SUSPICIOUS MINDS

Hillary_and_tenzing.jpg

Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay.

Je weet wat er met the Long Ryders is gebeurd, je kent het leven van August Strindberg en kan het navertellen (wat geen zin meer heeft: iedereen vindt het in Wiki), je herinnert je tientallen steden en nog veel meer hotels – maar wat gebeurt er op dit ogenblik in je stad, in je straat, in het appartement beneden? Je weet het niet. Je weet niets. Je denkt – soms, in een optimistische bui – dat je dichterlijk op de wereld verblijft maar je stelt vast dat je stilaan blind en doof wordt. Misschien is dat altijd al zo geweest, leefde je in je eigen wereld, als een goedaardige psychopaat. Of – mogelijk – niet eens goedaardig, zelfs.

Hoe zou je dan een gedicht kunnen schrijven? Als je niets ziet van de kleuren in de ogen van een beminde vrouw of een kind, als je hun haren niet uit elkaar kunt houden, alsof ze allemaal in de war zitten, als je in je eigen stad verdwaalt, alsof je in een droom een donker spook najaagt dat meteen in een vriend verandert en dan in een wolf in de Ardennen en dan in een volgeling van L. Ron Hubbard?

Je moet over woorden en namen als riesling, zeeduivel, existentie, Santa Cruz nadenken: ooit verwezen ze naar universums, nu zijn het schimmen op de rand van je afgrond, schimmen al enigszins in de nabijheid van je – voorbarig – afscheidnemende verwanten. Je roept uit dat het allemaal zo erg nog niet is; dwaze gebaren gaan daarmee gepaard, ijl gelach, speurtochten diep in een of andere koelkast waarin nog wat drankjes moeten staan.

Je zegt tegen de weinige mensen die je ontmoet dat ‘Suspicious Minds’ je favoriete song is, maar je weet meteen dat je overdrijft. Alle liederen op ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’? Of ‘La maman et la putain’, wow! – terwijl dat toch zo’n vervelende praatfilm is. De mooiste stad van de wereld is New York, maar in werkelijkheid zit daar in je dromen een donker spook je op de hielen (de zolen van je Campers kleverig van bloed en Campari). Picasso was een knoeier, toch, met al die gekke kleuren. En Karel Appel!

De mooie dagen hebben we gehad. Nooit meer zal de Titanic zinken, nooit meer de Mount Everest door Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay worden beklommen (drie dagen voor je derde verjaardag), nooit meer met vlug in elkaar geknutselde sleeën, alsof het kunstwerken waren van Vic Gentils, over het oppervlak van het Albertkanaal gegleden, nooit meer zal je overweldigd worden door de barok van Ben Hur, El Cid en Cleopatra.

Zelfs de zon schijnt het te laten afweten. Alsof je donkerste dagen aangebroken zijn. Alsof wat ooit alles was nu niets meer is. Maar misschien is dit maar een moment van zinsverbijstering, veroorzaakt door een drietal glazen rode wijn. Een gevolg van enkele te hoge toppen, te ijzingwekkende vergezichten, te vergevorderde liefdes, te witte, extreem romantische sneeuw in sensationele streken.

IN EENZAAMHEID EN STILTE

cadiz2011.jpg

Cadiz, februari 2011. Foto: Martin Pulaski

“Thuis, in eenzaamheid en stilte, hervond ik mijzelf, hulde mij in mijn eigen geestelijke atmosfeer waarin ik me op mijn gemak voelde als in goedzittende kleren. Na een uurtje gemediteerd te hebben  zonk ik weg in de vergetelheid van de slaap, los van verlangens, wensen, begeertes.” August Strindberg, Eenzaam, 1903.

Er is meer droeve muziek dan vrolijke, tragedies raken je veel dieper dan komedies: het leven is geen pretje. Vaak maakt een boek je nog eenzamer dan je je al voelt nog voor je er in begint te lezen. Sterke of zwakke personages leiden sterke of zwakke levens. Maar ze bestaan, ze handelen, ze eigenen zich een plaats toe in de wereld, ze worden door anderen omringd, liefgehad, bemind, bedrogen, bestolen, bekroond, van de troon gestoten. ‘Eenzaam’ van August Strindberg is anders. Als je dat leest valt de eenzaamheid van je af. Een heel dun boekje, maar dik inzake inzichten, en daardoor groothartig inzake troost.

