VAARWEL CLARA HAESAERT

clara - 1994 001 (3)

Natuurlijk zou Clara Haesaert niet eeuwig leven. Desondanks ging ik ervan uit dat er ooit een moment zou komen dat ik haar nog eens zou kunnen terugzien. Of afscheid van haar nemen. Dat moment is er niet gekomen. Clara is dood, ze is 94 geworden.
Clara was een van de weinige vrouwen aan wie ik veel te danken heb. Toen ik kennis met haar maakte voelde ik me al een oudere man, ik was tenslotte al 39. Clara zal ongeveer vijfenzestig geweest zijn. Bekeken vanuit het nu was zij nog bijna net zo jong als ik was. Relativeren wordt gaandeweg kinderspel. Waarschijnlijk is Clara altijd jong geweest.
Nu ik aan haar terugdenk komen tientallen verhalen en anekdotes weer naar boven. Teveel om op dit ogenblik aan het papier toe te vertrouwen, hoezeer ik dat ook zou willen doen. Mijn lijf is uitgeput en mijn hersenen draaien op volle toeren. De weken in Berlijn hebben een zware tol geëist. Die ik met genoegen heb betaald (en nog dagenlang zal afbetalen). Maar Clara…

Hoe is die altijd opgewekte en inspirerende muze uit mijn leven kunnen verdwijnen? De vrouw die me ertoe aangezet heeft mijn enige boek te publiceren, een vaardigheid waar ik nooit enige aanleg voor heb gehad en ook nooit zal hebben. Ik ben passief, ik kan nauwelijks vechten (al heb ik dat in mijn jeugd wel veel gedaan). Clara heeft in mijn plaats volgehouden, het boek is er gekomen. Kamertjeszonden, mogelijk mijn enige bij een ‘echte’ uitgeverij verschenen werk. Een uitgeverij die kort na die publicatie failliet is gegaan. Dat lange en bizarre verhaal moet ik zeker een keer vertellen. En net zo goed dat van ons tijdschrift Brutaal, hoewel Clara daar alleen maar in het begin bij betrokken was. Toch was zij wat literaire en kunsttijdschriften betreft een ervaringsdeskundige. Denk maar aan het baanbrekende De Meridiaan, dat zij samen met haar man Gentil Haesaert en Maurice Wyckaert in 1951 oprichtte. Dat was een jaar na mijn geboorte. Haar romantisch verhaal over de ontmoeting met die echtgenoot verdient evenzeer navertelling. Dat van haar vele opmonterende, inspirerende en soms wat flirterige bezoeken aan mijn werkplek bij de Dienst voor Openbaar Bibliotheekwerk, waar mijn leven als functionaris begonnen is (en dat van haar geëindigd). Dat van de middagen van de poëzie hier in Brussel, die zij samen met de dichter Frank De Crits organiseerde. Dat van haar souterrain in Schaarbeek, waar we soms vergaderden. Hoe ze mij bij het Arkcomité van het vrije woord heeft geïntroduceerd. Waar ik me als een hond in kegelspel voelde (maar wel een rashond, een soort van hazewind, geloof ik). Overigens is dat niets bijzonders: net als Groucho Marx voel ik mij in geen enkele club thuis en al helemaal niet in een club van cynische mannen. Was Clara Haesaert niet het enige vrouwelijke lid? Ik weet het niet meer zeker.

Mijn afscheid van datzelfde Arkcomité van het vrije woord, na de dood van Michel Oukhow, valt samen met de breuk met Clara. Al is breuk in dit geval een veel te sterk woord. We hebben nooit een conflict gehad, de scheiding is er vanzelf, bijna ongemerkt, gekomen. Ik heb altijd gedacht dat we elkaar terug zouden zien. Dat er dat moment zou komen dat ik hierboven al noemde.
Clara is nu alleen nog maar herinnering, stof voor toekomstige verhalen over het mooie en vaak opwindende verleden.

clara - levenslang 001

Afbeeldingen: Clara Haesaert bij de voorstelling van mijn dichtbundel Kamertjeszonden, oktober 1994 in Zuidpooltheater, Antwerpen; verzamelbundel Clara Haesaert, verschenen in 1993.

