ZERO DE CONDUITE: VAN GEBOORTE TOT DOOD

Nanci Griffith, 2004. Foto: Julie Jacobson.

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Verruim je geest en stem af op Radio Centraal 106.7 fm. Waarom zou je hem blijven vernauwen? Het motto van deze show is Blood spilled out from the hole in your heart / Over the strings of your guitar / The worn down places in the wood / That once made you feel so good.
Je kan dit programma via streaming beluisteren. (En hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers).

Voor vanavond selecteerde ik een reeks songs die uitzonderlijke momenten in het leven als onderwerp hebben. Dat gaat van geboorte tot dood, met daartussenin de kinder- en adolescentietijd, school, verliefdheid, rebellie, geweld en oorlog, huwelijk, conflict en echtscheiding, alcoholisme, gevangenis, herinneringen en epifanieën, ouderdom en – onrechtstreeks – de troost van kunst (waaronder deze songs zelf), religie en filosofie. Vreemd genoeg zag ik achteraf, toen het al te laat was, dat ik werken en reizen niet had opgenomen in mijn overzicht van belangrijke levensmomenten. Mogelijk omdat ik nooit echt graag heb gewerkt om in mijn levensonderhoud te voorzien? André Breton wist al dat het echte leven elders was (dan op de werkplek).
Met veel tegenzin heb ik een groot aantal mooie en relevante songs moeten weglaten. Ik noem er enkele: My Old School, Steely Dan; From Hank to Hendrix, Neil Young; Starting a New Life, Van Morrison; Young and Innocent Days, the Kinks; L’enfance (The Double Life Of Veronique), Zbigniew Preisner; Death of a Salesman, Low; Teenage Lobotomy, the Ramones; A Life (1895 – 1915), Mark Hollis; Life and Times on the Beach, David Kauffman & Eric Caboor; Rehab, Amy Winehouse; Country Death Song, Violent Femmes; Just Like Tom Thumb’s Blues en Boots of Spanish Leather, Bob Dylan; Life Will Pass You By, Kaleidoscope en The Last Rose of Summer van Tom Waits.
Maar ook ver weg van de graanetende mensen moet je keuzes maken. En gedane zaken nemen geen keer.

Deze aflevering van Zéro de conduite draag ik op aan Nanci Griffith, Don Everly, Charlie Watts en de vrouwen en kinderen van Afghanistan.

Veel luisterplezier.

Born Under A Bad Sign  – Albert King – The Very Best Of Albert King – William Bell/Booker T. Jones

Child Of Mine – Carole King – Writer – Carole King

My Only Child – Nico – Desertshore – Nico

Whenever A Teenager Cries – The Jeans – Laurie Records Story Vol 3  – Ernie Maresca

I’m Not Angry – The Everly Brothers – The Golden Hits Of The Everly Brothers – Jimmy Howard

School Day (Ring Ring Goes The Bell)  – Chuck Berry – Gold: Chuck Berry – Chuck Berry

The Biggest Night Of Her Life – Harpers Bizarre – Anything Goes – Randy Newman

Sugar Mountain – Neil Young – Decade  – Neil Young

Love At The Five & Dime – Nanci Griffith – The Last Of The True Believers – Nanci Griffith

Pictures Of Lily – The Who – Thirty Years Of Maximum R&B – Pete Townshend

Me And Julio Down By The Schoolyard – Paul Simon – Paul Simon – Paul Simon

Teenage Kicks – The Undertones – An Anthology – John O’Neill

Spanish Bombs – The Clash – London Calling – Joe Strummer/Mick Jones

Children Of The Revolution – Kirsty MacColl – Electric Landlady – Kirsty MacColl

In Germany Before The War – Randy Newman – Little Criminals – Randy Newman

There Is A War – Leonard Cohen – New Skin For The Old Ceremony – Leonard Cohen

Seasons Come, Seasons Go – Bobbie Gentry – The Girl From Chickasaw County: The Complete Capitol Masters  – Bobbie Gentry

Charlie Watts

Single Girl, Married Girl – The Carter Family – Can the Circle Be Unbroken – A. P. Carter

Old Wedding Song – Muzsikás – Blues For Transylvania – Arranged by Sándor Csoóri

Wedding Dress – Pentangle – Reflection [2017 Remaster] – Traditional arranged by Jakcie McShee/Bert Jansch/John Renbourn/Danny Thompson/Terry Cox

Suspicious Minds – Elvis Presley – From Elvis In Memphis – Mark James

D-I-V-O-R-C-E – Tammy Wynette – D-I-V-O-R-C-E – Bobby Braddock/Curly Putman

Prison Grove – Warren Zevon – The Wind – Zevon/Calderon

Cattle And Cane – The Go-Betweens – 1978 – 1990 – Robert Forster/Grant McLennan

Goin’ Back – The Byrds – The Notorious Byrd Brothers – Carole King/Gerry Goffin

I’ll Remember – The Kinks – Face To Face – Ray Davies

Summer’s Almost Gone – The Doors – Waiting For The Sun – The Doors

Thirty Summers – Cowboy Junkies – The Caution Horses – Michael Timmins

Drunken Angel – Lucinda Williams – Car Wheels On A Gravel Road – Lucinda Williams

Where Will I Be – Emmylou Harris – Wrecking Ball – Daniel Lanois

Will The Wolf Survive? – Los Lobos – How Will The Wolf Survive? – David Hidalgo/Louie Perez

100 Years Ago – The Rolling Stones – Goats Head Soup – Mick Jagger/Keith Richards

‘Til I Die – The Beach Boys – Surf’s Up – Brian Wilson

Death Is Not the End – Bob Dylan – Down In The Groove (Remastered) – Bob Dylan

Death Of Queen Jane – Bascom Lamar Lunsford – Ballads, Banjo Tunes, And Sacred Songs Of Western North Carolina – Arranged By Bascom Lamar Lunsford


Don Everly


Samenstelling en research: Martin Pulaski

HET VERTREK (NAAR DE CAMARGUE)

Les valseuses, Bertrand Blier

[Nachten aan de Kant 43]

Na veel feestgedruis bij Ercola, een vrolijk kunstenaarscollectief in de Wolstraat, en – haast traditiegetrouw – bij Robert en Maryse in Cinderella’s Ballroom en na menig vriendenbezoek zijn we dan toch naar Frankrijk kunnen vertrekken. Naar de Camargue zijn we op weg gegaan. Dat is voor ons dat jaar een soort van bestemming, hoewel onze kennis van de regio schaars is. Alleen maar dat het een uitgestrekt moerasgebied is, weten we met zekerheid, de delta van de Rhône, en dat er wilde paarden en roze flamingo’s in het wild leven. In reisgidsen hadden we meer informatie kunnen vinden maar daar waren we tegen. We wilden ons geen toeristische bezienswaardigheden laten opdringen. Welbeschouwd weten we niet wat de hoedanigheid van ons reisdoel is. Veel meer dan een plaatsnaam, Camargue, is het niet. Hoe we ernaartoe moeten reizen is evenzeer een groot vraagteken. Het is een tijd dat we nog van verrassingen houden. Still love remains in some strong heart, keep your mind open, die woorden uit een song van Kaleidoscope, waren al lang een soort van credo voor mij.

Rond het middaguur vertrekken we uit ons hoofdkwartier in de Dolfijnstraat. Om te liften valt het weer goed mee; warm met een koele bries. Eerst tot Sint-Niklaas met een handelsreiziger, dan naar Gent met een zo te zien wat gestresseerde liefhebber van Ierland en Ierse folkmuziek. Spraakzaam is de man niet, tenzij wat die Ierse folk betreft. De Baai van Galway en Ierse folk, dat is mijn lust en mijn leven, zegt hij. De hele rit lang moeten we dat gefiedel aanhoren en een paar klaagliederen van Johnny Cash er nog bovenop. Ook een Ier? Of toch eerder van Engelse komaf? Zijn betovergrootmoeder een hoer uit Covent Garden? Zijn overgrootvader een unfortunate lad? Ik word er al gauw chagrijnig van.
De volgende halte is Kortrijk, bekend van de Guldensporenslag, al was ik daar op dat moment niet eens zo zeker van. Mogelijk was het hele verhaal over Jacob van Châtillon, Gwijde van Dampierre en Willem van Gulik, heer van de elf heerlijkheden van Sint-Servaas, wel helemaal verzonnen. Sinds ik De leeuw van Vlaanderen had gelezen had ik heel wat echte slagvelden gezien, vooral die van liefde en vriendschap. Hendrik Conscience was alleen nog maar de naam van een Antwerps plein in de nabijheid waarvan onze nachtelijke avonturen zich voltrokken. Toevallig komt daar in Kortrijk Willy Boy in zijn vrachtauto voorbijrijden. We hadden de avond tevoren in onze keuken nog Tripels met hem zitten te drinken. Tijd om wat te praten hebben we niet, hij moet dringend naar Brussel terug; leverde pas nog materiaal bij een bedrijfje ergens aan de Franse grens en liep daar vertraging op.

In Menen, net voor die grens, duurt het wachten lang. Maar altijd stopt er dan toch wel een barmhartige ziel in een deux chevaux of een Renault 4. Dit keer is de verlosser een vriendelijke maar zwijgzame jongeman. In zijn kleine rammelkar van een bestelwagen voert hij ons tot in het centrum van Parijs. De jongen is al even schuchter als wij. Hij lijkt wat op Claude Faraldo in zijn film Les fleurs du miel. Voor wie de film heeft gezien: Paul, de drankleverancier. Omdat het wagentje zo rammelt, staat de muziek erg luid. Bij songs die onze chauffeur leuk vindt draait hij de volumeknop naar rechts. Dat is onder meer het geval bij Satisfaction in de versie van Otis Redding en Venus van Shocking Blue. Well, I’m your Venus, I’m your fire, what’s your desire? Dat is ook een vorm van communicatie, en wel een die me nauw aan het hart ligt. Mijn hart overvol te wantrouwen verlangen.
We passeren Villeneuve, en dat is het ook echt, een volledig nieuwe stad, met een indrukwekkende architectuur, maar wat betekent toch cité scientifique? Hoe kon ik daarover nooit iets hebben gelezen? Als we door Arras rijden heb ik opeens een soort van visioen. Als ik op een keer Arras zal bezoeken en er door de straten slenteren, zal ik daar alles herkennen, niet alleen elk huis en elk gebouw en elke straat maar ook alle inwoners en zelfs hun huisdieren. In Arras zal ik een vrouw ontmoeten die Sarra heet. Ze drijft een theehuis en draait platen van John Coltrane, Miles Davis en Don Cherry en is helemaal weg van Waltz for Debby van Bill Evans. Ze heeft lange rode haren en lijkt sprekend op de vrouw op het schilderij I lock my door upon myself van Fernand Khnopff. Als ik weer bij mijn positieven kom voel ik me wat schuldig. Heb ik Senga in mijn visioen al niet voorgoed verlaten?

Voor de rest zie ik een monotoon landschap: het Noorden van Frankrijk. Op de radio klinkt de nieuwslezer overdreven opgelucht: “Skylab, c’est fini!”. Het ruimtestation was een onbestuurbaar projectiel geworden en verbrandt nu in de atmosfeer. Brokstukken ervan komen in de Indische Oceaan en op Australië terecht. Niemand hoeft zich nu nog zorgen te maken. Het bidden om bescherming kan ophouden, bange mensen in Afghanistan en India mogen hun grotten weer verlaten. De verkoop van de Skylabrestanten kan dra beginnen [1].

Het is nu 18.30 uur en snikheet. We naderen Parijs. De jongen vraagt waar we precies moeten zijn. Ergens in het centrum, zeg ik. En daar brengt hij ons heen, naar het hart van deze wonderlijke stad, naar de Opéra. Van de verkeersdrukte tijdens het spitsuur krijg ik meteen een astma-aanval. Maar die krijg ik klein met enkele inhalaties Berotec.

Hier staan we dan, verloren in de zonovergoten lichtstad. Besluiteloos, zoals zo vaak. Quo vadis, Senga? Naar het Quartier Latin, de enige wijk waarmee we wat vertrouwd zijn? We lopen over de Boulevard Saint-Germain en zoeken in de zijstraten naar een betaalbaar hotel. Alles lijkt te zijn volgeboekt. Het is al na achten. Een zenuwinzinking nabij nemen we een kamer in een luizig en nogal duur tweesterrenhotel: Hôtel de Lisbonne. Hoe komt het dat slechte hotels vaak naar andere steden zijn genoemd? In de kamer krijgt Senga een hevige hoestbui waarbij ze zelfs bloed opgeeft. Zou het tuberculose zijn? Na ons wat opgefrist te hebben gaan we op zoek naar een restaurant. In de Rue Jacob kondigt de schemering de nacht aan, ons vertrouwde element. Ik zou nog door een ellenlange nacht van depressie en jaren aanslepende psychoanalyse moeten gaan om in te zien dat alleen de dag verlossing brengt.

Parijs

 [1] Op 13 juli vond de Australiër Stan Thornton een paar kleine stukjes van het Skylab in Esperance.

ZERO DE CONDUITE: INSECTEN

Them!

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Stem af op Radio Centraal 106.7 fm en verruim je geest. Waarom zou je hem blijven vernauwen? Het motto van deze show isThe caterpillar hood / Won’t cover the head of you / Know you should / Be home in bed.
Je kan dit programma via streaming beluisteren. (En hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers).

Mocht ik mij alle insecten uit mijn jeugd herinneren, en alle voorvallen die ermee verband houden, en die op papier zetten, met vanzelfsprekend heel wat zijsprongen en meanderende associaties, dan zou ik al gauw voldoende materiaal hebben voor een boek, bestaande uit meerdere delen; een boek dat vast een ware bestseller zou worden. Maar ik begin er niet aan. Ik ben liever een krekel en zing – niet bepaald toonvast – mee met de songs die ik hier heb verzameld. Overigens heb ik nu ik oud en nog steeds niet wijs ben niet veel meer over insecten te vertellen. Het zijn kleine diertjes die wel eens hinderlijk kunnen zijn, die me soms flink doen schrikken – en hun aantal is groot. Veel meer valt er wat mij betreft over insecten niet te melden. Ik ben Jean-Henri Fabre niet. Ik laat dan liever de insectenkenners Tom Waits en Kathleen Brennan aan het woord: hun song Army Ants is werkelijk subliem:

“The Whirligig Beetles are wary and fast with an organ to detect the ripples
The Arachnid Moths lay their eggs inside other insects along the borders of fields
Or roads in clusters of white cocoons
The Ribbed Pine Borer is a longhorn beetle
Their antennas are half the length of their body and they feed on dead red pine
Robber Flies, with their immobile heads, inject a paralyzing fluid into their prey
That they snatch from life in mid-air
The Snow Flea’s mode of locomotion, strange and odd
With a spiny tail mechanism with hooks and a protracted tube from the abdomen
To enable moisture absorption
The female Praying Mantis devours the male while they are mating.
The male sometimes continues copulating even after the female has bitten off his head
And part of his upper torso
Every night wasps bite into the stem of a plant, lock their mandibles into position
Stretch out at right angles to the stem and, with legs dangling, they fall asleep
If one places a minute amount of liquor on a scorpion
It will instantly go mad and sting itself to death
The Bombardier Beetle, when disturbed
Defends itself by emitting a series of explosions
Sometimes setting off four or five reports in succession
The noises sound like miniature popgun blasts
And are accompanied by a cloud of reddish-coloured, vile-smelling fluid
It is commonly known that ants keep slaves
Certain species, the so-called Sanguinary Ants in particular
Will raid the nests of other ant tribes and kill the queen and then kidnap many of the workers
The workers are brought back to the captor’s hive where they are coerced into performing menial tasks
And as we discussed last semester, the Army Ants will leave nothing but your bones
Perhaps you’ve encountered some of these insects in your communities
Displaying both their predatory and defense characteristics
While imbedded within the walls of flesh and passing for
What is most commonly recognized
As human.”

