BRIAN JONES EN DE DOOD

brian jones 1

Op 3 juli 1969 stierf een van mijn grootste jeugdhelden, hoewel we in dat anti-tijdperk het woord ‘held’ niet gebruikten. Hoe noemden we iemand als Brian Jones dan wel? Hij was zeker geen idool. Aan idolatrie deden we evenmin. Voor mij was hij een verre vriend. Ondanks de afstand meende ik hem beter te kennen dan Jan, Henry of Luc. Wat een vergissing, achteraf gezien. Wist ik veel hoe erg het met Brian gesteld was. In welke mate drugs en ‘geneesmiddelen’ hem op die jonge leeftijd al hadden verwoest. Ik dacht dat hij van een astma-aanval was gestorven. In mijn donkerste ogenblikken ging ik ervan uit dat Mick Jagger en Keith Richards hem hadden vermoord of laten vermoorden. Dat was ook het uitgangspunt van een artikel dat ik een jaar of twee later voor Humo schreef. Niemand op de redactie geloofde mijn hysterische hypothese: mijn stuk werd niet gepubliceerd.
3 juli 1969 zal zeker een van die mooie zomerdagen geweest zijn waar ik me zo weinig van herinner omdat ik zo gelukkig was. Gedaan met de middelbare school, weg uit de hel van het Tongerse internaat. Eindelijk vrij, de wereld aan mijn voeten. Blankenberge, de Noordzee, aan de overkant Londen, dat nog even bleef swingen. Mijn langharige vrienden, the Scrub, the Pebbles. Take another little piece of my heart now baby, zongen ze.
Telkens als ik een sigaret opstak waarschuwde mijn Brusselse vriend Duduche me: als ik zo doorging zou ik het ook niet lang meer trekken. Zevenentwintig zou ik wel nooit worden. Tot ik dan eindelijk die leeftijd had bereikt heb ik zijn waarschuwing geloofd. Ik was immers een dubbelganger van Brian Jones… Wat hadden we dan zoal gemeen? We hadden allebei astma en we zagen graag meisjes, al dan niet blond.
In 1977, toen ik zevenentwintig was geworden, was punk onder ons. En boven ons en rondom ons. Geen tijd om aan de dood te denken, geen tijd om aan het verleden te denken – en zeker niet aan de toekomst. Forever now! En zo werd ik zesenvijftig. Tot 2 juni 2006 was ik er zeker van dat ik op die leeftijd zou sterven. Er gebeurde helemaal niets. Alleen had ik in die periode te kampen met een zware depressie.
Nu Brian vijftig jaar dood is ben ik negenenzestig, een eerder oude man. Ik ben nog steeds niet dood, al heeft het in 2011 niet veel gescheeld. Brian is al lang geen verre vriend meer (dacht ik even, wanhopig als ik soms ben). En mijn vrienden van vroeger zijn niet meer als toen, als ze nog in leven zijn, en ikzelf ben al helemaal niet meer als toen. Ik ben helaas zoals nu. Beter wordt het nooit.
Vanmorgen bij het ontbijt beluisterde ik enkele oude liedjes van the Rolling Stones. Hoe belachelijk vond ik opeens Tell Me en Heart of Stone. Infantiel, vond ik. Maar dan, toen ik op het terras de planten water stond te geven, hoorde ik Get Off My Cloud, één en al opwinding. Een nieuwe geboorte van rock & roll, een nieuw begin. Punk in 1966. Opnieuw zag ik Brian Jones, mijn verre vriend in Londen, grijnzen en nog eens aan zijn sigaret trekken en heel diep inhaleren. England’s dreaming, hoorde ik hem zuchten. Kom jongen, ik speel nog even wat slide voor je, wat denk je van Elmore James’ Make My Dreams Come True?