FASCINATION: DAVID BOWIE

davidbowie-earth1.jpg

Net zomin als ik meteen na de dood van Lou Reed waardige, glansrijke woorden vond om afscheid van hem te nemen kan ik dat nu na het verscheiden van David Bowie. Miljoenen van zijn fans maken hetzelfde mee; hun verbijstering en sprakeloosheid is in zekere zin een troost. Een troost is ook dat wij, hoe artificieel het ook mag wezen, ons verdriet met elkaar kunnen delen. “While troubles are rising / We’d rather be scared / Together than alone”. Terneerdrukkend is dan weer de vele onzin, de onnauwkeurigheden en flagrante fouten die ik in op maat gemaakte in memoriams lees (en probeer dat niet te doen).

Vergeef mij dat ik deze zeer subjectieve en magere beschouwingen toch ter lezing aanbied. Ik kan niet anders, ik moet.

Het enige wat mij gisteren lukte, na enige uren voor mij uit te zitten staren, was een kort gedicht. Nee, niet eens een gedicht, een treurstukje, een naïeve en kinderlijke poging om David Bowie uit zijn schuilplaats te lokken. Zonder resultaat. De Britse dichter Algeron Charles Swinburne schreef het al (en hij was niet de enige):

That no life lives for ever;
That dead men rise up never

Alles aan David Bowie was me dierbaar, zij het met onderbrekingen. Ik leerde zijn muziek kennen in een wazige, op elk gebied troebele, chaotische maar ook euforische tijd. Daardoor herinner ik me niet meer zo goed hoe het avontuur begon. Met ‘The Rise And Fall Of Ziggy Stardust And The Spiders From Mars’? Of met de Amerikaanse RCA-versie uit 1972 van ‘The Man Who Sold the World’? Het heeft weinig belang: beide langspeelplaten maakten een verpletterende indruk op me.
Aanvankelijk hield ik niet zo van David Bowie. Een goede vriend van me had me circa 1970 de elpee ‘David Bowie’ – die soms ook ‘Space Oditty’ heet – laten horen: die vond ik te bombastisch en te zweverig. Ik luisterde in die dagen naar Bob Dylan, the Rolling Stones, the Velvet Underground, Johnny Winter, the Grateful Dead, Johnny Cash en Neil Young. ‘Space Oddity’ paste niet in die sfeer. Alleen de single ‘Space Oddity’ viel in de smaak. Als ik de elpee nu beluister klinkt ze lang niet meer zo bombastisch, maar geslaagd vind ik ze nog steeds niet.

davidbowie hunkydory.jpg

Vermoedelijk na het verschijnen in 1972 van Lou Reeds ‘Transformer’, die Mick Ronson en David Bowie produceten, begon de echte fascinatie. De dagen die ik doorbracht met ‘Ziggy Stardust’ – alle songs – en ‘The Man Who Sold the World’ – alle songs – waren opwindend, betoverend… Neen, die woorden volstaan niet. Ik kan de sfeer die in onze muziekkamer hing en die me helemaal doordrong, lichamelijk en geestelijk, niet benoemen. Het gaat niet. Het volstaat ook niet om nu naar die magische platen te luisteren: de gevoelens en emoties die ze opriepen komen nooit meer terug. Ik herinner me dat mijn kleine wereld in een theater veranderde waar veel meer mogelijk werd dan ik ooit vermoed had. Dankzij ‘Transformer’ en de twee platen van David Bowie werd ik sterk, onoverwinnelijk, en in zekere zin ook meedogenloos. Dat ik me in dezelfde periode in Nietzsche verdiepte en antipsychiatrie bestudeerde zal daar ook wel toe bijgedragen hebben. Songs als ‘The Width Of A Circle’ en vooral ‘All the Madmen’ drukten heel goed die tijdsgeest uit. Overigens lazen mijn vrienden en ik in die dagen Kahlil Gibran, een ‘profeet’ waar Bowie eveneens naar opkeek. Wat wij in die hele Kahlil Gibran zagen is me nu een raadsel. De leermeesters van de antipsychiatrie, Ronald Laing en David Cooper, blijven echter waardevol.