Daaraan kan ik geen gebenedijd woord meer toevoegen. Veel luisterplezier!

Bobbie Gentry

Bugs – Bobbie Gentry – Ode To Billie Joe – Bobbie Gentry

Junebug Waltz – Hurray For The Riff Raff – Hurray for the Riff Raff – Alynda Lee Segarra

The Bed Bug Song – Brownie – Soul Jazz Records Presents: Calypso: Musical Poetry In The Caribbean 1955-69 – Richards

Os Grilos (Crickets Sing For Anamaria) – Marcos Valle – The Bossa Nova Exciting Jazz Samba Rhythms, Vol. 2 – Marcos Valle/Paulo Sérgio Valle

My Cricket – Leon Russell – Carney – Leon Russell

Day Of The Locusts – Bob Dylan – New Morning – B. Dylan

A Worm Is At Work – Slapp Happy & Henry Cow – Desperate Straights – Blegvad/Moore

Diet Of Worms – This Heat – This Heat – This Heat

Hey Worm! – “Little” Jimmy Dickens – Early Rock ‘n’ Roll And Rockabilly – Allison

Fly Trouble – Hank Williams – I’m Satisfied With You – Biggs/ Rose/Wilds

Human Fly – Cramps – Off The Bone – The Cramps

The Spider And The Fly – The Rolling Stones – Out Of Our Heads [USA] – Mick Jagger/Keith Richards

Flyswatter – Eels – Daisies Of The Galaxy – E

Fly On The Wall – XTC – English Settlement – Colin Moulding

I Am the Fly – Wire – Chairs Missing – Lewis/Newman

Ant Man Bee – Captain Beefheart & The Magic Band – Trout Mask Replica – Don Van Vliet

Army Ants – Tom Waits – Orphans: Brawlers, Bawlers & Bastards – Tom Waits – Kathleen Brennan

I Got Ants In My Pants – James Brown – Star Time – James Brown

The Caterpillar Crawl – The Strangers – Golden Age of American Rock & Roll – Vol 7 – Joel Hill/Ron Lynch

Caterpillars – The Handsome Family – Wilderness – Brett & Rennie Sparks

Mosquito Dance – Béla Bartók – 44 Duets For Violins On The Nyckelharpa – Béla Bartók

I’m Nature’s Mosquito – Jonathan Richman & The Modern Lovers – Home Of The Hits: The Best Of Jonathan Richman & The Modern Lovers – Jonathan Richman

Here Come The Fleas – White Noise – An Electric Storm – Vorhaus/McDonald

Maggots – Kendra Smith – Five Ways of Disappearing – Kendra Smith

Kendra Smith

Insecticide – Frank Tovey (Aka Fad Gadget) – The Fad Gadget Singles – Fad Gadget

Boris The Spider – The Who – A Quick One, While He’s Away – John Entwhistle

Black Widow Spider – Dr. John – Babylon – Dr. John Creaux

My Tiny Butterfly – Moondog – Moondog 2 – L. Hardin

Butterfly Dance – Kevin Ayers – Shooting At The Moon – Kevin Ayers

The Butterfly Collector – The Jam – The Jam Collection – Paul Weller

Butterfly Mornings – Hope Sandoval & The Warm Inventions – Bavarian Fruit Bread – Richard Gillis

Southern Butterfly – Tim Hardin – Bird On The Wire – Tim Hardin

Butterfly – Scott Walker – Scott 3 – S. Engel

Lady Bird – Nancy Sinatra & Lee Hazlewood  – Nancy Sinatra & Lee Hazlewood – Lee Hazlewood

Firefly – American Music Club – California – Mark Eitzel

Dragonfly – Shack – Waterpistol – Michael Head

Muzzle Of Bees – Wilco – A Ghost is Born – Wilco

Outro With Bees (Reprise) – Neko Case – Blacklisted – Neko Case

The Predatory Wasp Of The Palisades Is Out To Get Us! – Sufjan Stevens – Come On Feel The Illinoise! – Sufjan Stevens

Research & samenstelling: Martin Pulaski

HOOFDKWARTIER ZURENBORG

[Nachten aan de Kant 42]

Van 1977 tot 1980 woonden we in een pand in de Dolfijnstraat in de wijk Zurenborg in Antwerpen. Een fijne buurt met een mooi plein, de Dageraadplaats, een naam die me nauw aan het hart lag omdat ik het ochtendrood (Aurora) nooit méér gekoesterd heb dan in die dagen. Dat hield zeker verband met filosofie en poëzie, maar niet minder met de nachten, die mij toen zo dierbaar waren. Je weet hoe indrukwekkend een zonsopgang is als je de hele nacht bent opgebleven. Op de Dageraadplaats was toen nog een uitstekende boekwinkel en de plaatselijke slijterij viel evenmin te versmaden. Ons stamcafé was de Cereus; later tot Het Zeezicht omgedoopt. Ook Dolfijnen liggen mij nauw aan het hart, ook al omdat ze in twee van mijn favoriete songs voorkomen, The Dolphins van Fred Neil en Dolphin’s Smile van the Byrds.
Daar, in Zurenborg, ontstond het plan om ooit mijn Antwerpse nachten een tweede leven te geven. Maar dat kon ik slechts verwezenlijken door ook de dagen van werk en studie in beeld te brengen. Nu, zovele jaren later, blijkt dat er veel meer komt bij kijken dan alleen maar het reconstrueren van een specifieke tijd en plaats. Honderden dromen (en nachtmerries) en talloze herinneringen hebben sindsdien het verhaal aangevuld. In literatuur, films, muziek, kunst, op websites ontdek ik nuanceringen en nieuwe revelaties.

De foto’s hierboven maakte ik in 1977 aan de Draakplaats. De heel bijzondere torentjes op de achtergrond hebben mij altijd gefascineerd. Ze staan naast de spoorwegberm en maken deel uit van een watervoorzieningssysteem van de spoorwegmaatschappij. Mijn model is zoals zo vaak Senga, minder bekend dan de heilige Agnes, beschermheilige van verloofde stellen, van de kuisheid, van jonge meisjes en maagden en van slachtoffers van verkrachting.

EEN SIAMESE KAT

[NACHTEN AAN DE KANT 41]

Waar waren we ook alweer gebleven? In de beste tijd en in de slechtste tijd, in de mooiste stad en in de lelijkste stad, met de liefste vrouwen en de meeste verachtelijke, met de voortreffelijkste vriend en de minst betrouwbare. Het was aan de vooravond van een reis naar de Camargue, meer bepaald naar een bedevaartsoord van de zigeuners, Saintes-Maries-de-la-Mer. Al zou hun trip geen bedevaart worden.
Keren we na dit lange oponthoud terug naar die stad aan de stroom en naar dat jaar, keren we terug naar de Nachten met een droom? In dromen krijgt de werkelijkheid andere, mogelijk wel duidelijkere contouren. Het kan gebeuren dat de dromer verneemt hoe het nu echt zat met zijn verleden en wat hem verder in dit ondermaanse nog zoal te wachten staat.

Ik zie Martin de trappen aflopen naar de Pussycat, een obscure nachtclub in een vochtige kelder. Er is een party van bijzondere en ook wel onaangename zaken aan de gang. In het clair-obscur herkent Martin enkele vrienden en kennissen. In een hoekje zit een groepje Engelsen met akoestische gitaren uit Nazareth in Pennsylvania; mannen met baarden. Ze spelen hun idee van een cover van Lucifer Sam, een wonderlijke song die Martin en mij al in 1967 wist te betoveren.

Na een lang gesprek kan Rina mijn oude vriend zo ver krijgen dat hij met haar naar bed gaat. Het voorwerp waarnaar die daad is genoemd staat in het midden van een klein vertrek dat deel uitmaakt van de club. Martin voelt zich wat ongemakkelijk omdat hij niet weet wat Rina precies van hem verwacht. Maar de gedachte dat hij met haar gaat vrijen, dat zij hier zo helemaal naakt en wellustig bij hem ligt, zij aan de linkerkant, hij aan de rechterkant, windt hem op. Zeker het gevaarlijke van die situatie geeft hem een kick; dat om het even wie hier zomaar kan binnenstappen, zelfs Sandra. Rina giechelt en schijnt te genieten. In haar blik iets triomfantelijks. Ze heeft een overwinning behaald. Tell mama what you need, gilt ze niet al te luid. Hij komt klaar, maar veel stelt het niet voor. Hij heeft zin in meer. Rina ook, zegt ze. Ze spreken af: om zo laat in café X, op een paar minuten van de Pussycat.

Het verdomde feestje loopt ten einde. Alleen de Engelsen zitten nog in hun hoek Lucifer Sam ten gehore te brengen. Sandra heeft al haar kleren uitgetrokken. Bijna helemaal naakt ligt ze op een laag tafeltje in een andere hoek van de club. Alleen haar slipje heeft ze nog om haar knieën, haar benen zijn een beetje gespreid. Om het even wie mag haar nemen, roept ze met woede in haar stem. Martin kan de pot op. Ik wil je niet meer, brult ze. Hoor je dat, ik wil je niet meer.

Wat een ellende dat mijn vriend zijn schoenen niet terugvindt. Op blote voeten moet hij zich op de vuile, glibberige vloer wagen. Overal liggen glasscherven en ander afval. Erger nog is dat hij blootsvoets onmogelijk naar dat café X kan lopen. Een portier is naar hem toe gekomen; het is genoeg geweest met dat psychodrama van hem en Sandra en Rina. Ze moeten eruit en vlug wat. Martin probeert Sandra haar slipje weer aan te trekken en slaat haar één of ander kledingstuk om en zo vluchten ze naar buiten, de warme zomernacht in.

De volgende dag (of enkele dagen later). Sandra kan hem niets maar dan ook helemaal niets vergeven. Ik voel niets meer voor je, zegt ze. Zij gaat nu schilderen bij mijnheer Z. Natuurlijk is Martin jaloers, of ze nu schildert of komedie speelt of nog iets anders doet. Ze kijkt hem uitdagend aan als ze het over dat schilderen bij die Mijnheer Z heeft. Al gauw moet hij toegeven dat ze echt schildert: hij ziet het met zijn eigen ogen. Ze werkt aan een doek van ongeveer 1,50 op 2 meter, met olieverf, alles nagenoeg zo zwart als een winternacht. Ontwaart hij in dat donker geen twee contouren van lichamen, een links en een rechts?
Als Sandra die avond thuiskomt, vraagt hij hoe dat nu zit met dat doek. Welk doek? vraagt Sandra. Dat zwarte schilderij, zegt hij. Ze weet niet waarover hij het heeft. Of doet alsof? Martin heeft me al zo vaak verteld hoe goed Sandra kan liegen. Komediespelen noemt hij dat liever.

Die vrijdag gaat Martin nog eens een kijkje nemen in de studio van mijnheer Z, gelegen in de Offerandestraat, waar ooit cinema Festa was gevestigd. In de jaren vijftig zag ik er samen met mijn ouders westerns en oorlogsfilms. Later werd de cinema gebruikt als atelier voor het vervaardigen van calicots. [1] Hij ziet de Meester en zijn leerling voor een grote, langwerpige tafel staan, Z links, Sandra rechts. En inderdaad zijn ze ook nu druk in de weer. Maar van het zwarte doek geen spoor. Wel is Sandra aan het werken aan een aquarel, niet groter dan 27 op 36 centimeter. Het is een portret van Gabriella, haar hoofd afgebeeld in een mandorla. In de vier hoeken heeft Martins geliefde waar je meestal de evangelisten aantreft vier kleine zwarte kittens geschilderd.

[1] Calicots “zijn de grote geschilderde borden aan de gevel of inkompartij van de bioscoop, waarmee de lopende films werden aangekondigd. Deze calicots werden vervaardigd op doek of panelen en steeds overschilderd, waardoor er weinig originele bewaard bleven. Voor het vervaardigen van de doeken projecteerde men een beeld op het te schilderen doek of paneel. Een oude bioscoopzaal beschikte over de mogelijkheid tot projecteren van een beeld en kreeg daarom een tweede leven als atelierruimte voor het vervaardigen van calicots.” Ann Malliet

De Festa werd ontworpen door architect Leopold Van Den Broeck.

Foto’s: Martin Pulaski

ZERO DE CONDUITE: DUISTER

Figure du monstre qui désole le Gevaudan.

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Stem af op Radio Centraal 106.7 FM en verruim je geest. Vernauwen mag ook. Het motto van deze show isI’ve been down on the bottom of a world full of lies / I ain’t looking for nothing in anyone’s eyes / Sometimes my burden seems more than I can bear.
Je kan dit programma via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers.

Piranesi, Le carceri d’invenzione

“Halverwege onze levensreis
bevond ik me in een somber woud,
want ik was afgedwaald van het rechte pad.”

Zo begint De Goddelijke Komedie van Dante, de grote Italiaanse dichter uit de 13de eeuw. De vertaling van deze versregels is van Jules Grandgagnage. Ik weet niet of ik van het rechte pad ben afgeweken maar ik ben al een heel eind verder gekomen op mijn levensreis dan de verteller in De Goddelijke Komedie. Vandaag zou een donker woud me vast bevallen, zeker een waar zoveel gebeurt als in het gedicht van Dante, en waar op het einde zoveel sterren fonkelen en liefde het hele universum doet bewegen. Hier in mijn straat gebeurt maar weinig. Aan de overkant woonde ooit een dichter, Maurice Carême. Zijn huis is nu een museum maar ik zie er nooit iemand binnengaan of buitenkomen. Nee, veel gebeurt hier niet. Gelukkig hebben we talloze werelden in boeken, films en muziek.

Niet met Vergilius maar met songschrijvers en muzikanten als gids gaan we vanavond op zijn minst twee uur lang de duisternis in. Mochten we verdwalen kan het heel wat langer worden. Tijd is relatief.

Vaak is duisternis onheilspellend en lonkt er als de nacht gevallen is overal gevaar. Voor je het weet zit je in de val. Gisteren –  of was het eergisteren – werd in het dorp hiernaast nog een man vermoord. Zijn moeder zwaar toegetakeld. Inbrekers van de kwalijke soort. Maar tijdens een wandeling in het Ten Bospark lachte een hoogzwangere vrouw me toe, al was dat op een zonovergoten middag.

