willie Boy was nog een keer op bezoek. We hadden elkaar ruim een jaar niet gezien. Hij zag er gezond uit maar was duidelijk in de war; hij vergat voortdurend wat hij gezegd had, herhaalde steeds weer dezelfde verhalen en anekdotes. Over drankzucht, werkeloosheid, financiële problemen, zijn meedogenloze ouders. Mij scheen hij nog steeds te vertrouwen. Hij was me dankbaar, denk ik, omdat ik hem, in tegenstelling tot wat enkele andere van zijn vrienden hadden gedaan, niet had laten vallen. Ik was met hem in contact gebleven, we schreven elkaar, zijn brieven kort, soms niet meer dan postkaartjes, die van mij lang en meanderend, me overgevend aan de woorden, écriture automatique of beat writing. Met Pritt plakte ik de ene bladzijde aan de andere en voelde me dan enigszins heldhaftig, een Antwerpse Jack Kerouac.

Die avond was ik vooral luisterend oor en deed er voor de rest het zwijgen toe. Nadat Willie Boy was uitgeraasd leerde hij me pokeren, of toch de basis van het spel. Hij had dat al vaak willen doen maar ik had er nooit zin in gehad. Pokeren en roulette behoorden niet echt tot mijn wereld, vond ik. Ik was geen speler en ben het ook nooit geworden. Dat Willie Boy zo graag poker speelde verbaasde mij echter niet. Rambling Gambling Willie*, noemde ik hem soms. Het pokerspel is een metafoor voor gevaarlijk leven, net zoals snelle wagens, heroïne, de namen ‘Geoffrey Firmin’ en ‘Charles Bronson’. Overigens lag mijn exemplaar van ‘Under the Volcano’ in Willie Boy’s auto toen hij hem enkele jaren eerder in de vernieling reed. Zelf had hij gelukkig geen schrammetje.

Een dag later, zaterdag, was Willie Boy terug, zoals was afgesproken. Nu zag hij er rustiger uit, vrolijk bijna. We zouden met z’n vieren het Antwerpse nachtleven induiken. Zijn nieuwe vriendin, Fannie, was met hem meegekomen. Ze was hoewel jong nog al gescheiden, moeder van een dochtertje. Fannie’s vader was een rijke juwelier. Dat had Willie Boy vrijdag al verteld. Ik weet nog altijd niet of het waar was. Wat was waar van wat Willie Boy vertelde, en wat was verzonnen? En had het belang? De blik in zijn bruine ogen had iets onvoorspelbaars, soms zelfs iets dreigends. Zijn passie voor messen vond ik eng, maar gelukkig was hij die avond ongewapend. Nu ja, daar ging ik alleszins van uit. En ik wist dat hij me nooit kwaad zou doen. Willie Boy was een goede vriend, maar ik besefte opeens hoe moeilijk het moest zijn om met hem samen te leven, een toekomst op te bouwen. Wat doe je met een lieve en goede man geobsedeerd door geld, amfetamine en gokken? Iemand die maar naar een ding schijnt te verlangen: zelfvernietiging.

Na het avondeten gingen we de stad in, mijn geliefde, Fannie, Willie Boy en ik. Zoals zo vaak in die tijd werd het een euforische nacht en even bizar als de tekst van ‘Glory’:

She got mad. She said, you’re too steep.
She put on her boxing gloves and went to sleep.

Op dat nummer van Television hebben we uitbundig gedanst, aangevuurd door tequila en peppillen. ‘Always Crashing In the Same Car’ hoorde eveneens bij de hoogtepunten. Het zijn songs waarbij je jezelf geheel vergeet, je wordt één met het ritme, met de stem van de zanger of zangeres, of met een of ander geluid van een of ander instrument. Zoals ik het nu beschrijf lijkt het banaal, maar het is een ervaring die ongeveer alles wat je beleven kunt overtreft. Je kunt er moeilijk woorden voor vinden. Greil Marcus probeert het soms, maar slaagt er ook niet altijd in. Een orgasme kun je ook niet beschrijven. Het was een van die verrukkelijke nachten waar geen einde aan lijkt te komen. Alles is dan euforie, pure zinnelijkheid; er hangt seks in de lucht. Seks die weinig met neuken heeft te maken, alles met verlangen.

Dan opeens staat Willie Boy, een en al ingehouden toorn, tegenover een tooghanger. Hij denkt dat de kerel, een niemendal die ik van zien ken, ons heeft beledigd. Daar heb ik alvast niets van gemerkt. Zo was Willie Boy altijd: hij wilde niets liever dan ons beschermen en verdedigen. De arme man maakt zich meteen uit de voeten. Dat komt door Willie Boys’s gevaarlijke blik, scherp als een gebroken whiskyglas. Hij heeft helemaal geen wapens nodig om iemand de daver op het lijf te jagen.

Van thuis had ik een oud boek meegenomen om onderweg uit voor te lezen: ‘Het Eeuwige IJs’**, over de tweede, noodlottige, Zuidpoolexpeditie van Robert Falcon Scott. Als jongen was ik verzot op zulke avonturen. Amundsen, Scott, Nobile en weet ik veel wie nog allemaal. Edgar Allan Poe heeft ook zo’n geweldige kleine roman, ‘The Narrative Of Arthur Gordon Pym’. Op het einde van dat boek wordt alles wit en lijkwitte vogels slaken de akelige kreet ‘Tekeli-li’’, maar ik dwaal af. Ik vond het relaas van kapitein Scott goed passen bij onze dronken expeditie naar het hart van de bevroren stad. Maar aan voorlezen had ik niet meer gedacht. Hoe had ik dat ook gekund, gelet op de oorverdovende rock & roll.  Zelfs in het kunstzinnige café Het Pannenhuis was het niet stil genoeg. Als herinnering aan de mooie nacht wilde ik Willie Boy ‘Het eeuwige IJs’ cadeau doen, maar daar wilde hij niets van weten. Ik moest het verkopen, dat ijzige boek is goud waard, zei hij. Uiteindelijk heeft hij het toch aangenomen.

