GEDENKWAARDIGE LANGSPEELPLATEN: UITSTELGEDRAG

KINKS PATTI SMITH

Op 14 juni had ik al het voornemen om met mijn reeks teksten over langspeelplaten die een belangrijke rol hebben gespeeld in mijn leven nog wat door te gaan. Ik was de maanden ervoor bezig geweest aan zo’n reeks van tien. Toen ik begin mei op reis naar Frankrijk vertrok had ik er zes uitgebreid de revue laten passeren. De overige vier zouden in de vroege zomer aan bod komen. Waarom dit niet is gebeurd  weet ik niet. Was ik het vergeten? Of had ik er geen zin meer in? Ik denk dat ik het maar eens op de lange hete zomer zal steken. Op mijn werkkamer hier onder het dak zal het misschien wel vijftig graden geweest zijn.
De voorbije nacht dacht ik terug aan mijn missie. Als je aan iets begonnen bent moet je het ook afmaken, hoorde ik mijn Über-ich me toefluisteren. Je mag het ook mijn geweten noemen.
De langspeelplaten die zich aandienden waren niet de allerbeste of allermooiste die ik ken – een keuze die trouwens niet mogelijk is want die verandert met de dag en hangt af van je humeur en andere pietluttigheden. Mijn aandacht ging naar elpees die heel specifieke herinneringen bij me oproepen, die vooral in mijn jeugd indruk op me hebben gemaakt. Gelukkig heb ik meer dan één jeugd gekend.

Dit zijn de zes albums die al uitvoerige werden ‘besproken’:
The Rolling Stones – Beggars Banquet
Neil Young & Crazy Horse – Everybody Knows This Is Nowhere
The Slits – Cut
Joy Divsion – Closer
Sir Douglas Quintet – Mendocino
Mazzy Star – She Hangs Brightly

Zal ik mijn werk dit jaar nog af kunnen maken? Veel tijd heb ik niet meer; de dagen zijn donker, chaotisch, onheilspellend. Mag ik met dergelijke lichtzinnige spelletjes de werkelijkheid ontvluchten? Wat is de wereld kil, wat zijn de mensen desperaat en negatief geworden in vergelijking met de hoopvolle dagen van weleer, in de jaren zestig en zeventig.
Maar soms is het lichtvoetige nodig.

east west

Ik zal, denk ik nu, een keuze moeten maken uit dit indrukwekkend lijstje:
The Butterfield Blues Band – East-West
The Beach Boys – Smiley Smile
Flying Burrito Brothers – Gilded Palace Of Sin
Tim Hardin – The Best Of Tim Hardin
Patti Smith – Radio Ethiopia
The Beatles – Revolver
The Kinks – Something Else By The Kinks
Mink DeVille – Cabretta
Link Wray – Beans and Fatback
Traffic – When The Eagle Flies
The Everly Brothers – Roots
Crazy Horse – Crazy Horse
Van Morrison – Veedon Fleece
Velvet Underground – White Light / White Heat
The Clash – London Calling
The Gun Club – Miami
Townes Van Zandt – Flying Shoes
Bruce Springsteen – Darkness On The Edge Of Town
Robert Johnson – King Of The Delta Blues Singers
Bobby ‘Blue’ Bland – Two Steps From The Blues
Rolling Stones – Some Girls
The Byrds – Dr. Byrds & Mister Hyde
Bob Dylan – The Freewheelin’ Bob Dylan
Love – Da Capo
Derek & the Dominoes – Layla & Other Assorted Love Songs
John Cale – Paris 1919
Elvis Costello – Get Happy!
Hank Williams – The Very Best Of Hank Williams
Dillard and Clark – The Fantastic Expedition Of Dillard and Clark
Muddy Waters – Folk Singer
Elvis Presley – From Elvis In Memphis
The Band – The Band
Aretha Franklin – Aretha’s Gold
Syd Barrett – The Madcap Laughs
Alexander Spence – Oar
Pink Floyd – Ummagumma
John Prine – John Prine
Jimi Hendrix Experience – Axis: Bold As Love
etc.

Zoals je ziet heb ik een aantal van deze voortreffelijke langspeelplaten in het verleden al aandacht gegeven. Of het nog iets wordt met de rest hangt niet alleen van het weer af. Je kunt wel proberen te vluchten voor de chaos rondom je, maar je kunt niet vluchten voor de chaos in je hoofd.

syd barrett the madcaps laughs

 

HOPE SANDOVAL, DE BLAUWE BLOEM

‘She Hangs Brightly’ van Mazzy Star was de allerlaatste vinylplaat die ik kocht. Het zou meteen een van mijn allermooiste muzikale ontdekkingen zijn, het begin van een donker-romantisch avontuur. Met dat kleinood in een plastic zakje van Music Mania stapte ik de platenwinkel uit, deed de deur achter me dicht en stond in de vuile straat. Brussel was in 1990 smerig en gevaarlijk, niet cool en funky en artistiek zoals nu. Ik mengde mij onder de grijze mensen die daar liepen en begaf me naar het Centraal Station, hongerig en koortsig van verlangen naar het onbekende dat op me wachtte. Ik had er geen idee van hoe Mazzy Star zou klinken, wist niets over Hope Sandoval, had haar stem nog niet gehoord, wist niet hoe ze eruitzag.

Ik heb altijd al van sterren gehouden. Niet van alle sterren, wees gerust, van sommige. Greta Garbo, Lucia Bosé, Monica Vitti, Nico, Françoise Hardy. Ze allemaal nog een keer opsommen lijkt me overbodig: hun namen vind je op veel plaatsen in deze geschriften terug. Vaak zie ik als in een roes hun gezichten voor me. Ze duiken op uit de mist in mijn hoofd, hun trekken winnen aan duidelijkheid. In wat zo van hen aan me verschijnt zie ik wat Roland Barthes de lyriek van de vrouw noemt. Straks, als ik weer thuis zou zijn in het appartement in de Lamorinièrestraat in Antwerpen, waar zonder dat ik hen zou zien de Sefardische joden voorbij zouden lopen, zou Hope Sandoval plaats nemen in dat pantheon van menselijke sterren, onbereikbaar en onontkoombaar.