Met eenzaamheid leren omgaan, er leren van houden – dat doe je niet alleen door gedichten van Fernando Pessoa te lezen, films van John Cassavetes te zien, stukken van Sofokles te analyseren, maar vooral door te oefenen. Noem het schrijven, schilderen, iets maken. Je creëert je ingebeeld gezelschap, dat voor jou reële vormen aanneemt. Maar meer dan eens lukt dat niet. Wanhoop, miserie, innerlijke leegte komen je gezelschap houden. In zo’n geval is er nog altijd vergetelheid in melancholische muziek (voor de gevaarlijke gevolgen waarvan Thomas Mann al waarschuwde in De Toverberg), alcohol of drugs.  Kortstondig, als de blik in de ogen van een betaalde gazelle.

Een jongen of meisje gaat op zoek naar zichzelf, ontdekt vervolgens dat dat niet bestaat. Ai, geen zelf, wat nu? Werken maar. Beelden, woorden, het hele gedoe. Denkbeeldige armen van Venus of een andere godin.

De kleine dingen – en dieren – om je heen, vooral de mus of een andere minuscule vogel, kunnen je teruggeven aan jezelf, een zelf dat inmiddels wellicht veranderd is. Een mens blijft zichzelf herhalen, maar wordt om de zoveel jaren ook een andere mens, iemand anders. Waarom wordt dan zo vaak gezegd: je bent niets veranderd?

In februari dit jaar was ik twee weken alleen in Andalusië. Ik voelde me daar zelden eenzaam, met altijd de oceaan in de buurt, en die aangename afwisseling van dagenlang regen en dan langere periodes van heldere lucht, dromerige zon. Het deed me inderdaad goed om die bepaalde eenzaamheid te doorbreken met een praatje. Met iemand die op de bus naar Sanlucar de Barrameda  stond te wachten of met een of andere vriendelijke barman, zoals die van de Woodstock Bar in Cadiz. Wat is het goed als er niets van je gewild wordt en als jij zelf ook niets bepaalds wilt.

Het is toch vreemd dat je onzichtbaar kunt worden voor jezelf. Dat je jezelf helemaal niet meer ziet. Soms heb ik een hele tijd in de spiegel gekeken, me geschoren en dergelijke, zonder te beseffen dat ik mezelf zag. En dan loop ik soms boos op straat omdat ik het gevoel heb dat de mensen mij niet zien. Besta ik dan niet, vraag ik me af? Ik had het – wat langer geleden – soms ook op mijn werk, vooral tijdens vergaderingen: zagen de aanwezigen mij niet? Bestond ik wel echt? Waarschijnlijk had ik mij teveel geoefend in het mezelf onzichtbaar maken, geoefend in mijn eigen afwezigheid.

Dat schijn ik nog altijd te doen. Wil ik eigenlijk wel graag dat de anderen mij zien? Nochtans was mijn jongensdroom toneelspeler worden. Ik heb het een tijdje gedaan als avant-gardistische amateur. Maar het wilde niet goed lukken: ik was bijna altijd te zeer mezelf. Ik was een jongen die niet meteen besefte dat hij niet ‘voor goed’ bestond. Een jongen die op zijn minst twintig jaar moest slapen om dan, na het ontwaken, in de spiegel te kijken en zich af te vragen: wie is die man van middelbare leeftijd met die stoppelbaard? Hoe lang loopt hij hier al rond? Hoe lang zal zijn liedje nog duren?

Als je lang niet meer met iemand hebt gepraat kan alles beginnen te duizelen. Je bent van niets meer zeker. Er is nauwelijks nog een overgang tussen je huid en de kamer waarin je je bevindt. Geen kosmische ervaring in dit geval, maar een soort van identiteitsverbrijzeling. Je kunt je best wel behaaglijk voelen in je eenzaamheid. Maar het mag niet te lang duren.