Hoe lang we in dat café zaten weet ik niet meer, ongetwijfeld tot sluitingstijd. Toen we buiten kwamen lag er al een dikke laag witte sneeuw.  Natuurlijk waren we meteen weer de kinderen die we altijd blijven en al gauw waren we elkaar met sneeuwballen aan het bekogelen. Waarop we ons op halfbevroren voeten wankelend en lachend naar huis hebben gespoed. Weer thuis zong Fannie wat folksongs voor ons, ‘Four Strong Winds’, ‘Early Morning Rain’ en wat dies meer zij. Daarbij begeleidde ze zichzelf op mijn lichtjes ontstemde rode gitaar. Ik was onder de indruk. Zal ik om een punt achter deze mooie nacht te zetten nu wat voorlezen uit ‘Het eeuwige ijs’, vroeg ik Willie Boy. Hij was tenslotte de rechtmatige eigenaar van het meesterwerkje. Dat de ongelukkige Zuidpoolreiziger in de ijzige sneeuw verdwaalde en pas maanden later, één geworden met het genadeloze ijs, werd teruggevonden*** hoorde niemand meer. Slaap is sterker dan sneeuw.

Het is halfnegen. Mijn verslag is af, hoewel dat een relatief begrip is. Is ooit iets af? Ja, het leven van Willie Boy, dat wel. Wat had u anders gedacht? Om het tragische levenseinde van Willie Boy uit de doeken te doen ben ik nu echter niet bij machte. Dat is te veel in één keer. Misschien vertel ik er ooit nog wel eens over. Maar ik geloof dat dat nog moeilijker is dan beschrijven wat muziek in momenten van extase met je doet. De muziek van de dood is vooral heel stil.  Nu ga ik de straat op, op zoek naar een nieuwe mobiele telefoon. Ik moet contact onderhouden met mijn vrienden.

Scottgroup-zuidpool.jpg

*“It was late one evenin’ during a poker game
A man lost all his money, he said Willie was to blame
He shot poor Willie through the head, which was a tragic fate
When Willie’s cards fell on the floor, they were aces backed with eights”
Bob Dylan, Rambling Gambling Willie

* *Het eeuwige ijs: de Zuidpool-expeditie van Kapitein Scott. Een verhaal van den laatsten tocht naar de Zuidpool door kapitein Scott en diens tragisch einde, benevens een beschrijving van het natuurleven in het eeuwige ijs. J.M. Meulenhoff (Amsterdam, ca. 1920).

***Op 12 november 1912werd de ondergesneeuwde tent met de lichamen van Scott, Bowers en Edward Wilson gevonden. Tot kort voor zijn dood hield Scott een dagboek bij dat samen met een aantal brieven naast hem werd gevonden. Zijn laatste woorden schreef hij op 29 maart: “For God’s sake look after our people”.

VERLOREN IN DE WERELD

bio9 001.jpg

Altijd al hoorde ik graag songs over zwervers, hobo’s, zigeuners, circusartiesten en zo meer. Mensen zonder thuis en zonder echt vaderland. Wellicht viel ik om die reden ook meteen in de zomer van 1965 voor ‘Like A Rolling Stone’ en een jaar later voor ‘Hey Joe’. Ik hield van zulke liederen omdat ik een schipperskind was en hoewel schippers zelfstandigen waren en zich, in België althans, konden herkennen in de programma’s van liberale partijen – ook al hadden ze weinig tijd om die uit te pluizen en waren ze bovendien meestal laaggeschoold -, hadden zij geen huis en geen thuis. Op welke manier konden zij dan, in de liberale betekenis van die woorden, vrij en zelfstandig zijn? Net als veel van de protagonisten die de liedjes die me nauw aan het hart lagen bevolkten, waren mijn ouders zoals zoveel schippers, mogelijk onbewust, ononderbroken op zoek naar een vaderland.

Geen thuis hebben om naar terug te keren is wellicht een van de ergste dingen die een mens kan overkomen. Daarin zijn evenwel gradaties: ik kan mijn toestand onmogelijk vergelijken met die van iemand als Jean Améry, waar Sebald zo aangrijpend over schrijft in ‘Campo Santo’. Ik ben geen Europese jood wiens volk en cultuur is uitgeroeid en wiens huis, dorp, stadswijk, is verwoest. Evenmin ben ik een zigeuner die overal met de vinger gewezen en weggejaagd wordt. Ik ben geen zwerver die nergens meer naartoe kan en evenmin ben ik een dakloze wiens leven zich afspeelt op ongeveer vijftig vierkante meter. Maar toch voel ik me, omdat ik nooit naar mijn vaderland terugkeren kan, onzeker en voor altijd verloren in de wereld. Ik kan niet terug naar waar ik vandaan kom, want ik kom nergens vandaan.

Ik zag het levenslicht in een moederhuis op een steenworp van het Straatsburgdok in Antwerpen. Mijn vader was een natuurlijk kind uit een arme boerenfamilie in Neerharen. Mijn grootvader heb ik nooit gekend. Wellicht was hij een Dumonceau, een de Lambert of een van Langendonck, families die eigenaar waren van wat het ‘kasteel’ van Hocht werd genoemd, waar mijn grootmoeder als dienstmaagd werkte. Het kasteel was oorspronkelijk een abdij, gesticht in 1180 door Diederik van Pietersheim. De abdij was toegewijd aan Sint-Agatha, een naam die me altijd gefascineerd heeft. Wat hield ik van het incestueuze toneelstuk ‘Agatha’ van Marguerite Duras! In 1708 kwam de abdij in handen van Marie-Ursule de Minckwitz, de zogeheten ‘Vrouwe van Neerharen’. Na de Franse revolutie werd het landgoed het bezit van de hierboven genoemde adellijke families. Welke familie er verbleef  toen mijn vader geboren werd heb ik nog niet kunnen achterhalen. Maar net zo goed kan hij de zoon geweest zijn van een stalknecht. Na als arme jongen op het veld te hebben gewerkt en enkele jaren in de koolmijn van Eisden huwde hij mijn moeder, schippersdochter. Hoewel haar ouders altijd schippers waren geweest, net zoals haar grootouders, had zij toch ook familie aan de wal, voornamelijk in het Antwerpse. Mijn moeder had niet lang school gelopen, hooguit vijf jaar, maar ze was intelligent, kon goed rekenen en schrijven – in een bijzonder verzorgd handschrift – en las graag romans. Bovendien sprak en schreef ze uitstekend Frans. En hoewel ze schippersvrouw was kon ze er als een ‘echte dame’ uitzien. Mijn band met Antwerpen is er door mijn moeder gekomen, maar ook mijn wanderlust. Het verlangen naar vaste grond onder de voeten had ik van de boerenjongen die mijn vader altijd is gebleven.
bio13 001.jpg

