LE BONHEUR VAN AGNES VARDA

bonheur 1.jpg

Ongeveer vijfenveertig jaar geleden zag ik ‘Le bonheur’ (1965) een eerste keer. De pastorale, idyllische beelden zijn me altijd bijgebleven. En ook de zekerheid dat in het paradijs van Agnès Varda, in het gelukkige kerngezinnetje dat zij ons in zijn dagelijks reilen en zeilen laat zien, niet alles pluis is. Gisteren zag ik de film opnieuw, in een magistraal gerestaureerde versie. ‘Le bonheur’ was de eerste kleurenfilm van Varda en dat zie je eraan. Het lijkt wel of de regisseuse al doende kleuren opnieuw uitvindt. De beelden zijn betoverend mooi, maar je zou ze net zo goed kitsch kunnen noemen.

Het verhaal wil ik hier niet uit de doeken doen. Het is te mooi en te verschrikkelijk om waar te zijn. Ik denk dat het over een man gaat die zo gelukkig is dat hij nog meer geluk wil. Wat impliceert dat hij ongelukkig is en het ook zal blijven. Je kunt hier ‘geluk’ door ‘seks’ of ‘bevrediging’ vervangen.

Ik weet niet wat destijds mijn conclusie was. Gisteren besefte ik dat ‘le bonheur’ hetzelfde is als ‘le malheur’ – in de context van Agnès Varda’s film dan toch. En ook in het algemeen: hoe kan een mens gelukkig zijn als zijn hunker en zijn begeerte altijd maar aan hem (of haar) blijven knagen? Als hij nooit volkomen bevredigd is? Zelfs als de zon volop schijnt en de zonnebloemen in volle bloei staan.

bonheur2.jpg

le bonheur, agnès varda, geluk, ongeluk, tragedie, idylle, paradijs, verbanning, kitsch, kleuren, revolutie, feminisme, onderdanigheid, verlangen, seks

le bonheur, agnès varda, geluk, ongeluk, tragedie, idylle, paradijs, verbanning, kitsch, kleuren, revolutie, feminisme, onderdanigheid, verlangen, seks

 

LIONS LOVE: OVER AGNES VARDA, VIVA EN SHIRLEY CLARKE

0VivaRadoRagniinAgnsVardasLionsLove...And Lies +1968.jpg

Zondag zag ik in de Flagey Studio ‘Lions Love’, Agnès Varda’s pseudo-documentaire uit 1968, met onder meer Viva, Gerome Ragni, James Rado, Shirley Clarke, Carlos Clarens en Eddie Constantine. Een meesterwerk kun je deze film niet noemen. Agnès Varda, over wie ik al eerder schreef, heeft geen grootse werken gemaakt. Ik vermoed dat dat ook nooit haar bedoeling was. Zij wilde vooral zichzelf zijn en blijven. Zij wilde zonder toegevingen aan wie of wat dan ook haar ding doen. Zij wilde hoe zij was, hoe zij in de wereld stond en naar mensen en dingen keek, in haar films laten zien. (Ik schrijf in de verleden tijd, wat niet helemaal juist is want Agnès Varda is nog altijd actief.)

Volgens het programmaboekje van Cinematek biedt ‘Lions Love’ “een eigenzinnige kijk op hoe de golfslag van mei 1968 over Hollywood kabbelde.” In de Franse tekst staat er dat de film ons helpt “à comprendre le mouvement hippie”. Onzin natuurlijk. ‘Lions Love’ is gesitueerd in Los Angeles in de eerste week van juni 1968. Daar was van de “golfslag van mei 1968” nog niets te merken. Dat hele mei ’68-gedoe is een mythe, gecreëerd door buitenstaanders, mediamensen en technocraten die er geen flauw benul van hebben wat er in de jaren zestig werkelijk is gebeurd. Dat er sindsdien een mentaliteit van “vrijheid-blijheid” bestaat, zoals Bart De Wever in zijn reactionair essay over Willem Ellschot – vorige zaterdag in De Standaard – nog beweerde, is ook zo’n mythe. Twee leesbare boeken die de periode in een wat ruimer perspectief plaatsen zijn ‘1968’ van Mark Kurlansky en ‘There’s a Riot Going On’ van Peter Doggett. Overigens begrijp je na het bekijken van deze grappige en soms tragische film helemaal niets van “le mouvement hippie”, want daar gaat hij helemaal niet over. Over beweging en bewegende beelden dan weer wel. Maar ook over stilstand: aan elke film komt helaas een einde. Het einde van ‘Lions Love’ is een close up van ongeveer drie minuten van de goddelijke Viva.

agnes varda.jpg

Het belangrijkste thema van ‘Lions Love’ is film. Het gaat inderdaad om metafilm. Agnès Varda heeft het over de regels van het filmmaken en het overtreden van die regels. De Brusselse regisseuse breekt met ongeveer alles wat tot dan als norm geldt, al is zij daarin niet de enige en ook geen voorloper. ‘Lions Love’ gaat over Los Angeles, over Hollywood, filmsterren, producers. Hij gaat over de samenhang van geweld en politiek in de Verenigde Staten, de verstrengeling van privé- en publiek leven. Het is een lofzang op Andy Warhol en tegelijk een kritiek op zijn apolitieke en commerciële milieu, de New Yorkse underground. Het is tevens een lofzang op vrijgevochten en creatieve vrouwen zoals Shirley Clarke, Viva en Agnès Varda zelf.