Voor duisternis hoef je niet naar buiten en ze is er ook zonder geteisem en geboefte. Je kan thuisblijven met alle lichten aan maar in je hoofd alleen maar donkere gedachten.

Echter, niet alle duister is schrikwekkend. In het donker fonkelen de lichten van lust en liefde. Lange zomernachten vol genot waar geen einde aan komt. Tijd is relatief.

Veel schaduw en duisternis werd op muziek gezet. Dit is er een bescheiden keuze uit. Veel luisterplezier.

Gustave Doré, De Goddelijke Komedie

Wait Until Dark Scott Walker – Scott 2 – Henry Mancini – 1968

Dark Lolita – Angelo Badalamenti & Kinny Landrum – Wild At Heart – Badalamenti – 1990

Dark Days – Stuart Staples – Lucky Dog Recordings 03-04 -Staples – 2005

The Dark Is Rising – Mercury Rev – All Is Dream – Donahue/Mackowiak/Mercel – 2001

Dark Neon – Wilco – Alpha Mike Foxtrot: Rare Tracks 1994 – 2014 – Jeff Tweedy  – 2014

Home After Dark – Dan Stuart – Can o’ Worms – Dan Stuart – 1995

By The Rivers Dark – Leonard Cohen – Ten New Songs – Cohen/Robinson – 2001

The Darker Days Of Me & Him – PJ Harvey – Uh Huh Her – PJ Harvey – 2004

My Dark Ages – Pere Ubu – Datapanik in the Year Zero – 1975-1977 -Ravenstine/Thomas/Krauss/Herman/Maimone – 1996

No Dark Things – Echo & The Bunnymen – Heaven Up Here – McCulloch/Pattinson/de Freitas/Sergeant  – 1981

A Forest – The Cure – Seventeen Seconds – Tolhurst/Hartley/Smith/Gallup – 1980

Darklands – The Jesus & Mary Chain – Darklands – William Reid – 1987

Heart Of Darkness – Sparklehorse – Vivadixiesubmarinetransmissionplot – Linkous – 1995

Long Black Veil – Nick Cave & The Bad Seeds – Kicking Against The Pricks – Danny Del-Marjohn Wilkins – 1986

Big Black Mariah – Tom Waits – Rain Dogs – Tom Waits – 1985

Not Dark Yet – Bob Dylan – Time Out Of Mind – Dylan – 1997

I See A Darkness – Bonnie “Prince” Billy – I See A Darkness – Oldham – 1998

Dark Road – Richard Hawley – Lady’s Bridge – Richard Hawley – 2007

Deep Dark Hole – Los Lobos – The Neighborhood –  Hidalgo/Perez – 1990

Alone In The Dark – John Hiatt – Bring The Family – John Hiatt – 1987

Dark Night – The Blasters – Testament: The Complete Slash Recordings – Dave Alvin – 1985

Dark Water – Rainer & Das Combo – Barefoot Rock With …  – Ptacek – 1994

My Daddy Walked In Darkness – Gil Bateman – Instant Garage – Hoyt Axton – 1966

Dark Was The Night – Ry Cooder – Paris, Texas – Blind Willie Johnson, arr. Cooder – 1985

Dark Night Blues – Blind Willie McTell – R. Crumb’s Heroes Of Blues, Jazz & Country – Gary Atkinson/Blind Willie McTell – 1927

Black Cat Blues – John Lee Hooker – Saga Blues: Blues From the Motor City – B. Besman/John Lee Hooker – 1949

Dark and Dreary – Elmore James & His Broom Dusters – Blues After Hours – Josea  – 1960

The Man In The Long Black Coat – Mark Lanegan – I’m Not There – Dylan – 2007

Dark Turn Of Mind – Gillian Welch – The Harrow & The Harvest – Rawlings/Welch  – 2011

When It’s Dark – Yo La Tengo – Popular Songs – Yo La Tengo – 2009

Be Dark Night – Phosphorescent – Pride – Matthew Houck – 2007

Why Spend a Dark Night With Me? – Moondog – Moondog 2 – L. Hardin – 1970


Gustave Doré, De Goddelijke Komedie

Nawoord:

Waarom geen Darkness on the Edge of Town van Bruce Springsteen, terwijl dat toch een song is die altijd al mijn hart sneller deed kloppen? Het antwoord is simpel: ik houd al lang niet meer van het gedrum van Max Weinberg. En waarom dan geen Black Angel’s Death Song van the Velvet Underground? Ik zou het niet weten.


Samenstelling en research: Martin Pulaski

DONKERE KAMERS

Dit ben ik in de Lamorinièrestraat in Antwerpen. Agnes maakte de foto in 1980 of 1981. Maar wie ben ik en – vooral – wie was ik? Blijft er nog iets over van de jonge man van toen? Zeker, ik heb mijn herinneringen, maar zijn die betrouwbaar? Het zouden net zo goed verzinsels kunnen zijn, iets wat ik mezelf voorhoud, een verhaal. Ik weet nog waarom ik die bril kocht maar niet waar. Ik weet ook wie mijn haren knipte. Maar hoe was ik op het idee gekomen om ze blond te maken? En waar komen dat lelijke lichtblauwe truitje en dat nauwelijks zichtbare overhemd vandaan? En wie was die Agnes van me, wat zei ze toen ze de foto nam en – vooral – wat dacht ze? Graag zou ik willen weten welke kleren ze aanhad, of ze al dan niet gemaquilleerd was, welke schoenen, misschien was ze blootsvoets. En wat was de aard van dat fototoestel? Wij hadden toen helemaal geen camera, dus was hij van iemand anders. Mogelijk van mijn broer. Maar wie was mijn broer, waar kwam hij vandaan, enzovoort. Waarom bezat ik zelf geen fototoestel? Ik maakte erg graag foto’s en had op het Ritcs (de filmschool in Brussel) geleerd hoe je het moest doen. Ik was vertrouwd met de donkere kamer. Vandaag lijkt het erop of heel mijn leven zich in donkere kamers heeft afgespeeld.

ZERO DE CONDUITE: GHOSTS

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Stem af op Radio Centraal 106.7 FM en verruim je geest. Het motto van deze show isI’m strapped to this fucking twin bed / And I won’t get any cookies or tea / Till I stop quoting Nietzsche / And brush my teeth and comb my hair.
Je kunt dit programma via 
streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers.

Vanavond verschijnen de geesten. Als wij het zelf al niet geworden zijn na een jaar in afzondering, onze aandacht grotendeels gericht op twijgjes, postbodes, de lucht en vogelgezang, worden we het op deze dag, op 1 mei 2021: geesten. Mooi toch dat we geesten worden die liederen over geesten beluisteren, niet? Twee uur lang laten we onze van hunkeren en smachten vermoeide  lichamen links liggen (of rechts) en doen we alsof we uit niets anders bestaan dan licht en ether.

De songs die de revue zullen passeren roepen inderdaad allerlei soorten geesten op. Geesten te paard, geesten op het strand, geesten in spooktreinen, zwervende geesten, hongerige geesten en heilige geesten. Het minste wat je over deze songs kunt zeggen is dat ze bezield zijn, of in ieder geval dat hun makers dat waren. Zonder bezielde muzikanten geen muzikale geesten, en onbezielde luisteraars dreigen geen noot te zullen horen. Om dit in eenvoudige bewoordingen samen te vatten: er is musica humana nodig om musica instrumentalis te kunnen horen.

Veel luisterplezier en veel geestdrift gewenst, beste geesten van 1 mei!

Opgedragen aan Gene Taylor, overleden op 20 februari 2021.

Spirit Ditch – Sparklehorse – Vivadixiesubmarinetransmissionplot – Mark Linkous (de allerliefste geest)

My Ghost – The Handsome Family – Through The Trees – Brett Sparks/Rennie Sparks

Your Ghost – Kristin Hersh – Hips And Makers – Kristin Hersh

The Ghost On The Shore – Lord Huron – Lonsome Dreams – Lord Huron

Ghost Tropic – Songs: Ohia – Ghost Tropic – Alasdair Roberts/Jason Molina/Mike Mogis/Shane Aspegren

Ghosts – Fred Frith – Guitar Solos – Fred Frith

Ambush/Banquo’s Ghost – Third Ear Band – Music From Macbeth – Bridges/Sweeney/Buckmaster/Minns

Ghosts – Sam Amidon – The Following Mountain – Sam Amidon

Ghost of a Horse – Emily Jane White – Victorian America – Emily Jane White

Chasing Ghosts – Steve Von Till – A Life Unto Itself – Steve Von Till

Ghosts – Clint Mansell & Kronos Quartet – Requiem For A Dream – Clint Mansell

Ghost Of The Monks – William Penn & The Quakers – The Hush Records Story – Gunther

New Ghosts – Albert Ayler – New Grass – Mary Parks

Ghost Town – The Specials – Singles – Jerry Dammers

Ghost Rider – Suicide – First Album  – Martin Rev/Alan Vega

Dead Souls – Joy Division – Permanent – Joy Division

Ghost Highway – Mazzy Star – She Hangs Brightly – David Roback

Ghost On The Highway – The Gun Club – Fire Of Love – Jeffrey Lee Pierce

Ghost Band – Green On Red – The Killer Inside Me – Cacavas/Waterson/Stuart/Prophet

Ghost On The Road – Guadalcanal Diary –  Walking In The Shadow Of The Big Man – Jeff Walls

Ghosts Of Hallelujah – The Gourds – Ghosts Of Hallelujah – Kevin Russell/Jimmy Smith

Hungry Ghost – Hurray For The Riff Raff – The Navigator – Alynda Segarra

Holy Ghost – Low – The Invisible Way – Alan Sparhawk/Steve Garrington

Ghosts in My Heart – Mariee Sioux – Gift for the End – Mariee Sioux

Ghost Woman Blues – The Low Anthem – Smart Flesh – George Carter

Ghost of David – Damien Jurado – Ghost of David – Damien Jurado

The Ghost Of The Girl In The Well – Willard Grant Conspiracy – Regard The End – Robert Fisher

Ghost-Town Of My Brain – Jim White – No Such Place – Jim White

The Ghost And The Black Hat – Go-Betweens – Liberty Belle And The Black Diamond Express – Grant McLennan/Robert Forster

The Ghost Of You Walks – Richard Thompson – Action Packed: The Best Of The Capitol Years – Richard Thompson

Ghosts – Randy Newman – Guilty: 30 Years Of Randy Newman – Randy Newman

Paris 1919 – John Cale – Paris 1919 – John Cale

Ghost Train – Rickie Lee Jones – Duchess of Coolsville: An Anthology – Rickie Lee Jones

Spirits Drifting – Brian Eno – Another Green World – Brian Eno

Ghosts Of A Future Lost – Clint Mansell & Kronos Quartet – Requiem For A Dream – Clint Mansell


Research, samenstelling en montage: Martin Pulaski
Afbeeldingen: The Innocents (Jack Clayton); Carnival of Souls (Herk Harvey); Albert Ayler; Carnival of Souls.

ZERO DE CONDUITE: SLAPEN, DROMEN

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Stem af op Radio Centraal 106.7 FM en verander je leven. Het motto van deze show is In the land of my dreams / You’re sweeter than ever before / In the land of my dreams / You love me so much more. Je kunt dit programma via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers.

Opgedragen aan Agnes Anquinet.

Vorige zaterdag, toen ik dit programma monteerde en een korte inleiding opnam, had ik er geen idee van hoe de zware hartoperatie van Agnes zou aflopen. We hadden allebei het volste vertrouwen in het medisch team van UZ Brussel, maar hadden toch ook twijfels. Je weet maar nooit wat er kan gebeuren in zo’n operatiekamer. In hoop en angst en nog een resem andere emoties heb ik deze lijst van songs over slapen en vooral dromen samengesteld. In mijn donkerste momenten dacht ik, stel dat Agnes het niet overleeft, dan… Ja, wat dan? Dat ze deze liedjes niet meer zou kunnen horen? Ga weg, zo narcistisch was ik nu ook weer niet. En zo belangrijk vond ik deze stukjes muziek nu ook weer niet. Ik zou het programma niet hebben laten uitzenden, dat spreekt vanzelf. Dieper ben ik op die mogelijkheid niet ingegaan: Agnes moest overleven. Ik stond geen ander vooruitzicht meer toe. Al leek het dan maandag wel allemaal verkeerd te gaan. Een uiterst problematische operatie, acht uur in de operatiekamer. Ondraaglijke spanning in mijn eigen hart (en niet alleen in dat van mij).
Maar dat was maandag. Inmiddels is het tij gekeerd en ziet de toekomst er bijna rooskleurig uit. Hoewel, rooskleurig? Wat heb je aan die bleekrode tint? Het komt erop neer dat Agnes weer thuis zal zijn en dat we samen nieuwe dromen zullen kunnen dromen. Ik twijfel er niet aan dat daar prettige en rijke en zelfs wilde dromen bij zullen zijn maar dat ook nachtmerries niet zullen ontbreken. De warmte voel je alleen maar als je weet dat er ook kou is. Of zoals Ismaël, de verteller in Herman Melvilles Moby Dick, het formuleert: “Temeer, zeg ik, want om echt van lichaamswarmte te genieten, moet een klein stukje van je koud zijn; iedere eigenschap in deze wereld is immers alleen wat het is uit contrast. Niets bestaat in zichzelf.” (Vertaling Barber van de Pol).
Het idee bij deze aflevering van Zéro de conduite was dat Agnes veel zou slapen en dromen in haar ziekenhuisbed. Dat ze geen pijn zou hebben. En dat ze dan na een week van diepe en pijnloze rust op een stralende lentedag zou ontwaken. Deze liedjes vervangen de dromen die ze in mijn verbeelding – in mijn verbeelding van voor de operatie – zou hebben. Natuurlijk is de realiteit altijd anders dan de voorstelling die je je ervan maakt. Soms is dat een goede zaak.

Veel luisterplezier.