Tot mijn achtste ben ik ononderbroken op het schip gebleven. Een ander leven kende ik niet. Vriendschappen, als ze al bestonden, waren vluchtig, een dag, soms wat langer. Lezen, schrijven en rekenen leerde ik van mijn moeder. Omdat ik een zwak kind was, ten gevolge van astma, wilden mijn ouders me niet, zoals mijn oudere broer, naar een schippersschool sturen. Zo kwam ik op aanraden van dokter Couvreur in Antwerpen in een kinderkolonie terecht, het Kinderdorp Molenberg te Rekem, waar ik al eerder over schreef. Een idyllische hel midden in de bossen vlak bij Opgrimbie, waar Koning Boudewijn een domein bezat. Daar was ik een brave, gelovige, voorbeeldige en uitmuntende leerling. Maar ik was ook diep ongelukkig vanwege het bruuske afscheid van mijn ouders en van het toch wel avontuurlijke leven op het water. Ik was ook opvliegend van aard. Tijdens vakanties verbleef ik wel weer op het schip en voelde ik me stukken beter, hoewel al vervreemd van dat leven en van de taal die mijn ouders spraken. In het kinderdorp werd mij Nederlands aangeleerd, zij het met een Limburgs accent. De eerste jaren bad ik veel tot God, altijd in mijn eigen woorden; later begon ik liefdesbriefjes te schrijven naar Veronica en Betsy. Na vier jaar moest ik weg uit Rekem, omdat ik mijn geloof had verloren en in de ogen van Moeder Overste aan heiligschennis deed. Zo kwam ik in het Home voor Schipperskinderen in Eisden terecht, het mijnstadje waar mijn vader nog had gewerkt. Een fascinerende omgeving was dat, niet ver in afstand van Rekem maar toch een andere, een exotische wereld. Van vier uur ’s avonds tot de vroege ochtend verbleef ik in het home, dat nieuw was en helemaal niet streng, integendeel. Zelfs het eten was er lekker. Overdag fietste ik naar de reguliere school, het Atheneum van Eisden. Veel van mijn vriendjes en vriendinnetjes en medeleerlingen hadden vreemde namen, vooral Italiaanse en Poolse. Ik zal zeker nog niet beseft hebben dat zij net als ik ‘anders’ waren, outsiders in zekere zin. Tijdens de weekends kon ik nu naar ‘huis’. Ik verbleef dan ofwel op het schip, als dat toevallig aangemeerd lag in Neerharen, ofwel – ook in Neerharen – bij Berb, een nicht van mijn vader, ofwel bij Jefke en Louise, die een winkel hadden. Ik geloof dat Jefke samen met mijn vader in het verzet had gezeten. Stilaan bouwde ik in dat dorp een vriendenkring op. Ik begon me er thuis te voelen, ook al kende ik het dialect niet.

Voor de laatste vijf jaren van de middelbare school verbleef ik in het internaat van het Koninklijk Atheneum te Tongeren. Daar werd ik aanvankelijk gepest, maar omdat ik kon vechten en niet zo dom was als aanvankelijk misschien werd gedacht, dwong ik al gauw respect af. Enkele van de internen werden mijn vrienden, van de beste die ik ooit heb gehad. Van Tongeren hield ik niet echt, wel van Hasselt, waar sommige van die nieuwe vrienden vandaan kwamen. En nog meer van Maastricht, een mooie stad aan de Maas, waar ik boeken, platen en modkleren ging kopen. Tijdens de weekends trok ik nog altijd naar Neerharen, maar daar begon ik mij geestelijk van te verwijderen. Eigenlijk begon ik neer te kijken op de dorpsmentaliteit. De grote, bruisende, flitsende, coole wereld opende zich voor mij. Dat deed hij in boeken, in films, op televisie, in de winkels van Maastricht en vooral in popmuziek. Het werd me duidelijk dat Neerharen, Rekem, Eisden en zelfs Tongeren en Hasselt te klein voor me waren. Ik droomde van Londen en andere grote steden.

1968m 001

 

 

 

 

 

 

 

 

Brussel, waar ik eerst film en daarna filosofie zou studeren was geen slecht alternatief maar de stad van mijn moeder, Antwerpen, heeft me altijd meer aangetrokken. Na mijn studies en de mislukking van mijn eerste huwelijk ging ik daar wonen en werken. Overdag schreef ik tot ik erbij neerviel, ’s avonds dronk ik en tijdens de weekends werd er de hele nacht gedanst. In Antwerpen was ik ziek, euforisch, gelukkig, straatarm en even verloren als waar dan ook. Ook al maakte ik daar vrienden voor het leven kon ik er niet blijven. Ik moest naar Brussel terugkeren.

Sinds 1991 woon ik hier nu als een banneling. Al die jaren al loop ik verloren in mijn stad, die een weerspiegeling is van de wereld. Meer dan eens ben ik al verdwaald, vaker dan in New York, Londen, Rome of Lissabon. Ik moet altijd dezelfde metrolijn, dezelfde tram, dezelfde bus nemen of ik weet niet waar ik terechtkom en ben dan hulpeloos en bang. Maar wat een genoegen als ik toch eens een ander parcours neem! Op zo’n momenten – die lang  kunnen duren – is verdwalen een genot. Maar dat is literatuur, het is literair dolen en in de wereld zijn. Ik ben meer vertrouwd met de personages in de boeken en de films die hier netjes geklasseerd en afgestoft in de rekken staan dan met de mensen in mijn straat en in de andere straten van deze stad. Niemand groet mij en ik groet niemand. Omdat ik als kind zoveel afscheid heb moeten nemen kan ik geen gezichten herkennen en herinner ik me alleen maar namen van mensen die mij diep geraakt hebben met iets wat ik niet noemen kan [1]. Die weinige mensen zijn mij dierbaar en houden mij in leven en doen mij verlangen naar een ander vaderland.