0shirleyclarke.jpg

Het verhaal is eenvoudig. Shirley Clarke, onafhankelijke Amerikaanse regisseuse, bekend van ‘The Connection’ en ‘The Cool World’ reist van haar habitat New York naar Los Angeles om er een film te maken voor een grote studio. Acteurs die ze voor ogen heeft zijn Gerome Ragni en James Rado, de schrijvers van en acteurs in ‘Hair’, en Viva, superster* van Andy Warhol. Ragno, Rado en Viva wonen samen in een nogal apart huis in Hollywood. Ongeveer alles is er fake en plastic, onder meer de paradijsvogelplant. De televisie is een soort van schrijn. Natuurlijk is er ook een zwembad. Er worden wat joints doorgegeven. Drukke, lange en verwarde telefoongesprekken. “Hello, Bank of America? I’d like to order $200 to go.” Op 3 juni overleeft Andy Warhol op het nippertje een aanslag door Valerie Solanas van de organisatie SCUM (Society To Cut Up Men). Twee dagen later schiet Sirhan Bishara Sirhan de tragische held Robert Kennedy dood. We zien enkele moeilijk gesprekken van Shirley Clark met de producers. Onder meer een discussie over het recht van de regisseur op de final cut, wat in die dagen ongehoord was in Hollywood. Uiteindelijk komt er geen geld voor het filmproject. Shirley Clarke doet een zelfmoordpoging.

Dit is echter maar het verhaal. Wat er werkelijk te zien valt kun je moeilijk navertellen. De schoonheid waarmee Agnès Varda het Los Angeles van 1968 filmt, bijvoorbeeld. Je krijgt er meteen zin van om ernaartoe te reizen, bijna vijftig jaar terug in de tijd, dat wel. Waar blijft die teletijdmachine? Ook de echt coole grappen, vooral die van Viva, kun je niet vertalen of uit hun context halen. (Dat negen maanden zwangerschap wel erg lang is om maar één kind te baren. Beter meteen voor drie gaan… onnozel als je het leest, maar niet als je het hoort en ziet. Timing is alles.)

SUPERSTAR VIVA 001.jpg

Circa 1970 was ik een fan van Viva**. Haar semi-autobiografische roman ‘Superstar’ (1970) heb ik verslonden. De ‘superstar’ was me vooral opgevallen in ‘Lonesome Cowboys’ van Andy Warhol. Maar eigenlijk was ze daarin (en in de andere Warhol-films, onder meer ‘The Nude Restaurant’ en ‘Blue Movie’) niet meer dan een nauwelijks betaald object/product (net zoals de andere superstars van Warhol, denk maar aan Edie Sedgwick en Ultra Violet). Agnès Varda ontdekte in Viva vooral het komische talent. Tijdens het draaien van ‘Lions Love’ trouwde Viva in Las Vegas met de Franse underground-cineast Michel Auder, die ze tijdens een kort verblijf in Parijs toevallig had ontmoet. Met deze ‘unsung hero’ zou ze aan een nieuw avontuur beginnen. Daarover later meer.

Lions love 2.jpg

*The reigning queen in Warhol’s camp of “handsome women and beautiful men”
** ‘Echte’ naam Janet Susan Mary Hoffmann. Ze was strikt katholiek opgevoed, haar ouders waren bewonderaars van communistenjager senator McCarthy. Als we ‘Superstar’ mogen geloven, en dat doen we.

 

RUE DAGUERRE

IMG_2296.JPG

Ik was al eerder in rue Daguerre geweest, wellicht op zoek naar sporen van Agnès Varda, maar de straat had toen weinig indruk op me gemaakt. Mogelijk had ik er maar een stukje van gezien, van de kant van Avenue du Maine, in de dagen dat ik nog in hotel Istria in rue Campagne Première logeerde, aan de overzijde van het kerkhof van Montparnasse. Istria biedt weinig comfort of gezelligheid maar wel mythe en legende: Francis Picabia, Marcel Duchamp, Man Ray, Kiki de Montparnasse, Erik Satie, Rainer Maria Rilke, Tristan Tzara en Louis Aragon logeerden er ooit.

