NOSTALGIE EN ANDERE KAMERTJESZONDEN

brooklyn bridge.jpg
Inge, Matti, Sonja – Brooklyn Bridge, New York, 1995.

“Tout le malheur des hommes vient d’une seule chose, qui est de ne pouvoir demeurer en repos dans une chambre”, schreef Blaise Pascal ergens in de zeventiende eeuw. Velen hebben deze uitspraak herhaald, met name nachtwachters (ken je het boek Die Nachtwachen des Bonaventura, een romantisch meetsterwerk?), zatlappen en niet bepaald nuchter en democratisch verkozen donkere burgemeesters. Meestal in periodes van bezinning, als ze aanvoelden dat het zo niet verder kon, dat ze zichzelf vernietigden en de donkere, eenzame weg naar de dood hadden ingeslagen.

 Als je de uitspraak van Pascal in verband brengt met oorlog en mindere brutaliteiten is ze volstrekt juist. Maar hoe zit het met vriendschap, liefde, kennismaking, gesprekken, flaneren, music to watch girls go by (ik denk aan de versie van the Bob Crewe Organisation) en honderden andere fenomenen?

Ik zit nu al een hele tijd meestal alleen in mijn kamer mijn kamer te vervloeken. Niet zozeer omdat ik verlang naar wilde nachten of uitzicht op de Grand Canyon of een rit op de rug van een dromedaris, ergens in een of andere woestijn. Niet dat ik over San Marco wil lopen of mij naar het Koning Boudewijnstadion wil begeven. Niet dat ik me voortdurend eenzaam of ongelukkig voel in mijn mooie, rustige kamer. Niet dat ik nergens zin in heb in mijn kamer.  Zo heb ik vorige zondag opnieuw Bob Dylans ‘The Lonesome Death Of Hattie Carroll’ ontdekt, en opnieuw ontdekt… om maar iets te noemen. Of ik stop een excentrieke western van Monte Hellman in de dvd-speler.

Maar sinds ik niet meer ga werken mis ik de ontmoetingen. Mijn werk mis ik niet, niet omdat het zo’n ellende was, maar het was tenslotte werk. Als je werkt heb je er niets aan dat je leeft, schreef André Breton, terwijl hij voortdurend werkte. Maar je weet het: je hebt werken en werken. Mijn honderden collega’s mis ik evenmin. Degenen die nog leven en met wie ik goed kon opschieten kan ik ontmoeten waar en wanneer zij maar willen (en wanneer ik kan en wil).  Tot 2003 ongeveer was een voor wat mij betreft belangrijk onderdeel van mijn job delegaties van jongeren voor studiebezoeken aan het buitenland begeleiden. In de periode van 1993 – het jaar waarop mijn vader overleed-  tot 2003 heb ik op die manier tientallen jonge en minder jonge maar meestal boeiende mensen leren kennen, uit België in de eerste plaats (want we waren als ‘Vlaamse’ delegatie altijd ongeveer een week samen) en uit andere Europese landen in de tweede plaats, met name Spanje, Duitsland, Finland, Luxemburg en Italië. Die periode in mijn leven is nu helemaal voorbij.

 geert en ilse.jpg
Geert, Ilse, Cadiz.

Over veel ontmoetingen kan ik verhalen schrijven, geen fictie, maar autobiografie (en in sommige gevallen biografie). Wat mis ik sommige van die mensen! Zal ik ze noemen en iets over hen vertellen? De twee Elvissen, Marlene Dietrich, Monica Vitti, Monica Bellucci, Del Shannon, Boy George, Karen Dalton, Chiara Mastroianni, Renée Zellweger, Sweet Marie en Sad Eyed Lady Of The Lowlands?