Daar verblijf ik ’s nachts. Mijn vaderland, mijn thuis, is dan een conglomeraat van alle oorden waar ik ooit een dag, een week, een jaar heb doorgebracht. Alles is daar tegelijk vreemd en vertrouwd, angstaanjagend en verrukkelijk, wreed en levenslustig en erotisch. Ja, ik geloof dat ik ’s nachts naar huis ga. Dat ik in de duisternis mijn echte vaderland diep in mezelf onder lagen stortafval bedolven terug kan vinden. Dat ik diep in mijn eigen mijn moet afdalen tot ik de ader vind die me geluk en verlichting brengt, al zou ik het net zo goed rust kunnen noemen.

vaderland, moederland, thuis, huis, zwerven, schippers, schipperskind, school, internaat, kolonie, neerharen, rekem, eisden, tongeren, hasselt, maastricht, hocht, limburg, brussel, antwerpen, eenzaam, verloren, ballingschap, boeken

[1] Een lezer wees mij erop dat deze aandoening een naam heeft: prosopagnosie.


KALIFAAT

oostfrontsoldaten.jpg

Als reactie op Bart De Wevers uitspraak: “Kalifaat heeft aantrekkingskracht op onze jongeren” schreef Jan Van den Eynden op 20 augustus op facebook het volgende:

“De burgemeester – zelf toegevend dat hij ‘onze’ jongeren’ opgeeft en ze zelfs niet meer als Antwerpenaren beschouwt – verbaast zich erover dat het ‘Kalifaat een magnetiserende invloed heeft op jongeren’. Jongeren – ik benadruk die term – die in zijn Vlaanderen en zijn Antwerpen zo goed als niks te verwachten hebben.

Jongeren die hij – spijts een ‘de-radicaliseringsbeleid’ waarvan men mij toch eens mag uitleggen waar dat precies uit bestaat, nu zijn partij in haar beleidsverantwoordelijkheden systematisch samenlevingsopbouwinitiatieven ondermijnt – alleen maar meer repressie en meer uitsluiting belooft.

Verbaast u er zich over dat zo’n jongere naar het Oosten trekt op vraag van een geestelijke, meneer De Wever?

Kunt u zich – Vlaams historicus zijnde – misschien in de plaats stellen van een jongere die Zin en Richting zoekt in een chaotische tijd, en die, daartoe aangespoord door charismatisch-radicale geestelijken, de wapens opneemt in vreemde dienst aan een of ander Front in het Oosten? Nee?”

kalifaat, jihadi's, oostfront, bart de wever, dostojewski, de idioot, IS, katholicisme, jezuïeten, rusland, syrië, irak, geloof, predikers, priesters, geloof, jan van den eynden

Ik vond deze analyse en zeker ook de vragen geestig en pertinent en wilde aan het fragment wat meer aandacht besteden, maar na een vijftal zo goed als slapeloze nachten was ik daar te moe voor. Die zelfde avond las ik in ‘De idioot’ van Dostojewski enkele paragrafen die me meteen deden terugdenken aan Jans stelling. Zelfs om die over te typen was ik te uitgeput.

Maar het is nooit te laat.

“En niet wij alleen, maar heel Europa staat verbaasd over onze Russische hartstocht; als iemand zich bij ons tot het katholicisme bekeert, dan wordt hij meteen jezuïet, en van het fanatiekste soort; als hij atheïst wordt, dan eist hij meteen dat het geloof in God met geweld wordt uitgeroeid, dat wil dus zeggen, met het zwaard! Waarom is dat, waarom meteen zo extreem? Weet u dat niet? Dat is omdat hij een vaderland heeft gevonden, dat hij hier heeft gemist, en waar hij dolblij mee is; hij heeft een oever, land gevonden en valt op zijn knieën om dat te kussen! Onze Russische atheïsten en Russische jezuïeten komen niet alleen maar uit ijdelheid, niet allen uit smerige ijdele gevoelens voort, maar uit geestelijke pijn, geestelijke dorst, uit het verlangen naar een hogere zaak, naar een vaste oever, een vaderland, waarin wij opgehouden zijn te geloven omdat we die nooit gekend hebben!”
Dostojewski, De idioot, Verzamelde Werken, 6, 588-589.

Ik schrijf dit hier niet alleen neer omdat ik het belangrijk vind, wat wel degelijk zo is, maar ook met de egoïstische hoop dat ik hiermee een soort van betovering verbreek en voortaan meer dan vier of vijf uur kan slapen. En, vooral, dat ik opnieuw kan gaan schrijven. Mijn reservoir was leeg, dat gebeurt wel vaker, maar nu zou het stilaan toch weer gevuld moeten zijn. Of ben ik nu te optimistisch?

EMMYLOU HARRIS EN DANIEL LANOIS IN ANTWERPEN

emmylou2

Gisteren Daniel Lanois en Emmylou Harris in Antwerpen. In tegenstelling tot wat Bart Steenhaut beweert was het een memorabel dubbelconcert. Lanois bespeelt zijn steelgitaar op heel eigen wijze, ik kan hem met niemand vergelijken tenzij eventueel met Bruce Kaphan en BJ Cole. Als je geen gevoel hebt voor subtiliteit is het mogelijk dat je bij die weemoedige klanken in slaap valt. Over de stem van Emmylou Harris valt veel te zeggen. Dat ze zingt als een vogel of een engel is afgezaagd en klopt ook niet (meer), al lang niet meer. In 1995, op ‘Wrecking Ball’, is haar zangstem veranderd, wat ruiger, wat meer doorleefd geworden. Na negentien jaar is dat nog meer het geval. Niet dat haar stem even toegetakeld is als die van Dylan, maar toch… De eerste twee nummers lieten het ergste vermoeden, ze leek haar ‘draai’ niet te kunnen vinden, er was iets mis met de frasering. Bart Steenhaut heeft gelijk als hij zegt dat de vertolking van ‘Goodbye’ niet goed uit de verf kwam. Wat hij daarna schrijft vind ik zeer overdreven. Vanaf ‘All My Tears’, het derde nummer, was de zangeres vertrokken. Wat daarna volgde bestond uit niets dan hoogtepunten. Onmogelijk er één uit te kiezen. Of het zou ‘Going Back To Harlan’ moeten zijn. Als je een voorkeur hebt voor de jonge Emmylou was het laatste gedeelte het meest genietbare, met als hoogtepunt ‘Calling My Children Home’.