Sleep – This Heat – Deceit – This Heat

I Go To Sleep – The Pretenders – Pretenders II – Ray Davies

I Can’t Sleep – Aziza Mustafà Zadeh ft. Toots Thielemans – Jazziza – Zadeh

Land Of My Dreams – Anna Domino – East and West – Aretha Franklin

The Dream’s Dream – Television – Adventure – Tom Verlaine

Tiny Children – The Teardrop Explodes – Wilder – Julian Cope

Chasing The Dream – Sunhouse – Crazy On The Weekend – Gavin Clarke

Dreams – Clint Mansell & Kronos Quartet – Requiem For A Dream – Clint Mansell

Am I Dreaming – Jane Canada – Break-A-Way: The Songs Of Jackie De Shannon 1961-1967 – Jackie De Shannon

Johnny Angel – Shelley Fabares – Les Hits 1962 Salut Les Copains – Lyn Duddy

Dreamin’ Of You – Noreen Corcoran – Phil’s Spectre II: Another Wall Of Soundalikes – Nino Tempo

Wonderful Land – The Shadows – Les Hits 1962 Salut Les Copains – Lordan

Tout est permis quand on rêve – Lilian Harvey & Henri Garat – Les plus belles chansons du cinéma – W. R. Heymann/A. Boyer/R. Bertram/J. Cis

Dreaming A Dream – Al Bowlly with Ray Noble & His Orchestra – Pennies From Heaven – R.P. Weston/B. Lee/J. Waller/J. Tunbridge

Girl Of My Dreams – Dizzy Gillespie feat. Stan Getz – Diz & Getz – Sunny Clapp

This Time The Dream’s On Me – Russ Freeman & Chet Baker – Chet Baker & Russ Freeman Quartet – Arlen/Mercer

Nightmare – Percy Mayfield – Poet Of The Blues – Percy Mayfield

Nightmare – Artie Shaw & His New Music – Pop Music: The Early Years 1890-1950 – Artie Shaw

‘Til The Following Night – Screaming Lord Sutch & The Savages – Joe Meek: The Alchemist Of Pop – Home Made Hits & Rarities 1959-1966 – Sutch

Night Of The Vampire – The Moontrekkers – Joe Meek: The Alchemist Of Pop – Home Made Hits & Rarities 1959-1966 – LePort

Alligator Wine – Screamin’ Jay Hawkins – The Leiber & Stoller Story – Volume 2 – On The Horizon 1956 – 1965 – Jerry Leiber/Mike Stoller

Make My Dreams Come True (take 2) – Elmore James & His Broom Dusters – Blues After Hours – Elmore James

Six Dreams – The Seeds – Pushin To Hard [The Best Of The Seeds] – Sky Saxon

Dream Within A Dream – Spirit – The Family That Plays Together – Jay Ferguson

Oh! Wot A Dream – Kevin Ayers  – Bananamour – Kevin Ayers – Kevin Ayers

Gallery Of Dreams – Rosie & The Originals – Angel Baby Revisited – Unknown

Girl of My Dreams – Etta James – At Last! – Charles Clapp

Dreamer – Patti LaBelle & The Bluebelles – Sweet Inspirations: The Songs Of Dan Penn & Spooner Oldham – Dan Penn/Spooner Oldham

Circle Dream – 10,000 Maniacs – Our Time In Eden – Dennis Drew/Natalie Merchant

Series Of Dreams [Recorded New Orleans 3/23/89, Outtake From Oh Mercy] – Side Tracks – Bob Dylan

Take Care In Your Dreams – Tindersticks – No Treasure But Hope – Neil Fraser/Robert McKinna/David Boulter

Summer Of Their Dreams – Virgina Astley – From Gardens Where We Feel Secure – Virginia Astley

Reve – Françoise Hardy – La Question – Taiguara/Hardy

How Can We Hang On To A Dream – Tim Hardin – Tim Hardin 1 – Tim Hardin

The Dream Machine – John Zorn – Dreamachines – John Zorn

Please Don’t Wake Me – Cinderella – 2.Dimension Dolls, Beyond The Valley:Girls Will Be Girls –

Please wake up – Louie And The Lovers – The Complete Recordings – Louie Ortega


Samenstelling, research en montage: Martin Pulaski

ZERO DE CONDUITE: TELL IT TO YOUR HEART

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Stem af op Radio Centraal 106.7 FM en verander je leven. Het motto van deze show is For so long I thought about it / And now I just can’t live without it / This beautiful image I have of you.
Je kunt dit programma ook via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers. Opgedragen aan Agnes Anquinet.

Vanavond is er ondanks mijn eerder gedane belofte geen derde aflevering van de reeks baanbrekers in populaire muziek. De realiteit heeft zich op de zo mogelijk hardste wijze aan ons privéleven opgedrongen. Mijn geliefde Agnes lijdt aan hartfalen en moet op 1 maart een zware operatie ondergaan. (Meer details daarover vind je in enkele vorige mededelingen.) Om die reden heb ik gekozen voor een ander soort songs. Liedjes die Agnes nauw aan het hart liggen, die volgens mij troost brengen en mogelijk op die manier een helende kracht hebben. Het zijn geen doodsliederen, verre van, want er is geen dood in zicht. Deze 36 songs – vrij willekeurig en intuïtief geselecteerd –  zijn levensbevestigend. Veel van de liedjes kun je meezingen en op heel wat ervan kun je dansen. Agnes komt hier sterker uit, dat zeggen al onze vrienden en ik zeg het zelf ook. Ik weet het. Het zal goed aflopen, maar toch houden we ons spreekwoordelijke hart vast. Ondertussen hebben we als houvast muziek als die van vanavond, maar ook boeken, films en heel veel herinneringen aan een  rijk leven samen en met onze vrienden. Dit programma is ook voor jullie, vrienden, die zo met dat verzwakte hart van Agnes begaan zijn.

Veel luisterplezier!


The Beat Goes On – Sonny & Cher – The Beat Goes On – Sonny Bono

Too Busy Thinkin’ About My Baby – Marvin Gaye – M.P.G.  – N.Whitfield/J.Bradford

You’re My Remedy – The Marvelettes – The Definitive Collection – Smokey Robinson

A Love Like Yours (Don’t Come Knocking Everyday) – Martha Reeves & The Vandellas – Come And Get These Memories – Eddie Holland/Brian Holland/Lamont Dozier

Whole Lot Of Shakin´ In My Heart (Since I Met You) – Smokey Robinson & The Miracles – Away We A Go-Go – Smokey Robinson

That’s Where It’s At – Sam Cooke – The Man And His Music – J. W. Alexander/Sam Cooke

Ruler Of My Heart – Irma Thomas – Time Is On My Side – N. Neville

You, Baby – The Ronettes – Phil Spector – Back To Mono (1958-1969) [Disc 2] – P.Spector/B.Mann/C.Weil

Please Let Me Wonder – The Beach Boys – The Beach Boys Today! – Brian Wilson/Mike Love

I’m Only Sleeping – The Beatles – Revolver – Lennon/McCartney

Darlin’ Companion – The Lovin’ Spoonful – Hums Of The Lovin’ Spoonful – John Sebastian

She’s A Rainbow – The Rolling Stones – Their Satanic Majesties Request – Mick Jagger/Keith Richards

Little Wing – The Jimi Hendrix Experience – Axis: Bold As Love – Jimi Hendrix

Today – Jefferson Airplane – Surrealistic Pillow – Marty Balin/Paul Kantner

8:05 – Moby Grape – Moby Grape – D. Stevenson/J Miller

All Come To Meet Her – Skip Spence – Oar – Skip Spence

Time Is Passing – Pete Townshend – Who Came First – Pete Townshend

Andalucia – John Cale – Paris 1919 – John Cale

Little Sister – Nico – Chelsea Girl – John Cale/Lou Reed

Step Right Up – Anne Briggs – The Time Has Come – H. McCullough

Head And Heart – John Martyn – Bless The Weather – John Martyn

Chase The Blues Away – Tim Buckley – Blue Afternoon – Tim Buckley

Your Gentle Way Of Loving Me – The Byrds – Dr. Byrds & Mr. Hyde – F. Guilbeau/G. Paxton

If Not For You – Bob Dylan – New Morning – B. Dylan

Only Love Can Break Your Heart – Neil Young – After The Goldrush – Neil Young

Loretta – Townes Van Zandt – Flyin’ Shoes – Townes Van Zandt

A Song For You – Gram Parsons – GP – Gram Parsons

Secret Heart – Ron Sexsmith – Ron Sexsmith – Ron Sexsmith

Steal Your Love – Lucinda Williams – Essence – Lucinda Williams

She Is My Everything – John Prine – Fair And Square – John Prine

Heartache Spoken Here – Warren Zevon – Mr. Bad Example – Warren Zevon

A Matter Of Time – Los Lobos – How Will The Wolf Survive? – David Hidalgo/Louie Perez

Listen To Her Heart – Tom Petty & The Heartbreakers – You’re Gonna Get It! – Tom Petty

Tell It To Your Heart – Lou Reed – Mistrial – Lou Reed

Hold On, Hold On – Neko Case – Fox Confessor Brings The Flood – Neko Case

Glory – Television – Adventure – Tom Verlaine

Research, samenstelling en montage: Martin Pulaski

WAAR WAREN WE GEBLEVEN?

Martin Pulaski, Brussel, 1975

Waar waren we gebleven? Het was een ochtend in het begin van juli in het jaar 1979. Ik deed de deur open van onze woning in de Dolfijnstraat, gelegen in de Antwerpse wijk die nog steeds Zurenborg heet. Ik dacht dat ik op dat ogenblik akelige witte vogels uit een van die fantastische verhalen van Edgar Allan Poe hoorde schreeuwen, hun vleugels wel een meter breed, maar bij nader inzien bleek het geluid op te stijgen uit onze schimmelige kolenkelder, voor mij grotendeels onbekend terrein, al wist ik wel dat er geen kolen te vinden waren. In een donkere hoek trof ik vier kleine kittens aan.
We stonden toen op het punt om al liftend naar de Provence af te reizen. Onze rugzakken en ons kleine zilverkleurige tentje, als de uitrusting van stuntelige ruimtereizigers, stonden klaar voor de reis.

Terwijl ik aan het nadenken was over hoe ik verder zou gaan met mijn verhaal, of ik ook van die reis verslag zou uitbrengen, terwijl die toch helemaal niets te maken heeft met het nachtleven in Antwerpen, of dat ik meteen zou doorgaan met de geschiedenis van Gabriella, en ik mocht die kleine poesjes niet uit het oog verliezen, toen greep de realiteit in. Al was mijn kroniek toch ook de realiteit, of liever: ooit was dat alles realiteit geweest.

Want op 13 januari werd Agnes – in mijn verhaal noem ik haar Senga, de naam die zij destijds zelf zo graag gebruikte – wakker met pijn in de borst en ademnood. We dachten meteen aan covid-19 en waren danig in paniek. Omdat ik chronisch ziek ben vreesde ik ook voor mijn eigen lot. We konden ofwel naar de spoed gaan hier in het nabijgelegen ziekenhuis, of de ambulance bellen, die haar dan naar datzelfde ziekenhuis zou voeren, of we konden eerst onze huisarts raadplegen. Omdat bij covid-19 enkele uren meer of minder niet veel verschil maken, dachten we, besloten we om eerst naar de huisarts te gaan. Ook al omdat het kleine ziekenhuis hier in de buurt geen van ons beiden erg bevalt. Bovendien is het Franstalig, wat voor Agnes niet zo’n groot probleem is: zij is tweetalig. Maar toch verkiezen we het UZ in Jette, weliswaar hier ver vandaan. De huisarts sloot covid-19 uit, het was iets nog veel ernstigers, ze had dringende verzorging nodig. Ze had longoedeem, te weinig zuurstof, een veel te snelle hartslag. Ze moest meteen naar het UZ Brussel. Daar werd inderdaad longoedeem vastgesteld en hartfalen. Een dag later bleek het om een beschadiging van de mitralisklep te gaan, een van de drie hartkleppen. De nagenoeg definitieve uitspraak kwam er op 20 januari. Agnes’ hartfalen is van zo’n ernstige aard dat een openhartoperatie nodig is, of, in het allerbeste geval, een operatie via een kleinere opening (Minimaal Invasieve Mitraalklep Chirurgie, heet zoiets in medische termen). Het voordeel van de tweede ingreep is een kleinere holte in de borstkas. Welke ingreep het wordt vernemen we op 27 januari. Nog twee dagen.

Vorige donderdag is Agnes naar huis mogen komen. Onze levens hebben op 13 januari een wending genomen die ik zelfs niet in de ergste nachtmerries heb kunnen voorvoelen. Maar een nachtmerrie houdt opeens op, het echte leven gaat door. Een leven dat doorgaat, dat betekent niet alleen tragiek maar ook mogelijkheden. Een zee van mogelijkheden, om met Patti Smith te spreken, de eeuwige optimist. Agnes heeft de moed en de kracht om in elk opzicht beter te worden. Ze wordt beter.

Intussen blijft het wachten op het lot van de poesjes en hoe het met Gabriella verdergaat. Maar dat is allemaal al gebeurd en nu is nu. Ooit neem ik de draad weer op. Liever vroeger dan later.

DE VOLKOMEN BLEEKHEID VAN SNEEUW

DIE ZOMER zagen we Gabriella opfleuren. Senga en ik werkten inmiddels allebei bij de Filosofische Kring Aurora en hadden het behoorlijk druk met de redactie van het tijdschrift en het voorbereiden van literaire middagen en avonden. ’s Avonds aten we vaak met zijn drieën in de grote keuken beneden. Na de maaltijd voerden we gesprekken, een beetje zoals destijds in de Artanstraat in Schaarbeek, maar rustiger en redelijker. Soms las ik ontwerpen van teksten of gedichten voor. Ik haalde boeken uit de rekken, we lazen elkaar fragmenten voor van Knut Hamsun, Thomas De Quincey, Peter Handke en hele stukken uit De keisnijder van Fichtenwald van de toen bij ons bewonderde Nederlandse schrijver Louis Ferron.
We beluisterden de nieuwste elpees, voor zover ons budget ons de aankoop ervan toestond. Gelukkig was er ook nog de discotheek in de Lange Nieuwsstraat, die een voortreffelijk aanbod had. Gabriella bleef zoals in de Brusselse tijd van Nico en the Velvet Underground en van Patti Smiths Horses houden, wat niet vloekte met de punkrock en new wave en zelfs niet met albums als Darkness On The Edge Of Town, waar wij toen de voorkeur aan gaven. Geregeld hoorde je in het Dolfijnhuis de elpees Desertshore, met daarop aangrijpende nummers als My Only Child en Abschied, en The Marble Index [1], met No One Is There en Frozen Warnings. Na al die jaren bleef ik een pleitbezorger van de platen van Syd Barrett en Alexander Spence, waardoor wie bij ons geregeld op bezoek kwam vertrouwd werd met hun merkwaardige, hoogst originele songs.

Soms kwam Gabriella even in mijn werkkamer binnen om naar onze boeken te kijken. Op een dag trof ze in een stapeltje nieuwe aanwinsten in mijn kamer een Nederlandse vertaling van Moby Dick aan. Ze raakte gehecht aan de roman van Herman Melville, vooral aan het hoofdstuk over het witte van de walvis. Voor mij is dat een van de hoogtepunten uit de wereldliteratuur. Het was meer dan wat ook het witte van de walvis dat mij deed verbleken. Mogelijk herkende ze de bleekheid van haar eigen huid, met de volkomen blankheid van sneeuw, in die beschrijvingen. Hield ze ook niet zo van de laatste bladzijden van Edgar Allan Poes The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket?

