HUID VAN DE WERELD

anselm kiefer hamburger bahnhof.jpg

Vandaag ging het van laag naar hoog, of was het omgekeerd? Stemmingswisselingen… Eerst, nog voor zonsopgang, heb ik van Anselm Kiefers loden boeken de betekenis achterhaald. Of op zijn minst een van hun betekenissen.

De loden boeken zijn er om in de toekomst te worden gelezen: tussen hun pagina’s zitten foto’s van de huid van de wereld. De huid van de wereld vanop een redelijke hoogte aanschouwd. De klassieke fotograaf die vanuit zijn raam foto’s maakt van de passanten is geheel voorbijgestreefd, en tegelijk is Kiefers manier van naar de wereld kijken daar een metamorfose van. Vreemd dat Schopenhauer reeds de wonden en de littekens en de uitslag (schurft, pokken, pestbuilen) van de wereld, van de aarde zag: dat waren de mensen. Keek Schopenhauer door de ogen van Anselm Kiefer of is het toch vice versa? Lood is een buigzaam en corrosiebestendig materiaal. De foto’s van de huid van de aarde zitten veilig opgeborgen in de loden boeken. Maar langdurige blootstelling aan lood veroorzaakt wel dementie. De lezers van de loden boeken zullen beschermende kleding moeten dragen. Ik stel me ze als Buzz Aldrin en Neil Armstrong voor: veel verder reikt mijn verbeelding in dit opzicht niet.

Daarna heb ik een ‘geheim’ van Hölderlin en Nietzsche ontsluierd. Geheim – met daarin ‘heim’, het Limburgse en Duitse woord voor ‘huis’. We kennen in het Nederlands ook nog ‘heem’ en ‘heimwee’ en heel wat samenstellingen met ‘-heem’ en ‘hem’, vooral plaatsnamen.

Je bent thuis waar je woont, in wat je bekend en vertrouwd is, én in den vreemde. Je kunt het ook ‘het vreemde’, het ‘onbekende’ noemen. ‘Het vreemde’ is tegelijk datgene wat je in je armen sluit en een veld vol dode mensen.

Anselm Kiefer, Hölderlin, Nietzsche, daarna Tim Buckleys ‘Blue Afternoon’ en dan is alles goed. Zoals het moet zijn. Huid van de wereld en melancholie. Naast me de slapende vrouw die ik ken en niet ken.

Excentrieke mensen leven langer, las ik vandaag. Dan maar hopen dat ik erg excentriek ben. Maar wat is dat eigenlijk, excentriek?

Het is goed Antwerpen lief te hebben en gelijktijdig de stompzinnigheid van deze stad te haten. De snordragende burgemeester met zijn Rubensobsessie en de sigarenrokende schepenen en magistraten.  Symbolen van een volledig achterhaalde, bijna 19de-eeuwse burgerlijkheid. Gelukkig heb je toch toch ook altijd de anderen, zoals Luk Perceval. Ze hoeven niet eens excentriek te zijn. Hij kent me niet en ik hem ook niet maar ik heb desondanks het gevoel dat ik veel met hem gemeen heb. Tsjechov schrijft over Rusland. Voor Perceval ligt dat in Vlaanderen, en dat klopt. Het vreemde is tegelijk datgene wat je in je armen sluit en een veld vol doden.

Alle stekelige mensen zullen binnenkort deze stad moeten ontvluchten, of zich te pletter zuipen, of zich in vuile wc’s vol spuiten met het gif dat uit de corrupte haven komt. Dat is het lot dat ons te wachten staat, ons stekelige en excentrieke mensen. Of kan het tij van haat en angst voor het andere en van conformisme worden gekeerd?

Tot hier een – bijgeschaafde – dagboeknotitie van 1 februari 1991. Vijf maanden later zou ik naar Brussel verhuizen, waar ik nu nog altijd met enige tegenzin woon. Ik zal me wel altijd en overal een banneling voelen.