Maar mogen artiesten veranderen of moeten ze zich tot het einde der dagen blijven herhalen, zich blijven herhalen zoals ze op hun vijfentwintigste waren? Bovendien waren we daar in de Stadsschouwburg bijeengekomen om een stevige uitvoering van ‘Wrecking Ball’ te horen, bijna twintig jaar na het verschijnen van deze mijlpaal in de populaire muziek, en niet voor Emmylou Harris de perfecte zangvogel. Perfectie bestaat niet, wel beschadigde schoonheid. Mij ontroert het bijzonder als ik op zulke sublieme manier herinnerd word aan onze aftakeling op weg naar het einde. Ik hoop dat dat einde voor Emmylou Harris nog lang op zich zal laten wachten en ben daar sinds gisteravond eigenlijk gerust in.

Foto: Martin Pulaski

 

WINTER IN ANTWERPEN

Vrijdagnacht bij J. op visite. Nu hij niet meer alleen is zien we elkaar niet meer zo vaak. Toch geloof ik niet dat onze vriendschap zal bekoelen. Althans: ik kan het me niet voorstellen. IJskoude straten; een diep donker lijkt alle voorwerpen, mensen en dieren de grond in te willen drukken. Maar ik laat me niet ontmoedigen: ik kijk uit naar weer een vurig gesprek met mijn boezemvriend.J. neemt zich al een tijdje voor niet meer te drinken – maar hij houdt het niet vol. Zenuwkoorts, existentiële angst. We lopen naar de kroeg op de hoek, een van zijn stamcafés. De waard kent hem, hij kan er op zijn pantoffels naartoe. Zijn vriendin is thuis gebleven.
Soms ontgaat het mij hoe snel hij zijn eerste en tweede glas bier leegdrinkt… En ik, hoewel drie jaar ouder, lijk wel zijn spiegelbeeld, al is hij een veel mooiere man. We praten over prettige dingen, films die we hebben gezien (Bertolucci, Herzog), boeken die we hebben gelezen (Schopenhauer, Musil, Knut Hamsun, Noa Noa, Patrizio Canaponi, Bukowski) en muziek die we graag horen (Tom Petty, George Jones, Kevin Coyne, en altijd weer Neil Young), maar ook over de miserie die onze levens zo kan vergallen, familieproblemen, frustraties, schuldgevoelens. J. zegt dat hij nooit een echte vader heeft gehad, hij leek altijd zo afwezig. Opnieuw elkaars spiegelbeeld, elkaars dubbelganger. Waarom, bijvoorbeeld, heeft mijn vader me nooit geleerd met de auto te rijden, dat zou toch het minste zijn geweest, niet?

We drinken meer Duvel, slikken een pilletje, de nacht raast voorbij als een trein van de Santa Fe-lijn. De klandizie in J.’s stamcafé bestaat voornamelijk uit doofstommen. Tussen twee songs in – er staat een Wurlitzer – is het erg stil, een stilte die geaccentueerd wordt door het opeens luide geratel van de flipperkasten. Dan weer luidruchtige consumptiepop, ‘We Belong To the Night’ van Ellen Foley maar toch ook af en toe een parel als ‘Way Back Home’ van Junior Walker & the All Stars.
De cafébaas wordt moe, we krijgen nog een laatste Duvel en dan is het ophoepelen. We kopen nog maar wat flesjes, die in een bruine papieren zak worden gestopt, zoals bij de schooiers in de boeken van Jack Kerouac en Bukowski en de songs van Tom Waits. Bij J. thuis gaan we door met drinken en luisteren naar Derek & the Dominos, Bobby ‘Blue’ Bland, Neil Young en the Flying Burrito Brothers. Staan we er wat zielig bij te dansen? Helemaal niet. Muziek maakt ons altijd euforisch.

J’.s vriendin ligt in bed, en kijkt toe en glimlacht om ons jongensachtig gedoe. Nu wordt J. zomaar opeens heel erg moe. Hij wil in bed en zegt dat ik bij hem en zijn vriendin moet komen liggen want buiten is het aan het vriezen. Onmogelijk dat ik me door die kou waag, dat overleef ik niet. Na een kwartier – ik had het werkelijk koud, ik was dronken en zelf ook moe – sta ik weer op. Zulke situaties lopen altijd uit de hand. Ik trek mijn te dunne jas aan en ga de ijzige, donkere ochtend in op weg naar mijn woning, waar mijn geliefde ligt te rusten.

IMG_0099

DE APANCHENDANS VAN MAX BECKMANN

Beckmann,Max Departure, 1932-35.jpg

Max Beckmann, Het vertrek, 1932-135

Drie weken geleden ben ik van start gegaan met schetsen voor een ‘geestelijke’ genealogie. In het eerste deel behandelde ik August Strindberg en, heel kort, Kurt Cobain. Vervolgens vertelde ik de geschiedenis van een foto van Bob Dylan en Sara Noznizsky door Daniel Kramer. Ik besefte echter al gauw dat ik voor ik mijn grote voorbeelden kon behandelen eerst moest onderzoeken hoe, waar en wanneer kunst en literatuur mij hebben gevonden. Ik stelde vast dat er in mijn jeugd nauwelijks sprake was van kunst, noch bij mijn ouders en evenmin in het onderwijs. In die eerste poging om uit te vissen hoe ik geïnteresseerd was geraakt in het ‘fenomeen’ kunst kwam ik tot de conclusie dat dat gebeurd was in een toilet van het Koninklijk Atheneum Tongeren en zag ik ook een rol weggelegd voor de auteurs van de De Sikkel-monografieën over Belgische kunstenaars. Een volgend hoofdstuk ging over de rol van Salvador Dalí, een kunstenaar die aanvankelijk zeer veel indruk op me maakte, maar die ik later als een charlatan ben gaan beschouwen. Dat laatste impliceert niet dat ik meteen het hele surrealisme heb verworpen, wel integendeel. De geschiedenis van mijn overgave aan het surrealisme, mijn surrealist-worden, komt wellicht later aan bod.