Kort na Gabriella’s verhuizing naar de Dolfijnstraat waren we met zijn drieën in de Monty, een zaaltje op het Zuid, gaan kijken naar de thriller Looking for Mr. Goodbar van Richard Brooks, met Diane Keaton als Theresa Dunn, een borderline-lerares op zoek naar seksuele kicks. Dat was haast een net zo beklemmende belevenis, vooral het brutale einde, als het zien van Le locataire. Weer thuis vroeg ik me af of het een goed idee was geweest. Al kon ik de verbluffende acteerprestatie van Diane Keaton, de cinematografie van William Fraker en de nagenoeg perfecte soundtrack maar niet uit mijn hoofd zetten. Een meer bedwelmende en minder ontregelende ervaring was Bob Dylans film Renaldo and Clara. Voor Gabriella was het de eerste keer; ze was onder de indruk. Van de concertfragmenten bejubelde ze vooral de uitvoering van When I Paint My Masterpiece, mogelijk mede door de verwijzing in dat lied naar een verblijf van de verteller in Brussel. Van de fictieve scènes prefereerde ze die waarin de raadselachtige hoofdpersonages Renaldo, Clara en The Woman In White elkaar het leven moeilijk maakten. Na die filmmarathon keerden we naar huis terug om een hapje te eten en een tequila sunrise te drinken. Bob Dylan had ons dorst doen krijgen en onze levenslust aangewakkerd. Hoewel het al voorbij middernacht was wilden Senga en Gabriella toch nog de stad in. Zodoende namen we een taxi naar de Cinderella om ons met z’n drieën in de wereld van de punks onder te dompelen. Zodra Police and Thieves in de versie van the Clash weerklonk haastten we ons naar de dansvloer. Later, op adem komend aan de toog, trof ik Ria Pacquée daar aan. Ze zei dat er een party was in de King Kong en stelde voor om daar naartoe te gaan. Dat deden we. Maar wat in hemelsnaam deden we in de King Kong? Dansten we op tafels, vochten we met ingebeelde leeuwen, zongen we met zijn drieën of vieren People Get Ready?

Hoewel ik er toch geregeld binnenliep herinner ik me vandaag even weinig van de King Kong als van Louis Ferrons De keisnijder van Fichtenwald. Een psychiatrische instelling, sadistische nazi’s, Heinrich Von Kleist en zijn Penthesilea, dat is het ongeveer voor het boek van Ferron. Voor de King Kong zijn de herinneringsresten nog schaarser, een bal met Raymond van het Groenewoud, een optreden van Joy Division (waarover ik alleen maar iets las), een of andere toneelopvoering. Hoe zag de ruimte eruit, waren er meerdere zalen, moest je entree betalen, was er een balie? Welk publiek kwam er over de vloer? Vast niet hetzelfde als in Cinderella’s Ballroom. Onlangs zag ik een foto van Robert, de baas van die roemruchte club aan de Stadswaag. Niemand zou het in die tijd aangedurfd hebben hem baas te noemen. Op de foto staat hij achter de toog. Hij kijkt wat verrast, een beetje boos zo lijkt het wel. Links van hem een kleine witte ventilator, rechts een groen metalen kistje en wat elpees, waaronder Funhouse van the Stooges. Het leek een beeld uit een droom. Na veertig jaar heb ik mij van Robert en van de Cinderella een geheel andere voorstelling gemaakt. Ook mijn herinneringen aan Gabriella, hoe ze was, hoe ze bewoog, haar stemgeluid, zijn vervaagd. Wat maakt dat ik me nu afvraag of wat ik hier noteer niet eerder verzinsels zijn dan een weergave van werkelijk gebeurde voorvallen. Wat benijd ik schrijvers als Eric de Kuyper, met hun glasheldere herinneringen. Of zouden zij alleen maar goed onderlegd zijn in het verzinnen van allerlei geloofwaardige details? Beschikken zij over dagboeknotities waarin alles wat ze meemaakten haarfijn staat beschreven? In mijn dagboeken bijna niets van dat alles: het zijn grotendeels klachten over mijn gezondheid en notities over boeken en films en een aanzienlijk aantal herinneringen aan dromen.

Op een van die zomeravonden was er visite van Eddy D., de man van De man in de rups. We zaten net te luisteren naar Stateless, een elpee van Lene Lovich die ik van Senga cadeau had gekregen. Haar single Lucky Number was in die dagen een hit. Ik was een beetje bang dat het niet goed zou klikken tussen Gabriella en mijn vriend, omdat zij nogal asociaal was en soms verbaal agressief werd. Maar dat viel best mee, ook later in de rumoerige Cereus, waar L.S. nog even probeerde roet in het eten te gooien, wat hem niet lukte, omdat we ons niet lieten provoceren. Eddy luisterde met aandacht naar de meanderende invallen van Gabriella, woorden die meestal weinig met onze gespreksonderwerpen spoorden maar er op een moeilijk verklaarbare wijze toch bij aansloten. In mijn dagboek lees ik dat in onze conversatie sprake was van de fenomenen torus en tokamak.

Ik was tevreden. Senga en ik hadden de juiste beslissing genomen. Ook de avond van Walter Van Rooys tentoonstelling in het Pannenhuis was er een van plezier en euforie. Walter was opgetogen over de opkomst en de interesse, mijn vrienden waren in een opperbeste stemming. Samen met Guillaume Bijl en Ria Pacquée dronken we Duvels en discussieerden we over Diane Keaton, Truman Capote en In Cold Blood. We zongen mee met Lucky Number en I Think We’re Alone Now van Lene Lovich. Dat laatste was helemaal geen new wave maar een cover van een hippieliedje van Tommy James & the Shondells. In het Pannenhuis mocht dat nog: er waren geen vaste regels. Wel vonden Greta en Toulouse het prettig als je je rekening betaalde. Al vrij snel werd de sfeer diffuus en zaten we, samen met Gabriella’s zus Lena, die nu ook in Antwerpen woonde, in de Muze, daarna in de Mok – en opeens stond ik alleen aan de toog van de Kroeg, het bruine café op de hoek van de Wolstraat en het Conscienceplein waar ik in december 1968 de allereerste keer Beggars Banquet had gehoord, wat een haast mystieke ervaring was geweest.

Vroeg in de ochtend kwam ik thuis, flink beschonken. Plotsklaps hoorde ik een vreemd geschreeuw, van vogels dacht ik eerst, ik zag ze al voor me, grote witte vogels, hun vleugels wel een meter breed. Kwam het geluid echt wel van buiten, waar op dit uur al het zichtbare de bleekheid had van sneeuw? Nee, het geschreeuw steeg uit onze kleine kolenkelder op. Met een nieuwsgierigheid die mijn tegenzin overwon ging ik de trap af. Het was er donker en rook er naar schimmel en zwammen. De grond was bedekt met rottende planken. Het geschreeuw bleek uit de donkerste hoek te komen. Na wat wennen aan de duisternis kon ik vier piepkleine kittens ontwaren. Waar was de moederpoes naartoe?

[Nachten aan de kant 40.  Juni-juli 1979]

*

[1] De titel is afkomstig uit het gedicht The Prelude van Williams Wordsworth:
And from my pillow, looking forth by light
Of moon or favoring stars, I could behold
The antechapel where the statue stood
Of Newton, with his prism and silent face,
The marble index of a mind forever
Voyaging through strange seas of thought, alone.

Foto’s: boven, Martin Pulaski; onder, Diane Keaton, fotograaf onbekend.

ZERO DE CONDUITE: BAANBREKERS AFLEVERING 2 – TRAILBLAZERS UK

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Stem af op Radio Centraal 106.7 FM verander je leven. Het motto van deze show is Salamanda Palaganda, oh, Palamino Blue / Salamanda Palaganda, oh, June’s Buffalo too / In the Parisian zoo, zoo, zoo, zoo, zoo. Je kunt dit programma ook via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers.

Op deze tweede dag van 2021 breng ik een tweede deel van de reeks baanbrekers. Baanbrekers zijn pioniers, voortrekkers, wegbereiders, trailblazers. Het is mij voornamelijk te doen om songschrijvers, muzikanten, zangeressen en zangers die de popmuziek hebben veranderd, vernieuwd en verrijkt. In sommige gevallen hebben ze grenzen overschreden, maar ze kunnen ook in hun genre exemplarisch geweest zijn. Alle baanbrekers die vandaag aan bod komen, waren of zijn actief in het Verenigd Koninkrijk. Dat komt goed uit, dacht ik, nu dat Koninkrijk de Europese Unie definitief heeft verlaten. Het brexitmonster van de Tory Party en de tabloids heeft toegeslagen. Wat niets verandert aan mijn liefde voor dat land en voor sommige van zijn inwoners. Toegegeven, Scott Walker was geen Brit, maar zijn muziek is wél Brits (en Europees). Je zou zelfs kunnen beweren dat Scott, of noem hem gerust Noel Scott Engel, de Britse baanbreker par excellence was. Heeft iemand ooit meer plastische kitchen-sink songs geschreven dan hij? Raymond Douglas Davies komt in de buurt.
Met een beetje goede of slechte wil zou je ze deze wegbereiders en eilandbewoners excentrieken kunnen noemen. Zeker zijn ze anders dan de meeste doordeweekse popmuzikanten. Ze hebben een aparte stijl, hun teksten zijn nogal eens whimsy. Eigenaardig vind ik geen goed equivalent voor die typische uitdrukking. Soms zijn ze nadrukkelijk traditioneel, andere keren zetten ze de traditie op hun kop. Zelfs als ze door en door Amerikaanse blues spelen, klinkt daar nog hun Britishness in door. Er was een tijd dat nagenoeg elke jongere Brit wilde worden, of op zijn minst Engelsman. Wat een dwaze droom was dat. Je kunt geen Engelsman worden, en zeker geen Britse excentriek. Al blijft er het geval Scott Walker.

Voor vandaag koos ik overwegend songs uit de periode 1970-1975. De nadruk ligt op Britse folk, folkrock en progressieve pop. Bijna alle artiesten die aan bod komen hebben een niet te verwaarlozen rol gespeeld in de verruiming van het begrip popmuziek. Sommigen van hen zijn nog steeds even relevant als toen. De Britse popjournalist Nick Kent schreef ooit: “Kevin Ayers and Syd Barrett were the two most important people in British pop music. Everything that came after came from them.” Mogelijk overdreef hij wat. Want iets gelijkaardigs zou ook gezegd kunnen worden over Richard Thompson en Sandy Denny (Fairport Convention), Donovan, the Incredible String Band, Bert Jansch en John Renbourn (Pentangle), Nick Drake, Robert Wyatt (Soft Machine), Marianne Faithfull, Slapp Happy, Fred Frith (Henry Cow en Slapp Happy), John Cale en vele anderen.
Veel luisterplezier! 

Long Gone Midnight – John Mayall ft. Mick Taylor – Blues From Laurel Canyon – John Mayall

Trying So Hard To Forget – Fleetwood Mac ft. Peter Green – Mr. Wonderful – Green/Adams

Lying In The Sunshine – Free ft. Paul Rodgers, Paul Kossoff – Free (Remastered) – Fraser/Kossof

Yesterday And Today – Yes ft. Jon Anderson, Peter Banks – Yes (First album, 1969) – Anderson

A Half Sunday Homage To A Whole Leonardo Da Vinci (Without Words By Richard Brautigan) – Mike Cooper – Trout Steel – Mike Cooper

Book Song – Fairport Convention ft. Ian Matthews – What We Did on Our Holidays – Richard Thompson, Ian Matthews

Bushes And Briars – Sandy Denny ft. Richard Thompson, Sneaky Pete Kleinow – Sandy – Sandy Denny

When I Get To The Border – Richard & Linda Thompson – Richard and Linda Thompson – I Want To See The Bright Lights Tonight – Richard Thompson

Feeling All The Saturday – Roy Harper – Flat Baroque and Berserk – H. Ash. Producer – Peter Jenner

No Good Trying – Syd Barrett ft. Robert Wyatt & Hugh Hopper, Soft Machine – The Madcap Laughs – Syd Barrett

Salamanda Palaganda – Tyrannosaurus Rex ft. Marc Bolan, Steve Peregrine Took – Prophet, Seers & Sages The Angels Of The Ages – Marc Bolan. Producer – Tony Visconti

Song Of The Naturalist’s Wife – Donovan ft. Tony Carr – A Gift From A Flower To A Garden – Donovan Leitch Producer – Mickey Most

The Water Song – Incredible String Band ft. Robin Williamson & Mike Heron – The Hangman’s Beautiful Daughter – Robin Williamson. Producer – Joe Boyd

Rainmaker – Michael Chapman ft. Danny Thompson – Rainmaker – Michael Chapman. Producer – Gus Dudgeon

Fat Man – Jethro Tull ft. Ian Anderson, Martin Barre, Clive Bunker – Stand Up – Ian Anderson

Want To Be With You – Bridget St John – Jumble Queen – Bridget St.John

The Time Has Come – Pentangle ft. Jacqui McShee, John Renbourn, Bert Jansch, Danny Thompson, Terry Cox – Topic: The Real Sound Of Folk Music  – Ann Briggs

Come Sing Me A Happy Song To Prove We Can All Get Along The Lumpy Bumpy Long And Dusty Road – Bert Jansch ft. Terry Cox, Danny Thompson – Birthday Blues – Bert Jansch. Producer – Shell Talmy

The Garden Of Jane Delawney – Trees – The Garden Of Jane Delawney – T.  Boshell. Vocaliste – Celia Humphris

Place To Be – Nick Drake – Pink Moon – Nick Drake. Producer – Joe Boyd

Let The Good Things Come – John Martyn ft. Danny Thompson, Richard Thompson, Beverley Martyn – Bless The Weather – John Martyn.

Charlemagne – John Cale ft. Stan Szeleste, Garland Jeffreys – Vintage Violence – John Cale

Why Are We Sleeping? – Soft Machine – The Soft Machine Volume One – Kevin Ayers,/Mike Ratledge/Robert Wyatt. Producer – Tom Wilson, Chas Chandler

Song For Insane Times – Kevin Ayers ft. Hugh Hopper, Mike Ratledge – Joy Of A Toy – Kevin Ayers – Producer – Peter Jenner, Kevin Ayers

Optimism – Lady June (a.k.a. June Campbell Cramer) ft. Brian Eno – Lady Junes Linguistic Leprosy – June Campbell Cramer

Kooks – David Bowie ft. Rick Wakeman, Trevor Bolder – Hunky Dory – David Bowie. Arranger – Mick Ronson; Producer – Ken Scott

Chords Of Fame – Marianne Faithfull – Rich Kid Blues – Phil Ochs. Producer – Mike Leander

Duchess – Scott Walker – Scott 4 (1969) – Noel Scott Engel. Engel. Producer – John Franz

Grey Lagoons – Roxy Music – For Your Pleasure – Bryan Ferry. Cover model – Amanda Lear. Art Direction – Nicholas De Ville

Big Day – Phil Manzanera ft. Brian Eno – Diamond Head – Eno/Manzanera. Engineer – Rhett Davies

On Some Faraway Beach – Brian Eno ft. Busta Cherry Jones, Andy Mackay – Here Come The Warm Jets – Brian Eno

Song for Che – Robert Wyatt ft. Gary Windo, Nisar Ahmad Khan – Ruth Is Stranger Than Richard – Charlie Haden. Cover Art – Alfreda Benga

Desperate Straights – Slapp Happy & Henry Cow ft. Anthony Moore, Chris Cutler – Desperate Straights – Moore. Cover Art – Peter Blegvad

She’s Bought A Hat Like Princess Marina – The Kinks – Arthur: Or The Decline And Fall Of The British Empire  – Ray Davies. Greil Marcus (Rolling Stone) noemde deze conceptelpee de beste van 1969.