MINISTERS VAN ANGST

brussel nacht

De bedenkingen hieronder schreef ik vorige week, enkele dagen na de verkiezingen van 26 mei. Ik ben geen politiek denker, geen politiek essayist, nauwelijks een politiek observator. Dat belet niet dat ik wel degelijk oog heb voor de wereld rondom me, voor de samenleving waarin ik toevallig ben beland (“geworpen”), voor de politieke omstandigheden die mede mijn reilen en zeilen bepalen (ook als ik ‘veilig’ in de haven blijf).
Ik geloof dat dit in korte tijd mijn derde politieke tekst is. Heel goed mogelijk is het ook mijn laatste. Omdat ik niet zo vertrouwd ben met de taal en de stijl van het politieke discours zou het kunnen dat ik verkeerd begrepen word. Mijn reacties op wat ik een catastrofale stand van zaken wens te noemen, met name de uitslagen van de verkiezingen, zijn voornamelijk emotioneel van aard. Al denk ik dat ik toch ook altijd enigszins redelijk blijf. Scheldproza is niet mijn uitverkoren stijlmiddel.
Sommige lezers vonden mijn vorige notitie, ‘Over domheid en verblinding’, van arrogantie getuigen. Ik vermoed dat drie boze zinnen tot dat oordeel hebben geleid. Te emotionele uitspraken, die ook weer tot verblinding leiden, waardoor je mijn verontwaardiging niet meer ziet, net zomin als mijn mededogen en verdriet. Toch heb ik die paragraaf laten staan: ik wil niet aan zelfcensuur doen, ik moet zo eerlijk mogelijk blijven.

De verkiezingen zijn nog maar net achter de rug en daar is BDW al met zijn angstdiscours. België wordt onbestuurbaar, er is een grondige staatshervorming nodig. De enige juiste oplossing is confederalisme. Ik ken weinig of geen mensen die weten wat die obsessie van BDW (en van andere leden van de Nieuwe Vlaamse Alliantie) precies betekent. Wat is dat, confederalisme, hoe werkt het, zijn er voorbeelden van te vinden, en waarom zou het een betere staatsvorm dan federalisme zijn?
De splitsing van België en de stichting van een onafhankelijke Vlaamse Staat, dat begrijpen we natuurlijk wel. Is het niet precies dat, wat BDW wil? Terwijl zijn partij net het tegenovergestelde eist van Brussel: dat de negentien deelgemeenten en de zes politiezones een geheel gaan vormen. (Wat me ingegeven lijkt door gezond verstand.)
Door de uitslag van de verkiezingen is België onbestuurbaar geworden, is nu het angstmantra van BDW. Onbestuurbaar omdat in het Vlaamse gedeelte van het land overwegend rechts werd gestemd en in het Waalse en Brusselse gedeelte (zowel door Franstaligen als Nederlandstaligen) overwegend links. Hoezo? Behoort het dan niet tot de spelregels van de democratie dat er anders mag en kan gestemd worden, en dat de uitslagen van verkiezingen grote verschillen en tegenstellingen kunnen vertonen? En dat daar bij een regeringsvorming rekening mee wordt gehouden? Dat pogingen worden ondernomen om de tegenstellingen met elkaar te verzoenen? Getuigt net dat niet van groot staatsmanschap (of -vrouwschap)?
Uiteraard betreur ik de winst van Vlaams Belang in Vlaanderen. Maar daar heb ik het nu niet over. Ik heb het over goede wil en kwade trouw. Over het verschil tussen theater en politiek. Ik heb het over de opkomst van angstpolitici en de neergang van verkozenen die regeren op basis van gezond verstand, emotionele intelligentie en empathie.
België davert helemaal niet op zijn grondvesten. In de samenleving heb je verschillende stromingen die met elkaar botsen, in sommige gevallen hard, in sommige gevallen minder hard. Maar België heeft veel woeliger momenten gekend dan nu. Ik denk aan de Koningskwestie (1945-1950), de tweede Schoolstrijd (1950-1958) en de grote stakingen tegen de Eenheidswet (1960-1961). Als België toen niet moest gesplitst worden, waarom zou dat dan nu wel moeten gebeuren? De politici van de Nieuwe Vlaamse Alliantie (hoe nieuw zijn ze, hoe Vlaams en met wie zijn ze eigenlijk geallieerd?) moeten maar eens ophouden met te proberen ons bang te maken. Dat liedje duurt nu lang genoeg. Ze moeten maar eens ophouden met het verleden te verheerlijken. Ze moeten maar eens hun blik gaan richten op een toekomst waarin elke inwoner van dit land redelijke kansen krijgt. De zogenaamde politieke visie van de Nieuwe Vlaamse Alliantie is inderdaad grotendeels op het verleden gericht. Een verleden dat op een verblindend-romantische manier geïdealiseerd wordt. Het is een langetermijnvisie in de omgekeerde richting: ze gaat terug tot de veertiende eeuw en verder, mogelijk zelfs tot de Eburonen en de Menapii. Het is een visie met de ogen gesloten voor de rijke dwarreling van het nu, voor de kansen die deze boeiende tijd te bieden heeft. In die partij hoor ik voornamelijk holle woorden. Ik zie haar geen oplossingen aanreiken voor migratie, stadsvernieuwing, milieu, klimaatproblematiek, armoede, veroudering, eenzaamheid, globale cultuur, et cetera.