Maar hoe zit het nu met Max Beckmann? Om eerlijk te zijn weet ik het niet zo goed. Ongetwijfeld is er een verband met Vincent Van Gogh en het expressionisme, een kunststroming die me al vroeg nauw aan het hart lag. Waarschijnlijk werd mijn interesse daarvoor gewekt door de De Sikkel-boekjes over James Ensor, Henri Van Straten en Frans Masereel. Voilà, ik sta weer te plassen in een urinoir in het Koninklijk Atheneum… Gelukkig was het niet dat van Marcel Duchamp want in dat geval zat ik nu nog altijd in de schulden.
Wat ik me nog herinner is dat ik omstreeks 1968 in een of ander cultuurtijdschrift een kleurenreproductie aantrof van Max Beckmanns ‘Apachentanz’ uit 1938.

max_beckmann_apachentanz_1938_kunsthalle_bremen_der_kunstverein_in_bremen_foto_larslohrisch_vg_bild_kunst_bonn_2012.jpg

Het werk, zelfs in deze povere kopie, sprak me meteen aan. Er waren de hevige kleuren, oranje, blauw en geel. Het beeld had iets carnavelesks – wat me deed denken aan sommige taferelen die ik me uit mijn dromen herinnerde, en ook aan Carnaval in Maastricht en Hasselt, waar ik in die dagen nog niet op neerkeek. En waar ik nu soms naar terugverlang. De lichamen van de twee dansende ‘Apachen’ hebben helemaal niets lenigs of extatisch; eerder zijn ze verwrongen, verkrampt. De vrouwelijke figuur zou net zo goed dood kunnen zijn. Defunctus. Het gelaat van de man lijkt droefheid, melancholie, verbittering uit te drukken. Bevinden de dansers zich op een podium? Op de gezichten van de ‘toeschouwers’ rondom hen zie je vooral grimmige blikken. Hun donkere gestalten hebben iets onheilspellends. Houdt dat verband met de omineuze groene figuur op de achtergrond?
Later las ik dat Beckman het werk schilderde toen hij in ballingschap leefde, in Amsterdam. Op 19 juli 1937, dag van de opening van de Entartete Kunst in München, was hij met zijn vrouw Quappi daarheen gevlucht. Max Beckmann zou nooit meer naar Duitsland terugkeren. Gedurende zijn periode in Amsterdam (1937-1947) voltooit hij enkele van de grootste kunstwerken uit de 20ste eeuw.
Maar nogmaals, dat wist ik allemaal niet toen ik die reproductie uitknipte. En ook niet toen ik ze met me meenam naar Brussel, waar ik film ging studeren. Op mijn kamer in de Karmelietenstraat had ik de ‘Apachentanz’ tegen de muur gekleefd. In die periode (1969-1970) raakte ik bevriend met een andere filmstudent, Guillaume Bijl, die een nogal wild leven leidde en heel veel wist over kunst. Af en toe bleef hij in mijn kamer overnachten, hoewel dat niet het juiste woord is. Het was overdag dat hij in mijn bed kwam slapen, als ik zelf op de filmschool zat. Hij was dan uitgeput van een hele nacht dansen met een of andere miss België. Ik vermoed dat hij me ‘sympathiek’ vond omdat ik van the Rolling Stones en Dylan hield en meer nog vanwege die kleine Max Beckmann in mijn kleine kamer. Dat ik op Roman Polanski leek  – in zijn ogen toch – droeg er denk ik eveneens toe bij. Als we elkaar ontmoetten was het altijd: ‘Dag Polanski’, ‘Hallo Fellini’, want hij leek dan weer op Federico Fellini.

Wat mij betreft was het niet door de gigantische artistieke waarde van het werk van Max Beckmann, waar ik toen maar een vermoeden van had, maar door een prentje aan de muur dat ik een vriend werd van een heel eigenzinnige kunstenaar, van wie ik de volgende jaren erg veel zou leren. In die eerste maanden in Brussel besefte ik pas ten volle dat vriendschap misschien wel van het grootste belang is voor het verwerven van kennis en inzicht in culturele aangelegenheden (en niet alleen daarin). Via Guillaume Bijl leerde ik veel over kunst en kwam ik later in Antwerpen in aanraking met veel andere unieke en boeiende kunstenaars, die vaak ook bijzonder lieve mensen waren. Hen ben ik allen dankbaar.
guillaume_bijl.jpg
Guillaume Bijl

EEN MEI

back (2).jpg

Antwerpen, 1968.

Op één mei stichtte je een stad van bloed, van nachtmerries. Drassige bodem waarop je sliep. In je glazen doolhof razend met het rode hoofd van een nabij gevaar.

Wat je gewaarwordt is niet de waarheid. Is maar een boze droom, en slechts een wanhopige aap die hem droomt. Neen, wie hem droomt weet hij zelf niet. Wel dit: het was op één mei, in de stad van angst en feest en pijn.

Je zag er zo onheilspellend blauw uit en ietwat gespleten. De bliksem sloeg niet op het veld in, die uit je ogen, die schichtige ogen van jou. Niet op het veld buiten de stad, waar mijn paarden stilaan gek worden en misselijk van de donkere wolken uit het Westen.

Wie is de keizer van die nieuwe stad? En is een kroon een kledingstuk?

Ω

Brussel, 8 juni 2012.

TWINTIG JAAR LATER

Nee, ik heb het niet over de drie musketiers. Twintig jaar na het uitstapje met Mitzi, Henriette, Brigitta, vader en moeder, maakte de lachende jongen deze foto’s in een lachwekkend klein ‘penthouse’ in de Lamorinièrestraat in Antwerpen. De lachende jongen leefde er in een permanente staat van euforie en was geobsedeerd door de erotiek van de kleur rood.

HK3.jpg

HK4.jpg

Foto’s: Martin Pulaski, Antwerpen, 1980.