Hunting Tigers Out In “Indiah” – Bonzo Dog Doo-Dah Band – Tadpoles – Hargreaves/Damerell/Evans. Producer – Gus Dudgeon

Research & samenstelling: Martin Pulaski

DE HUURDER

Le locataire, Roman Polanski, 1976

IN DIE TIJD trok Gabriëlla bij ons in. Zij was afgekickt, of dat wilden wij graag geloven, en had zich voorgenomen om zich aan de Brusselse junkiewereld te onttrekken. Senga en ik hadden er lang over gediscussieerd of we de juiste beslissing hadden genomen: stel dat ze toch nog gebruikte, dat we, zoals in Sint-Joost-ten-Node was gebeurd, andere junkies en mogelijk zelfs dealers over de vloer zouden krijgen. Het was echter duidelijk dat Gabriëlla met haar pijnlijke verleden wilde breken en we vonden dat we haar daarin moesten helpen.

De dag voor haar verhuizing had ik de drukproef van ‘Een brief lezen in de metro’ gecorrigeerd. Al wist ik helemaal niet hoe dat moest: ik had het met Tipp-Ex gedaan. Met als gevolg dat enkele fouten waren blijven staan. Later ben ik een tijdje eindredacteur geweest, mogelijk om de schaamte over mijn vroegere onwetendheid te overwinnen.

Die avond waren Senga en ik toevallig naar Le locataire van onze geliefde regisseur Roman Polanski gaan kijken. De jonge Trelkovsky huurt in Parijs een flat waar de vorige huurder, Simone Choule, kort tevoren uit het raam is gesprongen. Geleidelijk aan wordt Trelkovsky door zijn huisbaas en de andere huurders en door zijn hele omgeving tot waanzin gedreven. Is het een samenzwering? We zien hem op korte tijd de gedaante van Simone Choule aannemen. Ten slotte springt hij in een vlaag van zinsverbijstering zelf ook uit het raam. Polanski laat in het midden of wat de kijker ziet de fantasiewereld is van een paranoïde schizofreen of de objectieve werkelijkheid. Zeer onder de indruk keerden we naar huis terug. Wat een beklemmende film, vonden we, maar wel één uit de duizend.

De volgende ochtend stond Jan V. met een kleine verhuiswagen voor de deur. Veel te verhuizen was er niet, Gabriëlla had nooit veel opgehad met de materiële wereld. Ze bezat maar weinig kledingstukken en slechts een tweetal paar schoenen. We hadden voor haar de kamer op de tweede verdieping ingericht, waar een jaar eerder Gina een tijd had gewoond. Sinds Gina’s vertrek was het daar stil geweest en hoewel burengeluid me soms stoorde als ik geconcentreerd zat te werken, had ik haar aanwezigheid gemist. Nu nam een vrouw met een volstrekt andere persoonlijkheid haar plaats in.

Als ik het vandaag nuchter beschouw denk ik dat Gabriëlla bijna net zo schizofreen was als Trelkovsky. Die vreemdheid van haar had me altijd al aangetrokken. In de Artanstraat, de straat in Schaarbeek waar ze toen woonde, ging ik haar op mijn eentje of met Willy Boy en Giuseppe, ’s avond af en toe opzoeken en bleef dan soms tot zonsopgang luisteren naar haar sibillijnse uitspraken, meanderende verhalen en betekenisvolle stiltes. We namen altijd een fles sterkedrank mee, meestal was dat toen grappa, waar ik doorgaans misselijk van werd. Vanuit haar appartement had je een adembenemend uitzicht op Brussel. Gabriëlla was een mooie vrouw met blonde krullen maar het raadselachtige was dat ik in haar nabijheid geen enkele seksuele begeerte voelde. Mogelijk was onze vriendin meer geest dan lichaam. Mensen die op de rand van waanzin leven, ten prooi aan borderline of schizofrenie, hebben mij lange tijd gefascineerd. Niet voor niets heb ik toen ik filosofie studeerde zoveel boeken over antipsychiatrie gelezen en een thesis geschreven waarin waanzin als een min of meer geldige uitweg uit onleefbare gezinssituaties werd verdedigd. De nachten in de Artanstraat waren mysterieus, surrealistisch. In de vroege ochtend leek het of de vogels, groter en witter dan ik ze ooit had gezien, ons kwamen wekken. Wisten ze dan niet dat we klaarwakker waren? Het boek Nadja van André Breton schetst een excellent beeld van een dergelijke betoverde wereld. Nu ik zelf op weg was naar normaliteit wilde ik die liefst niet in ons huis in de Dolfijnstraat binnenlaten. Gabriëlla was welkom maar dat gold niet voor haar vroegere entourage, met uitzondering van Jan, een vriend die we altijd alles vergaven omdat hij de onschuld zelf was. Het gold evenmin voor haar slechte gewoontes.

[Nachten aan de Kant 38. Juni-juli 1979]

KLEINE TRIOMFJES

[Nachten aan de Kant 37. Juni-juli 1979]

Een tijdje geleden zat er een brief in de bus van Ivo Michiels, directeur van het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Mijn verhaal ‘Een brief lezen in de metro’ zal in het volgende nummer van NVT gepubliceerd worden, schreef hij. Een hele eer en dan toch een eerste erkenning. Dat heb ik wat het schrijven betreft aan mezelf te danken maar voor deze publicatie aan de genereuze, vaderlijke vriend Wim Meewis, die geloofde in mijn talent en me onlangs nog op het hart drukte dat ik in mijn werk moest volharden. Dat mijn verhaal [1] nu in NVT is verschenen, en wel in een nummer waarin ook gedichten van Hugo Claus en een stuk van Herman Teirlinck zijn opgenomen, geeft mij nieuwe moed om door te gaan met schrijven.
Ivo Michiels was de leraar die ik aan het Ritcs het meest waardeerde. Ik houd ook van zijn boeken, die zo anders zijn dan die van de mainstream. Mogelijk zal ik hem nu eens een keer ontmoeten en met hem kunnen praten. Dat heb ik als student nooit gedurfd. Terwijl ik de houding aannam van iemand die het allemaal niet interesseerde. Wij waren vanaf nu de anderen, dachten we, wij waren volop bezig de wereld te veranderen. Wat lag ik toen met mezelf overhoop, onzeker in ongeveer alles behalve popmuziek en de undergroundbeweging, boordevol twijfels en angsten. De vraag is of ik tien jaar later ten goede veranderd ben.

Bij Aurora hebben we niet stilgezeten. Van onze vriend Eddy Devos hebben we in onze nieuwe reeks Aurorasporen met ons kleine budget zijn verhalenbundel De man in de reus uitgegeven. Hij is er blij mee en dat zijn we zelf ook. Het is een nieuw begin. Terwijl we met dat werk bezig waren nam Paul af en toe een soort van pauze in zijn klein atelier dat zich naast de keuken bevindt, die onze werkruimte is. Hij is met olieverf op groot doek begonnen te schilderen.

Je zou bijna vergeten dat er ook nog een echte wereld is, die door zakenmensen, industriëlen, ondernemers – of is dat één en dezelfde soort? – en politici wordt bestierd. Zij die zo vaak vergeten dat de werkende mensen het allemaal moeten doen, het allemaal maken, het allemaal bouwen, het allemaal herstellen, het allemaal in stand houden. Zij die zo vaak vergeten dat de plannen die zij in hun bureaus en vergaderzalen ontwerpen dankzij werkende mensen werkelijkheid worden.
Er waren Europese verkiezingen. Ik heb zonder veel overtuiging voor de Revolutionaire Arbeidersliga gestemd. Waarom zonder veel overtuiging? Omdat de trotskisten met veel te weinig zijn om wat dan ook ten goede te kunnen keren. Mijn stem is eerder door boosheid ingegeven dan door geloof in de politieke strijd. Maar ook omdat ik blijf dromen, dat mag ik nooit opgeven.

+

[1] ‘Een brief lezen in de metro’ verscheen in Nieuw Vlaams Tijdschrift, jaargang 32/4, mei/juni 1979. Met als auteursnaam Matthias Brouns. Je kan het verhaal online terugvinden in dbnl, de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren.

DOOD VAN TWEE HELDEN EN EEN GROENE BARET

Dennis Hopper, Nicholas Ray, Wim Wenders.

[NACHTEN AAN DE KANT 36. Juni- juli 1979]

Toen gisteravond de deurbel ging lag ik al in bed te lezen in een verhalenbundel van Patrizio Canaponi, en wel het schitterende verhaal De gouden stad maar onder een andere titel (De verdwaalde kogel), Nederlandstalig proza zonder weerga [1]. Aan het zenuwachtige gerinkel hoorde ik meteen wie daar beneden voor de deur stond. Het was Giuseppe. Ondanks mijn onderdompeling in het briljante verhaal was hij meer dan welkom.
Giuseppe had het in zijn appartement niet meer uitgehouden van eenzaamheid en had dan maar in een opwelling een taxi naar hier genomen. Altijd weer overlaadt hij ons met geschenken, alsof hij het gevoel heeft dat hij als vriend zonder meer tekortschiet. Uit zijn grote boekentas haalde hij een vijftal Playboys, vanwege de interviews, enkele exemplaren van Andy Warhol’s flitsende magazine Interview, een met Twiggy en een met Deborah Harry op de kaft, en een stapeltje Film en televisie. Voorts had hij met het oog op mijn literaire educatie enkele misdaadromans van Dashiell Hammett en Patricia Highsmith meegebracht. Uit een plastieken zak van platenzaak Dilewijns haalde hij de dubbelelpee Here, My Dear van Marvin Gaye tevoorschijn. Het boek van Patrizio Canaponi is trouwens ook van Giuseppe.

Een kwartiertje later werd er opnieuw gebeld. Nu was het Willy Boy. We hadden elkaar al langer dan een jaar niet meer gezien. Mijn Brusselse vriend was niet veranderd. Hij blijft met financiële problemen kampen en zit ook nog altijd aan de pillen; vooral barbituraten en kalmeermiddelen zijn voor hem onmisbaar. Veel had Willy Boy niet mee te delen en zelf was ik ook eerder zwijgzaam. Giuseppe leek enigszins opgewonden en gaf commentaar bij Here, My Dear. Dat Marvin Gaye over de pijnlijke ontbinding van zijn huwelijk met Anna Gordy zong, dat de titel een cynische verwijzing was naar het geld dat hij haar verschuldigd was en meer van die bekoorlijke onbenulligheden die ertoe bijdragen dat de avonduren minder hardvochtig gaan lijken.

Vanwege de lengte van Here, My Dear was het al behoorlijk laat toen Willy Boy, Giuseppe en ik ons naar de Dageraadplaats begaven. Senga verkoos dit keer thuis te blijven, ze was te moe en vooral had ze geen zin om zich weer te maquilleren. En wat moest ze aantrekken? Die keuze maken ging niet in een-twee-drie. Die avond vond ik De Cereus een vervelend café. De ruimte is sowieso slecht ingedeeld en de muziek die er gedraaid werd was banale, softe hardrock. Gelukkig maakt trappist de tongen los. Mogelijk had het vele sterven van de voorbije weken ons, vooral mij en Willy Boy, aanvankelijk het zwijgen opgelegd. Daags voor mijn verjaardag was John Wayne overleden, wat mij eerder onverschillig liet. Niettegenstaande enkele briljante films waarin hij de hoofdrol speelde zou ik die groene baret niet gauw gaan missen. Treuriger waren we om de dood van Nicholas Ray, een regisseur die ik eerst onbewust, in het gezelschap van mijn ouders (King of Kings, 55 Days at Peking), en later bewust op televisie of in het Filmmuseum (Rebel Without a Cause, The Story of Jesse James, Johnny Guitar, Wind Across the Everglades en vooral In a Lonely Place), enorm had bewonderd. Aan de dood van de ongeëvenaarde regisseur had de Belgische pers nauwelijks aandacht besteed terwijl John Wayne bijna als een staatsman werd herdacht. Gelukkig was er Wim Wenders om het goed te maken. Der Amerikanische Freund mag dan wel gebaseerd zijn op Ripley’s Game en Ripley Underground van Patricia Highsmith maar de ware vriend is Nicholas Ray. Giuseppe zei dat de twee regisseurs bezig waren geweest aan een gezamenlijk autobiografisch filmproject, Lightning over Water. Waarschijnlijk was dat werk nog net op tijd beëindigd. Lang geleden had ik in Cahiers du Cinéma, of in een biografie, gelezen dat het een droom of mogelijk zelfs een obsessie was van Nicholas Ray om het leven van Rimbaud te verfilmen. Die droom zou nu nooit in vervulling gaan.
Wat ons echter alle drie het meest had aangegrepen was de dood van Louis Paul Boon. Voor mij was hij een geestelijke vader geweest, mijn eerste leermeester in de kunst van het prozaschrijven. De wereld van De Kapellekensbaan hield mij rond mijn zeventiende maandenlang in zijn ban. Een geniaal en hoogst origineel werk was dat boek. Na al die jaren herinnerde ik mij de personages nog zo levendig, Ondineke, Kantieke schoolmeester, Tippetotje, Zotte Zulma, Valeer, Meneerke Brys en de anderen. Wat een contrast was dat geweest met de psychedelische muziek, die mij in die periode evenzeer in verrukking bracht. Giuseppe hield bijna evenveel van Boons andere boeken, met een voorkeur voor Mijn kleine oorlog en Vergeten Straat. Een miskend werk van Boon vond ik dan weer De Paradijsvogel. Willy Boy zei dat we toch ook Mieke Maaike’s obscene jeugd niet mochten onderschatten, een prachtige maar bijtende satire. Pornografie op zijn Vlaams. Ja, besloot ik, Louis Paul Boon opende voor mij een nieuwe wereld, waar ik vreemd genoeg toch ook vertrouwd mee was: die van de arbeidersklasse, waartoe ik als schipperszoon wel en niet behoorde. Die nieuwe wereld was eigenlijk al even oud als de industrialisatie, het fabriekssysteem en het kapitalisme.
Wat vinden jullie van Margaret Thatcher, vroeg Willy Boy opeens. Zwijg!, riepen Giuseppe en ik unisono luid, heel even Paradise by the Dashboard Light overstemmend. Thatcher the milk snatcher, voegde Giuseppe eraan toe. Dan nog liever de Ayatollah Khomeini, mompelde ik. Toen viel het gesprek stil en dronken we onze trappisten leeg.

Het werd tijd om op te stappen. Willy Boy moest nog helemaal naar Brussel rijden en Giuseppe, die  rustiger was geworden, nam een taxi naar de Vinkenstraat. Voor mij was het ondanks – of dankzij – de dood van twee helden en een groene baret een onderhoudende avond geworden.

