VERRAAD AAN HET LEVEN

TINTORETTO, Susanna en de ouderlingen, ca. 1555

Het interludium van 14 februari heeft wel erg lang geduurd. Dagen, weken, net geen twee maanden[1] . Ik was – niet voor de eerste keer – blijven steken in poëzie. Mijn grootste liefde en mijn hellehond. De enige minnares die mij nog overblijft, al verwaarloos ik haar nu al ongeveer negen jaar. Waarom ik dat doe weet ik niet. Wat ik wel weet is dat haar afwezigheid in mijn leven mij diep ongelukkig maakt. Haar afwezigheid, ja, ook al ben ik het die haar aan haar lot overlaat. Ik schrijf geen regel, geen woord poëzie en lees niet één gedicht, van niemand. Ik durf nauwelijks naar de rekken waar de dichtbundels staan te kijken. Nochtans zwijgen ze hier heel dicht bij mijn hart, aan mijn linkerzijde. Ik moet maar even een blik in die richting werpen en ik lees de namen en de titels. Shelley Poetical Works, zie ik. Slauerhoff. Tibullus Elegieën. Georg Trakl. Een plank lager de kleinere formaten. Nic. Beets Verzamelde Dichtwerken. Heinrich Heine Buch der Lieder. Paul Celan Die Niemandsrose. De mooiste van Ungaretti. De kleine formaten staan duidelijk niet alfabetisch geklasseerd. Dat moet toch ooit nog eens een keer gebeuren.
Waarom ik geen gedichten meer schrijf denk ik – na enig moeizaam gepeins – te weten: ik ben niet meer verliefd, ik ben de gave van het verliefd worden kwijtgespeeld. Mijn discours amoureux is uitgewist. De woorden van liefde, die zon en sterren in beweging brengen, dringen al lang niet meer tot me door. Tot mijn dorre ziel, tot mijn uitgedoofde verbeelding. Ik ben een van de ouderlingen die de dochter van Chelkia begluurt maar niet daarvoor krijg ik de doodstraf maar omdat ik niets voor haar voel. My sin is my lifelessness.

Het vierde deel van mijn korte beschouwingen over boeken die een beslissende rol speelden in mijn jonge leven zou over poëzie en dichters gaan. Ik zou het onder meer over die dichters hebben die mij er op mijn vijftiende toe aangezet hebben om zelf gedichten te gaan schrijven: Guido Gezelle en wat later Hendrik Marsman. Maar ook over Lucebert en Hölderlin en T.S. Eliot (met zijn sonore stem) en Rilke en Rimbaud en William Blake (van wie ik in de jaren zeventig liedjes zong) en Shelley en Keats en Allen Ginsberg en Walt Whitman en Herman ter Balkt.
Helaas moet ik dit vierde hoofdstukje met namedroppen afsluiten. Zelfs nadenken over poëzie, over dichters maakt me onrustig en bang. Hölderlins umnachtung komt dan naderbij. Het verdriet van Marsman krijgt me in zijn greep. Verraad aan het leven, en dat wil ik niet. Laat mij liever nog wat mijmeren over de mooie dagen in Sanlucar de Barrameda, Cadiz en Conil de la Frontera. Waar van de vroege ochtend tot de late middag de zon me toesprak: ik ben het licht, ik ben het canto jondo én het canto general, ik ben de bron van je leven en lust.

[1] De voorbije weken schreef ik – in een reeks die ik ‘geestelijke genealogie’ noem – reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Dit is in die reeks het manke vierde deel. Daarna keer ik terug naar het veel veiligere proza.

Afbeelding: Tintoretto, Suzanna en de ouderlingen, ca. 1555

EDGAR ALLAN POE DOOR DE OGEN VAN J.-K. HUYSMANS

edgar allan poe

In de literatuur was hij de eerste, die onder de zinnebeeldige titel The Imp Of the Perverse grote aandacht had geschonken aan de onweerstaanbare impulsen waaraan de wil, zonder ze te kennen, is blootgesteld en die door de hersenpathologie tegenwoordig met een grote mate van zekerheid verklaard kunnen worden. Hij was ook de eerste geweest, die algemene bekendheid had gegeven aan de neerdrukkende invloed van de angst op de wilsvermogens, zoals verdovende middelen de zintuigen verlammen en pijlgif de motorische zenuwcentra vernietigt. Hij had zich op dit onderwerp, op deze versuffing van de wil geconcentreerd; hij had de werkingen van dit morele gif geanalyseerd en de symptomen van het verloop ervan beschreven: zenuwstoornissen die met angstige onrust beginnen, in beklemming overgaan en tenslotte culmineren in een ontzetting die de wilsuitingen verlamt, zonder dat het intellect, hoewel aan het wankelen gebracht, verslapt.