Ik noemde in mijn vorige tekst de mensen die voor Vlaams Belang hebben gestemd dom. Ik weet dat dat een harde uitspraak is en dat ze polariserend wordt genoemd. Het zij zo. Wat ik inmiddels heb begrepen is dat de grote meerderheid van die groep niet voor het Vlaams Belang en voor de Nieuwe Vlaamse Alliantie heeft gestemd omdat ze nationalistisch is en per se een onafhankelijk Vlaanderen wil en zo graag de Vlaamse Leeuw zingt, maar omdat ze boos en bezorgd is. Deze mensen vrezen voor hun toekomst en de toekomst van hun kinderen en kleinkinderen. Ze stellen vast dat ze in een keiharde, onzekere en erg ongezonde wereld leven en dat ze met hun zorgen niet meer terecht kunnen bij de politieke klasse waar ze in het verleden wel – in mindere of meerdere mate – op konden rekenen. Tot niet zo lang geleden waren we in dit deel van de wereld met zijn allen nog zeker van de sociale zekerheid. Als zelfs die bedreigd wordt, slaan mensen gemakkelijk op hol.

Foto: Martin Pulaski, Brussel

VERRAAD AAN HET LEVEN

TINTORETTO, Susanna en de ouderlingen, ca. 1555

Het interludium van 14 februari heeft wel erg lang geduurd. Dagen, weken, net geen twee maanden[1] . Ik was – niet voor de eerste keer – blijven steken in poëzie. Mijn grootste liefde en mijn hellehond. De enige minnares die mij nog overblijft, al verwaarloos ik haar nu al ongeveer negen jaar. Waarom ik dat doe weet ik niet. Wat ik wel weet is dat haar afwezigheid in mijn leven mij diep ongelukkig maakt. Haar afwezigheid, ja, ook al ben ik het die haar aan haar lot overlaat. Ik schrijf geen regel, geen woord poëzie en lees niet één gedicht, van niemand. Ik durf nauwelijks naar de rekken waar de dichtbundels staan te kijken. Nochtans zwijgen ze hier heel dicht bij mijn hart, aan mijn linkerzijde. Ik moet maar even een blik in die richting werpen en ik lees de namen en de titels. Shelley Poetical Works, zie ik. Slauerhoff. Tibullus Elegieën. Georg Trakl. Een plank lager de kleinere formaten. Nic. Beets Verzamelde Dichtwerken. Heinrich Heine Buch der Lieder. Paul Celan Die Niemandsrose. De mooiste van Ungaretti. De kleine formaten staan duidelijk niet alfabetisch geklasseerd. Dat moet toch ooit nog eens een keer gebeuren.
Waarom ik geen gedichten meer schrijf denk ik – na enig moeizaam gepeins – te weten: ik ben niet meer verliefd, ik ben de gave van het verliefd worden kwijtgespeeld. Mijn discours amoureux is uitgewist. De woorden van liefde, die zon en sterren in beweging brengen, dringen al lang niet meer tot me door. Tot mijn dorre ziel, tot mijn uitgedoofde verbeelding. Ik ben een van de ouderlingen die de dochter van Chelkia begluurt maar niet daarvoor krijg ik de doodstraf maar omdat ik niets voor haar voel. My sin is my lifelessness.