Omdat ik weinig geld had duurde het enkele maanden voor ik me ook ‘Hunky Dory’ kon aanschaffen, een album dat al in 1971 was uitgekomen. Van de beginperiode vind ik dat het hoogtepunt, hoewel ik voor die voorkeur geen muzikale of tekstuele argumenten kan aanreiken. Hoewel. Er staan schitterende songs op, dat zeker. En kant twee is perfect. Heeft de begenadigde zanger ooit betere songs geschreven en gezongen dan ‘Life On Mars?’, ’Andy Warhol’, ‘Song For Bob Dylan’ en ‘The Bewlay Brothers’?

Ook 1973 was voor mij nog een David Bowie-jaar. ‘Pinups’ blijft voor altijd een van de meest overtuigende cover-elpees. Perfecte keuze van swinging sixties en psychedelia, perfecte uitvoering, met als hoogtepunt ‘Sorrow’, dat ik kende in de versie van the McCoys. Daarna de waanzinnige vloedgolf die ‘Aladdin Sane’ heette, androgynie en antipsychiatrie ten top gedreven. ‘Panic In Detroit’, ‘Time’ met de cabaretpiano van Mike Garson, en Bo Diddley op amfetamine in ‘The Jean Genie’, met voor de liefhebbers verwijzingen naar de dief Jean Genet. (Lees Patti Smith’s M Train voor mooie verhalen over Jean Genet.)

Waarom hield mijn bewondering voor David Bowie in 1974 op? Heel zeker weet ik het niet, maar ik denk dat ik stilaan genoeg kreeg van rock. Ik werd ‘sick of all this repetition’ en ging me in jazz en klassieke muziek verdiepen. Trouw bleef ik zeker wel aan Bob Dylan, John Cale, Syd Barrett, Captain Beefheart en Alexander Spence.

david_bowie_-_1977_low.jpg

1977 was een keerpunt. Opeens hoorde je op de radio the Clash, the Sex Pistols, the Buzzcocks, herrieschoppers – een nieuwe muzikale revolutie. Bowies ‘Rebel, Rebel’ – uit ‘Diamond Dogs’, 1974 – was opnieuw relevant. We gingen weer elk weekend dansen, extatischer dan ooit tevoren. Punk rock, rockabilly, reggae, elektronica. Een hoogtepunt op de dansvloer was de single ‘”Heroes”’. De gelijknamige elpee van Bowie – de zanger woonde nu in West-Berlijn en werkte samen met Brian Eno – was het hoogtepunt van dat jaar. Ik was werkloos en arm, maar ging toch op zoek naar wat ik gemist had. Zo vond ik in de tweedehandsbakken ‘Station To Station’(1976), wellicht als geheel zijn meest geslaagde album en ‘Low’ (ook uitgebracht in 1977). ‘Low’ is de eerste plaat die ik gisteren heb opgelegd. Een meesterwerk, zowel de bijna traditionele songs op kant één als de abstracte soundscapes op kant 2. Ik geloof dat ik bij Matti Piucci las dat de B-kant van ‘Low’ hopeloos verouderd is. Wat een onzin. Kant 2 van ‘Low’ is nagenoeg perfect. Is ‘Lodger’, deel drie van wat de Berlijnse trilogie wordt genoemd, minder goed? De plaat is niet zo experimenteel als de twee andere, maar naar mijn mening hoort ze desondanks bij Bowies betere werk. Wat een uitstekende en avontuurlijke musici zijn hier aan het werk! Luister nog een keer naar ‘Repetition’, waar ook een mooie cover van bestaat door the Au Pairs. “What’s the good of me working / When you can’t damn cook”.

davidbowieeno_fripp.jpg

In 1980 verraste David Bowie ons met een “commerciële” rockplaat, ‘Scary Monsters and Super Creeps’. Het is de elpee van de betreurde zanger die ik het meest heb gedraaid. Er was een tijd dat ik alle teksten uit het hoofd kende. Helaas zijn alleen van ‘Teenage Wildlife’ wat flarden blijven hangen. Of misschien maar goed ook, want ik zing even vals als Bowie zelf in een scène van de film ‘The Man Who Fell To Earth’. De fraaie cover van Tom Verlaine’s ‘Kingdom Come’ is mooi meegenomen, een fijn voorbeeld van David Bowies generositeit. Ook weer heel veel gedanst op ‘Fashion’ en ‘Ashes To Ashes’.