Op het einde van de jaren tachtig deden platenwinkels overal in het land hun vinyl massaal van de hand. De muziekindustrie dwong muziekliefhebbers ertoe om op het cd-formaat over te schakelen. Op wie van vinyl hield werd voortaan neergekeken, vooral door jonge hipsters, die toen yuppies heetten. Je herkende ze aan hun dure sokken en stropdassen. Ik betreurde het verdwijnen van die mooie vorm. Ik had al zoveel jaren van vinyl, van singles, ep’s en elpees, genoten, van elk aspect ervan, tot de geur toe. Maar gaandeweg ging ik ook van de cd als muziekdrager houden. In het begin persten de platenmaatschappijen ons af door exorbitant hoge prijzen te vragen voor lelijke en slecht klinkende schijfjes. Maar al na enkele jaren klonken cd’s stukken beter dan dat vermaledijde vinyl, waar zo vaak iets mis mee was en dat vanaf de jaren tachtig van slechte kwaliteit was geweest. Er kwamen schitterende boxen uit, oude platen werden geremasterd en met bonustracks aangevuld. Bij de cd’s zaten boekjes met essays van muziekliefhebbers die ook nog eens konden schrijven. Er verschenen duizenden cd-versies van platen die al tientallen jaren niet meer verkrijgbaar waren geweest. Onvoorstelbaar dat je nu al die albums van obscure psychedelische bands, van weinig bekende soulmuzikanten, zelfs van countryhelden als George Jones en Loretta Lynn kon vinden… Gouden dagen om muziek te (her)ontdekken.

Maar natuurlijk wist ik dat allemaal nog niet toen ik die allerlaatste vinylplaat aanschafte. En dat is goed zo, je moet niet altijd alles willen weten; zolang je maar niet ophoudt jezelf te leren kennen en te luisteren naar wat de andere mensen je te vertellen hebben. Ik was gewoonweg blij dat ik een mooie plaat gevonden had. Ja, ik was er zeker van dat het een mooie plaat was. Want ik kende de achtergrond wel. In de vroege jaren tachtig, toen popmuziek schel en synthetisch klonk (wat ik soms zelfs kon smaken, ‘Poison Arrow’ van ABC bijvoorbeeld), was in Los Angeles een nieuwe psychedelische beweging ontstaan. Van de narcotische folkrock van the Rain Parade was ik meteen weg. Hun muziek sloot aan bij Buffalo Springfield, the Byrds en Pink Floyd van ‘A Saucerful of Secrets’. Hun elpee ‘Emergency Third Rail Power Trip’ (1983) was een psychedelische tour de force, die me ook nu nog geregeld in vervoering brengt. The Rain Parade bestond uit Steven en David Roback, Matt Piucci, Will Glenn en Eddie Kalwa. David Roback verliet the Rain Parade al gauw en richtte met Kendra Smith (ex-Dream Syndicate) eerst Clay Allison op, een bandje dat kort daarna Opal zou heten. Opal bracht één uitstekend album uit, ‘Happy Nightmare Baby’ (1987), waarna Kendra Smith spoorloos verdween en Hope Sandoval haar plaats innam.
‘She Hangs Brightly’ is het debuut van Mazzy Star. De muziek die de band maakt wordt droompop genoemd, wat voor een keer een juiste omschrijving is. Het lijkt wel of de muzikanten al dromend – of toch wel zeker in een roes – hun instrumenten bespelen en terwijl je naar hun liedjes luistert begin je zelf ook te dromen. Drugs zijn daar niet eens voor nodig, het gaat vanzelf. De klanken die David Roback aan zijn gitaar ontlokt, lijken uit een andere, ijlere en tragere wereld in die van ons binnen te sijpelen. Hope Sandovals stem is het geluid van een fluwelen blauwe bloem. Of van de blauwe bloem van de Duitse romantische dichter Novalis. Eenzaamheid en droefheid hebben nooit zo mooi en verleidelijk geklonken als in ‘Halah’, de openingstrack van ‘She Hangs Brightly’.

hope 2Het is echter geen perfecte droom. Koude, weerbarstige elektriciteit ontregelt soms het sprookje. Het Velvet Underground-syndroom, met opalen toetsen. I never really wanted your heart, zingt Hope dan. Haast alle songs op de plaat zitten boordevol sinistere charme (woorden van Gina Arnold). Soms hoor ik kil en boos verlangen, soms alleen nog maar lethargie. Een bitter mysterie heeft akkoorden, een melodie, een bedwelmende stem gevonden. In de titelsong hoor ik het kermisachtige orgeltje van Ray Manzarek en David Roback verandert in Robbie Krieger, maar Hope Sandoval blijft de eeuwige vrouw, verleidelijk, pijnstillend, troostend. Gevaarlijk ook, als een borderliner: “I stay near the edge and waste my time.”
[Later ontdek ik dat ‘Blue Flower’ oorspronkelijk al in 1972 door de uitstekende Britse progressieve band Slapp Happy werd opgenomen. ‘Five String Serenade’, op ‘Among My Swan’ (1996) is dan weer een liedje van Arthur Lee, de poète maudit van de onvolprezen popgroep Love. Live verraste Hope Sandoval ons in 2002 op ‘Play With Fire’ van the Rolling Stones. Mazzy Star heeft ook goede smaak in het coveren van andermans materiaal.]
De voorkant van de hoes toont ons een ook al enigszins mysterieuze foto van een trappenhal in Art Deco-stijl. Dat interieur kwam mij bekend voor. Ik had het gevoel dat ik al eens in dat rijk geornamenteerde huis geweest was, op zoek naar een visum voor een of ander Oostblokland. Of was het slechts in een droom geweest? In de notities op de achterkant van de hoes vond ik geen informatie. Ik geloof dat het jaren geduurd heeft voor ik te weten kwam dat het de trappenhal is van Hotel Tassel, een prachtig gebouw van Victor Horta in de Paul-Emile Jansonlaan in Brussel.