Nee, natuurlijk niet. Morgen verzin ik een verhaal of rakel ik herinneringen op. Of overmorgen – alleszins als de rook om mijn hoofd is verdwenen. Ik herinner me zoveel mooie mensen, Belgen en buitenlanders, allemaal hetzelfde, allemaal anders, zoals de slogan luidde die op onze pins stond vermeld. In het Fins, Spaans, Italiaans, maar nooit in het Belgisch. Sommigen van hen zijn vrienden gebleven, of kennissen. Vreemd genoeg zijn degenen die vrienden bleven overwegend vrouwen, en degenen die naar achtergrond werden verbannen mannen. Verbannen? Ik weet niet hoe het mannelijk brein werkt, en bijgevolg ook niet het vrouwelijk equivalent. Ik heb in een boekwinkel al eens een keer een boek zien liggen met de titel ‘Mannen komen van Venus, vrouwen uit de winkel’ of iets dergelijks. Onzin natuurlijk. Je moet al een behoorlijke portie jenever naar binnen hebben om zoiets te kunnen verzinnen. Ik geloof nu, als mijn geheugen mij niet te zeer in de steek laat, dat onze delegaties meestal grotendeels uit meisjes / vrouwen bestonden. Vlaamse jongens waren niet zo geïnteresseerd in buitenlanden en andere culturen, denk ik. Is het niet nog altijd zo? Maar je mag nooit veralgemenen, of veralgemeniseren zoals ze in Holland zo vreemd zeggen, en je moet altijd nuanceren. Jongens zijn heel vaak meisjes en vice versa. Dat wist Ray Davies al toen hij ‘Lola’ componeerde, en voor hem talloze Griekse en Romeinse dichters.

Morgen dus. Verwacht je niet aan verrassingen. De doorsnee lezer van deze teksten bestaat niet en voor degenen die mij oppervlakkig kennen verander ik alle namen, zoals schrijvers dat moeten doen, willen ze geen problemen krijgen. Ik las vandaag nog een artikel over een jongen die omdat hij zo in de put zat over het feit dat zijn liefje hem had gedumpt naaktfoto’s van haar had gepubliceerd op facebook. Nu zit hij voor zes maanden in de gevangenis, geloof ik. Niet doen jongens, meisjes. Laten we lief blijven voor elkaar. En liefde, vriendschap, kennismaking is nog iets heel anders dan zeggen, nice to meet you, facebook. Maar daar zal ik het morgen over hebben. Als ik vanavond niet te zat word. Het is tenslotte bijna Sinterklaas. 

 vitti_red_desert.jpg
Monica Vitti, Deserto Rosso, Michelangelo Antonioni

ingrid in finland 2.jpg
Ingrid, ergens in Finland, s.d.

Op de achtergrond: Blonde On Blonde van Bob Dylan, een absoluut meesterwerk uit de 20ste eeuw, nergens mee vergelijkbaar. Als je de LP niet kent, begin dan met ‘Sad Eyed Lady Of The Lowlands’.

 

HOE WORD IK WEER ZICHTBAAR?

 

muziek,werken,lichaam,feest,pop,vriendschap,stront,geheim,vergeten,droom,verbergen,wereld,geluk,zwijgen,identiteit,seks,woorden,onzichtbaar,bob dylan,spreken,blik,absurd,huid,behoefte,oppervlakte,zelf,ejaculatie,ondoorgrondelijk,grond,geheimen,zichtbaarheid,plooi,the who,bestaan,heidegger,like a rolling stone,iris dement,caspar david friedrich,ambiguiteit,doorgrondelijk,ondergrond,gestel,gesteldheid,faeces
The invisible man, 1933.

Bob Dylan zong meer van veertig jaar geleden, bijna triomfantelijk, ook al was het ambigu, “you’re invisible now, You’ve  got no secrets to conceaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaal’.
Iedereen maar dan ook iedereen kent het lied. Alleen dat al kan een moment van geluk veroorzaken. Grote tevredenheid, verzoening met de wereld en de vele domme streken van de mensen. Maar ik twijfel eraan of onzichtbaarheid een goede zaak is. In feite ben ik er zeker van dat het geen goede zaak is. Evenmin is het aangenaam als je je geheimen niet kunt verbergen. Het is ook mogelijk dat het personage waarover Dylan zingt helemaal geen geheimen heeft, en dat is nog erger. Als je geen geheim hebt, heb je geen ‘ziel’, geen ‘zelf’, geen ‘identiteit’. Zonder geheimen word je oppervlakte, volkomen doorgrondelijk – hoewel er eigenlijk geen grond is. En nog veel minder is er zonder geheimen een ondergrond. Want zijn je geheimen niet de kern van je ondergronds bestaan? Zijn het niet je geheimen die je in leven houden, als je ademhaling het begeeft, of een of ander orgaan uitvalt? Die je helpen weerstand te bieden tegen de orkanen van de tijd en de beschaving. Je ondergronds bestaan, waarvan je je niet altijd bewust bent, of zelfs helemaal niet, nooit.