Wat mij betreft is ‘Let’s Dance’ uit 1983 David Bowies – voorlopig – laatste grote album. Het is zijn meest toegankelijke werk, zijn vrolijkste ook, maar gelukkig hoor je trieste ondertonen. Vrolijkheid zonder verdriet is leugenachtig. De productie van Nile Rodgers is kristalhelder, het gitaarspel van Stevie Ray Vaughn economisch en expressief. Op ‘Let’s Dance’ staat mijn uitverkoren Bowie-nummer: ‘Without You’. Ook toen Bowie nog leefde kreeg ik er vaak de tranen bij in de ogen.

davidbowieletsdance.jpg

Altijd ben ik naar de muziek van David Bowie blijven luisteren. Maar wat na ‘Let’s Dance’ is uitgekomen heb ik niet meer gevolgd. Vanaf 1982, toen ik met mijn eerste radioprogramma ben begonnen, ben ik me meer en meer gaan verdiepen in muziek uit het verleden, zij het met veel aandacht voor nieuwe bands en singer-songwriters. Op dezelfde manier ben ik aandachtiger gaan luisteren naar opnamen van Bowie die ik nog niet zo goed kende, onder meer naar het sublieme blanke soulalbum ‘Young Americans’ – waarvoor hij samenwerkte met Luther Vandross – en naar de liedjes uit het prille begin, zoals het wondermooie ‘You’ve Got A Habit Of Leaving’, met Nicky Hopkins op piano, en ‘London Boys’. Nieuwe releases echter gingen aan me voorbij. Daar zal wel een reden voor bestaan, maar ook die ken ik niet. Wel zag ik gisteren op BBC Bernard Sumner van Joy Division/New Order met zijn mond vol tanden staan toen hem gevraagd werd wat hij dacht van Bowies oeuvre na 1990. Zelfs met de titel van ‘The Next Day’ had hij het moeilijk. Zo hoef ik mij er niet al te erg voor te schamen dat ik mijn David verwaarloosd heb tot ik ‘Where Are We Now?’ hoorde. Was dat in januari 2013 dat ik zo heb zitten huilen? Ik dacht dat David Bowie ziek was, dat hij ging sterven. Zo triest was dat lied. Maar buitensporig mooi en nostalgisch. Ik kon niet anders dan op zoek gaan naar sporen van de geniale performer in Berlijn. Die heb ik er in september vorig jaar gevonden. In het huis waar ik logeerde lag dezelfde traploper als in dat waar David Bowie en Iggy Pop hebben gewoond. In mijn verbeelding was mijn oude held weer jong en springlevend. Ik had the Lodger nieuwsgierig en levenslustig door de Berlijnse straten zien lopen. Zelfs dacht ik hem in een van de aanwezigen bij een concert van Ryley Walker in de Privat Club te herkennen.

Vanaf morgen ga ik mij overgeven aan ‘Blackstar’. Ik weet nu al dat ik in weer een andere wereld zal aanbelanden. Een wereld die geen theater zal zijn, waar ik niet als een sterke, onoverwinnelijke en enigszins meedogenloze man zal ronddwalen. Ik denk dat ik de wereld van ‘Blackstar’ al ken. Maar met David Bowie weet je het nooit zeker. Een ding staat vast: David Bowie veranderde misschien aan de oppervlakte, in de diepte bleef hij zichzelf, een en al emotie en fascinatie, een en al levenslust.

davidbowiejong.jpg

Somebody up there likes me

Ω

Ik heb het hier niet gehad over soundtracks, singles, live-platen, video’s, films (waaronder een van mijn lievelingsfilms, ‘The Man Who Fell To Earth’ van Nicolas Roeg, met David op z’n allermooist), theater, performance. Jammer. En laat Bob Dylan nu maar een ‘Song For David Bowie’ schrijven.

Ook interessant: David Bowies honderd favoriete boeken.

