DE MAN ACHTER HET LOKET

IMG_4188.JPG

Vorige zaterdag dacht ik onwillekeurig terug aan een essay van Stefan Hertmans over de woordenloosheid, getiteld ‘Een wak in het spreken’. Niet dat ik er mij nog veel van herinnerde, er zijn sinds 1993 al zoveel – meestal overbodige – woorden door me heen gegaan dat ik er, opstandig als ik vaak ben, nagenoeg sprakeloos van ben geworden. Nee, ik wil het hier en nu niet hebben over de poel des verderfs die ‘Vlaamse literatuur’ wordt genoemd (waarop Hertmans een uitzondering blijft). Ik wil het hier en nu hebben over het dagelijks leven in de hoofdstad van het Koninkrijk.

Aan een van de twee open loketten in het Centraal Station te Brussel, hoofdstad van Europa, wilde ik na enig tevergeefs zoeken naar een open krantenwinkel, een kaartje kopen voor de trein naar Antwerpen, cultuurhoofdstad van Europa in 1993, naar aanleiding waarvan Stefan Hertmans het hierboven genoemde essay  schreef. Eerst was ik door de opgefriste lange gang gelopen die het metrostation met de laatste nachtmerrie van Baron Horta verbindt: wat een herademing! Die schoonmaakbeurt werd al zo’n dertig jaar aangekondigd. De gang stonk al die jaren al niet alleen naar faeces en urine: je was nooit zeker of je wel levend de uitgang zou bereiken. Waarom er zo werd getalmd weten alleen enkele hooggeplaatste notabelen, die wellicht verkiezen om te zwijgen, een beetje zoals Bartleby the scrivener; alleszins werd er over getwist door aannemers, dorpspolitici, notarissen, advocaten, hamburgerverkopers, poetspersoneel, daklozenverenigingen, de negentien Brusselse burgemeesters en een onoverzichtelijk aantal schepenen, de Brusselse gewestregering, de COCOF en de VGC, Infrabel, de Waalse regering, de Vlaamse Overheid, de NVA-Brussel, het Vlaams Belang, FDF, diverse bouwpromoteren, de Vlaamse minister-president en zijn regering, de federale regering en het Koningshuis. Maar goed, de gang is schoongemaakt en opgefleurd. In het station zelf echter stinkt het nog altijd naar urine, wat niet zo verwonderlijk is: er is maar een wc en dat is zo goed als altijd gesloten. De winkels in de vrij recent geopende Horta-galerij zijn ook bijna allemaal dicht, of bankroet, dat kan ook.

Na enig aanschuiven in de kortste van de twee rijen – een zestal loketten waren gesloten – was het mijn beurt. De man achter het loket bleek me niet meteen te zien of te horen. Had ik geen stem meer, was ik sprakeloos geworden? Dat zou dan slecht aflopen want ik was op weg om een radioprogramma te gaan presenteren. Na enkele seconden drong het tot me door dat de loketpersoon zelf geen stem had, en ook geen ogen. Hij tikte iets in in zijn computer, en op bijna miraculeuze wijze zag ik vervolgens een kaartje door de gleuf in het beroete glas tussen ons me toegeschoven worden. De man echter keek me niet aan en zei niets. Het verschuldigde bedrag verscheen op het scherm van het betaalapparaat. Voor ik vertrok zei ik nog ‘dank u’ tegen de man zijn linkeroor en voegde er ‘tot ziens, nog een prettige dag’ aan toe. Ik wist natuurlijk wel dat dat geen zin had: de man had er al van in het begin de voorkeur aan gegeven me volstrekt te negeren. Maar waarom?