hope sandoval by luz gallardo

In levenden lijve zou ik Hope Sandoval en Mazzy Star pas op 9 november 1996 ‘zien’ en horen, en nog wel in de Vaartkapoen te Molenbeek. Een nieuw mysterie diende zich aan: waarom trad de band in het donker op? Waarom mochten wij, volgelingen van Hope, die zo naar de zangeres hunkerden, haar schoonheid niet eens zien? Of toch maar een heel klein beetje, als wat donkerblauw licht een stukje van haar gezicht, van haar hand kronkelend aan de microfoon, onthulde. Was het sadisme? Was het om onze romantische droom niet aan te tasten? Op 7 september 2002 zag ik haar opnieuw, dit keer in de AB Club, in een wat minder donker donker, in net niet helemaal nachtelijk nachtblauw. Mazzy Star bestond toen niet langer. Een jaar eerder had de zangeres onder de naam Hope Sandoval & the Warm Inventions haar betoverende langspeelplaat ‘Bavarian Fruit Bread’ uitgebracht. Op die late nazomeravond was ze nog altijd even mysterieus, even langoureus; haar nachtelijke stem – die van de blauwe bloem – nog altijd even benevelend.

Twaalf jaar eerder in mijn Antwerpse avondland waar niets mij nog beviel, kon ik die eerste nacht met haar naam en haar ingebeeld beeld in mijn hoofd de slaap maar niet vatten. Tussen waken en dromen in lag ik daar in dat vreemde bed te verlangen naar de muziek geworden engel, Hope Sandoval. Het mooiste meisje van de wereld met de mooiste naam ooit door ouders aan een kind gegeven.

Tassel_House_stairway

Foto’s: Platenhoes, Martin Pulaski, 2018; Hope Sandoval live, Luz Gallardo, andere foto’s: fotograaf onbekend.

HERINNERINGEN AAN SIR DOUGLAS QUINTET EN ‘MENDOCINO’

Hoe begin ik dit verhaal over Doug Sahm, een man die ik al meer dan een halve eeuw bewonder en vereer, als muzikant, als songschrijver, als zanger, als levende jukebox en muziekarcheoloog, als mens?
Zijn warme stem hoorde ik voor het eerst omstreeks mijn vijftiende op de kermissen in de Maasvallei, in Rekem, Neerharen en Lanaken. Foorkramers in de jaren zestig draaiden altijd geweldige pop, sexy, opwindend, roekeloos en luider dan het geronk van zeven Harley Davidsons. Het zal in de zomer van 1965 geweest zijn dat ik bij de botsauto’s voor het eerst ‘She’s About A Mover’ van Sir Douglas Quintet hoorde. Opwindender had ik pop, of noem het maar rock-‘n-roll, slechts zelden meegemaakt. Voorgangers waren ‘Hound Dog’ van Elvis, ‘Twist and Shout’ in de versie van the Beatles en ‘It’s All Over Now’ in de versie van the Rolling Stones. Die schallende stem, dat opzwepende orgeltje, die afgemeten slaggitaar. “Well she was walking down the street, looking fine as she could be…” Je zag het meisje van je dromen zo voor je uit lopen, haar fijne, lange haren wapperend in de zomerbries. Beter nog: je zag haar in een van die veelkleurige botsauto’s zachtaardig agressief maneuvreren en je ging meteen achter haar aan. Heel even werd je een kleine veroveraar. Hoewel dat heel even best lang duurde, herinner ik me nu. Het waren van de mooiste twee minuten en drieëntwintig seconden die een jongen in die tijd en in dat milieu kon meemaken. Wow yeah, what I say…

Natuurlijk wist ik helemaal niet wie die Sir Douglas Quintet was. Het bleek een groepje uit Texas te zijn dat zich, op bevel van Amerikaanse dollarmensen, voordeed als een stelletje Britse popmuzikanten, een radertje in de geldmachine die British Invasion werd genoemd. Wat niet zo’n perfect plan was en bijgevolg gedoemd te mislukken: de groep zag er vooral Mexicaans uit en de muziek klonk al evenmin Brits. Het was eerder een mix van rhythm-and-blues en Tex-mex. Maar gelukkig voor de magnaten, voor de jongens van het Quintet en voor de fans was ‘She’s About A Mover’ een hit: nummer 13 op de Amerikaanse hitparade.