Ω
Foto: loden boeken van Anselm Kiefer in het Hamburger Bahnhof in Berlijn, 16 augustus 2008. Foto: Martin Pulaski.

LAATSTE DAGEN

celan2

Het prozagedicht World’s End ontstond op 3 december 2011 tijdens een treinrit van Antwerpen naar Brussel. Ik had mijn radioprogramma Zéro de conduite aan dierenliederen gewijd en daarna vis gegeten in een Chinees restaurant. Als dessert had ik een Japanse saké gedronken. Ze hadden ook Chinese maar die was bijzonder sterk en werd mij afgeraden.  Waarom weet ik niet. Zag ik er dan werkelijk zo ziekelijk en zwak uit? Ik voelde me nochtans vrij fit. De saké was niet warm, niet lauw, eerder koud, en bevatte weinig alcohol. Toch heeft hij me aangevuurd. En die dierenliederen bleven in mijn hoofd spoken, vooral ‘Horses In My Dreams’ van PJ Harvey, uit haar elpee ‘Stories From The City, Stories From The Sea’. De zes witte hengsten komen uit een song van Gillian Welch, maar dat beeld is ouder dan de straat. Ik leen graag beelden, maar vind er even gaarne uit. Een vraag is of er nog onuitgevonden beelden kunnen ontstaan. Zoniet kun je alleen maar uit een voorraad putten. De oude Grieken hebben ons in dat opzicht wel verwend.

De trein reed zacht, niet zoals in mijn herinneringen, naar de hoofdstad.  Op dat zachte ritme schreef ik mijn woorden neer, in een klein Japans notitieboekje. Die boekjes schaf ik me aan bij Muji. Niet in Brussel: die winkel is al lang toe. Ik geloof dat de inwoners van deze stad niet erg geïnteresseerd zijn in mooie en nuttige dingen. Er ontstond een nogal moeilijk leesbaar gedicht. Nochtans had ik gedronken. Hoe kwam het dan dat mijn handen beefden?

De dagen die erop volgden heb ik het gedicht-in-wording (of niet), niet durven bekijken. Mijn stelregel is dat je niet moet schrijven als je gedronken hebt. Maar waar dienen stelregels voor? Op een avond ben ik er opnieuw aan begonnen. Wat er stond, stond me wel aan, maar niet in versregels. Versregels drongen er een vorm aan op, terwijl de paarden nog wild waren en droomachtig. Er ontbrak ook veel, over de wereld, over de mensen. Daar dacht ik over na, en zo kwam ik bij ‘ground zero’ terecht. Wat hebben wij als mensen aan de aarde gegeven? Verdienen wij het wel om hier te leven, om te genieten van deze grond? Ik dacht ook aan het ‘ademkristal’ van Paul Celan en aan zijn ‘Todesfuge’. Aan de verschrikkingen van de uitroeiingskampen en de zelfmoord van Paul Celan. Toen het gedicht voorlopig af was – in enigszins wilde prozavorm – vond ik de reproductie van Anselm Kiefer waarop hij naar Margarethe uit ‘Todesfuge’ verwijst. Dat werk is geen illustratie. Het moest erbij staan, het hoorde erbij, zoals de bomen van Gerhard Richter bij Cydia Pomonella ii.

Ik dacht ook aan gevallen engelen. Dat is meestal het geval als ik een werk van Anselm Kiefer zie. Elke mens is een gevallen engel, ook Margarethe. Een gevallen engel moet, net als een wild paard, zijn weg hier vinden. Een eigen haard. Goud waard, zeggen de mensen soms nog. Maar wie zal dat bevestigen? Voor de haard zag ik de smid staan, Hephaistos, man met sterke armen, dunne benen. Op het eiland Lemnos vond hij zijn smidse, deze uit de hemel verbannen man, vanwege een liefdesgeschiedenis van de goden, die hem niet liefhadden. Maar wel de mensen die zich verwarmden aan zijn vuur en zijn kunsten.