Later, toen ik in de trein, die met ongeveer een half uur vertraging in Antwerpen zou aankomen, maar dat is een detail, mijn kaartje moest tonen meende ik het te begrijpen. Het ‘weekendticket’ was in het Frans opgesteld. Daar lig ik in normale omstandigheden niet van wakker. Ik ben geen flamingant, noem mezelf ook geen Vlaming maar een Belg en zo. In een situatie als deze lig ik er echter wel van wakker, want het gaat om bewuste vijandigheid. Waarop berust die vijandigheid, en waar leidt ze toe? Heeft een loketbediende het recht om een klant op die manier te behandelen? Te doen alsof je niet bestaat, je tot een sprakeloze paria te herleiden, alleen vanwege je taal? En ik spreek dan ook nog een beetje Nederlands, geen Vloms zoals in comedyshows allerhande op televisie. Daar is toch niets mis mee? Het Nederlands is een van de belangrijkste talen van Europa. Het Nederlands is een bijzonder mooie taal, net zo mooi als het Frans of het Engels of het Hongaars, of welke taal dan ook. Bovendien heeft de man mij niet gezegd dat hij geen Nederlands verstaat (wat een vereiste is in zijn functie).

Het is erg, zeggen de mensen dan. Maar het is niet alleen erg. Het is verontrustend. Je wordt sprakeloos van zulke toestanden. Misschien vind je dat het een detail is? Ik niet. Het is geen detail. Het is een symptoom. In een land waar vrouwen met een hoofddoek vaak worden gehaat en van de arbeidsmarkt uitgesloten, zelfs als ze vriendelijk zijn en drie talen spreken, vindt men het onbeschoft gedrag van bedienden die sommige burgers als paria, als onzichtbare behandelen normaal.

“… de woordenloosheid als een noodlot. Dit lot te ondergaan is het laatste restant van heldhaftigheid, van het lot van de antieke held, een lot dat is ondergedoken in een aan woordzwendel stervende beschaving, in de enige vorm van antwoord die haar overbleef: de stilte als een ruimte waarin geschiedenis over zichzelf mediteert.”

Nu wil ik tot slot wel een ding heel duidelijk stellen: dit gaat niet over dé Franstaligen of dé ambtenaren, of dé Belgische spoorwegen. Dit gaat over symptomatisch gedrag van een enkeling en het gaat eveneens over de teloorgang van onze instellingen en onze openbare ruimte.

ΩΩΩ

Foto: Martin Pulaski, Brussel, 19 september 2013.
Citaat Stefan Hertmans, uit: Vertoog en Literatuur, Cahier 2, Woordenloosheid, “Een wak in het spreken”.

PULASKI NEEMT EEN INITIATIEF

Kom toch eens naar Brussel! Lieflijke stad aan de Zenne! Elke dag wordt het hier gezelliger. Een keer per jaar rijden er zelfs geen auto’s. En in de zomer is het altijd kermis. De hele maand augustus speelt Toots Thielemans op de Grote Markt. Zelfs als het regent loopt het Warandepark vol voor de grote zangkunstenaar Johan Vernimmen. De koning en koningin kijken minzaam toe vanop hun balkon. Elke dag komt er ook een nieuwe straat bij. En in elke straat een ministerie van binnenlandse zaken. En in elk ministerie van binnenlandse zaken 10.000 ambtenaren. Allemaal in het blauw. Dat schijnt het volk graag te zien. Blauw. In elke groep van 10.000 binenlandse zaken-ambtenaren zit een Pulaski of een dubbelganger van Pulaski. Ik ga ze eens een keer allemaal bijeen trommelen. Dan zingen we met z’n’ allen samen nog een keer ‘Dolce Paola’. Of ‘Arme Joe’. Ach en waarom niet ‘Jennifer Jennings’?
En op elke hoek van elke straat een papierwinkel, dat was ik nog bijna vergeten te vermelden. De verkopers hebben altijd inkt aan hun vingers. “Comment ça va”, zeggen ze, als Pulaski de zaak binnenstapt. “Comme ci comme ça”, zegt Pulaski, “enfin, over het weer hebben we alvast niet te klagen.” “Comme d’habitude?” vraagt de verkoper met de inktvingers. “Inderdaad, een adressenboekje”, zegt Pulaski, “voor het geval dat dat van gisteren vandaag weer vol zou raken”.