cof

Pas vier jaar later, in de zomer van 1969, toen uit alle radio’s en jukeboxen in dit land het heerlijke, opgewekte ‘Mendocino’ kwam geschald, zou ik meer te weten komen over Sir Douglas Quintet en wie die Sir Douglas nou precies was. Doug Sahm, zo bleek de zanger en bandleader te heten, was afkomstig uit San Antonio, in Texas, een van de fijnste Amerikaanse steden. De schrijver Milan Ryzl, van wie ik werk vertaald en bewerkt heb, drukte me ooit op het hart die stad zeker met een bezoek te vereren. Ze lijkt wat op Brugge, voegde hij eraan toe. Maar daar leek San Antonio net zo min op als de leden van the Sir Douglas Quintet op Angelsaksische jongens. Ik heb er wel de allerbeste margarita ’s ooit gedronken. En er zijn grachten. Doug Sahm zong al voor de radio op zijn vijfde. Op zijn twaalfde stond hij samen met de grote Hank Williams op een podium in Austin, Texas. Al gauw raakte Doug vertrouwd met country, blues, polka en nog veel meer genres (die nu grotendeels onder de noemer ‘Americana’ worden ondergebracht). San Antonio en omgeving was een smeltkroes van Mexicaanse, Boheemse, Poolse, Tsjecho-Slovaakse, Duitse en Afro-Amerikaanse culturen. Als je goed luistert, kun je al die invloeden horen in de muziek van Sir Douglas Quintet. De band werd in 1964 opgericht en bestond uit Doug Sahm (zang, gitaar, viool), Augie Meyers (orgel), Jack Barber (basgitaar), Frank Morin (saxofoon, trompet en keyboards) en Johnny Perez (drums). In 1969 nam Harvey Kagan de plaats van Jack Barber in op bas. Na de eerste successen in Texas verhuisde de band naar San Francisco, op dat ogenblik het centrum van de hippiebeweging en de undergroundmuziek. Hoewel de hartelijke, heel open rock-‘n-roll sound van Doug Sahm en zijn amigos de musica helemaal niet zo paste in die psychedelische scene, met de typische zweverige jams van the Grateful Dead, Jefferson Airplane en Quicksilver Messenger Service.
De elpee ‘Mendocino’ [1] verscheen in april 1969 op het Smash label. Wat een heerlijke verzameling songs is dat toch nog altijd, met zoveel muzikale rijkdom: warme pop (‘Mendocino’), trage folkrock (‘I Don’t Want’), Texaanse, hartverscheurende soul (‘At the Crossroads’), Tex-mex met een Beatles-touch (‘If You Really Want Me To I’ll Go…’), pure country (‘Texas Me’) en hardere blues rock (‘It Just Don’t Matter’).

Het is zeker niet de enige langspeelplaat van Sir Douglas Quintet / Doug Sahm die grotendeels buiten de tijd staat en nog steeds een plezier is om te beluisteren en om op te dansen. ‘1+1+1=4’ (1970), ‘Together After Five’ (1970) en ‘The Return of Doug Saldaña’ (1971) zijn minstens even goed. En dan zijn er ook nog de legendarische opnames voor het Atlantic label en andere voortreffelijke soloalbums, waaronder het meesterwerk ‘Doug Sahm & Band’ (1972) met gastmuzikanten als Bob Dylan, Dr. John, David “Fathead” Newman, Flaco Jimenez, David Bromberg en Kenny Kosek. Maar dat is een ander verhaal.

Weer een ander en buitengewoon mooi maar ook bizar verhaal is dat van een concert van Sir Douglas Quintet, met zowat alle originele leden opnieuw samen, dat ik bijwoonde op 29 mei 1983 in Hof Ter Lo in Antwerpen [2]. Ik was er met mijn beste vrienden en ik was uitzinnig van geluk, hoewel ik mij de dagen voordien en zelfs enkele uren voor ik me naar de concertzaal begaf nog diep bedroefd en zelfs wanhopig voelde. Het zou me te ver voeren om die herinneringen nu op te rakelen. Alleen dit: Doug Sahm bewees een hele avond lang, heel lang, dat hij een levende jukebox was, een jukebox met een ziel en een warme menselijke stem. En een groot hart. Datzelfde hart begaf het in de nacht van 18 november 1999 in een motel in Taos, New Mexico.

burst

[1] Dit is het vijfde deel in een reeks gewijd aan elpees die een blijvende invloed op mijn leven hebben gehad. Het gaat hier helemaal niet om wat ik de beste of meest baanbrekende albums vind, of iets dergelijks. (Maar ik sluit niets uit, zelfs geen ‘meesterwerken’.)

[2] Ik heb de setlist van dat concert op 29 mei 1983 in Hof Ter Lo teruggevonden.

It Was Fun While It Lasted
I Keep Wishing for You
Sheila Tequila
Born on the Bayou
Suzie Q
Folsom Prison Blues
Down in the Heart of Mexico
Who Were You Thinking Of
Nuevo Laredo
I Love You a Thousand Ways
Papa Ain’t Salty
Kansas City
(Is Anybody Going To) San Antone
Wasted Days and Wasted Nights
She’s A Dynamite Woman
At the Crossroads
She’s About a Mover
Texas Tornado
Little Georgie Baker
I Know You Know
Deep in the Heart of Texas
96 Tears
You’re Gonna Miss Me
Mendocino
Adios Mexico

Encore:

Stagger Lee
Wooly Bully
Green River
The Last Time

EVERYBODY KNOWS THIS IS NOWHERE

Op 4 maart 1970 lijdt de Franse onderzeeboot de Eurydice in de Middellandse Zee schipbreuk. 57 opvarenden vinden daarbij de dood.

Ik ben negentien en woon voorlopig nog alleen in de Karmelietenstraat in de buurt van de Naamsepoort in Brussel. Mijn vriend Erwin, die sinds oktober 1969 bij me logeerde, is in februari naar Gent vertrokken. Maar ik ben niet langer een loner met een loser als boezemvriend: ik heb nu een meisje van wie ik zielsveel houd. Als ik haar John Lennon ben, is zij mijn Yoko Ono. Het zit er dik in dat we zullen trouwen en kinderen krijgen, al zijn we beiden tegen het huwelijk gekant.