 

 

 

VERLOREN IN DE WERELD

bio9 001.jpg

Altijd al hoorde ik graag songs over zwervers, hobo’s, zigeuners, circusartiesten en zo meer. Mensen zonder thuis en zonder echt vaderland. Wellicht viel ik om die reden ook meteen in de zomer van 1965 voor ‘Like A Rolling Stone’. Ik hield van zulke liederen omdat ik een schipperskind was, en hoewel schippers zelfstandigen waren en zich, in België althans, konden herkennen in de programma’s van liberale partijen – ook al hadden ze weinig tijd om die uit te pluizen en waren ze bovendien meestal laaggeschoold -, hadden zij geen huis en geen thuis en net als de personages die de liedjes die ik zo graag hoorde bevolkten geen echt vaderland.

Geen thuis hebben om naar terug te keren is wellicht een van de ergste dingen die een mens kan overkomen. Daarin zijn evenwel gradaties: ik kan mijn toestand onmogelijk vergelijken met die van iemand als Jean Améry, waar Sebald zo aangrijpend over schrijft in ‘Campo Santo’. Ik ben geen Europese jood wiens volk en cultuur is uitgeroeid en wiens huis, dorp, stadswijk, is verwoest. Ik ben geen zigeuner die overal met de vinger gewezen en weggejaagd wordt, ik ben geen zwerver die nergens meer naartoe kan en evenmin ben ik een dakloze wiens leven zich afspeelt op ongeveer vijftig vierkante meter. Maar toch voel ik me, omdat ik nooit naar mijn vaderland terugkeren kan, onzeker en voor altijd verloren in de wereld. Ik kan niet terug naar waar ik vandaan kom, want ik kom nergens vandaan.

Ik zag het levenslicht in een moederhuis op een steenworp van het Straatsburgdok in Antwerpen. Mijn vader was een natuurlijk kind uit een arme boerenfamilie in Neerharen. Mijn grootvader heb ik nooit gekend. Wellicht was hij een Dumonceau, een de Lambert of een van Langendonck, families die eigenaar waren van wat het ‘kasteel’ van Hocht werd genoemd, waar mijn grootmoeder als dienstmaagd werkte. Het kasteel was oorspronkelijk een abdij, gesticht in 1180 door Diederik van Pietersheim. De abdij was toegewijd aan Sint-Agatha, een naam die me altijd gefascineerd heeft. Wat hield ik van het incestueuze toneelstuk ‘Agatha’ van Marguerite Duras! In 1708 kwam de abdij in handen van Marie-Ursule de Minckwitz, de zogeheten ‘Vrouwe van Neerharen’. Na de Franse revolutie werd het landgoed het bezit van de hierboven genoemde adellijke families. Welke familie er verbleef  toen mijn vader geboren werd heb ik nog niet kunnen achterhalen. Maar net zo goed kan hij de zoon geweest zijn van een stalknecht. Na als arme jongen op het veld te hebben gewerkt en enkele jaren in de koolmijn van Eisden huwde hij mijn moeder, schippersdochter. Hoewel haar ouders altijd schippers waren geweest, net zoals haar grootouders, had zij toch ook familie aan de wal, voornamelijk in het Antwerpse. Mijn moeder had niet lang school gelopen, hooguit vijf jaar, maar ze was intelligent, kon goed rekenen en schrijven – in een bijzonder verzorgd handschrift – en las graag romans. Bovendien sprak en schreef ze uitstekend Frans. En hoewel ze schippersvrouw was kon ze er als een ‘echte dame’ uitzien. Mijn band met Antwerpen is er door mijn moeder gekomen, maar ook mijn wanderlust. Het verlangen naar vaste grond onder de voeten had ik van de boerenjongen die mijn vader altijd is gebleven.
bio13 001.jpg