Wat een sombere, negatieve tekst was het geworden! Alle wegen leidden naar nergens, naar het eindpunt, naar daar waar niets meer te zien valt. World’s End bestaat echt, maar is toch vooral een imaginaire plek. Een vriendin van me had me al verteld dat in 2012 de wereld zou vergaan: wij zouden de Apocalyps nog meemaken, zo bevoorrecht zijn we. Overigens is ‘Apocalypse!’ de titel van Bill Callahans laatste plaat, waaruit ik het nummer ‘Drover’ (veehoeder) die avond had geselecteerd. In die ondergang sleepte ik heel Europa mee, een Europa dat uitgeput is en nergens meer naar verlangt, tenzij naar zijn algehele vernietiging.

Het schrijven zelf echter riep toekomst op, idyllisch bijna, en antiek. Een sprankel hoop weerklonk in de woorden, als ik ze luidop las. Opeens zag ik het spel, niet alleen het taalspel, maar het oude spel van de Homo Ludens, het ganzenbord, de holle wegen, het dwalen en dolen, het vinden zonder op zoek te gaan.  Ik zag het hoeden van de kudden. De zorg van mensen voor dieren. Het mededogen in ziekenhuizen en tijdens rampen. Het elkaar in bescherming nemen, zoals vader en zoon in ‘The Road’ van Cormac McCarthy. Het zingen voor elkaar, zoals in ‘The Time Of Our Singing’ van Richard Powers, om elkaar te troosten, om een zindering bij de andere teweeg te brengen. Het opstaan uit lethargie en onvermogen. Het verwerpen van de ondergangsstemming. Waren dit de laatste dagen? Opeens zag ik een opening in het bos. In mijn idyllische jeugd; maar ik zag ze ook in de toekomst, vol licht en beloftes. Ik zag de paarden draven in de richting van een open veld, een vruchtbare steppe. En om ons heen stonden de bomen niet langer als vijanden, als onverschilligen. Ik geloof niet langer dat het te laat is. Vandaag niet. Maar op 3 december had ik over al deze dingen nog niet nagedacht en verwachtte het ergste: World’s End.

SERAPHIM ii

Voor Anselm Kiefer

De hemel in het grijs van deze streken
Maar eerst de lucht blauw
In het wit van je ogen.

Je weerspiegelt de tijd en de woorden
Die niemand kent hoor ik in je accenten.
Opeens zie ik het donkerste grijs.

Als een opgebrande vriend je aanspreekt
En je je opnieuw opricht
Uit datgene wat je vernietigt.

Als dwazen boven je uit torenen
Of aan je voeten liggen
Hun wonden likkend.

(Een kunst op zichzelf
Die nooit af zal nemen:
Die van het misplaatst predicaat.)

Terwijl op de achtergrond pianissimo
Ontstemd vogelgezang, zwart,
De weelde van het onvolmaakte.

Nooit was je mooier dan op je ladder
Naar de grijze hemel, opeens blauw,
Vuilwit, verwachtingen scheppend.

EEN BLEKE ZOMER IN BERLIJN

DSC_0520

 

De zomer nog niet begonnen of hij hoort
Die zelfgenoegzame zanger al met zijn lied
Dat hij meezong in negentienzevenzestig
Als hij nabij de rivier wandelde, droomde –
Een laat-romanticus op zoek naar een kus.