Voorlopig studeer ik nog film aan het Ritcs in de Naamsestraat, honderd meter lopen van waar ik woon. Maar die verdomde school hangt me nu al, na enkele maanden, de keel uit. Ik wil leren hoe je een film moet maken, de vakken elektriciteit en scheikunde vervullen mij met afgrijzen en walging. Noem me maar een drop out, dat is een eervol epitheton. Naar school ga ik nog op dinsdagmiddag om telkens twee klassieke films te zien en op andere dagen voor de lessen van Ivo Michiels, Tone Brulin en Jo Röpke. Ik ga er ook heen om propaganda te maken voor de imaginaire politieke eenmanspartij die ik heb opgericht, de anti-progressieve partij. Dat is omdat ik een afkeer heb gekregen van al die fake progressieve mensen die op mijn school rondhangen. Vaak heb ik het gevoel dat de revolutie die in het najaar van 1969 in de lucht hing helemaal weg is. Ondanks de jonge liefde zijn het naargeestige dagen.

krans1 (2)Pasen valt dat jaar op 29 maart. Het is bar koud. Om eens uit Brussel weg te zijn liften we tijdens de paasvakantie met zijn tweetjes naar Amsterdam. Ik ben lid van het “ondergrondse reisagentschap van het tijdschrift Aloha”. Iedereen die daar lid van is heeft een gestencilde adressenlijst van de andere leden. We kunnen op al die adressen terecht om thee te drinken, te roken, muziek te beluisteren, te overnachten. Jazeker, het is een soort van couchsurfing avant la lettre. Na een dagje liften staan we voor een Amsterdamse grachtenhuis, de woonst van Onno en Cees uit het Aloha-adresboek. Dat blijken twee erg gastvrije en vriendelijke heren te zijn. Ik had mij voorgesteld dat Onno een meisje was en misschien zelfs een Japanse. Maar deze Onno is ook oké, toch? We mogen er overnachten en ontbijten en af en toe nodigen zij ons uit voor het avondmaal. Op die avonden komt ook Victor langs, een Belgische vriend van Onno en Cees die in Amsterdam verblijft. Een spraakzame man die de Belgische politiek en vooral de repressieve kant ervan veel beter kent dan mijn teerbeminde en ik dat doen. Wij kijken allemaal op naar het bevrijde Amsterdam. Over België praten we alsof er net als in Griekenland kolonels aan de macht zijn. Aan de macht is heel zeker een socialistische minister van justitie die luistert naar de naam Alfons Vrancks [1] en ongeveer alles wil verbieden waar wij van houden. De boeken van Henry Miller en Anais Nin, om maar één voorbeeld te geven.

1970-vossenplein15

Meestal lopen we door de winderige Amsterdamse straten, niet goed wetend waar naartoe. Er waait een ijzige wind en we hebben voortdurend honger. Met ons budget kunnen we alleen in de Wimpy terecht, voor een smakeloze wimpyburger en om ons wat op te warmen. Je kan er een tijdje op de rode zetels blijven zitten terwijl je servies wordt afgeruimd. Jazeker, luxe! Ik voel me een zielige beatnik en hoewel ik smoorverliefd ben en me daarom echt wel gelukkig voel is dit toch niet wat ik van het magische en magistrale Amsterdam heb verwacht.
In de zolderkamer waar we logeren vriest het dat het kraakt. We moeten elkaar de hele nacht stevig vasthouden om het een beetje warm te hebben. Lekker vrijen zit er zo zeker niet in, wat in het prille begin van onze verhouding al voor enige spanning zorgt. En we voelen ons stilaan uitvreters. Van al die duistere gevoelens van ons beseffen Onno en Cees waarschijnlijk helemaal niets. Elke dag na het ontbijt verrassen zij ons met een of andere elpee die nu zeker in Rolling Stone’s Top 100 Albums of All Time zal staan. Ik herinner me vooral de onaardse schoonheid van Van Morrisons ‘Astral Weeks’. Daar was ik op dat ogenblik echter nog niet rijp voor. Het album dat bij mij wel een heftige schok teweegbrengt is ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ van Neil Young & Crazy Horse. Nog steeds kan de elpee mij overrompelen, maar zoals de zeven songs die erop staan toen klonken, zullen ze het wel nooit meer doen. Je zou het kunnen vergelijken met de eerste keer stomende seks hebben, maar dat doet afbreuk aan de werkelijke hoedanigheid van zo’n maagdelijke muzikale ervaring. Het is geen gepaste vergelijking. Muziek is muziek. ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ [2] was niet Neil Youngs eerste solo-elpee, maar dat wist ik daar in dat Amsterdamse huis nog niet. En zoals de titel al duidelijk maakt was het ook geen solo-elpee, maar wel een met de nu uiteraard legendarische band Crazy Horse. Nog nooit had ik een elpee gehoord die zo door en door elektrisch was. Van de elektrische golven die op me af komen gaan de haartjes op mijn armen rechtop staan, veel meer nog dan van de kou. Ik voel mijn hart tegen mijn borstwand bonzen, zonder dat het pijn doet (hoewel misschien toch een beetje, maar op een prettige manier). Down by the river… Ta-ta-ta-ta-ta. Dat is de oorlog in Vietnam. De M-16, 900 kogels per minuut. Is Neil Young een wapenfreak? Nee, liefje, dit is net het omgekeerde. Het is razernij vanwege die oorlog, vanwege die vreselijk moordtuigen. Maar ook razernij vanwege de oorlog binnenin het menselijke hart. Een eenzame jager is het hart, zegt Carson McCullers. Op 25 maart, net voor Pasen, is Jimi Hendrix’ ‘Band Of Gypsys’ uitgekomen, met daarop ‘Machine Gun’. Die plaat en dat nummer heb ik nog niet gehoord. Later las ik dat Hendrix het als volgt aankondigde: “I’d like to dedicate this song to soldiers fighting in Berkeley—you know what soldiers I’m talking about—and oh yeah, the soldiers fighting in Vietnam too … and dedicate it to other people that might be fighting wars too, but within themselves, not facing up to the realities.”
Ik ben al een tijdje gek op gitaarhelden, vooral in het bluesgenre. Eric Clapton, BB King, Eelco Gelling (van Cuby & the Blizzards), Peter Green, Jimi Hendrix, Jimmy Page en Jeff Beck zijn voor mij de grootsten. De echte bluesgitaristen moet ik nog leren kennen, Freddie King, Albert King, Guitar Slim, Buddy Guy. Maar de elektrische gitaren die ik nu door het grachtenpand hoor schallen, dat is weer iets helemaal anders. Ja, zeg, wat is dit eigenlijk? Het is een soort van bezetenheid. Het is strijd om leven en dood, vuur tegen vuur. Of nee, het is een gevecht van en voor het leven tégen de dood. Een destructief gedreun is het, tegen alle destructieve krachten gericht. Een poging om te ontsnappen aan het grote Niets, aan ziekte en pijn en verdoemenis. Wat ik hoor zijn geen zachtaardige gitaar-duels zoals ik die van op de platen van Moby Grape ken, nee, dit is veel extremer. Ik hoor veel woede, agressie, maar ook tedere en kwetsbare momenten. ‘Cinnamon Girl’ is in weerwil van het harde metaal niets dan lust en liefde. Romantiek is het nummer ook: “You see us together chasing the moonlight”. Dezelfde passie hoor ik in diverse vormen op alle zeven nummers. Zeven, een heilig getal. Natuurlijk klinkt ook de wat fragiele en enigszins vrouwelijke zangstem van Neil Young heel passioneel. Ik denk dat het door dat instrument komt, nog meer dan door de gitaren, dat Neil Young die ochtend in maart 1970 in Amsterdam mijn held voor het leven wordt. Ik kende de elpees van Buffalo Springfield wel, maar had er nooit heel veel aandacht aan gegeven. Buffalo Springfield, net als the Byrds en the Monkees een Amerikaans antwoord op the Beatles, was bij ons niet zo populair als in de Verenigde Staten. Sommige nummers, zoals ‘For What It’s Worth’, ‘Mr. Soul’ en vooral ‘Expecting To Fly’, kende ik goed. Na mijn terugkeer ben ik aandachtiger naar Buffalo Springfield gaan luisteren. Nu vind ik ‘Expecting To Fly’ het meest romantische lied dat ik ken.
Met ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ ontdekte ik de echte Neil Young, het begin van een groots avontuur dat ik met veel andere gevoelige zielen deel. Songs als ‘Down By The River’, ‘The Losing End (When You’re On)’ en ‘Running Dry (Requiem For The Rockets)’ werden muzikale en lyrische thema’s die tot op vandaag tot de kern van mijn wezen behoren.