ASTRIDPLEIN, ANTWERPEN, 1986

antwerpenfifties.jpg

Met mijn familie in Antwerpen in de jaren ’50.

“Op weg naar de Dierentuin – de Zoologie, noemde mama hem –  weer diezelfde ergernis om de Europabank met haar volksvriendelijke kleuren. Aan de overkant het vettige eten voor de gehaaste passant.  De glorie van Antwerpen, het  Centraal Station, niet veel meer dan een ruïne. Gladde plaveien en kasseien met onkruid ertussen voor de toeristen. Hier en daar roetige gevels, leegstaande, vervallen panden.

De hyena’s laten niet van zich horen. Zelfs aan de hand van mama was ik er bang voor. Hoe klonk hun gehuil? Ik kan het mij niet meer herinneren.

De sexcinema, Royal heette hij geloof ik, is een Calypso geworden. De seks zelf heeft een metamorfose ondergaan en heet nu porno en is meteen ook maar verhuisd naar de Carnotstraat, om de hoek.”

Dit waren enkele indrukken van het Antwerpse Astridplein in 1986. Was het toen crisis of is het nu crisis, of is het altijd crisis, met uitzondering van misschien de swinging sixties? Ik weet het niet goed meer. Vertel het mij. Ik geloof dat ik teveel Zizek heb gelezen.

Ω

Iets over de foto:

De kleine jongen links op de foto ben ik (of was ik), een hele meneer al, naast me mijn mama, naast haar mijn broer François, en helemaal rechts mama’s zus, tante Georgette (die we tante Jos noemden). De man die ons achtervolgt ken ik niet.

PINK FLOYD IN ANTWERPEN, 1968

Op 23 februari 1968, ik was toen zeventien, reisde ik met enkele vrienden van Hasselt naar het verre Antwerpen, toen net als Amsterdam een magisch centrum voor beatniks, hippies en langharig werkschuw tuig. Het was een dag, een avond, waar we al lang naar hadden uitgekeken, en veel over hadden gepraat en gefantaseerd. The  Pink Floyd trad op in het Pannenhuis in Antwerpen. Een droom ging in vervulling.  Al uren voor het begin rinkelden belletjes en klokjes en brandde wierook op het Consciencelein.  Op andere plaatsen in de stad deden onze multicolor-kleren de grijze burgers pijn aan de ogen. We waren zo anders, en daar waren we trots op. Zelf ben ik nooit trotser geweest, denk ik, dan die dag. Of misschien was ik het hele jaar 1968 zo trots. Het jaar van mijn droom. Gisteren schreef ik hoe hij een jaar later al doorprikt werd. Al gauw moesten we op zoek gaan naar nieuwe illusies of volkomen ontnuchterd verderleven.

Maar filosoferen deden we toen nog niet zo. We stapten het beatnikcafé het Pannenhuis binnen voor de onaardse klanken en kleuren van the Pink Floyd. Syd Barrett, de jonge god die we aanbaden, had de meest psychedelische groep van de wereld helaas net verlaten; David Gilmour was nu de gitarist. Maar de hele avond lang hoorde en zag ik de geest van Syd Barrett. Ja, in die dagen konden geesten nog zingen en musiceren. Een eenvoudige verklaring voor het fenomeen is dat de band nog bijna geen nieuwe nummers had en daarom niet anders kon dan de sprookjes/songs van Barrett spelen, zoals Matilda Mother, Flaming, Astronomy Dominé en Lucifer Sam. Sindsdien heb ik al honderden reizen gemaakt, in de realiteit en in de verbeelding; nooit, geloof ik, ben ik zo ver weg geweest van huis en van mezelf.

Een van de mooiste momenten van mijn leven – iets wat me altijd bij zal blijven, tot in de kleinste details. Vreemd is dat maar weinig mensen bereid zijn om me te geloven als ik dit verhaal vertel. Pink Floyd (het lidwoord ‘the’ werd later weggelaten) in een beatnikcafé waar maximaal tweehonderd mensen konden staan? Wat maakt het ook uit. Mijn vrienden en ik hebben het meegemaakt – en dat volstaat. Bovendien kan ik het bewijzen, in 1968 hield ik een dagboek bij.

Een dag later trad the Pink Floyd op in the Cheeta Club in Brussel. Ook dat weten maar weinigen. Het was een nieuw begin voor de Britse groep. Niet lang daarna volgden grootschaliger avonturen, waaronder vliegende varkens, de verovering van Pompeï en de donkere kant van de maan. Dat is allemaal veel geloofwaardiger dan wat er op 23 februari 1968 in het Antwerpse Pannenhuis gebeurde.

 

EEN WERELD ZONDER DICHTERS?

2012_11_PORTO_VOLLEDIG 195.JPG
Regen. Martin Pulaski, november 2012.

‘Schaf het stadsdichterschap af en engageer deze schrijvers om nieuw inzicht te geven in de geschiedenis van de Vlaamse literatuur, in wat zij nu schrijven.’ Dat zijn de woorden van een NVA-politicus in Antwerpen. Stonden gisteren in de Vlaamse ‘kwaliteitskranten’. Het ging over de stadsdichter, een nutteloze functie. Tom Naegels, een schrijver, was van mening dat dichters en hun verwanten teveel ophef maakten over wat onschuldig gewauwel. Kranten publiceren zulk gekwetter om aandacht te trekken, beweerde hij. Verontwaardiging was nergens voor nodig. Tom Naegels zal wel weten waarom kranten gekwetter publiceren: ga maar na. Maar hij vergist zich: verontwaardiging is altijd nodig. En indien niet altijd, nu zeker. De domme uitspraken van de Vlaams-nationalistische politicus lijken een bagatel, en zijn dat misschien ook. Maar soms – er zijn helaas voorbeelden – leidt een bagatel tot een catastrofe.