J.-K. Huysmans, Tegen de keer.
Vertaald door Jan Siebelink

 

VERDWIJNEN

2013_06_LONDEN 033.JPG

Ziektes, ziektegeschiedenissen, angst voor aftakeling, voor geheugenverlies (verlies van het verleden, van de herinneringen, van de doden die in mijn herinneringen voortleven): niets nieuws in mijn bestaan. Ik ben er in zekere zin mee geboren, zeker ben ik er volwassen mee geworden; die angsten, of liever, die ene grote angst, de angst voor het geleidelijk aan of plots verdwijnen in het grote niets, is altijd op de achtergrond aanwezig geweest, zoals het geruis, niet van de wind, maar van het verkeer op de ring rond Brussel (waarbij de wind wel een rol speelt). Het is geen hoofdthema in mijn leven, maar zeker wel een ‘schaduwhoofdthema’, iets wat op een dubbelganger lijkt, een William Wilson waar ik voortdurend strijd mee moet leveren. Vaak als ik in de spiegel kijk, en dat doe ik wel af en toe want narcisme is me niet geheel vreemd, zie ik hem terugkijken en dan denk ik, wat lijkt hij op me.

Lynd_Ward_William_Wilson.jpg

Het is een angst die niet alleen mijn eigen verdwijnen betreft, maar ook van degenen die ik liefheb, degenen die ik bewonder, degenen voor wie ik tedere gevoelens koester, voor wie ik empathie voel. Het is een angst voor het verdwijnen van de mooie dingen in de wereld, van wat ik altijd mooi gevonden heb, wat mijn geheugen vastgehouden heeft maar wat desondanks teloorgaat, hele stadswijken, oude straten en pleinen waar platanen al sinds mensenheugenis voor lommer zorgden, frivole huizen aan zee in een voor de rest leeg landschap, als je de natuur, de duinen, het strand leeg zou noemen, wat eigenlijk verkeerd is, oude dorpscinema’s, zoals cinema Eden in Lanaken, of kleine en minder kleine bioscopen in de steden (alleen al een opsomming van de verdwenen Antwerpse cinema’s zou me zeer waarschijnlijk met immense droefheid vervullen), voor het verdwijnen van goed gemaakte, beklijvende films, kunstzinnige films, van boeken die er toe doen, die zelf uitroepen dat ze tot een canon behoren (niet omdat een recensent, antiquair of filoloog het beweert), van dichters die gedichten lezen en niet op de hoeken van de zo al schreeuwerige straten staan te schreeuwen, van de muziek van Bach en Brahms, van muziek zoals die gemaakt werd door Fred Neil, Tim Buckley, Billie Holiday en Howlin’ Wolf, van sneeuwmannen, van schrijfmachines zoals te zien in ‘The Trial’ van Orson Welles, van de General Marine and Shipbuilding Company, van glazen flessen, van het bruin tafelbier van Piedboeuf, van parelmoer, van de Grote Winkler Prins Encyclopedie, van postzegels, van bananenboten, van straatzangers, van bars die de hele nacht open blijven, van Barbarella, ja, kijk, van alle mooie mensen, dieren en voorwerpen die hier ooit geweest zijn en waarvan de meeste al niet meer bestaan, tenzij in musea en in (nog niet vernietigde) films en foto’s, of als woorden in verhalen, boeken, memoires, in melancholische mijmeringen zoals deze hier.

barbarella.jpg

Deze lawineachtige zinnen schreven zichzelf nadat ik – net voor het middagmaal – toevallig een fragment van een dagboeknotitie uit 5 juni 1980 had gelezen; onder meer ten gevolge van deze woorden: “Zo lees ik op mijn huid de taal van het menselijk verval – de ondergang van al het levende.”

KEITJES

Masereel_wanhoop.jpg

Hij zat opgesloten in een muffe kamer met alleen een wekker en hij was bang. Kon hij er toch uit ontsnappen! Maar hoe, daar had hij geen idee van, er waren geen ramen en de stevige deur was op slot. Geen sleutel. Hij was naakt, voelde zich als op het moment van zijn geboorte, wat vreemd was, want van die lentedag in de twintigste eeuw herinnerde hij zich hoegenaamd niets.