Maar veel later de zomer opgezocht in gidsen
Waarin gevlogen, gevaren, per trein gereisd
Via tunnels en vulkanische resten.
Via boeken, zinnen, woorden, histories.
In de hoofdstad wordt weer geleefd als vroeger,

Perfecte verbindingen van A naar B
En lekker eten en drinken onder het maanlicht
Bij een Italiaan in de Auguststrasse.
Oude kunst gerestaureerd dwarrelt je voor de ogen

En boeken op de markt, van Fontane verzameld,
En de goede Herman Hesse in kleine letters.
Voor de verzamelaar insignes, verwijzingen.
Ook zegt de gids waar de wolf woonde

En waar hij onderdook. Daar stond zijn bunker.
Daar werd zijn gebeente gevonden,
Van zijn Eva, zijn getrouwen, hun kinderen.
Alles brutaal verzameld in een verhaal

Over een totaalkamp, al nagenoeg een mythe.
Het vuurwerk gedoofd, het brandhout op,
Het probleem van de doden niet uitgewist.
Hun namen in bomen, in gele en blauwe stenen.
Op het Museumeiland ga je voorbij aan

Babylons rivieren, hun blanke maagden –
Maar herinner je! de psalm die pop werd
voor mensen die elkaar zoeken gingen
met dolken, met poppers en pamfletten.
Je keert terug naar Anselm Kiefers Duitsland,

Zijn vocabulaire, zijn boeken, zijn sterren
En sperma. – Onverzadigd uit de jaren tachtig gekomen
Met Dada!, en Neu! En Kraftwerk! en Bauhaus!
Ga je op zoek in Berlijn naar wat vrome leugens.
Of hoe wil je de woorden noemen

Die je kinderen vertellen wat Anselm vertelt?
Hoe kun je zeggen wat waar is voor jou
En wat waar is voor de wereld?
Als je jezelf alleen maar omver ziet vallen.
Telkens weer omver ziet vallen.

 

Foto: Martin Pulaski, Anselm Kiefer in Hamburger Bahnhof

 

DE BOEKEN IN LOOD VAN ANSELM KIEFER

kiefer4

Anselm Kiefer is een van de belangrijkste kunstenaars van deze tijd. Zijn werk opent de ruimte en geeft je tijd om na te denken. Poëzie, mythe en geschiedenis gaan er hand in hand. Kiefer gebruikt weinig kleur, vooral zwart, grijs en wit, en toch denk je achteraf dat je alle mogelijke kleuren hebt gezien. Ogenblikken van geluk, extase, losgerukt van de gruwel van de geschiedenis. Het absurde universum krijgt een zin. Een mens is even belangrijk of onbelangrijk als een ster. Stenen, zonnebloempitten, sperma. Ziggoerats in Irak, het heilige land van de Tigris en de Eufraat. Eigenaardig dat dit land zo’n grote rol speelt bij Kiefer. Toevallig natuurlijk, maar ik leerde zijn werk kennen tijdens de golfoorlog, toen de Westerse bommen voor de eerste keer op Bagdad neervielen. Ik denk nu terug aan mijn gedicht uit 1993, “In loden boeken”:

In loden boeken in groot octavo
heb ik uw naam neergeschreven,
al vloekende, al tierende. Geschiedenis
mag weten wie aan het woord is.

U hebt het geslacht opnieuw
aan de tand gevoeld, zonder genade
raak gezaaid, overal in het rond,
waar ’s zondags klokken luidden.

Ik zie uw donkere voetsporen
in de sneeuw van een voetbalveld
waar zij geen rust kunnen vinden
nabij de doelen zonder wachters.

U klapt in uw handen voor deze doden.
Uw ploeg scoort voortdurend
tegen Bosniërs met bloed in hun haar.
Ze zijn doodmoe. Ze bukken zich.

Ze woelen het grijze gras om.

Het gedicht was uiteraard geïnspireerd door de schokkende beelden over Bosnië die ik elke dag op televisie zag. Maar de loden boeken kwamen van Kiefer. De tanden van de kunstenaar had ik nog niet gezien toen ik dit gedicht schreef.