Alles in dienst van het nut is het uitgangspunt van bepaalde politici, dienaren van bankiers, traders en casinobezitters. Maar we weten dat alles van waarde kwetsbaar is en nooit is het nuttig. Poëzie is niet nuttig, dichters zijn evenmin nuttig. Wat dichters zeker niet zijn: historici van de Vlaamse literatuur. Dichters schrijven en lezen gedichten en zijn kwetsbaar en van geen enkel nut, maar openen werelden. Zij laten zien dat de Vlaamse literatuur Nederlandstalig is, en dat de Nederlandstalige literatuur niet aan een streek is gebonden, maar tot de wereld behoort. Poëzie, in welke taal ook, is een wereldtaal. Ik ben een kosmos, zei Walt Whitman. Hoe zielsveel dichters ook houden van wat hen nabij is (hun geliefde, hun dorp, een stukje touw), het zal nooit hun opdracht kunnen zijn om dat nabije in een vacuüm te plaatsen, om dat nabije als behorend tot een stam, een volk voor te stellen. Wat zij echter in zo’n geval kunnen doen is het nabije met hun woorden openen en het op die manier onderbrengen in het grote geheel. Nuttig is dat niet, maar het heeft ongetwijfeld zin. Het vaderland van de dichter is niet de bodem, maar is het water, de rivier naar de oceaan en in de hoge lucht staat hij met zijn voeten stevig op de grond.

Een wereld zonder gedichten is een ongrond, een afgrond; een wereld zonder dichters is een catastrofale wereld.

INSOMNIA

king&queen.jpg
King & Queen, Tongeren, 1967. Foto: Guy Bleus.

Maandagnacht, na een bezoek aan de psychiater (bij wie het uitzonderlijk koud was; letterlijk bedoel ik dat) kon ik de slaap niet vatten. Niet alleen vanwege vrouwengeschiedenissen – ik had het met mijn psychiater, die zelf een vrouw is, over mijn liefde voor vrouwen gehad. Bijvoorbeeld dat ik een vertrouwelijk gesprek veel liever met een vrouw voer dan met een man. Maar ik wil wat dit onderwerp betreft niet in details treden. Dat doe ik volgende week wel met mijn psychiater. Ik hoop alleen maar dat het dan al wat warmer is.

Vooral gedachten aan het verleden drongen zich aan me op. Ik herinnerde me opnieuw Veronica Satory in het Kinderdorp in Rekem. Henriëtte en Mathilde, mijn speelvriendinnetjes in Neerharen. Hoe ik met Valère naar het bos fietste om daar een meisje te kussen dat ik nooit eerder had gezien en daarna ook nooit meer zou terugzien. Hetzelfde gebeurde bij een optreden van The Small Faces in Diepenbeek, maar we kusten toen de hele avond, en het meisje stal mijn zonnebril. Haar naam? Aan Anita dacht ik en haar mooie zus Linda (die mij wel wilde maar toch ook weer niet), aan Sylvia, aan Magda (liefje van een avond), aan Claudia, aan Monique, aan café de Paddock in Tongeren en dansen op Massachussetts van The Bee Gees. Gin Fizz drinken met Guy Bleus.

Die oude vriend zat er ook voor iets tussen dat ik niet kon slapen. Zondag had hij een oude foto op mijn facebookprofiel geplaatst. Mijn schoolvrienden Luc V., Henry J. en Jan D. en ikzelf voor King & Queen in Tongeren in 1968. De wonderlijke uren die we daar doorbrachten. De naam van het King & Queen meisje ben ik vergeten. In een club in Lanaken heb ik met haar nog gedanst op Otis Redding, Sam & Dave en Aretha Franklin. Dat mocht eigenlijk niet. Een bizarre wet schreef voor dat je niet van soul mocht houden als je een fan was van the Rolling Stones, Small Faces, Kinks, Who, Outsiders et cetera. Terwijl al die bands zelf soul speelden. Wat betekende dat ik een dubbel leven leidde. Niet voor niets was ik ook verslingerd aan James Bond. Ik heb alle Zwarte Beertjes van Ian Fleming meermaals gelezen. De film Goldfinger vond ik een meesterwerk. (Daarover wil ik later meer vertellen.)

Er gingen zoveel werelden open, The Avengers, The Fugitive, Mary Quant, platenwinkel De Harp in Maastricht (waar ik Big Pink kocht en Waiting For The Sun). En maandagnacht gingen veel van die werelden opnieuw open. Zachte, romantische, psychedelische werelden. Elk onderscheid tussen realiteit en poëzie viel weg. Zoals bij Novalis werd alles magisch, alle kleine dingen werden metaforen in een groot gedicht. En toch wilde ik slapen.

Vreemd. Ik herinnerde me eveneens verrukte jaren in Antwerpen, van 1977 tot 1984. Renaissance in de popmuziek (die was in 1974 aan zichzelf ten onder gegaan) met onder meer Patti Smith, Television en the Clash. Euforische jonge kunstenaars vol wilde en minder wilde plannen, zoals Danny Devos, AMVK, Guy Rombouts, Walter Van Rooy, Paul Rigaumont, Ria Pacquée en experimentele ruimtes zoals Ruimte Z’, Aurora, Ruimte Morguen, het Pannenhuis (van Greta en Toulouse) en Montevideo. Ik herinnerde me uitzinnige nachten met al die fijne mensen. Guillaume Bijl, Bruneau, Annie Gentils (voor wie ik het gedicht ‘Zoete naam Jezus’ schreef). Ik hoorde de muziek van the Shangri-Las en U-Roy en Tom Verlaine en Grandmaster Flash. Een song bleef terugkeren: Many Rivers To Cross.

Het begin van het nieuwe theater in die stad zag ik voor mij weer opduiken uit jarenoude mist: Blauwe Maandag Compagnie, Akt Vertikaal, de piepjonge Guy Cassiers, Luc Perceval (net als ik kind van binnenschippers), Guy Joosten, Ivo Van Hove, Warre Borgmans, Els Dottermans, Peter Van Kraaij, Sam Bogaerts, Chris Nietvelt (een actrice waar ik zo graag verliefd op werd, “Ik ben nogal nief hier. Ik weet nog niet wat ik doe. Ik kem een goe gevuul.”), Bart Slegers, en vooral Lucas Vandervost.

Deze koortsachtige nachtgedachten bleven maar voortrazen. Omstreeks vijf uur vond ik eindelijk slaap. En al is het leven theater, het was geen actrice, het was niet de jonge Chris Nietvelt, die me in slaap wiegde. Nog een geluk, anders lag ik nu nog altijd wakker.