STILTE

Nicolas-de-STAEL.jpg

Een paar dagen geleden zag ik voor de zoveelste keer ‘Het meisje van de luciferfabriek’ (Tulitikkutehtaan tyttö) van Aki Kaurismäki, een film die niet verjaart, alsof hij buiten de tijd werd gemaakt. Wat mij dit keer bovenal opviel was de stilte, de vele scènes zonder dialoog. Misschien was ik vergeten dat ik die eigenschap vroeger ook al opgemerkt had.

Wat heerlijk toch, zulke stille mensen en bijna geen lawaai, alleen wat rommelige rockabilly en ‘zigeunermuziek’ – en af en toe een gebenedijd woord. Was het vroeger, toen ik nog een kleine jongen was, bij ons ook niet zo? Waren met name de Vlamingen geen in zichzelf gekeerde, zwijgzame mensen? Misschien vergis ik me, maar ik herinner me die oudere generaties zo. Ook mijn ouders spraken weinig; mijn moeder wat meer dan mijn vader. Die zwijgzaamheid is niet altijd een zegen. Zo heb ik met mijn vader nooit een gesprek gehad, waardoor ik nu bijna niets over hem weet. Als het in mijn psychoanalyse over mijn vader gaat moet ik er bijna altijd het zwijgen toe doen. Omdat er van mijn familie bijna niemand meer overblijft, zeker niet van de generatie van mijn ouders, kan ik ook aan niemand meer iets over hem vragen. Aan mijn oudere broer? Hij is al net zo zwijgzaam als mijn vader. En van het vele drinken zit zijn geheugen vol gaten. Ik kan bijvoorbeeld niemand vragen welke rol mijn vader gespeeld heeft in de weerstand. Waarom mijn ouders in Lanklaar gedomicilieerd waren, een gemeente waar ze nooit hebben gewoond. Of hoe mijn halfbroer heet – want dat ik een halfbroer heb, dat weet ik wel zeker.

Al gaat er in het leven weinig boven een gesprek met een vriendin of een vriend houd ik van stilte. Van stille mensen, van stille schilderijen, zoals die van Giorgio Morandi en Nicolas De Staël, van stille muziek, zoals die van Claude Debussy, Karen Dalton en Nick Drake, van stille wegen en van straten op een zondagmiddag als de winkels toe zijn, van de stille geluiden in bossen. Ik heb een afkeer gekregen van bijna alle televisieprogramma’s, het inhoudsloos gekwetter en getetter en betweterig gebrabbel. Geef mij dan maar het getsjilp van de vogels of muziek die daar op lijkt, die van Olivier Messiaen bijvoorbeeld. Wat hebben die drukke mensen toch allemaal te vertellen? ‘Praatjesmakers’ noemde iemand hen onlangs terecht. De radio zet ik ook bijna nooit meer aan. Al dat gewauwel. Zelfs het nieuws maakt een neurotische wrak van me, zeker als het belangrijkste item de moeilijkheid betreft om met de auto van Geel in Brussel te geraken. Neem dan toch de trein. Af en toe luister ik nog wel eens naar Klara, omdat de stemmen daar wat zachter zijn, maar dan schrik ik opeens op van de deprimerende tonen van Vivaldi en draai ik vliegensvlug de knop om.

Maar vergis je niet: ik houd van stemmen, ik vind het fijn naar je te luisteren, naar je woorden, je lach, en niet één lied van Sam Amidon of Neko Case werkt me op de zenuwen. Ik mis alleen die zwijgende Vlaamse boeren uit mijn kinderjaren, toen ik geheel verdiept was in een of ander avontuur van Bob Morane of me liet meeslepen door de opzienbarende ontdekking van dr. Fleming. Daarom ben ik diep gelukkig met de films van regisseurs als Aki Kaurismäki. Wat hij toont is geen mooie wereld, maar alles bij hem straalt schoonheid uit. Hij schijnt geen lelijkheid te kennen. En is de ergste lelijkheid niet het lawaai?

 

Foto’s: Nicolas de Staël.

AKI KAURISMÄKI: LE HAVRE

Hoe vaak zeg ik het je niet: ik heb de mooiste film van mijn leven gezien? Je bent de tel kwijt? Ik verloor het overzicht uit het oog evenals de zin voor structuur en context. Maar geloof me, gisteren zag ik de allermooiste film. En nu wil ik twee of drie dingen: naar Le Havre reizen, een goed mens worden en een poos goedgemutst door het leven gaan.

Bestaat er een mooiere, betere (zowel in de esthetische als ethische betekenis van het woord), dieper de mensenziel rakende film dan ‘Le Havre’ van Aki Kaurismäki? Een warmer en ‘grappiger’ sprookje? Een meer geslaagde aaneenschakeling van treffende beelden (elke shot een lust voor het oog). Een film over losers met een hart van honing, over ideale, wellicht onbestaande Fransen, over de ideale cinema (onrechtstreeks) en over de gouden jaren van de Franse Film (Marcel Carné, Jean Renoir, Jean Vigo, maar ook de ‘nouvelle vague’ via een cameo van Jean-Pierre Léaud), over liefde en toewijding,  over vluchtelingen, over de ‘anderen’. Een film over ons, wij mensen op de dool, de tel kwijt geraakt, de zin voor structuur en context, de honing in het hart.

Zodra het beter met me gaat: meer over mijn liefde voor Aki Kaurismäki: fragmenten uit een gesprek met Cristina in Porto; een vlucht van Helsinki naar Kuopio (in 1993); the Leningrad Cowboys; Little Bob Story; Jean-Pierre Léaud; geheugenverlies; avonturen in havens; een sportcomplex in Algeciras; het spellen van namen; ongewone kapsels, Jim Jarmusch; en vele andere interessante onderwerpen.