*

[1] Uit Een gondel op de herengracht, 1978. Later kwamen we te weten dat Patrizio Canaponi een pseudoniem was en dat de schrijver in werkelijkheid A.F.Th. van der Heijden heet. Vreemd genoeg heb ik niet één boek gelezen dat onder die naam is verschenen.

STRIJD IN HET RIJK DER ZINNEN

[Nachten aan de Kant 35. November 2020]

Natuurlijk waren het leven en de tijd in Antwerpen waarover ik het voorbije jaar [1] al zoveel heb geschreven geen ononderbroken la dolce vita. Er deden zich net als overal en in alle tijden talloze problemen voor en allerlei conflicten, ruzies en zelfs gevechten maakten het bestaan soms uiterst onaangenaam. Zoals ik in het echte leven conflicten meestal uit de weg ga doe ik dat ook in mijn neergeschreven herinneringen. Het lijdt geen twijfel dat niemand geheel en al goed, deugdzaam en voortreffelijk is. Elke mens heeft zijn schaduwzijde, iedereen bezit karaktertrekken die minder fraai zijn, soms zelfs verontrustend en angstaanjagend. Dat geldt in mindere of meerdere mate ook voor de besten onder ons. Het is mij echter nooit gelukt om daarover met enige nauwkeurigheid te schrijven, niet omdat ik het negatieve bewust aan het licht wil onttrekken maar omdat ik er de woorden niet voor vind. In algemene termen kan ik wel negatieve aspecten van de samenleving en van de mens als sociaal wezen aan de kaak stellen, vooral als het om politiek en religie gaat, als het vormen van boosaardigheid betreft, bijvoorbeeld racisme, onderdrukking of uitbuiting.

In de woelige dagen van punk en new wave en, niet te vergeten, van werkloosheid, had ik meermaals ruzie met vrienden, meestal op café, onder invloed van alcohol en amfetamine. Sommige vrienden, onder wie L. S., hadden wat we een kwade dronk noemen. Daarmee wil ik geen oordeel uitspreken: het gaat om een genetisch verschil in de hersenen. Ik beschouwde hem als een van mijn beste vrienden maar soms veranderde hij in een onuitstaanbare en agressieve man. Dan herkende ik nauwelijks de vriend en lieve buur met wie ik tot een stuk in de nacht over filosofische onderwerpen zat te praten of met wie ik, na het roken van een paar joints, in vrije vorm gitaar zat te spelen. Met weer een andere vriend, M. B., had ik een conflict over zijn mensbeeld. Het stoorde me dat hij de mensen in twee klassen indeelde. Aan de ene zijde liet hij de ‘slechten’ hun opwachting maken. Dat waren de bourgeois, onder wie ook de intellectuelen, de schrijvers en de kunstenaars. Aan de overzijde bevonden zich de ‘anderen’. Wie  waren dat, die anderen? Zij die niet in de eerste klasse thuishoorden? Het proletariaat of zelfs het lompenproletariaat? Ik vroeg me af wat daar dan zo voortreffelijk aan was, al zou ik ze nooit zoals Hillary Clinton vele jaren later deed a basket of deplorables [2] hebben genoemd.  Op een avond in het Pannenhuis noemde M.B. mij een intellectueel, iemand van de slechte klasse dus. L.S. deed dat ook wel eens, als ik het bijvoorbeeld over literaire theorieën van de Tel Quel-groep had, en achteraf gezien had hij daarin niet helemaal ongelijk. M.B. vond ik in zijn oordeel veel te radicaal. In mijn ogen nam hij standpunten in die ik al lang achter me gelaten had. Ik vond zijn veroordeling van de massamedia achterhaald. Zo wilde hij met nog enkele compagnons de route als performance een televisietoestel stukslaan. Dat had ik in 1968 de popgroep the Move op het podium van Jazz Bilzen al zien doen. [3] Toen had ik dat opwindend gevonden, maar nu, in 1979? Ik had het gevoel dat hij en zijn kompanen een beeld van mij imiteerden dat ik zelf al lang verworpen had. Ik vond het naïef: een TV is een ding, een middel. Hoe kan dat nu slecht zijn? Daar maakten we dan ruzie over. Maar een paar dagen later was dat allemaal weer vergeten en vergeven.

Ook mijn leven met Senga was in die dagen niet alleen maar een rijk der zinnen. Meer dan ons lief was maakten we ruzie. Vaak ging het om een kleinigheid maar als er jaloezie in het spel was kon het uit de hand lopen. Ons drankgebruik en de pillen die wij slikten verhevigden dat allemaal nog. Omdat ik me moeilijk kon concentreren had jaren tevoren toen ik filosofie studeerde een arts verbonden aan de VUB mij met enige regelmaat het middel Captagon voorgeschreven. Dat was regelrechte amfetamine, heel erg stimulerend en opwindend. Ik kon er inderdaad beter van studeren en na mijn studies bleef ik het nemen om mijn aandacht bij het schrijven te houden en aan onderzoek te doen. Geleidelijk aan moest ik er meer van nemen om hetzelfde effect te krijgen: ik wilde honderd procent concentratie. Mijn principe was dat ik de pillen alleen maar slikte om te werken, nooit voor het plezier. Maar dat was een theoretische indeling van dag en nacht en van werk en plezier. Als ik op vrijdag of zaterdag uitging waren die pillen natuurlijk niet uit mijn systeem verdwenen. Zonder dat spul had ik het waarschijnlijk nooit een hele nacht op de dansvloer van Cinderella’s Ballroom volgehouden. Overigens denk ik dat zowat iedereen daar aan de speed zat. Herman Brood voelde er zich in zijn nopjes. Captagon was op velerlei wijze een gevaarlijk goedje. Je kreeg er meer zelfvertrouwen van dan goed voor je was. De gekste dingen die ik schreef, en vanwege de paranoia – een andere nevenwerking van dat middel – werden mijn teksten hoe langer hoe gekker, begon ik nu haast geniaal te vinden. Al bleef mijn aangeboren twijfel gelukkig wel altijd op de achtergrond zeuren. Zolang ik aan mijn tafel bleef doorwerken, elke dag van negen uur ’s morgens tot ongeveer zes uur ’s avonds, was dat allemaal niet zo erg. Maar daarna kon dat in combinatie met tequila of bourbon wel eens uit de hand lopen. Van Captagon kun je immers agressief gedrag gaan vertonen. Senga en ik waren geen Sid Vicious en Nancy Spungen, verre van, maar soms begaven we ons op gevaarlijk terrein. Overigens heb ik Sid Vicious altijd een idioot gevonden, ik begreep helemaal niet waarom jongeren hem toen zo bewonderden. Had hij ooit iets goeds gedaan? Zich volgespoten met heroïne en zijn vriendin Nancy Spungen doodgeschoten in het Chelsea Hotel in New York City? In het najaar van 1979 begon ik te beseffen dat ik met die pillen moest ophouden en zoals ik enkele jaren tevoren van de ene dag op de andere was opgehouden met roken zo hield ik nu op met Captagon. Het was genoeg geweest. Het gevolg daarvan was echter dat ik het vanaf 1980 erg moeilijk kreeg met schrijven en geleidelijk aan in een zware depressie belandde. Gelukkig was er muziek, en waren er boeken. Zonder vrienden en zonder Senga, hoewel zij nog lange tijd daarna pillen is blijven slikken, had ik die immens donkere periode, die zo’n zes jaar aansleepte, mogelijk niet overleefd.

[1] De eerste notitie, met als titel Nachten in het Pannenhuis 1, dateert van 5 november 2019.

[2] “Basket of deplorables” is a phrase from a 2016 presidential election campaign speech delivered by Democratic nominee Hillary Clinton on September 9, 2016, at a campaign fundraising event, which she used to describe half of the supporters of her opponent, Republican nominee Donald Trump saying “They’re racist, sexist, homophobic, xenophobic”. The next day, she expressed regret for “saying half”, while insisting that Trump had deplorably amplified “hateful views and voices”.

[3] Het kan ook op televisie geweest zijn, mogelijk was het een optreden in Tienerklanken, Moef-Ga-Ga of Beat Club.


TWEEDE BRIEF AAN EEN VERRE VRIENDIN

[Nachten aan de Kant 34. Juni 1979]

Lieve vriendin,

Nu ik toch de moed en energie heb gehad om je te schrijven ga ik er nog even mee door. Nu hoop ik maar dat je mij niet te opdringerig vindt, met die overvloed aan woorden zo opeens. Ik had het erover dat mijn brieven van weleer niet altijd even verheven waren, dat ik net zo goed over alledaagse dingen schreef. “Almaar iets verstandigs geeft hoofdpijn”, schreef Mozart al in een brief aan zijn nichtje Maria Anna Thekla [1]. Nu zijn zowel de gebeurtenissen in de grote wereld als de banale voorvallen van alledag uit mijn mededelingen verdwenen. Niet alleen uit de paragrafen in die vorige brief aan jou, maar uit ongeveer alles wat ik schrijf. Ik vraag me af hoe dat komt. Want nu ik er even bij stilsta besef ik dat de realiteit toch nog in velerlei vormen bij me naar binnen blijft stromen: ik lees kranten en tijdschriften, ik zie films, af en toe is er bij vrienden een televisieavond, ik ga naar de bibliotheek, en ik praat veel met vrienden. Mogelijk gaan die gesprekken, meestal op café, te weinig over wat de wereld vandaag beweegt, over feiten en feitjes, mogelijk houd ik me te weinig bezig met wat small talk wordt genoemd. Overigens heb ik daar nooit aanleg voor gehad. Ongetwijfeld heeft de tijd – twaalf jaar – dat ik in een internaat zat opgesloten daarin een rol gespeeld. Je kent zeker het verhaal van mijn vier jaar ‘gevangenschap in het Rekemse bos’, die uiterst traumatische ervaring die me nog steeds de adem kan benemen.

Je weet dat ik meer een luisteraar ben dan een prater. Dat is zeker zo in een grotere groep maar ook in de vriendenkring. De gesproken taal stelt mij altijd weer op de proef. Vaak liggen de woorden op mijn tong, ik kan hun vertrouwde smaak haast proeven, maar mijn stembanden weigeren te gaan trillen. Pas veel later, als ik weer thuis ben en er niets meer aan heb, vind ik de juiste uitdrukkingen. Dronkenschap kan soms een bevrijding zijn; bepaalde remmingen vallen dan weg, het spreken gaat opeens vlotter. Ik vertel je niets nieuws. Hoewel er tijdens de dronkenschap een zekere luciditeit blijft bestaan wordt de horizon er toch door vernauwd, en vaak herinner je je achteraf nog maar zo weinig van het gesprek, hoe waardevol het ook mag geweest zijn. Het is een spreken zonder schaduw, zonder scherptediepte, zonder perspectief.


Onze goede vriend Paul Rigaumont, met wie ik nu elke dag samenwerk bij Aurora, liet me werk zien van een uitzonderlijk schilder, Vladimir Velikovic, geboren in 1936 in Joegoslavië. Ik las dat hij net als de schilder die ik het meest bewonder, Francis Bacon, gebruik maakt van fotografie, film en televisie. In foto’s is de bewegende realiteit tot stilstand gekomen. In film komen mensen en voorwerpen – en de natuur – in beweging. Het fotografisch onderzoek naar beweging van Eadweard Muybridge heeft een beslissende invloed gehad op zowel Velikovic als Francis Bacon. Je bent vertrouwd met zijn immens werk Animal Locomotion: an Electro-Photographic Investigation of Connective Phases of Animal Movements. Thema’s die bij Velikovic vaak voorkomen: de vogelverschrikker, de hond, de vogels, de ratten (meervoud), de doos. Volgens Velikovic is het hem niet om freudiaanse symboliek te doen. De ratten bijvoorbeeld overleven alles, zij zijn de laatste acteurs in het ultieme spel. Het fin de partie van Hamm, Clov, Nagg en Nell. Velikovic: “Wanneer ik honden schilder, maak ik zelfportretten. Maar de rat is voor mij de andere.” Je zou bijgevolg kunnen zeggen: de hel dat zijn de ratten. Hoe existentialistisch allemaal! Zou ik niet eens een essay over die Velikovic schrijven? Achteraf beschouwd vind ik mijn stuk Het wereldbeeld van Francis Bacon niet zo geslaagd: het is te subjectief, het gaat meer over mezelf dan over de twee Francis Bacons. Voor Velikovic zou ik me concentreren op het werk, zonder al te veel uit het eigen leven gegrepen associaties. Ik wil de beelden aan het woord laten.

Lieve vriendin, vorige nacht brak hier een hevig onweer los. Ik zal nog niet helemaal wakker geweest zijn toen ik dacht dat het echte eindspel was begonnen, de ultieme alles vernietigende oorlog. Eens helemaal wakker voelde ik een verlammende angst, die ik maar moeilijk van me af kon schudden. Was het een voorgevoel? Want met zoveel nucleaire wapens in de wereld zal het er ooit toch wel eens van komen. De kans is groot dat wij dat nog zullen meemaken. Gelukkig vatte ik al gauw weer de slaap en begon te dromen. Ik moest een voordracht geven over mijn tekst Stasis. Wat betekende die tekst, wat bedoelde ik ermee, wie zag ik als mijn lezers? Ik zat daar erg verveeld mee, daar ik er geen flauw benul van had wat ik zou moeten vertellen. Bovendien had ik nog maar weinig tijd om me erop voor te bereiden. Een secretaresse met een vlinderbrilletje op zei me dat de bijeenkomst in Londen zou plaatsvinden. Senga en ik zouden er 16 dagen moeten blijven, wat ons 140.000 frank zou kosten. Dat konden wij natuurlijk niet betalen. Daar vinden jullie wel iets op, zei de secretaresse, Londen biedt veel mogelijkheden. Je zou er kunnen optreden, je hoeft maar drie akkoorden te kennen en zangtalent is ook al niet vereist. Mevrouw zou topless kunnen performen, succes verzekerd. Ik kreeg dorst van het idee. De secretaresse, nu zonder bril en voor de rest alleen nog maar schoenen aan, reikte me een fles Spa Reine aan. Rechtstreeks van de Koninginnebron, zei ze. Of heb je liever Barisart? Het is al goed, zei ik. Op het etiket las ik: David Bowie is dood. De laatste jaren leidde de Londense zanger een teruggetrokken bestaan. Een slepende ziekte is de starman fataal geworden. Omringd door een kleine schare vrienden is hij vredig ingeslapen. Ik was ontzet. Een van mijn laatste helden, dood! Ik bevond me nu alleen in een slecht verlichte kamer. (Ik gebruik het woord ‘nu’ maar eigenlijk is er geen tijdsverloop in een droom. Of toch wel?) Er was niemand om me te troosten, om me te zeggen dat het niets was, een boze droom, niet meer dan dat. Ik besefte dat David Bowie overleed op de dag dat mijn voordracht in Londen was gepland.
Je begrijpt hoe blij ik was toen ik ontwaakte en besefte dat David Bowie daar in Berlijn bij de muur volop van het leven aan het genieten was en samen met Brian Eno onvergetelijke songs aan het opnemen was.

Het zij zo en het ga je goed!