Onlangs verbleef ik, eerder toevallig, een week in een hotel in rue Daguerre. Meestal kan ik me in een grote stad goed oriënteren, maar niet als ik uit de metro boven de grond kom. Deze keer echter liep ik, samen met mijn vrouw, bijna blindelings van het station Denfert-Rochereau naar mijn tijdelijke verblijfplaats. Wat zag rue Daguerre er volkomen anders uit op die zondagmiddag! Overal op de terrasjes – ik verafschuw dat verkleinwoord, maar in dit geval kan het niet anders – zaten opgewekte mensen dicht bij elkaar te eten en te drinken. De kleine winkels waren open. De geuren en kleuren van de uitgestalde etenswaren deden me watertanden. Aardbeien, kersen, groene en witte asperges, artisjokken, huisgemaakte pasta’s in alle denkbare vormen, konijnen, eenden, parelhoenen, kwartels, worstjes, tientallen kazen uit alle hoeken van Frankrijk, verse en bereide vis, waaronder zeeduivel met sinaasappel bereid, en in de drankwinkels honderden wijnen, champagnes en likeuren.

In de war geraakt van het zien en ruiken van al die lekkernijen stapte ik het verkeerde hotel binnen. Er zijn twee hotels die Daguerre heten, maar niet op hetzelfde adres. Het duurde even voor de man aan de balie besefte dat we een eind verder in de straat, bijna op de hoek van Avenue du Maine, hadden geboekt.
Eens op het juiste adres, in de juiste kamer, op de vijfde verdieping, met een fraai uitzicht op de straat en de zinken daken aan de overkant en gelukkig niet op de afschuwelijke Tour Montparnasse, aten we boterhammen met kaas, meegebracht van thuis. Mijn financiële situatie is duidelijk niet aangepast aan het leven in Parijs.

IMG_2305.JPG

In rue Daguerre woont (of woonde) Agnès Varda. Op nummer 88 bevindt zich Ciné-Tamaris, waar je dvd’s en wat merchandise wordt genoemd van de regisseuse en van haar te jong gestorven echtgenoot Jacques Demy kunt aanschaffen. Demy is het genie uit Nantes, beroemd geworden met de unieke films ‘Lola’, ‘Les Parapluies de Cherbourg’, ‘Les Demoiselles de Rochefort’ en  ‘Peau d’Âne’. Zijn levensgezellin maakte over hem de film ‘Jacquot de Nantes’. Over haar straat en haar buren draaide ze in 1975 een documentaire, ‘Daguerrotypes’. Ik heb Varda’s werk in de vroege jaren zeventig leren kennen; vooral haar ‘Cléo de 5 à 7’ (1961) en zeker ook ‘Le Bonheur’ (1965) maakten grote indruk. Maar ook de documentaires die ze tien jaar later in de Verenigde Staten filmde, zoals ‘Lions Love’ (met Viva in een hoofdrol) en ‘Black Panthers’, waren boeiend.

Door vlakbij de woning van Agnès Varda te logeren ben ik meer over haar te weten gekomen. Dat ze in Elsene geboren werd, dat ze net als haar man een tweeling is, dat ze een van de weinige aanwezigen was op de begrafenis van Jim Morrison, en dat ze de Franstalige dialogen schreef voor een van mijn uitverkoren films, ‘Last Tango In Paris’ van Bernardo Bertolucci. Overigens ben ik vanwege die film op een ochtend naar de metrostations Bir-Hakeim en Dupleix gereden. Ik hoopte onder het viaduct boven Boulevard de Grenelle iets van de eenzaamheid en wanhoop van Paul, het personage van Marlon Brando, te kunnen voelen maar tot mijn spijt was het er net bijzonder druk vanwege een markt. Of maakte dat gekrioel van die menigte in de verte me net écht eenzaam en wanhopig? Melancholisch werd ik er zeker van. Even weinig als rue Daguerre nog lijkt op de beelden uit 1975 in ‘Daguerrotypes’ lijkt het metrostation Bir-Hakeim op de locatie in ‘Last Tango’: het behoort toe aan de vluchtige wereld van de toeristen die zich naar de Eiffeltoren spoeden. Als je niet voorzichtig bent word je er van de trappen geduwd en vertrappeld.

IMG_2724.JPG

Rue Daguerre is inderdaad veranderd, maar het blijft, zoals ik hierboven al aangaf, een prettige straat. Een keer werd ik onaangenaam verrast. Een winkelier maakte zich buiten alle proporties boos op me omdat ik een foto wilde maken van een grote vette eend, die er erg lekker uitzag maar toch ook mijn medelijden opwekte, met haar witte vel met kleine rode stipjes op. De man kon zijn razernij nauwelijks onderdrukken, ook niet toen omstaanders, mensen uit de buurt, hem tot kalmte probeerden aan te sporen. Laat die man toch rustig een foto maken, zeiden ze. Ik maakte me in stilte uit de voeten, me pas te laat realiserend dat de straat genoemd werd naar Louis Daguerre, een van de uitvinders van de fotografie. Zijn naam staat op de Eiffeltoren gegrift. Dat zal met die van mij nooit gebeuren, zeker niet als ik geen foto’s van dode eenden mag maken.

Ω

Foto’s: Martin Pulaski, Parijs, 17-24 mei 2015