cof

Er gebeuren nog wel wat dingen in de eerste helft van 1970. Op 10 april maakt Paul McCartney het uiteengaan van The Beatles bekend. Op 4 mei schiet de Nationale Garde van Ohio vier studenten dood en verwondt er negen tijdens een demonstratie tegen de oorlog in Indo-China op de campus van de Kent State University. Four dead in Ohio…

In het najaar koop ik ‘After the Goldrush’, mogelijk het meesterwerk van Neil Young. Wij wonen nu in de Boomkwekerijstraat, nog altijd in dezelfde buurt. Iedereen die bij ons op visite komt, en ik heb in die dagen veel vrienden, wordt aan Neil Young-radiatie blootgesteld. Mijn enige zoon is zeer waarschijnlijk verwekt op het aanstekelijke ritme van Crazy Horse. In de buik van zijn geliefde moeder zal hij misschien de klagende en huilende en o zo troostrijke stem van de al even geliefde Canadese zanger en idiot savant gehoord hebben. En later vertelde ik hem voor het slapengaan verhaaltjes over de brave hond op de voorkant en de binnenzijde van de hoes van ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ en over de patchworkbroek [3] op de achterkant van de hoes van ‘After The Goldrush’.

[1] Van 1968 tot 1973 was hij Minister van Justitie. In deze hoedanigheid liet hij in 1969 Jef Geeraerts’ roman Gangreen 1 wegens onzedelijkheid in beslag nemen. Ook de volledige oplage van het  Rode Boekje voor scholieren werd onder zijn bewind in beslag genomen onder het voorwendsel “zedenschendend en subversief” te zijn.

[2] Op ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ spelen Neil Young (gitaar), Danny Whitten (gitaar), Ralph Molina (drums), Billy Talbot (bas) en verder Robin Lane (gitaar), en Bobby Notkoff (viool). Alle songs zijn van de hand van Neil Young. De producers zijn Neil Young en David Briggs.

[3] Patches: Susan Young

Foto’s: Martin Pulaski

BEGGARS BANQUET

cof

Op facebook wordt aan muziekliefhebbers door andere muziekliefhebbers al een tijdje gevraagd een selectie te maken van 10 elpees die een blijvende invloed op hun leven hebben gehad. Je vertrekt van de hoes en vertelt er, als je daar zin in hebt, een verhaal bij, maar dat hoeft niet. Soms onthullen de naam van de artiest, de titel van het album en de afbeelding van de hoes al een heel stuk van dat verhaal. Ik wil vandaag ook aan zo’n reeks beginnen, zonder dat ik weet wat het gaat worden. Een plan heb ik niet. Ik wil mezelf geen regels of beperkingen opleggen. Misschien worden het stukjes van niet veel meer dan driehonderd woorden.