Tot mijn achtste ben ik ononderbroken op het schip gebleven. Een ander leven kende ik niet. Vriendschappen, als ze al bestonden, waren zeer vluchtig, een dag, soms wat langer. Lezen, schrijven en rekenen leerde ik van mijn moeder. Omdat ik een zwak kind was, ten gevolge van astma, wilden mijn ouders me niet, zoals mijn oudere broer, naar een schippersschool sturen. Zo kwam ik op aanraden van dokter Couvreur in Antwerpen in een kinderkolonie terecht, het Kinderdorp Molenberg te Rekem, waar ik al eerder over schreef. Een idyllische hel midden in de bossen vlak bij Opgrimbie, waar Koning Boudewijn een domein bezat. Daar was ik een brave, gelovige, voorbeeldige en uitmuntende leerling. Maar ik was ook diep ongelukkig vanwege het bruuske afscheid van mijn ouders en van het toch wel avontuurlijke leven op het water. Ik was ook opvliegend van aard. Tijdens vakanties verbleef ik wel weer op het schip en voelde ik me stukken beter, hoewel al vervreemd van dat leven en van de taal die mijn ouders spraken. In het kinderdorp werd mij Nederlands aangeleerd, zij het met een Limburgs accent. De eerste jaren bad ik veel tot God, altijd in mijn eigen woorden; later begon ik liefdesbriefjes te schrijven naar Veronica en Betsy. Na vier jaar moest ik weg uit Rekem, omdat ik mijn geloof had verloren en in de ogen van Moeder Overste aan heiligschennis deed. Zo kwam ik in het Home voor Schipperskinderen in Eisden terecht, het mijnstadje waar mijn vader nog had gewerkt. Een fascinerende omgeving was dat, niet ver in afstand van Rekem maar toch een andere, een exotische wereld. Van vier uur ’s avonds tot de vroege ochtend verbleef ik in het home, dat nieuw was en helemaal niet streng, integendeel. Zelfs het eten was er lekker. Overdag fietste ik naar de reguliere school, het Atheneum van Eisden. Veel van mijn vriendjes en vriendinnetjes en medeleerlingen hadden vreemde namen, vooral Italiaanse en Poolse. Ik zal zeker nog niet beseft hebben dat zij net als ik ‘anders’ waren, outsiders in zekere zin. Tijdens de weekends kon ik nu naar ‘huis’. Ik verbleef dan ofwel op het schip, als dat toevallig aangemeerd lag in Neerharen, ofwel – ook in Neerharen – bij Berb, een nicht van mijn vader, ofwel bij Jefke en Louise, die een winkel hadden. Ik geloof dat Jefke samen met mijn vader in het verzet had gezeten. Stilaan bouwde ik in dat dorp een vriendenkring op. Ik begon me er thuis te voelen, ook al kende ik het dialect niet.

Voor de laatste vijf jaren van de middelbare school verbleef ik in het internaat van het Koninklijk Atheneum te Tongeren. Daar werd ik aanvankelijk gepest, maar omdat ik kon vechten en niet zo dom was als aanvankelijk misschien werd gedacht, dwong ik al gauw respect af en kreeg ik vrienden. Van Tongeren hield ik niet echt, wel van Hasselt, waar sommige van mijn vrienden vandaan kwamen. En nog meer van Maastricht, een mooie stad aan de Maas, waar ik boeken, platen en modkleren ging kopen. Tijdens de weekends trok ik nog altijd naar Neerharen, maar daar begon ik mij geestelijk van te verwijderen. Eigenlijk begon ik neer te kijken op de dorpsmentaliteit. De grote, bruisende, flitsende, coole wereld opende zich voor mij. Dat deed hij in boeken, in films, op televisie, in de winkels van Maastricht en vooral in popmuziek. Het werd me duidelijk dat Neerharen, Rekem, Eisden en zelfs Tongeren en Hasselt te klein voor me waren. Ik droomde van Londen en andere grote steden.

1968m 001

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Brussel, waar ik eerst film en daarna filosofie zou studeren was geen slecht alternatief maar de stad van mijn moeder, Antwerpen, heeft me altijd meer aangetrokken. Na mijn studies en de mislukking van mijn eerste huwelijk ging ik daar wonen en werken. Overdag schreef ik tot ik erbij neerviel, ’s avonds dronk ik en tijdens de weekends werd er de hele nacht gedanst. In Antwerpen was ik ziek, euforisch, gelukkig, straatarm en even verloren als waar dan ook. Mijn beste vrienden wonen er, maar ik kon er niet blijven. Ik moest naar Brussel terugkeren.