Hij ontwaakte in een donkere straat. Geleidelijk aan werd het zicht wat beter, maar alles bleef desondanks nevelig, in een waas gehuld. De voorbijgangers silhouetten. Waar ben ik, vroeg hij aan niemand bepaald. De mensen om hem heen leken hem niet te zien. Was hij dan niet meer dan een schaduw? Alleszins liepen ze onverstoord door, met langzame tred, tot ze niet verder konden. Ze verzamelden zich op een plein waar de straatverlichting nog brandde. Niemand zei een woord, ze waren net zo vreemd voor elkaar als voor hem. Schaduwen. Ze wierpen keitjes voor zich uit tot ze door hun voorraad heen waren, dan hielden ze op om de keitjes weer te verzamelen. Zo ging het lange tijd door. Het geluid van de witte steentjes die het plaveisel raakten leek op het getik van de wekker in de gesloten kamer.

Je bent dood, dacht hij, in de muffe kamer ben je gestorven. Voortaan zal je zoals die andere schaduwen alleen nog keitjes werpen en de seconden tellen. Er is geen noemenswaardige wereld meer. Er valt niets over te zeggen, daarom zwijgt iedereen. Als er geen wereld meer is ben je dood, zo eenvoudig is het.

In het begin was het alles of niets, dacht hij, zoals bij Ibsen. Was ik uit die kamer ontsnapt was het alles geworden, of was er toch veel mogelijk geweest, veel wegen om te begaan, in alle richtingen, gedachten om te denken, dromen om te dromen, handen, ogen, zachtaardige dieren, of gewoon maar een hoge boom om in te klimmen, maar het is niets geworden. Het was alles of niets, en ik had geen enkele keuze.

Antwerpen 1977 – Brussel 2014

DE TWINTIGSTE EEUW: NOOIT MEER SLAPEN

“Lucide geeft Alvaro De Campos [heteroniem van Fernando Pessoa, MP] voor [het] collectieve nomadisme aan: het zich losrukken van het vertrouwde, van het gevestigd zijn. Dat is een diepzinnige en naar mijn mening juiste opmerking: wil het individu subject worden, dan moet het de vrees, de aangeboren afkeer van gevangenissen overwinnen, zeker, maar meer nog de angst elke identiteit kwijt te raken, beroofd te worden van de aan plaats en tijd gebonden sleur, van het ‘geregelde en overziene leven’.

Dat motief obsedeert de eeuw, die heel vaak wat zijn handelen en werken betreft een oproep tot moed is. Wat het individu verstart, wat zijn machteloosheid bepaald is de angst. Niet zozeer angst voor onderdrukking en smart als wel de angst niet langer het weinige te zijn dat men is, niet langer het weinige te hebben dat men heeft. De eerste daad die tot inlijving bij het collectivum en tot de creatieve transcendentie leidt, is niet langer bang te zijn.”

Toen ik deze zinnen van Alain Badiou, uit zijn ‘De twintigste eeuw’, vanavond in de metro op weg van mijn werk naar huis las, dacht ik, heb ik dat niet zelf geschreven, eens? Het lijken mijn woorden, mijn gedachten wel – en, vooral, het gaat over mijn angst, verstarring, machteloosheid. Badiou schrijft dit als lectuur van een lang gedicht van Alvaro De Campos, Ode Maritima, een gedicht dat ik zelf ook heb verslonden, wat de herkenning misschien verklaart. Maar er is meer. Zelf zou ik deze ideeën nooit hebben ontdekt bij de Portugese dichter, verblind en verlamd als ik ben door mijn angst en mijn manier van interpreteren die door die angst is bepaald.

Wat wil ik nu eigenlijk zeggen? Voornamelijk wat er staat, het citaat van Badiou, gebaseerd op Pessoa’s heteroniem (Alvaro De Campos), en de gedachte dat als ik nog ergens bij wil horen, als ik uit mijn ‘ik’ wil stappen en een ‘jij’ en een ‘wij’ worden – dat ik dan niet meer bang hoor te zijn. Waarom zou ik nog langer bang zijn? Waarom zou ik mijn angst niet schrappen?