godard sympathy for the devil

De eerste langspeelplaat die ik uit mijn rek haal is ‘Beggars Banquet’ van the Rolling Stones. Dat baanbrekend rockalbum verscheen in december 1968, nu bijna vijftig jaar geleden. Ik hoorde het voor het eerst in de kerstperiode in het legendarische bruine café De Kroeg in de Wolstraat in Antwerpen. Ik had in Wijnegem aan de sluis die ochtend de bus genomen voor een dagje in mijn toen favoriete stad (samen met Maastricht). Ik had het gevoel dat alle hippe mensen en alle mooie meisjes in Antwerpen rondhingen. Overal hing de geur van wierook en patchoeli en hoorde je het gerinkel van Tibetaanse belletjes; het Conscienceplein was een magische plek. Meisjes in heel korte minirokken, jongens met lange haren. Kleren even kleurig als die in San Francisco, London of Parijs. Nu het winter was zag je ook meisjes in van die prachtige Afghaanse jassen waaronder hun gelaarsde lange benen uitstaken. Met mijn hart en ledematen trillend van euforie liep ik, schipperszoon en intern in het provinciestadje Tongeren, door de betoverde straten, ging hier en daar een boetiek binnen, kocht enkele undergroundtijdschriften en boeken van Simon Vinkenoog en Hugo Raes. Tenslotte stapte ik met veel schroom De Kroeg binnen. Daar kende ik volstrekt niemand. Ik was er ook nooit eerder geweest. Ik ging aan de toog zitten, bestelde een pintje (hoewel ik bier helemaal niet lekker vond) en keek stilzwijgend voor mij uit. Hoewel mijn haren net zo lang waren als die van de meeste andere jongens en meisjes, kreeg ik al gauw het pijnlijke gevoel buiten gekeken te worden. Maar lang zat ik daar niet over te piekeren, want al bijna meteen weerklonk de nu overbekende riff van ‘Sympathy For The Devil’, het openingsnummer op ‘Beggars Banquet’. Je moet daarbij voor ogen houden dat we toen niets wisten. Er bestonden in het Nederlands nog geen noemenswaardige platenrecensies, met uitzondering van die in het Nederlandse weekblad Hitweek/Aloha. Popmuziek hoorde je alleen op de piratenzenders Radio London en Caroline en voor undergroundmuziek, genre Dr. John the Nighttripper en Tyrannosaurus Rex, moest je op het Nederlandse programma Superclean Dream Machine afstemmen. De film van Godard ‘One Plus One’ over de opname van ‘Sympathy For The Devil’ was bij ons nog niet in de bioscoop of op televisie geweest (en het zou nog lang duren eer ik hem zou kunnen zien). Wat betere popmuziek en progressieve pop en underground werd genoemd leek het terrein te zijn van een sekte van ingewijden, en dat was het ook. Een elpee was een geheim dat we deelden. Mijn vrienden en ik luisterden maandenlang naar één album en ontdekten er steeds nieuwe geluiden, betekenissen en verhalen in. Elke song riep een veelvoud van moeilijk te definiëren verlangens op. Je hoefde niet op reis te gaan om de wereld te ontdekken. Je legde een van die sublieme elpees op van the Beatles, the Rolling Stones, Pink Floyd, the Band en Traffic en je was al onderweg naar een ander universum.

michael joseph keith with orange

‘Beggars Banquet’ van the Rolling Stones, de tot dusver beste en zeker meest opwindende rock- en bluesband die we kenden, was zo’n universum. Als het album een dichter was geweest had het met recht kunnen zeggen “I am large, I contain multitudes”. En eigenlijk zei het dat ook, maar met andere woorden, met andere stemmen, met heel aardse en bijwijlen toch ook verheven muziek. Elke song op de plaat greep me naar de keel. Een wervelwind van gitaren (Keith Richards, Brian Jones), bas (Bill Wyman), drums (Charlie Watts), piano (Nicky Hopkins), mondharmonica (Brian Jones) en de vuile goddelijke stem van Mick Jagger dreigde me van mijn barkruk te blazen. Stil blijven zitten hoorde er niet meer bij. Luister nog maar een keer naar ‘Parachute Woman’. Ook nu nog doet dat helse ritme je rechtveren. Zo hadden the Rolling Stones nooit eerder geklonken. Dat was voor een deel te danken aan hun nieuwe producer, Jimmy Miller, wat ik toen waarschijnlijk niet eens wist. Wilde, angstaanjagende schoonheid spatte uit elk lied. En zo’n rijkdom aan emoties had ik nooit eerder in popmuziek gehoord. Woede, verdriet, pijn, genot, geluk, vreugde, geilheid, sarcasme, vertwijfeling, opstandigheid, onzekerheid – al die eigenschappen kwamen aan bod. Zonder het helemaal goed te beseffen hoorde ik die avond in De Kroeg een verzameling weerbarstige songs die me voor lange tijd zouden bepalen en die me nu ik vijftig jaar ouder ben nog steeds geheimen vertellen. Met die schat in mijn hoofd liep ik naar het busstation om er de bus terug naar Wijnegem te nemen. De hele rit lang hoorde ik flarden ‘Beggars Banquet’ in mijn hoofd. Maar vooral deze regels uit ‘No Expectations’: “Never in my sweet short life have I felt like this before.”
Beggars Banquet, hét album van 1968, vertelt niet alleen geheimen aan oude ingewijden maar iedereen die het maar wil kan er bekende verhalen in horen,
verhalen over onszelf en over de wereld, telkens ongeveer dezelfde verhalen maar in telkens wisselende constellaties met verschuivende metaforen en betekenissen.

Als hoes kies ik de witte, die voor mij de originele is. De échte originele, die lange tijd verboden was, heb ik nooit zo mooi gevonden. Ik heb altijd van propere toiletten gehouden, goedverlicht en hygiënisch. Wat mij betreft mag ook smerige muziek in een schone hoes verpakt zitten.

Foto’s: Martin Pulaski; Jean-Luc Godard (uit ‘One Plus One’); Michael Joseph.