ADMINISTRATIE EN ANDER ALLEDAAGS FASCISME

brussel nacht.JPG
Brussels by night, Martin Pulaski

Op 16 juli werd ik recht voor café Kafka, een voornamelijk Nederlandstalig bruin café in het centrum van Brussel, brutaal en zonder reden in elkaar geslagen en geschopt. Ik ben kunnen ontsnappen, maar kort daarna ben ik door een ‘cruisende’ bende van een aantal van mijn bezittingen, waaronder mijn portefeuille, beroofd. Daarover heb ik al verteld. Die geschiedenis is echter nog niet afgelopen. Het verhaal wordt almaar meer Kafkaiaans.

Op 17 juli, een brandend hete maandag, begaf ik mij naar de politie van Brussel om klacht neer te leggen. Er volgde een gesprek met een begripvolle inspecteur dat ongeveer twee uur duurde. Er werden twee processen-verbaal opgesteld, omdat het om twee van elkaar losstaande feiten ging. Dat was alvast zeer in mijn nadeel, maar wat kon ik er tegen doen? Ik had het zelf op die manier verteld. Ik had het verband tussen het geweld – slaan, schoppen, haren uitrukken – en de beroving in twijfel getrokken.

Na dat verhoor mocht ik vertrekken, met kopieën van de processen–verbaal op zak. Vervolgens moest ik naar de MIVB, de Brusselse openbaar vervoersmaatschappij, om een duplicaat van mijn jaarabonnement te gaan halen. Dat was net als mijn identiteitskaart en de rest van de inhoud van mijn portefeuille gestolen. Aan een loket van die instelling werd mij, na een half uur – met pijnlijk gekneusde ribben en een ontwrichte kaak – in de rij te hebben gestaan, meegedeeld dat ik over een attest van de politie moest beschikken. Een proces-verbaal waar in opgesomd werd wat van me gestolen was volstond niet. Het moest een echt attest zijn. Zodoende moest ik terug naar het politiebureau aan de Grote Markt. Ik was wel al zo voorziend geweest om pasfoto’s te laten maken.
Een dergelijk document heet “Attest van verklaring van diefstal van een identiteitskaart”. Ik moest twee pasfoto’s overhandigen en in ruil kreeg ik het kostbare document. Een duplicaat daarvan zou de politie aan de bevolkingsdienst van Anderlecht, de gemeente waar ik woonachtig ben, bezorgen. Kon ik met dat attest naar het buitenland, want een week later zou ik naar Lucca vertrekken, als tenminste de pijn wat zou afnemen? Neen, dat kon ik niet. Daarvoor moest ik naar een dienst in een gebouwtje van Buitenlandse Zaken. Daar zou mij ongetwijfeld en meteen een document worden uitgereikt waar ik wel mee naar het buitenland zou kunnen. Waar moest ik dan zijn, was volgende vraag. In de Koloniënstraat, was het antwoord van de politieagente aan de balie. Weet u ook welk nummer, vroeg ik. Neen, het nummer kon ze mij niet geven, maar de Koloniënstraat is niet lang, aldus het vrouwmens. Als je pijn hebt en je moet door de hitte en je vergaat van de dorst is het echter een hele afstand van aan de Grote Markt tot aan de Koloniënstraat, vooral omdat je ook nog flink moet klimmen.