Alain Badiou gaat daarna in op berusting, lafheid en moed. Hij noemt de Amerikaanse kunstvorm bij uitstek, de western, een gedegen, modern genre, dat in die zin “een groot aantal meesterwerken heeft opgeleverd”. Het mooiste voorbeeld in dit opzicht (dat hij niet noemt) is natuurlijk ‘High Noon’ van Fred Zinneman.

Wat Alain Badiou niet vertelt, wellicht omdat hij het niet zo goed kent, is de Amerikaanse folk, die heel vaak tegen de bij uitstek Amerikaanse liberale, kapitalistische principes indruist. Ik denk aan Pete Seeger, Bob Dylan, Joan Baez, Phil Ochs, Green On Red, Nanci Griffith, Steve Earle, Townes Van Zandt en Hope Sandoval. En honderden anderen.  (De literatuur laat ik even buiten beschouwing. Een opsomming is ook maar een opsomming. In deze laatste paragraaf wilde ik eigenlijk alleen maar de naam Hope Sandoval laten vallen, of weer oprapen.)

HOPE

Voor de rest is het dansen in het maanlicht. Of wat dacht je? Ver weg van de gevaarlijke zon. Ver weg van zonnige insecten. Van lafaards, leugenaars, van hun stoffelijke resten. Als we vergingen van de honger zouden we hun vlees niet eens willen eten, hun bloed niet drinken. Maar op straat loop ik een onbekende gitarist tegen het lijf. Hier, zegt hij, en geeft me zijn gitaar door. Ik speel tot de snaren bloeden. Ik zing met een stem die de mijne niet is. Het is de zijne, het is de jouwe.

 

 

ANGST EN AFGROND

odlilon redon chimère

Op een dag nu lang geleden werd me duidelijk wat angst is. Je bent alleen en je voelt hem en hij kwelt je maar je weet niet waar hij zit. In je hoofd? In je hart? In je ingewanden? En je kunt het tegen niemand zeggen. Het is een geheim dat je liever niet zou bewaren, maar je moet wel, je bent tot geheimhouding gedwongen. Je hebt geen woorden ter beschikking en had je die wel dan waren er toch geen toehoorders. Het is alsof iemand zijn tanden in je hersens zet. Iemand? Ratten! Nee, zelfs dat niet. De angst is een schreeuw van afwezigheid. De angst is de afwezigheid van om het even wat. Een gesloten cirkel, een beest dat zijn eigen staart opvreet. Daar hebben we de Oeroboros weer, hij is hier geregeld te gast. Analogieën in overvloed. Je spreekt, zonder dat er ooit van die bepaalde banale afwezigheid sprake kan zijn. ‘God is dood’ – dat klinkt als een reclameslogan.

Wellicht kennen wij allen dit grote geheim, dit omineuze ding. Misschien maken we onszelf wijs dat het onuitsprekelijk is, misschien doen we alleen maar alsof. Alsof het ontzettende ding er niet is. Toen we nog in de wieg lagen werden we al bedrogen. Dat was het begin. Al meteen werd ons gezegd dat het leven niet veel te betekenen heeft. Het spelletje zou hier niet lang duren. Het was echt niet nodig onszelf zoveel vragen te stellen. Het volstond dat je gewoon braaf was: ouders, familie, kerk, de school, later het werk. De politie, het leger. Zo was het altijd geweest en zo zou het altijd doorgaan. Zelfs geen nucleaire oorlog zou daaraan iets veranderen. Maar de angst was reeds gezaaid. En wat nu, wat nu, zonen en dochters? Gaan wij door met bedriegen? Houden wij niet op? (Opeens denk ik aan de film Magnolia.)

Ik las dat cultuur niet langer betekent ‘ik wil je grijpen’ maar wel ‘ben je bang voor dezelfde dingen als ik?’. De omineuze dreiging van het alleen-zijn. De angst van het kind om alleen te blijven in een donkere kamer. Ik herinner me een song van the Outsiders, Afraid Of the Dark, met een quasi-onverstaanbare tekst. Ik herinner me Little Hands Clapping van Alexander Spence. Met herinneringen probeer ik mijn angst te bezweren.
‘Wie met monsters vecht’, schreef Nietzsche, ‘moet oppassen zelf geen monster te worden. En als je lang in een afgrond kijkt, kijkt de afgrond ook bij jou naar binnen.’

Afbeelding: Odilon Redon, Chimère