[1] W.A. Mozart, Brieven; gekozen, ingeleid en becommentarieerd door Wolfgang Hildesheimer. Vertaling: R.R. Somann en H.W. Schwab

BRIEF AAN EEN VERRE VRIENDIN

Met Amsterdamse vrienden, Vossenplein, Brussel, 1971


[Nachten aan de Kant 33. Mei-juni 1979]

Aber das Saitenspiel tönt fern aus Gärten; vielleicht, daß
Dort ein Liebendes spielt oder ein einsamer Mann
Ferner Freunde gedenkt und der Jugendzeit
Friedrich Hölderlin, Brot und Wein

Hoe lang is het geleden dat ik je nog schreef? Meerdere maanden? Daar is maar één verklaring voor: ik kan het niet meer. Mogelijk wil ik het zelfs niet meer. Waarover zou ik wel schrijven? Er is een soort onverschilligheid en zelfs apathie – als het al geen lethargie is – in mijn ziel naar binnengeslopen. Weinig in de wereld boeit me nog werkelijk, weinig van wat om me heen gebeurt weet mijn enthousiasme te wekken. Nog niet zo lang geleden schreef ik brieven in buien van euforie en wat ik vervoering zou durven te noemen. Muziek was dan een belangrijk element om dat enthousiasme aan te zwengelen. Het ritme van wat eerder bedoeld was als achtergrondmuziek bepaalde het ritme van mijn woorden, melodieën kregen contouren en stemmen kleur, en vonden zo de weg naar de zinnen die op het papier verschenen en gingen er deel van uitmaken.

Toch waren mijn epistels niet bepaald verheven. Ik schreef over alledaagse dingen, over wat er in ons huis en in de wereld gebeurde. Mijn leven had zin omdat ik wist dat ik deel was van een groter geheel. Lange tijd voelde ik mij sterk betrokken bij wat tegencultuur werd genoemd. Je herinnert je zeker nog hoe ik dat boek The Making of a Counter Culture van Theodore Roszak heb verslonden? Nu vind ik het moeilijk om de emoties die met dergelijke verwantschap en betrokkenheid gepaard gaan te beschrijven. Een voorbeeld: kwamen studenten in de Verenigde Staten op straat tegen onrecht, zoals naar aanleiding van de brutale moord door de National Guard op een aantal studenten aan de universiteit van Ohio, dan voelde ik mij met hen verbonden. Hun strijd was mijn strijd. De emoties die zich bij hen roerden, roerden zich bij mij ook, of dat vermoedde ik toch.

Nu is dat gevoel van verbondenheid er niet langer: een tegencultuur lijkt niet meer te bestaan, bij een politieke partij, hoe links ook, kan en wil ik me niet aansluiten, terrorisme keur ik af, punk en new wave vind ik oppervlakkig en modieus. Wat er nog aan opstandigheid overblijft lijkt me onecht, niet veel meer dan gestes en poses. Kijk maar eens naar de aansteller Johnny Rotten. Het vuur van de bezetenheid ontbreekt. Waar zijn de enragés? De punks zijn sympathiek maar omdat zij de cultuur in haar geheel lijken te verwerpen kan er van een ware verstandhouding tussen ons geen sprake zijn. Ik heb de indruk dat punks liever spuwen op boeken dan ze te lezen, al zullen er uitzonderingen zijn. Zij begrijpen mij niet en waarschijnlijk begrijp ik hen niet. Als punk al een beweging is dan is ze er een van onbezonnen anarchisten en nihilisten. Van punks hoef ik geen antwoord te verwachten op mijn vraag naar een nieuwe gemeenschap waar ik, zonder mijn eigenheid op te geven, deel van zou kunnen worden. Ik vermoed dat ik zal moeten leren leven met de geestelijke eenzaamheid die nu mijn lot is. Begrijp me niet verkeerd: ik heb heel wat vrienden die me veel geven en die veel voor me betekenen. Een groepje vrienden en genossen – om het woord van Hölderlin te gebruiken – vormt echter geen gemeenschap. [1]

Lieve vriendin, het spijt me dat dit allemaal weinig opbeurend klinkt. Ook al kan ik geen brieven meer schrijven zoek ik toch nog naar andere vormen van communicatie. Voorlopig zonder resultaat. Mijn literaire teksten zijn te ingewikkeld en te idiosyncratisch om ermee tot de andere – ook tot jou – door te dringen, om hem of haar deelachtig te maken aan mijn innerlijke wereld. Mijn vriend Giuseppe zegt al langer dat ik me wat dat betreft in een doodlopend straatje bevind, dat ik eenvoudiger moet gaan schrijven en bij misdaadauteurs zoals Raymond Chandler, Dashiell Hammett en Patricia Highsmith in de leer gaan. Ik weet het niet. Zeker wil ik uit deze toestand van apathie geraken. Ik wil koste wat het kost vermijden dat ik vast kom te zitten. Werken, schrijven dus, betekent samen met liefde en seks voor mij alles. Nee, dat is niet helemaal waar want ik verlang natuurlijk ook naar die andere, voorlopig onbereikbare gemeenschap. Ik wil me blijven verzetten tegen elke vorm van conformisme. Het grootste gevaar dat me bedreigt is berusting in een onleefbare toestand, die waarin het vonkje van de geest voor goed is uitgedoofd. Dat mag niet gebeuren. Het werk bij de filosofische kring Aurora kan me op weg helpen, maar ook daar zijn we geïsoleerd. Filosofen, schrijvers en kunstenaars in een stad van leeghoofden, dichters in een contrei van dronkaards.

Nietzsche in De vrolijke wetenschap: “Ik doe telkens weer dezelfde ervaring op, en ik verzet er me telkens opnieuw tegen, ik wil het niet geloven hoewel de bewijzen voor het grijpen liggen: het overgrote merendeel der mensen heeft geen intellectueel geweten; ik heb zelfs vaak de indruk gehad dat wie iets dergelijks zou willen eisen in de dichtsbevolkte stad zo eenzaam zou zijn als in de woestijn.”

Het ga je goed!

PS: Herinner je je Luc V. en Hilde nog? Vandaag trouwen ze. We gaan naar het feest en het zal nog maar eens een lange nacht worden. Vreugde in het hart en veel dode hersencellen.

[1]
Indessen dünket mir öfters
Besser zu schlafen, wie so ohne Genossen zu sein,
So zu harren, und was zu tun indes und zu sagen,
Weiß ich nicht, und wozu Dichter in dürftiger Zeit.
Aber sie sind, sagst du, wie des Weingotts heilige Priester,
Welche von Lande zu Land zogen in heiliger Nacht.
Friedrich Höldelin, Brot und Wein

DE VOORTREFFELIJKE VRIEND

Jeanne Hébuterne


[Nachten aan de Kant 32]

Ik moest weer een keer naar de flat in de Vinkenstraat. Voor de gelegenheid had ik mijn nieuwe regenjas van de Wolmolen aangetrokken, een vrouwenmodel en wat te klein maar wel mooi en – in onze situatie van groter belang – goedkoop. Giuseppe had mij gezegd dat hij een tijdje alleen wilde zijn, om te studeren; hij had rust nodig. Toch moest ik hem zien. Ik moest met hem praten. Ik had best wat vrienden maar alleen met Giuseppe was het soort diepgravend gesprek nodig waar ik nu naar verlangde. Gelukkig was Giuseppe opgetogen met mijn onverwacht bezoek. Toch bleef ik gespannen: zou ik niet weer een allergieaanval krijgen van het opgehoopte huisstof en de huidschilfers van de poezen van Giuseppe? Als ik onrustig ben en mijn zenuwstelsel verstoord is ben ik er meer vatbaar voor dan anders. De voorbije weken had ik mijn zenuwen zowel ’s nachts aan de kant als overdag in mijn werkkamer erg op de proef gesteld.

Giuseppe had bier voor ons ingeschonken en zat nu tegenover me. In zijn ogen zag ik die blije tristesse die zo typerend voor hem was. In zijn blik lag een onbereikbare verte en tegelijk kwam hij als hij je aankeek heel dicht bij je. Altijd weer vroeg ik me af of iemand met dergelijke eerlijke ogen wel geschikt was om op ons ondermaanse slagveld te overleven. Leven zonder meer, dat wel, maar vechten om wat je nodig hebt om het te behouden en te verrijken, dat mogelijk niet. Een moment viel ik ten prooi aan herinneringen aan de Schippersschool in Eisden. Ik dacht terug aan de twee zorgeloze jaren die ik daar in het mijnwerkersdorp dichtbij de Maas had doorgebracht. Giuseppe’s vader was er directeur geweest. Giuseppe – die drie jaar jonger was dan ik – leerde ik pas later kennen. De directeur was een zachtaardige en bescheiden man die zich liet manipuleren door een brutale vent, de internaatbeheerder, mijnheer Peyskens. De enige man die mij ooit een slag in het gezicht heeft gegeven. Giuseppe’s vader had dezelfde ogen als zijn zoon.

Ik vertelde mijn vriend over het memorabele concert van Patti Smith en haar band dat ik op televisie had gezien en over the J. Geils Band. Giuseppe had net Wave, de nieuwe elpee van Patti Smith, aangeschaft en daar luisterden we naar. Ik herkende enkele nummers die ze in Rockpalast had gebracht: Frederick, Dancing Barefoot en So You Want To Be A Rock And Roll Star. Het klonk allemaal wat braver en meer gepolijst dan de live-uitvoeringen die ik kort tevoren had gehoord. In de hoestekst schreef Patti Smith over het nummer van The Byrds dat ze er in de sixties niet gek op was geweest. “It seemed to say that in this field of honor, sooner or later, everybody gets hurt and I just didn’t believe it.” Op de hoes trof ik merkwaardige foto’s aan van de in 1978 vermoorde paus Albino Luciani en van Jeanne Hébuterne, de geliefde van Modigliani. I Did You No Wrong van the J. Geils Band onderbrak mijn kortstondige dromerij. Giuseppe had Ladies Invited van de beste band uit Boston op de platenspeler gelegd. Hij gaf me de hoes door. Volgens mijn vriend waren de ogen en de lippen die daarop te zien waren die van Faye Dunaway. Met haar had zanger Peter Wolf destijds een relatie gehad. Uitstekende plaat, afgrijselijke hoes, vond ik. En wat was er met Faye Dunaway gebeurd? Had zij na Chinatown nog iets noemenswaardg gedaan? The Eyes of Laura Mars was niet meer geweest dan veredelde kitsch. Ik vroeg me af of we ons misschien vergist hadden in haar acteertalent. Had haar schoonheid ons niet verblind?

Giuseppe was een nog grotere boekenliefhebber dan ik. Ook nu weer glunderde hij toen hij me zijn nieuwe aanwinsten liet zien: Robert Musils Der Mann ohne Eigenschafte, Virginia Woolfs Schrijversdagboek, enkele romans van Dostojewski, James Joyce, Thomas Hardy en Katherine Mansfield, de verzamelde gedichten van D.H. Lawrence.

Omstreeks middernacht was Giuseppe’s voorraad bier op. We besloten naar de Pallieter aan het Mechelseplein te lopen, het stamcafé van de studenten van Studio Herman Teirlinck. Als je mooie narcistische meisjes en jongens wilde observeren was dit de juiste plek. Ze kwamen er hun pas aangeleerde kunstjes tonen en wilden dolgraag een gesprek met je aanknopen over Konstantin Stanislavski, Peter Brook of Lee Strasberg. Niet vanavond echter. Giuseppe herinnerde me aan een brief van me waarin ik het over de vriendschap bij Aristoteles had gehad. Het was de mooiste brief die hij ooit van iemand had ontvangen, zei hij. Ik had daarin verwezen naar de uitspraak van Aristoteles dat een vriend een tweede ik is. Aristoteles maakt een onderscheid tussen drie soorten vriendschap: vriendschap gebaseerd op nut, op genot en wat hij de volmaakte vriendschap noemt, die tussen goede mensen, mensen die elkaars gelijken zijn op het stuk van voortreffelijkheid (wat ook als deugd wordt vertaald). “Hun vriendschap,” schrijft Aristoteles in de Ethica, “duurt dan ook voort zolang zij goed zijn; en voortreffelijkheid is duurzaam.” “Zo’n vriendschap is vanzelfsprekend duurzaam, want daarin zijn alle kenmerken verenigd die vrienden moeten hebben.” [1]
Giuseppe zei me dat ik zijn enige vriend ben. Het zou verschrikkelijk zijn mocht aan onze vriendschap een einde komen, voegde hij er nogal onheilspellend aan toe. Ik verwees opnieuw naar Aristoteles. Waren wij niet allebei voortreffelijke mensen? Waar moesten we dan bang voor zijn?

Giuseppe had onlangs in Playboy een interview met Sartre gelezen. Dat ging onder meer over diens amfetaminegebruik, wat Giuseppe fascinerend vond. Zelf keek ik ook wel op naar schrijvers die peppillen slikten, al was daar op zich geen enkele verdienste aan. Jack Kerouac, Tennessee Williams, Truman Capote… En waren Bob Dylans beste songs niet tot stand gekomen onder invloed van benzedrine? Giuseppe drong erop aan dat ik eindelijk Les Chemins de la liberté eens zou lezen. Ik was er al meermaals in begonnen maar had het boek nogal dor en langdradig gevonden. Veertig jaar later heb ik die trilogie nog steeds niet uitgelezen.
Mijn vriend vond dat het nu maar eens tijd werd dat ik ook een roman ging schrijven, die experimentele teksten in Aurora waren een doodlopend straatje. Ik betwijfelde of ik dat wel kon. Je moet dan een plan, een ontwerp maken en je daar vervolgens al schrijvend nauwgezet aan houden. Je moet personages bedenken, ze een innerlijk leven geven, een bepaalde manier van spreken, van zijn, je moet hun karakters uitdiepen en laten zien hoe ze zich in hun relaties met anderen en met de wereld ontwikkelen. Hoe ze betere mensen worden, of ten onder gaan. Je moet allerlei soorten mensen observeren, met ze praten, naar ze luisteren. Ik geloof niet dat ik dat allemaal kan. Ik kan alleen maar schrijven wat ik moet, vanuit spontane opwellingen en onbewuste verlangens. Mijn geschrijf heeft een neurotische inslag, ik moet het doen om niet gek te worden. Of om me niet te vervelen. Al is het geen tijdverdrijf maar een innerlijke noodzaak. Omdat ik me in mijn schrijven soms laat gaan, waar die peppillen zeker een rol in spelen, heb ik achteraf een hoop werk om ballast te verwijderen, ik moet zoveel schrappen en herschrijven, structuur aanbrengen. Om een roman te maken moet je met die structuur beginnen.

Zo werd het zonder dat we het door hadden weer erg laat. Giuseppe wilde per sé de rekening betalen en gaf me meer dan voldoende geld voor een taxi. Ik zou toch dat hele stuk naar huis niet te voet afleggen?


[1] Aristoteles, Ethica, VIII-IX. Vertaald door Christine Pannier en Jean Verhaeghe.

Faye Dunavay in The Eyes Of Laura Mars