Ik ben twee keer de Koloniënstraat op en af gelopen, maar net zoals er geen Belgische Koloniën meer zijn, zo is er ook geen bureau meer dat voorlopige identiteitsbewijzen die geldig zijn voor reizen naar het buitenland uitreikt, zo dacht ik. Ik wilde echter zeker zijn. Ergens voor een groot gebouw stonden mannen te roken. Zij wisten niet waar het was of begrepen niet wat ik zocht. Vriendelijk waren ze wel. Bankbedienden. Ga het eens aan de overkant vragen, bij de militaire politie, raadden ze me aan. Daar was een klein deurtje met een bel. Een militaire politieagent kwam eens kijken wat er aan de hand was. Het leek alsof hij op mij had zitten wachten. Hij legde me in duidelijke bewoordingen uit waar ik moest wezen. Het was niet ver, zei hij. Dat klopte. Ik kwam aan een gebouw waar heel in het klein op te lezen stond dat men er iets met identiteitskaarten deed. Op een kaartje aan de deur werd meegedeeld dat bezoekers één keer moesten bellen en dan wachten tot iemand zou komen opendoen. Er kwam echter niemand opendoen. Dat was letterlijk een scène uit een verhaal van Kafka. Na een tijdje merkte ik dat de deur op een kier stond. Ik waagde het, zij het schoorvoetend, om binnen te gaan. Er was een balie waarachter schijnbaar uit het niets een ambtenaar verscheen. De man sprak uitsluitend Frans en begreep niet wat ik moest, dacht ik. Hij verdween in een donker vertrek. Na een kwartier kwam uit dat donker vertrek een Nederlandstalige dame tevoorschijn. Ze had mijn identiteitsgegevens uitgeprint. Dat kan in zon’ donker kamertje, weet ik nu. Ze zei dat ik nog een Europees Paspoort bezat, dat geldig was tot juli 2007. Zo’n paspoort is het allerhoogste, zei ze. Ik kon zonder problemen naar Italië vertrekken. Ondertussen zou de politie het Attest van verklaring van diefstal van een identiteitskaart aan de bevolkingsdienst van mijn gemeente bezorgen. Daar zou men een nieuwe, elektronische identiteitskaart maken, tenzij mijn oude identiteitskaart binnen de 14 dagen zou worden teruggevonden. Die duidelijke informatie staat trouwens ook op het attest. Ik moest me nergens zorgen over maken, zei de vriendelijke dame, alles zou in orde komen.
Op het attest staat ook dat de declarant zal worden opgeroepen bij de bevolkingsdienst om zich te melden voor de uitreiking van een nieuwe kaart. Dat laatste schijnt bevolkingsdienst van Anderlecht niet te weten of niet te begrijpen.

Het is nu 31 augustus en niemand heeft me voor wat dan ook opgeroepen. Ik heb dan zelf maar even gebeld. Eerst gisteren, maar toen werd de telefoon niet opgenomen. Er was evenmin een antwoordapparaat. Kan het onbeschofter? Ja, als er wel iemand de telefoon opneemt, zoals vandaag. Ik vertelde in het kort waar ik voor belde, wat er mij was overkomen. Ik deelde de man mee dat ik op mijn identiteitskaart wachtte. Ik vertelde hem wat er op het attest stond. De man brulde dat ik verkeerd was ingelicht. Een vettig Anderlechts accent. Vlamingen die Frans hebben leren spreken en zogezegd geen ‘Vlaams’ meer kennen, maar het in hun functie wel moeten gebruiken, zij het met veel tegenzin. Geen enkel woord van medeleven voor wat me is overkomen. U moet naar de gemeente komen, loket 7, “met twie pasfoutous”, zei hij, en daarmee basta. Een geluk dat het een telefoongesprek was. Als ik de klanten op dergelijke nazistische manier zou afsnauwen zou ik meteen mijn ontslag krijgen. En terecht. Ik heb in Budapest een museum bezocht over de terreur van het fascisme (de pijlkruisers) en van het communisme. Een dergelijke ambtenaar zou perfect in dat systeem hebben gepast. Wie werft zulke mensen aan? Hoe kunnen zij aantonen dat zij over de capaciteiten beschikken om een dergelijke functie uit te oefenen? Bij wie kan ik mijn beklag doen over zulk grof gedrag?

attest,bevolkingsdienst,domheid,identiteitskaart,papieren,brussel,administratie,politiek,fascisme,regels,brutaliteit,anderlecht,vriendelijkheid,politie,slachtofferhulp,grofheid,boeven
Brussels by night, Martin Pulaski