EEN JAAR IN POPULAIRE MUZIEK: 2017

joni mitchell - henry diltz.jpg

De tijd van langspeelplaten en cd’s als samenhangende collecties van songs, als liederenbundels, schijnt voorbij te zijn. De strijd, die omstreeks 1965 begon met werken als ‘Aftermath’ van the Rolling Stones, ‘Bringing It All Back Home’ van Bob Dylan en ‘Rubber Soul’ van the Beatles, is gestreden en verloren. De meeste mensen die nu vinylplaten kopen doen dat om er instagramfoto’s van te maken en daar de hashtag #vinylporn aan toe te voegen. Worden albums (elpees of cd’s) nog als integrale kunstwerken beluisterd, zoals romans en kortverhalen worden gelezen of films en series bekeken? Singer-songwriter Dan Stuart, medeoprichter van de invloedrijke Amerikaanse band Green On Red, schreef er onlangs over. Hij zal geen langspeelplaten meer uitbrengen. Zijn argumentatie: “It’s ironic that with rock ‘n’ roll becoming a new kind of literature in the 60’s/70’s there was hand wringing about the “death of the novel”, but really the novel, short stories, creative non-fiction, cinema, episodic TV etc. are surviving nicely in this dopamine fueled digital world, whereas it’s the LP length record that has crashed and burned.”
Veel andere muziekliefhebbers stellen hetzelfde vast. Er komen te weinig albums uit die als coherente kunstwerken kunnen worden beschouwd. Tegelijk, en dat is misschien paradoxaal, komt er heel veel muziek op de markt. Zoveel dat het onbegonnen werk is om het allemaal bij te houden. Om er naar te luisteren. Om er zinvolle uitspraken over te doen. Waardoor al het bovenstaande ook meteen weer in twijfel dient getrokken te worden.
Ondanks deze enigszins pessimistische bedenkingen heb ik toch weer een lijstje gemaakt. Omdat ik het niet laten kan? Misschien wel. Maar ook omdat ik van deze platen werkelijk genoten heb. En ik twijfel er niet aan dat er op dit ogenblik nog heel wat meer albums van een vergelijkbare kwaliteit worden uitgepakt, op de platenspeler gelegd of in de cd-speler geschoven en met aandacht en liefde beluisterd.

  1. Hurray For The Riff Raff – The Navigator

    1 navigator.jpg

  2. Gregg Allman – Southern Blood

    2 southern-blood.jpg

  3. Sam Amidon – The Following Mountain

    3 The+Following+Mountain+LP.jpg

  4. The Dream Syndicate – How Did I Find Myself There?

    4 dream syndicate.jpg

  5. Michael Chapman – 50

    5  Michael-Chapman.jpg

  6. Jason Isbell & the 400 Unit – The Nashville Sound

    6 jason isbell.jpg

  7. Margo Price – All American Made

    7 All+American+Made.jpg

  8. The Deslondes – Hurry Home

    8 deslondes.jpeg

  9. Lee Ann Womack – The Lonely, the Lonesome & the Gone

    9 Lee Ann Womack.jpg

  10. Neil Young – Hitchhiker

    10 Neil-Young-Hitchhiker-.jpg

  11. Bob Dylan – The Bootleg Series Vol. 13 / 1979-1981

    11 trouble no more.jpg

  12. Fleet Foxes – Crack-Up

    12 fleet foxes.jpg

  13. Mount Eerie – A Crow Looked At Me

    13 mount eerie.jpg

  14. Iron & Wine – Beast Epic

    14 IronandWine_BeastEpic.jpg

  15. Tim Buckley – Greetings From West-Hollywood

    15 tim buckley.jpg

  16. Rhiannon Giddens – Freedom Highway

    16 rhiannon giddens.jpg

  17. Valerie June – The Order Of Time

    17 valerie june.jpg

  18. Michael Head And The Red Elastic Band – Adios Señor Pussycat

    18 michael head.jpg

  19. Courtney Barnett & Kurt Vile – Lotta Sea Lice

    19 courtney+barnett+cover.jpg

  20. The Rolling Stones – On Air

    20 on air.jpg

EEN JAAR IN POPULAIRE MUZIEK

okkervil-river-will-sheff.png

Het voorbije jaar luisterde ik weinig naar nieuwe muziek. Ik heb de indruk dat het elk jaar wat minder wordt. De reden daarvoor is dat het leven kort is. Er zijn nog zoveel boeken die ik niet gelezen heb (of wil herlezen). Er zijn zoveel films die ik nog wil zien, zoveel landen en steden bezoeken, zoveel kunstwerken bewonderen… De twintig elpees/cd’s hieronder drongen wel door tot mijn oren en mijn hart. De volgorde waarin ze terecht gekomen zijn heeft niet echt veel belang. Maar ik geef toe dat Will Sheff (Okkervil River) mij dit jaar het meest heeft ontroerd.

  1. Okkervil River – Away

    1 okkervil river.jpg

     

  2. Wilco – Schmilco

    2-wilco-schmilco-1000x1000.jpg

  3. David Bowie – Blackstar

    3 david-bowie-blackstar.jpg

  4. Drive-By Truckers – American Band

    4 DBT_AmericanBand_Cover_500.jpg

  5. Rolling Stones – Blue & Lonesome

    5 rolling stones.jpg

  6. Ryley Walker – Golden Sings That Have Been Sung

    6 ryley.jpg

  7. Hope Sandoval and the Warm Inventions – Until the Hunter

    7 hope sandoval.jpg

  8. Margo Price – Midwest Farmer’s Daughter

    8 margo.jpg

  9. Jesu/Sun Kil Moon – Jesu/Sun Kil Moon

    9 jesu sun kil.jpg

  10. Case/Lang/Veirs – Case/Lang/Veirs

    10 case lang veirs.jpg

  11. Nick Cave & the Bad Seeds – Skeleton Tree

    11 skeleton tree.jpg

  12. Steve Gunn – Eyes On the Lines

    12 steveGunn_EyesOnTheLines-copy.jpg

  13. PJ Harvey – The Hope Six Demolition Project

    13 hope six.jpg

  14. Sturgill Simpson – A Sailor’s Guide To Earth

    14 sturgill-simpson-sailor-guide.png

  15. Brian Eno – The Ship

    15 BrianEno_TheShip_2016.jpg

  16. Cass McCombs – Mangy Love

    16 cass mccombs.jpg

  17. Elysian Fields – Ghosts Of No

    17 Ghosts_of_No.jpg

  18. Leonard Cohen – You Want It Darker

    18 leonard-cohen-you-want-it-darker-5746.jpg

  19. M. Ward – More Rain

    m-ward-more-rain2.jpg

  20. Lucinda Williams – The Ghosts Of Highway

    20 lucinda williams ghosts of highway 20.jpg