Je geheimen zijn aan elke blik onttrokken. Ze zitten in de plooien en de vouwen van je huid, van je tweede huid, in je irissen, in je hele gestel, in je gesteldheid. Je bent een individu met geheimen. ’s Nachts droom je vaak van mensen die sommige van hun geheimen prijsgeven. Ze doen hun donkere behoeften op een met zweet, bloed en tranen geweven Perzisch tapijt en ejaculeren waar je bij staat, alsof het niets is. Ze strooien hun zaad in het rond alsof het druppels afwasproduct zijn. Ze tonen hun meest intieme plooien. Terwijl ze zich ontplooien lijk jij te ontdooien, maar dat is niet zo. Je hoort de zanger zingen: ‘You’re pushing too hard on me”. Je wordt hard, en die hardheid maakt dat je ontwaakt. Eenmaal wakker ben je in je lichaam terug. Niemand weet iets van de ejaculaties en ontplooiingen die je bijwoonde. Alsof het gewoon een pornofilm was geweest en verder niets.

Spoedig ben je zelf die wereld vergeten. Je staat er weer alleen voor. Je vraagt je af: hoe word ik zichtbaar? Want alleen kun je niet leven. Je wilt je geheimen delen, niet alle geheimen, sommige. Je gaat de deur uit: eenzame mensen in auto’s op weg naar je weet niet waar. In het metrostation zwijgende mensen die het blaadje ‘Metro’ doorbladeren. Niemand zegt een woord. Er schijnt niemand geneigd te zijn om je te bekijken. Maar wat achter je rug gebeurt, weet je natuurlijk niet. Op het werk wordt er gewerkt, af en toe gepraat. Wat heb je aan gepraat? Wat je zoekt is een gesprek. Wat je zoekt is iemand die een geheim me je wil delen. Zoek je echter wel? Wordt niet alles wazig om je heen, de anderen onzichtbaar. Ja, ze onttrekken zich aan je blik, ze hebben geen geheimen meer over, geen geheimen om te onthullen.

Wat je zoekt is een vriend, een vriendin, een mensch – van hen hangt je leven af. Zij maken je zichtbaar, omdat ze je herkennen en erkennen. Voor hen ben je er gewoon. Geen zonderling, geen ongenaakbare, geen vreemde, geen boomstronk. Zij weten je altijd te vinden voor het weer te laat is. En dan komen ze bij je binnen en leggen een plaatje op van the Rolling Stones, van Bob Dylan. Kom, zeggen ze, monkey man, the kids are alright. Lay down your weary tune, zeggen ze. Een van de vrienden, een aantrekkelijke vrouw, probeert boven het rumoer uit te stijgen en fluistert, hotter than Mojave in my heart. En je schenkt ze nog eens vol, sharp as a formula.

Caspar_David_Friedrich
Caspar David Friedrich, Der Wanderer über dem Nebelmeer.

IN MY SOLITUDE: CESARE PAVESE EN IK

cesare pavese illustratie

In 1950, toen ik geboren werd, zette Cesare Pavese een dramatisch punt achter zijn leven. Tussen beide gebeurtenissen is er geen logisch verband. Maar niemand verplicht je ertoe logische beweringen te formuleren. Je kunt zoveel verbanden leggen als je zelf wilt. Een verband dat ik leg tussen mezelf en Pavese is de eenzaamheid, het alleen-zijn.  De eenzaamheid hoort voor Pavese bij de stad. ‘Een dorp wil zeggen dat je niet alleen bent, dat je weet dat er iets van jou is in de mensen, in de planten, in de aarde, dat er op je wordt gewacht ook als je er niet bent’.

Ik maakte eerder al het onderscheid tussen een positieve eenzaamheid en een negatief alleen-zijn. Maar dat was een theoretisch onderscheid. Je kunt net zo goed het omgekeerde beweren. De eenzaamheid als het pijnlijke isolement, zoals Billie Holiday er zo hartverscheurend over zingt in ‘In My Solitude’, en het alleen-zijn als de zelfgekozen, trotse afzondering van de anderen, die je hinderen in je gedachten, in je werk, in je bestaan. Laat me maar een tijdje alleen, zodat ik eindelijk eens mijn zaken op orde kan brengen. Eenzaamheid is in deze benadering een vorm van de blues, het is afzien. Je mist de aanwezigheid van de andere, de geliefde, de vriend. ‘The blues ain’t nothing but a woman on your mind’, wordt er gezongen. En daar bestaan natuurlijk variaties op. Ben je alleen, dan kun je je overgeven aan dagdromen, aan plannen smeden, aan euforie. Er zijn talloos veel mogelijkheden, je denkt niet aan de zwaarte van onmogelijk uit te spreken woorden. In de romans en gedichten van Cesare Pavese lees ik de verstrengeling van deze twee tegengestelde en toch zeer verwante begrippen. In mijn eigen leven is het niet anders. Bij de anderen kan ik me goed voelen, gelukkig zelfs, maar ik heb me zelden zo eenzaam gevoeld als in een groep of in een menigte. Voor mij is het onmogelijk om op mijn eentje naar de bioscoop of naar een concert te gaan. Dan word ik gek van eenzaamheid.