DE VAGINA ALS REMEDIE TEGEN HOOFDPIJN

ORLAC ZWART WIT

Ik ga met hoofdpijn naar bed. De ene bizarre droom verjaagt de andere. Een vrouw zit in een zetel, in een alledaagse, onverschillige houding, met de vagina wijd opengesperd, goed zichtbaar in het daglicht. Een vreemde man in een stoel recht tegenover haar lijkt heel sterk naar dat geslacht te verlangen. Voor de vrouw is er niets aan de hand. Ze werpt een blik door het open raam. Het lijkt of haar vagina nog groter wordt. De man wrijft met zijn handen over zijn slapen, wendt zijn blik af, sluit zijn ogen, en kijkt daarna weer heel geconcentreerd naar het opengesperde geslacht. Heeft hij last van migraine? Dit moet dan wel de ultieme remedie zijn: het hoofd helemaal in het lichaam van de vrouw stoppen. Zijn hoofd gaat er zonder problemen volledig in.

Wat is er gebeurd? Ik heb op een ingewikkeld toestel naar een videofilm van David Cronenberg zitten kijken. Je kunt met dat ding moeilijk vooruit en achteruit spoelen. Wat een ellende: ik kan die passage maar niet terugvinden. En nu is er visite, dan durf ik ook niet de hele tijd zitten spoelen. Ze zouden kunnen denken dat ik niet geïnteresseerd ben in hun conversatie. Dat die bezoekers nu toch maar snel weer vertrekken! Ik wil zien hoe dat afloopt, die man met zijn hoofd in de vagina van die onverschillige vrouw. Zou dat echt een goede remedie zijn? Ik heb zelf ook zulke hoofdpijn.

Ik rijd op een brommer blindelings naar het centrum. Op die brommer zit ik geconcentreerd naar mijn beeldscherm te kijken, terwijl ik nog steeds pogingen onderneem om dat fragment terug te vinden. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat ik iets belangrijks heb gemist.
Plotseling stel ik vast dat ik me op een drukke straat bevind. Ik rijd tussen gevaarlijk verkeer. Scherpe bochten, er ligt gebroken glas op de weg.

Later zit ik in een heldere kamer samen met een vriend in een groot oud Boek te bladeren. Ik herinner me dat het fascinerend is als een antieke atlas. Er zitten relikwieën in: bloed, sperma, een afgehakte hand. Het is het boek van een soldaat, denk ik.
De hand is vies, dat ik er maar niet ziek van word. Toch wil ik alles bewaren. Ik zoek een geschikte plaats om het boek in op te bergen. Een grote scheepskoffer, daarin een kleiner houten kistje dat ik van een reis naar Marokko heb meegebracht. Maar ik vrees dat de hand niet in het kistje kan.

SCHOONHEID MAG!

PAULA REGO 2

Ik zag net op televisie in ‘Het uur van de wolf’ Robert Hughes over hedendaagse kunst. Bijzonder interessant, maar zo kort… Ik had uren en uren kunnen kijken, ik denk vooral door het empathische vermogen van Hughes, door zijn kracht om tot de ziel van de kunstenaar door te dringen of om – in uitzonderlijke gevallen – hem, bij afwezigheid van ziel of van streven naar schoonheid, in zijn blootje te zetten. Kijk, mensen, de keizer heeft geen kleren aan, zegt hij dan. Ik heb een uur lang instemmend zitten knikken, behalve toen het over Andy Warhol ging. Robert Hughes zelf is ook niet meer zo uitgesproken tegen Warhol als vroeger, maar hij loopt er niet hoog mee op, dat is wel duidelijk, en zeker niet met leeghoofdige epigonen als Jeff Koons, een dwaas die zich met Michelangelo durft vergelijken. Dat zou Warhol hoe dan ook nooit hebben gedaan. Warhol vergeleek zich met niemand en ‘vertelde’ ook niets over zichzelf. Hij toonde de consumentenmaatschappij waarin we leefden, met alles erop en eraan en gebruik makend van alle middelen die hij ter beschikking had. Tegelijk was Andy Warhol zelf een kunstwerk, zijn hele leven, van geboorte tot dood en verder.