Het vierde deel van mijn korte beschouwingen over boeken die een beslissende rol speelden in mijn jonge leven zou over poëzie en dichters gaan. Ik zou het onder meer over die dichters hebben die mij er op mijn vijftiende toe aangezet hebben om zelf gedichten te gaan schrijven: Guido Gezelle en wat later Hendrik Marsman. Maar ook over Lucebert en Hölderlin en T.S. Eliot (met zijn sonore stem) en Rilke en Rimbaud en William Blake (van wie ik in de jaren zeventig liedjes zong) en Shelley en Keats en Allen Ginsberg en Walt Whitman en Herman ter Balkt.
Helaas moet ik dit vierde hoofdstukje met namedroppen afsluiten. Zelfs nadenken over poëzie, over dichters maakt me onrustig en bang. Hölderlins umnachtung komt dan naderbij. Het verdriet van Marsman krijgt me in zijn greep. Verraad aan het leven, en dat wil ik niet. Laat mij liever nog wat mijmeren over de mooie dagen in Sanlucar de Barrameda, Cadiz en Conil de la Frontera. Waar van de vroege ochtend tot de late middag de zon me toesprak: ik ben het licht, ik ben het canto jondo én het canto general, ik ben de bron van je leven en lust.

[1] De voorbije weken schreef ik – in een reeks die ik ‘geestelijke genealogie’ noem – reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Dit is in die reeks het manke vierde deel. Daarna keer ik terug naar het veel veiligere proza.

Afbeelding: Tintoretto, Suzanna en de ouderlingen, ca. 1555

EDGAR ALLAN POE DOOR DE OGEN VAN J.-K. HUYSMANS

edgar allan poe

In de literatuur was hij de eerste, die onder de zinnebeeldige titel The Imp Of the Perverse grote aandacht had geschonken aan de onweerstaanbare impulsen waaraan de wil, zonder ze te kennen, is blootgesteld en die door de hersenpathologie tegenwoordig met een grote mate van zekerheid verklaard kunnen worden. Hij was ook de eerste geweest, die algemene bekendheid had gegeven aan de neerdrukkende invloed van de angst op de wilsvermogens, zoals verdovende middelen de zintuigen verlammen en pijlgif de motorische zenuwcentra vernietigt. Hij had zich op dit onderwerp, op deze versuffing van de wil geconcentreerd; hij had de werkingen van dit morele gif geanalyseerd en de symptomen van het verloop ervan beschreven: zenuwstoornissen die met angstige onrust beginnen, in beklemming overgaan en tenslotte culmineren in een ontzetting die de wilsuitingen verlamt, zonder dat het intellect, hoewel aan het wankelen gebracht, verslapt.

J.-K. Huysmans, Tegen de keer.
Vertaald door Jan Siebelink

 

VERDWIJNEN

2013_06_LONDEN 033.JPG

Ziektes, ziektegeschiedenissen, angst voor aftakeling, voor geheugenverlies (verlies van het verleden, van de herinneringen, van de doden die in mijn herinneringen voortleven): niets nieuws in mijn bestaan. Ik ben er in zekere zin mee geboren, zeker ben ik er volwassen mee geworden; die angsten, of liever, die ene grote angst, de angst voor het geleidelijk aan of plots verdwijnen in het grote niets, is altijd op de achtergrond aanwezig geweest, zoals het geruis, niet van de wind, maar van het verkeer op de ring rond Brussel (waarbij de wind wel een rol speelt). Het is geen hoofdthema in mijn leven, maar zeker wel een ‘schaduwhoofdthema’, iets wat op een dubbelganger lijkt, een William Wilson waar ik voortdurend strijd mee moet leveren. Vaak als ik in de spiegel kijk, en dat doe ik wel af en toe want narcisme is me niet geheel vreemd, zie ik hem terugkijken en dan denk ik, wat lijkt hij op me.