Een ander verband tussen Pavese en mezelf is het treuren om de verloren adolescentie. Zodra de adolescentie ophoudt begint de aftakeling. Maar je weet tegelijk heel goed dat je niet meer terug kan. Het heeft geen zin nostalgisch te doen. Het gaat er niet om dat het vroeger beter was. De adolescentie was het diepe leven, toen je nog niet nadacht over aftakeling en mislukking. De adolescentie is het beste, maar dat weet je pas als je volwassen bent en je leven mislukt is. Als je weet dat je niet meer naar huis kunt en dat zelfs niet wilt. Eigenlijk is het dan ook geen treuren om de adolescentie, maar om de onvermijdelijke mislukking van het leven. Je zou kunnen zeggen dat de adolescentie de mogelijkheid is, en de volwassenheid de onmogelijkheid. Je verwijdert je steeds verder weg van je ‘thuis’. Elvis Presley verwoordt dit gevoel in een prachtige song, Long Black Limousine, terug te vinden op From Elvis in Memphis, zijn meesterwerk. Met deze verwijzing naar toch weer rock & roll wil ik deze korte beschouwing over eenzaamheid, adolescentie en mislukking beëindigen en iedereen nog een mooie lentedag wensen.
Of nee, ik wil eindigen met dit fragment uit het dagboek van Cesare Pavese: ‘Laten we eerlijk zijn. Als Cesare Pavese voor je zou verschijnen, je zou aanspreken, proberen vriendschap met je te sluiten, ben je zeker dat je hem niet verwerpelijk zou vinden? Zou je vertrouwen in hem hebben, zou je bereid zijn met hem mee te gaan voor een plezierige avond in zijn gezelschap?’ (uit ‘Leven als ambacht’)

OM 4 UUR ‘S MORGENS

biljarten

Opgedragen aan Cesare Pavese

Miezerige regen van vier uur ’s morgens dringt door je demi-saison. Er ontsnapt damp aan je mond, een teken van je eenzaamheid, dat als een vreemd verschijnsel, het spoor van een vergeten offer, ten hemel stijgt. Het zou iets moois kunnen zijn, maar je hebt er geen aandacht voor, je voelt alleen maar de pijn van onuitgesproken woorden, ergens achter in je keel.

Je hebt uren over de kermis gelopen tussen luidruchtige mannen en vrouwen, die dikke beren en roze olifanten torsten. Je voelde je niet misplaatst in het gedreun van rock ‘n’ rol en de melancholie van de neonverlichting. Niets is wat het lijkt op de kermis en niets lijkt er op jou. Je voelt je door niemand aangesproken en je bent tot niets verplicht. Je loopt gewoon door, je laat je meedrijven door de stroom, je netvlies ontvankelijk voor purperen spreuken, voor gifgroen opflitsende mascarons. Veelkleurig grijnzen, denk je, dat zou je moeten kunnen. Niet alleen frieten met mayonaise eten, maar ook veelkleurig grijnzen.

Later, in de miezerige regen van vier uur ’s morgens, zou je moeten kunnen zeggen: “Het is allemaal goed”. Terwijl de regen uit de hemel je dorre lippen vruchtbaar maakt. Terwijl de woorden zich al beginnen los te maken, duiven, nog in de omgeving van Barcelona, maar al op weg naar huis.
Foto: Martin Pulaski

OMDAT DE CONTEXT ONTBREEKT

hopper 2

Het is geen eenvoudige opdracht om in een korte tekst, bijvoorbeeld over het Es (Freud, Groddeck, Lacan), duidelijk te maken waar je het over hebt, waar je naartoe wilt. Ook al het feit dat je de ene keer nadenkend schrijft en de andere keer associatief bemoeilijkt het lezen. Je wilt iets kwijt over de rol van narcisme en melancholie in je leven, maar je weet niet of iemand daar iets aan heeft, omdat de context ontbreekt: de context is mijn hele bestaan, alles wat ik voel en droom en denk en ben geweest en ben en zou willen zijn.