 

HET PLEZIER VAN DE PARADOX

LINNAEUS (2)

Ik maak me niet echt zorgen over indelingen in hokjes, categorieën, types, soorten. Evenmin ben ik ongerust over opsommingen, lijsten, groepen, families, enzovoort. Met het vorige stuk, over categorieën en literatuur, wilde ik alleen maar de kwestie van de grens ter sprake brengen. Wat is dit en wat is dat? Waarom delen we de wereld zo graag in? Wat zit daar achter? Heeft dat met ons verlangen naar kennis te maken? Of met iets onduidelijkers?

Wat ik even goed wilde doen was mij beschermen tegen de literatuur en de poëzie. Ik heb mij ten overstaan van die ‘wereld’ altijd afzijdig gehouden, omdat hij me te levenloos leek. Levenloosheid is een zonde, heb ik toen ik nog jong was, bij Bob Dylan gehoord. Bob Dylan is trouwens een mooi voorbeeld van literatuur die geen literatuur is en muziek die geen muziek is, maar iets anders, iets ondefinieerbaars, iets dat altijd ontsnapt aan onze indelingen en categorieën. Niet dat ik mij met Bob Dylan wil vergelijken, maar ik heb hem altijd bewonderd, en dat zal wel zijn sporen getrokken hebben. Als ik samen ben met mijn vrienden spreken wij niet over het weer, maar over Bob Dylan, altijd over Bob Dylan. Er is geen ontkomen aan, een raadsel, een mysterie…

Ik ben niet bang om niet te worden gevonden of ontdekt. Als ik had willen worden gevonden dan had ik een bedrijfje opgericht of een vzw met als missie mij onder de aandacht brengen. Ik heb geen bedrijfje opgericht. Ik hoor nergens bij, ik hoor nergens thuis. “I’m a stranger in my own home town”. Het is een paradoxale situatie, want ik verlang er natuurlijk wel naar om ergens thuis te kunnen komen. Ik verlang er ook naar om ergens bij te horen, ‘to be one of the boys’. Alleen weet ik niet wie die ‘boys’ zouden kunnen zijn (of ‘girls’). Ik heb het nogal vaak over zielsverwanten, maar zijn zielsverwanten geen illusie? Moet je als puntje bij paaltje komt de wereld niet moederziel alleen trotseren, met de taal als je wapen, ook al wil je de vrede verkondigen? De taal als je spel. De taal als een mogelijkheid om tot de taal toe te treden. Is het niet de taal die je moet troosten? Of zijn het de handen van je geliefde?

Ik wil me niet afzonderen. Ik wil weten wie ik ben. Nog niet zolang geleden heb ik me een keer geïdentificeerd met de bloggers. “Wij bloggers” heb ik geschreven. Dat meende ik natuurlijk ook. Ik geloof dat ik niet kan liegen. Maar dat weet ik niet zeker. Die identificatie was gemeend, maar na zulke momenten van identificatie komt er altijd het afstand scheppen. Je kunt niet samenvallen met datgene waarover je nadenkt of met degene met wie je praat, hoewel Virginia Woolf schreef “we melt into each other with phrases…” Die woorden van Virginia Woolf kloppen ook wel, alleen is dat met elkaar versmelten van korte duur. Alle lust wil diepe, diepe eeuwigheid, maar slechts enkele ogenblikken zijn ons gegund.

Toch wil ik niet zeggen dat ik helemaal onvindbaar wil zijn. Door hier tevoorschijn te treden vraag ik aandacht. Ja, natuurlijk, ik krijg graag aandacht. Ik zal wel een narcist zijn. Als niemand een spoor achterlaat bij mijn teksten overvalt me soms een gevoel van diepe droefheid of voel ik me nutteloos en overbodig. Ik krijg graag reacties en commentaar. Jullie geven me moed om door te gaan, zijwegen in te slaan, mezelf in de spiegel te bekijken, een Narcissus die zichzelf heruitvindt, jullie inspireren me en maken me soms boos. Het gesprek in al zijn vormen is de adem van het leven.

Veel plezier vloeit voort uit de tekst. Het plezier van de tekst van de andere. Het plezier in de tekst. Het plezier van de echo van je ‘eigen’ tekst. Het plezier van de echo van de tekst van de andere in je ‘eigen’ tekst. Het plezier van het citeren en het zich toe-eigenen van de tekst van de andere. Het spelen met het vuur van de woorden. Het strelen van woorden, het stelen van woorden. In zekere zin. In een bepaald opzicht.