Sinds 1991 woon ik hier nu als een banneling. Al die jaren al loop ik verloren in mijn stad, die een weerspiegeling is van de wereld. Meer dan eens ben ik al verdwaald, veel meer dan in New York, Londen of Lissabon. Ik moet altijd dezelfde metrolijn, dezelfde tram, dezelfde bus nemen of ik weet niet waar ik terechtkom en ben dan hulpeloos en bang. Maar wat een genoegen als ik toch eens een ander parcours neem! Op zo’n momenten – die lang  kunnen duren – is verdwalen een genot. Maar dat is literatuur, het is literair dolen en in de wereld zijn. Ik ben meer vertrouwd met de personages in de boeken en de films die hier staan dan met de mensen in mijn straat en in de andere straten van deze stad. Niemand groet mij en ik groet niemand. Omdat ik als kind zoveel afscheid heb moeten nemen kan ik geen gezichten herkennen en herinner ik me alleen maar namen van mensen die mij diep geraakt hebben met iets wat ik niet noemen kan. Die weinige mensen zijn mij dierbaar en houden mij in leven en doen mij verlangen naar een ander vaderland. Daar verblijf ik ’s nachts. Mijn vaderland, mijn thuis, is dan een conglomeraat van alle oorden waar ik ooit een dag, een week, een jaar heb doorgebracht. Alles is daar tegelijk vreemd en vertrouwd, angstaanjagend en verrukkelijk, wreed en levenslustig en erotisch. Ja, ik geloof dat ik ’s nachts naar huis ga. Maar waarom lig ik dan zo vaak wakker?

vaderland, moederland, thuis, huis, zwerven, schippers, schipperskind, school, internaat, kolonie, neerharen, rekem, eisden, tongeren, hasselt, maastricht, hocht, limburg, brussel, antwerpen, eenzaam, verloren, ballingschap, boeken


INMIDDELS…

In 1958 moest ik afscheid nemen van mijn ouders en werd ik naar het bos gestuurd dat op mij de indruk maakte van een oerwoud groter dan het Amazoneregenwoud. Onmogelijk daar ooit uit te ontsnappen. In dat bos bevond zich een schoolkolonie, het kinderdorp Molenberg. Daar zat ik vier jaar van mijn jong leven vast, even lang als de idioot, vorst Mysjkin, in een Zwitsers sanatorium, waar hij heel gelukkig was. Was ik er gelukkig? Hoewel het oord in mijn herinneringen soms een paradijs is, is het er meestal toch een gevangenis en een hel.

school,bos,gevangenis,kinderdorp molenberg,hel,paradijs,rapport

(Op het rapport staat tweede termijn omdat ik meteen naar het tweede studiejaar mocht.)

AFSCHEID

P1000960 (2)

Al van in het begin kan ik geen afscheid nemen. Al van in het begin besef ik dat afscheid nemen erger is dan om het even wat ik me kan voorstellen. Afscheid nemen is doodgaan of, wat nog erger is, iemand van wie je houdt voor je ogen zien sterven. Je eigen angstschreeuw versmelt met die van hem of haar. Als ik afscheid moet nemen zink ik weg in mijn chaos, maar verdrinken doe ik niet. Als ik afscheid heb genomen kom ik altijd weer boven water.

Hoe is het toch mogelijk dat ik geen afscheid kan nemen, terwijl zoveel mensen daar zo goed in schijnen te zijn? Hoe doe je dat? Hoe komt het dat ik het niet kan?

Hoe neem je afscheid? Mijn personage Schwarz, dat al van in de jaren zeventig bestaat, begrijpt niets van de meedogenloosheid die bij een afscheid schijnt te horen. Afscheid nemen maakt hem tegelijk blind en extreem gevoelig. In de chaos die hem overrompelt begrijpt hij niets meer; niets heeft nog betekenis of zin. Hoe kan een mens wiens wereld instort iets begrijpen?