Sommige dingen zou ik graag alleen kunnen doen, bijvoorbeeld naar de bioscoop gaan. Nu zou ik bijvoorbeeld graag de film over Truman Capote zien. Maar ik kan het niet. Ik moet iemand aan mijn zijde hebben. Door die zwakheid in mijn ‘karakter’ – ik houd niet van dat woord – zit ik veel thuis, terwijl dat niet altijd goed voor me is. Vaak voel ik een leegte, die ik met allerlei dingen wil vullen. Misschien is dat ook wel nodig. Ik moet geregeld opgeladen worden. Als ik geen energie heb wil dat niet zeggen dat ik niets meer tot mij kan nemen. Integendeel: ik moet de leegte vullen met beelden, muziek, woorden, geuren van mensen die lekker ruiken… Alleen naar een concert gaan, op reis zelfs. Maar ik kan niets alleen, ik kan niet alleen zijn. Wellicht is dat niet ongewoon. Maar ja, dan ben ik misschien graag ongewoon.

Ik word heel graag verliefd, want verliefdheid zet mij aan tot schrijven, vooral van gedichten, een moeizame, plezierige bezigheid. Maar liefde is zo giftig, ook. Liefde kan je wereld dooreenschudden, zo hard dat je hem niet meer herkent, dat je jezelf niet meer herkent. Ik word nogal vaak verliefd, maar dan als een schildpad, die vlug zijn kop weer in zijn schild terugtrekt. Het is alsof liefde mijn bestaan zou kunnen bedreigen.
En dan vraag ik me af: wat moet ik nu eigenlijk doen?

Afbeelding: Edward Hopper

BALLINGSCHAP IN DE SCHADUW

morel_74

Het is zo’n heerlijke zomerdag. En toch kom je je kamer niet uit… Waarom ga je geen ommetje maken? Op wat zit je te wachten? Het is nog lang eer Laura thuiskomt van kantoor. Hier valt niets te verrichten.
Jazeker, je kan voor het open venster gaan staan, zoals die man van De Braekeleer, dan zie je wat er op straat gebeurt en wie weet vang je wel een glimp op van iemand aan de overkant… Een jonge vrouw, wie weet, met weinig kleren aan, warm als het is. Maar ik heb in dat gebouw nog nooit iemand gezien. Misschien staat het wel leeg. In onze straat gebeurt overigens nooit iets. Heel uitzonderlijk eens wat blikschade. Meer niet.

Hoewel dat allemaal niet zo zeker is. Hoe vaak dwaalt je aandacht niet af van de straat. Van de hele wereld en haar stand van zaken. Een niet te stuiten stroom van herinneringen dringt zich aan je op. Voor je het weet zit je op de rand van je tafel, roerloos als een hagedis op een of ander zonnig muurtje in Arles. Je treedt uit je observerende zelf om als een zielig persoontje rond te dolen in een schimmig labyrint, bevolkt door groteske figuren die je nauwelijks herkent. De kracht die hen in beeld brengt kan zeker niet van realisme worden beschuldigd. Soms gebeurt het dat je jezelf tussen de schimmen uit je verleden ziet lopen. Of je maakt een fietstocht met je vrienden, naar Geleen in Nederland. Het is zo’n heerlijke zomerdag. Er is nog geen gewicht in je leven. …Dan voel je ineens weer dat gewicht van vandaag. Misschien omdat je de zon in je ogen voelt schijnen. Het leven is geen pretje. Je bent terug en je vraagt je af hoe het komt dat onze zintuigen zich als wij in onze gedachten of denkbeelden verzinken aan het reële onttrekken. Kunnen wij dan nooit waarnemen, voelen en denken tegelijk?