Lynd_Ward_William_Wilson.jpg

Het is een angst die niet alleen mijn eigen verdwijnen betreft, maar ook van degenen die ik liefheb, degenen die ik bewonder, degenen voor wie ik tedere gevoelens koester, voor wie ik empathie voel. Het is een angst voor het verdwijnen van de mooie dingen in de wereld, van wat ik altijd mooi gevonden heb, wat mijn geheugen vastgehouden heeft maar wat desondanks teloorgaat, hele stadswijken, oude straten en pleinen waar platanen al sinds mensenheugenis voor lommer zorgden, frivole huizen aan zee in een voor de rest leeg landschap, als je de natuur, de duinen, het strand leeg zou noemen, wat eigenlijk verkeerd is, oude dorpscinema’s, zoals cinema Eden in Lanaken, of kleine en minder kleine bioscopen in de steden (alleen al een opsomming van de verdwenen Antwerpse cinema’s zou me zeer waarschijnlijk met immense droefheid vervullen), voor het verdwijnen van goed gemaakte, beklijvende films, kunstzinnige films, van boeken die er toe doen, die zelf uitroepen dat ze tot een canon behoren (niet omdat een recensent, antiquair of filoloog het beweert), van dichters die gedichten lezen en niet op de hoeken van de zo al schreeuwerige straten staan te schreeuwen, van de muziek van Bach en Brahms, van muziek zoals die gemaakt werd door Fred Neil, Tim Buckley, Billie Holiday en Howlin’ Wolf, van sneeuwmannen, van schrijfmachines zoals te zien in ‘The Trial’ van Orson Welles, van de General Marine and Shipbuilding Company, van glazen flessen, van het bruin tafelbier van Piedboeuf, van parelmoer, van de Grote Winkler Prins Encyclopedie, van postzegels, van bananenboten, van straatzangers, van bars die de hele nacht open blijven, van Barbarella, ja, kijk, van alle mooie mensen, dieren en voorwerpen die hier ooit geweest zijn en waarvan de meeste al niet meer bestaan, tenzij in musea en in (nog niet vernietigde) films en foto’s, of als woorden in verhalen, boeken, memoires, in melancholische mijmeringen zoals deze hier.

barbarella.jpg

Deze lawineachtige zinnen schreven zichzelf nadat ik – net voor het middagmaal – toevallig een fragment van een dagboeknotitie uit 5 juni 1980 had gelezen; onder meer ten gevolge van deze woorden: “Zo lees ik op mijn huid de taal van het menselijk verval – de ondergang van al het levende.”

KEITJES

Masereel_wanhoop.jpg

Hij zat opgesloten in een muffe kamer met alleen een wekker en hij was bang. Kon hij er toch uit ontsnappen! Maar hoe, daar had hij geen idee van, er waren geen ramen en de stevige deur was op slot. Geen sleutel. Hij was naakt, voelde zich als op het moment van zijn geboorte, wat vreemd was, want van die lentedag in de twintigste eeuw herinnerde hij zich hoegenaamd niets.

Hij ontwaakte in een donkere straat. Geleidelijk aan werd het zicht wat beter, maar alles bleef desondanks nevelig, in een waas gehuld. De voorbijgangers silhouetten. Waar ben ik, vroeg hij aan niemand bepaald. De mensen om hem heen leken hem niet te zien. Was hij dan niet meer dan een schaduw? Alleszins liepen ze onverstoord door, met langzame tred, tot ze niet verder konden. Ze verzamelden zich op een plein waar de straatverlichting nog brandde. Niemand zei een woord, ze waren net zo vreemd voor elkaar als voor hem. Schaduwen. Ze wierpen keitjes voor zich uit tot ze door hun voorraad heen waren, dan hielden ze op om de keitjes weer te verzamelen. Zo ging het lange tijd door. Het geluid van de witte steentjes die het plaveisel raakten leek op het getik van de wekker in de gesloten kamer.

Je bent dood, dacht hij, in de muffe kamer ben je gestorven. Voortaan zal je zoals die andere schaduwen alleen nog keitjes werpen en de seconden tellen. Er is geen noemenswaardige wereld meer. Er valt niets over te zeggen, daarom zwijgt iedereen. Als er geen wereld meer is ben je dood, zo eenvoudig is het.

In het begin was het alles of niets, dacht hij, zoals bij Ibsen. Was ik uit die kamer ontsnapt was het alles geworden, of was er toch veel mogelijk geweest, veel wegen om te begaan, in alle richtingen, gedachten om te denken, dromen om te dromen, handen, ogen, zachtaardige dieren, of gewoon maar een hoge boom om in te klimmen, maar het is niets geworden. Het was alles of niets, en ik had geen enkele keuze.

Antwerpen 1977 – Brussel 2014