Wat me echter vooral aangenaam trof in de beschouwing van Robert Hughes was zijn benadering van enigszins controversiële kunstenaars als Anselm Kiefer, Lucian Freud en Paula Rego. De aandachtige lezer van deze notities weet dat ik van de eerste twee een groot bewonderaar ben. Paula Rego was voor mij een onbekende, maar nu niet meer. Ik noem deze kunstenaars enigszins controversieel omdat ze figuratief werken en hoegenaamd niet postmodern kunnen worden genoemd. Mag je dat werk dan wel goed vinden? Ben je dan wel goed bezig? Ik zei het al: ik heb instemmend zitten knikken!
Alselm Kiefer is – dat is nu nog maar eens gebleken – de belangrijkste Europese levende kunstenaar. Zijn ‘behandeling’ van Paul Celans Todesfüge is hartverscheurend; het kunstwerk staat op dezelfde eenzame en tragische hoogte als het gedicht. Kiefer is niet alleen een poëtisch kunstenaar maar net zo goed iemand die worstelt met morele en historische (Duitse) problemen en daar tot nadenken stemmende vorm weet aan te geven. De Portugese Paula Rego, die de Portugese dictatuur heeft meegemaakt, schijnt ook zo iemand te zijn. Haar werk moet ik nog leren kennen. Ik denk dat ik er veel in zal ontdekken.
Ontroerd werd ik vooral door de beelden van de ouder wordende David Hockney, die de eenvoudige maar diepgravende blik van zijn vroeger Britse pop art nu laat rusten op Adalusische cultuurmonumenten in Cordoba en Sevilla. Het schetsboek dat hij toonde riep herinneringen op aan de zenachtige schoonheid van Matisse.
Schoonheid is een woord dat niet meer in de mode is, zei Robert Hughes. Maar waarom zou het in de mode moeten zijn? Het komt erop aan zoveel mogelijk goedheid en schoonheid ten toon te spreiden.
Afbeelding van Paula Rego, Familie.

VOETBALVELD IN BOSNIË

Anselm Kiefer, in loden boeken heb ik je naam neergeschreven. Al vloekende, al tierende. De geschiedenis heeft geen bril nodig om mijn letters te spellen. Ik zie je voetsporen in de sneeuw van een voetbalveld waar je talloze doden liggen, nabij de doelen. De menigte klapte in de handen voor het een of het ander. Veel drukte om niets, werd gespeeld in menig theater. In Sarajevo werd druk gescoord tegen Bosniërs, met bloed in hun haar. Men woelde alleen maar het groene gras om.

DE WEG NAAR HET LICHT

Vandaag van hoog naar laag en van laag naar hoog. Laag na laag. Licht en donker. Heavy metal onder de leden, pluimgewichtkampioen in mijn kamer. Noem mij maar Hamlet. Ik zat te lezen in de krant. Ik zat te lezen in Anselm Kiefers loden boeken. Hun betekenis heb ik lang geleden ontdekt. Het is ook het geheim van Hölderlin en Nietzsche. (Is het dan nog wel een geheim?) Je bent zowel thuis waar je woont als in het vreemde. Het vreemde is je vriend en is een veld vol doden. De loden boeken worden in de toekomst gelezen: zij bevatten, bewaard op hun bladzijden, de huid van de wereld. Vanuit een redelijke hoogte bekeken.

Anselm Kiefer en daarna Tim Buckley’s Buzzin’ Fly en alles is goed. Zoals het moet zijn. Huid van de wereld en droefheid. Lachend als de boeddha die je nog moet ontmoeten, onder kersenboom in bloesem. Wachtend op de geliefde, om mee te eten en drinken en slapen.

Excentrieke mensen leven langer, zei me eens iemand. Hij of zij had het ergens gelezen of op televisie gezien, misschien in een talkshow. Misschien dat een wijsneus dat daar beweerde. Ik ken alleen maar dode excentrieke mensen. Ik wil heel lang leven. Dat heb ik Simon Vinkenoog ooit eens horen zeggen: ik wil heel lang leven. Die excentrieke wegwijzer is goed bezig.