Een andere zaak is dit: sommige mensen zijn goed in afscheid nemen, uit ervaring, of omdat het in hun aard ligt. Misschien genieten sommigen er zelfs van. Afscheid als een vorm van ‘in de steek laten’, reddeloos achterlaten; sommigen noemen het dan: verraden.  Anderen, zoals Schwarz, kunnen het niet en leren het nooit.  In mijn geval misschien – paradoxaal genoeg – omdat ik zo vaak gedwongen ben geweest om afscheid te nemen. Van mijn ouders op het schip, van mijn broer als hij voor drie maanden naar het internaat vertrok en we niet meer samen konden spelen, van mijn grootmoeder en tantes in Merksem, van mijn vrienden in de dorpen en steden en havens en op school. Uit al die droevige en soms traumatiserende ervaringen heb ik niets geleerd. Waar ik aan ‘lijd’ wordt verlatingsangst of verlatingsneurose genoemd. De angst om in de steek gelaten te worden. Uitentreuren heb ik daarover geschreven – en gepraat met vrienden, drinkebroers en -zusters en therapeuten (van wie ik uiteindelijk ook altijd weer afscheid moest nemen). Misschien is het een van mijn belangrijkste thema’s. Ik kan geen afscheid nemen, hoewel het vaak niet anders kan.

Lang geleden – van 1975 tot 1991 – had ik een heel goede vriend. Ik beschouwde hem als een ‘ander zelf’. Als wij op café gingen, zaten we daar twee dagen lang, tot we letterlijk omver vielen of op zijn minst op elkaars schoenen braakten. Hij is gestorven zonder dat ik afscheid van hem heb kunnen nemen. Ik liep op het strand van Cadiz toen hij zich het leven benam. Bij mijn terugkeer vernam ik het vreselijke nieuws van een wederzijdse kennis. Mijn vriend was toen al in rook opgegaan.

Wat ik nu doe, en dat is niet goed vermoed ik, is me isoleren;  ik vermijd ontmoetingen, zodat ik ook geen afscheid moet nemen. Zodat ik toch maar geen afscheid moet nemen.

Meer hierover later, na deze hete zomer, waar ik ook weer afscheid van zal moeten nemen. Maar gelukkig komt er dan de herfst en daarna de lange winter.

Ω

Foto: Martin Pulaski, zomer 2010

AFSCHEID

1895_edvard_munch_jalousie_jealousy.jpg
Edvard Munch – Jaloezie (1895)

Afscheid nemen doet pijn aan het hart van de ziel. Aan het vlees van de ziel. Het is een donkere bedoening, het omgekeerde van een dans. Tijdens een dans benader je elkaar, beweeg je je in de richting van de andere: dansen is het genot van de ziel, het euforische ritme ervan. Zelfs een kleine dans kan wonderen verrichten, terwijl elk afscheid op een vergiftiging lijkt, op de vloek van een zwarte magiër.

 

HET LEVEN EENVOUDIG

reizen,warm,portugal,eenvoudig,afscheid,verhalen,vliegtuigen,ellende,lezers,lissabon,bussen,zuiden,donovan,exotica,taag,tavira,treienen

Een korte nacht slapen of wakker liggen en ik zit weer in een vliegtuig naar Portugal. Alsof een mysterieuze macht me naar dat land lokt. Ik kan nog heel moeilijk ergens anders naartoe, Nashville, Chicago, Londen, Sri Lanka, Kenya, Ierland, Shangai – alles wat nu in de mode is lijkt me zelf ook aantrekkelijk. Als je maar weg bent uit je dagelijks bestaan, die verdomde ellende. Maar die en andere exotische oorden en geliefde steden kunnen mij niet meer bekoren. Het moet Portugal zijn, Porto, Lissabon, de Taag, en dieper naar het Zuiden, waar het warmer is en het leven eenvoudig.

Ik neem gaarne afscheid van mijn lezers omdat ik over veertien dagen een beetje een nieuwe mens zal zijn, met nieuwe verhalen. Dat weet ik, zelfs als ik de verhalen voorlopig misschien niet zal vertellen. Ik heb mijn tijd nodig. Maar altijd is er dat elegische gevoel: de dingen blijven, wij niet. Daarom moet ik mijn tijd ook weer niet te lang rekken. Ik heb wat tijd nodig, maar wachten tot het te laat is, nee! Op dit ogenblik hoor ik na jaren ‘Colours’ van Donovan, hoe mooi dat is, een juist moment om afscheid te nemen. “That’s the time I love the best.”

Tot zestien november.