Ik neem maar plaats aan mijn tafel. Waar zouden mijn vrienden nu zijn?
Ze laten niets meer van zich horen. Vroeger was dat wel anders. Ze lieten mij nooit met rust. En als ze niet aan mijn deur hingen zat er altijd wel een brief van ze in de bus. Zelf schreef ik ook onafgebroken brieven aan mijn vrienden. Duizenden brieven hebben ze van mij ontvangen. In elke omslag, dacht ik, stop ik een stukje van mijn schaduw. Maar bij nader inzien was het niet mijn schaduw die ik onder hen heb verdeeld. In elke brief zat een stukje van mijn ego. Zodat er nu alleen nog schaduw overblijft. Maar schaduw of zelf, wat maakt het uit in een wereld bevolkt door schaduwen. Plato had gelijk. Het ware leven speelt zich elders af. Nooit daar waar je je bevindt. Zelf, schaduw : het zijn twee verschillende woorden, meer niet. Woorden die me vaak beletten te denken, die me al even vaak beletten te leven omdat ze mij in hun ban houden met hun luister, hun abracadabra. Stukjes zelf waren die brieven. Stukjes licht taalspel, overstromend van verbeelding en verwachting. Stukjes schuimend utopia. Geen wonder dat ik veel vrienden had. Ik schonk hen stukjes van dat andere leven dat in die tijd in mij ontwaakte. Uit de wereld waar dat andere leven zich afspeelt ben ik al lang verbannen. Soms als ik droom ben ik er weer even. Het lijkt enigszins op wat er gebeurt op het eiland van Adolfo Bioy Casares. Bij het ontwaken blijft er nauwelijks een spoor van over. Alleen een onverklaarbaar verdriet wijst er op dat ik er weer geweest ben.

Een balling heeft niet veel te vertellen. Zijn bron is opgedroogd, denkt hij. Hij kan zich tot zijn eigen oren beperken, natuurlijk, een zichzelf met verhaaltjes uit de kindertijd in slaap wiegen. Zichzelf wijs maken hoe mooi het leven als kind was. Dat is het enige wat de balling nog rest : dat zoete paradijs der kinderjaren.Het is toch wel een mooie tafel. Volstaat dat dan niet, aan zo’n mooie tafel zitten? Met een dak boven je hoofd. De halve wereld moet het met veel minder doen. Neen. Je hebt geen spijt. Alles wat voorbij is zit veilig opgeborgen in je geheugen. Het is dood en het leeft tegelijkertijd. Spijt is trouwens een lachwekkende emotie. Maar dat geeft niet. Ik heb niets tegen mensen die spijt hebben. En een lachwekkende mens kan een andere lachwekkende mens het leven redden. Dat is al gebeurd. Je moet doen wat je moet doen. Als je graag pralines eet, moet je pralines eten. Zo simpel is het. En als je ze niet kunt betalen? Dan moet iemand anders dat maar doen.

Foto: Morel’s Invention (1974) by Emidio Greco

ELEMENTAIRE DEELTJES


plechtige communie 2

Wij zaten beiden op de ronde tafel. Jij luisterde naar m’n verhaal en vertelde me over weinig fraaie dingen die sommige mensen – die ik zelf ook bleek te kennen – je hadden aangedaan. Dat je zo openhartig met me was ontroerde me en gaf me nog meer moed om mezelf bloot te geven. Maar dan kwamen mijn ouders de kamer binnen. Ze gingen aan een kleine tafel naast de onze tegenover elkaar zitten en begonnen een gesprek. Het leek alsof ze deden alsof wij er niet waren maar ik kon me niet van de indruk ontdoen dat ze wilden horen wat ik je allemaal toevertrouwde. Jij besefte wat er in me omging: ik zag de woede zich van je meester maken. Ook voor jou waren mijn ouders indringers, ja, misschien nog wel meer voor jou dan voor mij. Je stond op – pas nu viel het me op dat je niet langer samen met mij op de tafel zat, maar heel gewoon op een stoel – stapte op m’n ouders toe en riep zonder enige twijfel in je stem: “buiten!” Daarbij maakte je een volstrekt duidelijk gebaar in de richting van de deur. Op dat moment bewonderde ik je, neen, bewondering is een te zwak woord, ik had het gevoel dat je deel van me werd, dat we ons verenigden in een gezamenlijke strijd tegen de vijand.

Ik voelde me ellendig en alleen op de wereld. De enige die me kon helpen, dacht ik, was G. Maar G. weigerde. Hij wilde niet inzien wat er in me omging, hoe wanhopig ik wel was. Ik smeekte, ik huilde, ik greep hem bij z’n hals. “Help me, G., zo kan ik niet meer verder leven…” Hij bleef me afwijzen, hoewel ik op het laatste moment toch heel even het gevoel had dat hij enig begrip begon te krijgen. Dat er ergens een opening in hem ontstond waardoor mijn ontreddering, mijn wanhoop druppelsgewijs bij hem naar binnen kon sijpelen. Nee, niet de wanhoop zelf maar sporen daarvan, heel kleine deeltjes, elektronen, of nog kleiner.

Foto: Martin Pulaski