EVERYBODY KNOWS THIS IS NOWHERE

Op 4 maart 1970 lijdt de Franse onderzeeboot de Eurydice in de Middellandse Zee schipbreuk. 57 opvarenden vinden daarbij de dood.

Ik ben negentien en woon voorlopig nog alleen in de Karmelietenstraat in de buurt van de Naamsepoort in Brussel. Mijn vriend Erwin, die sinds oktober 1969 bij me logeerde, is in februari naar Gent vertrokken. Maar ik ben niet langer een loner met een loser als boezemvriend: ik heb nu een meisje van wie ik zielsveel houd. Als ik haar John Lennon ben, is zij mijn Yoko Ono. Het zit er dik in dat we zullen trouwen en kinderen krijgen, al zijn we beiden tegen het huwelijk gekant.

Voorlopig studeer ik nog film aan het Ritcs in de Naamsestraat, honderd meter lopen van waar ik woon. Maar die verdomde school hangt me nu al, na enkele maanden, de keel uit. Ik wil leren hoe je een film moet maken, de vakken elektriciteit en scheikunde vervullen mij met afgrijzen en walging. Noem me maar een drop out, dat is een eervol epitheton. Naar school ga ik nog op dinsdagmiddag om telkens twee klassieke films te zien en op andere dagen voor de lessen van Ivo Michiels, Tone Brulin en Jo Röpke. Ik ga er ook heen om propaganda te maken voor de imaginaire politieke eenmanspartij die ik heb opgericht, de anti-progressieve partij. Dat is omdat ik een afkeer heb gekregen van al die fake progressieve mensen die op mijn school rondhangen. Vaak heb ik het gevoel dat de revolutie die in het najaar van 1969 in de lucht hing helemaal weg is. Ondanks de jonge liefde zijn het naargeestige dagen.

krans1 (2)Pasen valt dat jaar op 29 maart. Het is bar koud. Om eens uit Brussel weg te zijn liften we tijdens de paasvakantie met zijn tweetjes naar Amsterdam. Ik ben lid van het “ondergrondse reisagentschap van het tijdschrift Aloha”. Iedereen die daar lid van is heeft een gestencilde adressenlijst van de andere leden. We kunnen op al die adressen terecht om thee te drinken, te roken, muziek te beluisteren, te overnachten. Jazeker, het is een soort van couchsurfing avant la lettre. Na een dagje liften staan we voor een Amsterdamse grachtenhuis, de woonst van Onno en Cees uit het Aloha-adresboek. Dat blijken twee erg gastvrije en vriendelijke heren te zijn. Ik had mij voorgesteld dat Onno een meisje was en misschien zelfs een Japanse. Maar deze Onno is ook oké, toch? We mogen er overnachten en ontbijten en af en toe nodigen zij ons uit voor het avondmaal. Op die avonden komt ook Victor langs, een Belgische vriend van Onno en Cees die in Amsterdam verblijft. Een spraakzame man die de Belgische politiek en vooral de repressieve kant ervan veel beter kent dan mijn teerbeminde en ik dat doen. Wij kijken allemaal op naar het bevrijde Amsterdam. Over België praten we alsof er net als in Griekenland kolonels aan de macht zijn. Aan de macht is heel zeker een socialistische minister van justitie die luistert naar de naam Alfons Vrancks [1] en ongeveer alles wil verbieden waar wij van houden. De boeken van Henry Miller en Anais Nin, om maar één voorbeeld te geven.

1970-vossenplein15

Meestal lopen we door de winderige Amsterdamse straten, niet goed wetend waar naartoe. Er waait een ijzige wind en we hebben voortdurend honger. Met ons budget kunnen we alleen in de Wimpy terecht, voor een smakeloze wimpyburger en om ons wat op te warmen. Je kan er een tijdje op de rode zetels blijven zitten terwijl je servies wordt afgeruimd. Jazeker, luxe! Ik voel me een zielige beatnik en hoewel ik smoorverliefd ben en me daarom echt wel gelukkig voel is dit toch niet wat ik van het magische en magistrale Amsterdam heb verwacht.
In de zolderkamer waar we logeren vriest het dat het kraakt. We moeten elkaar de hele nacht stevig vasthouden om het een beetje warm te hebben. Lekker vrijen zit er zo zeker niet in, wat in het prille begin van onze verhouding al voor enige spanning zorgt. En we voelen ons stilaan uitvreters. Van al die duistere gevoelens van ons beseffen Onno en Cees waarschijnlijk helemaal niets. Elke dag na het ontbijt verrassen zij ons met een of andere elpee die nu zeker in Rolling Stone’s Top 100 Albums of All Time zal staan. Ik herinner me vooral de onaardse schoonheid van Van Morrisons ‘Astral Weeks’. Daar was ik op dat ogenblik echter nog niet rijp voor. Het album dat bij mij wel een heftige schok teweegbrengt is ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ van Neil Young & Crazy Horse. Nog steeds kan de elpee mij overrompelen, maar zoals de zeven songs die erop staan toen klonken, zullen ze het wel nooit meer doen. Je zou het kunnen vergelijken met de eerste keer stomende seks hebben, maar dat doet afbreuk aan de werkelijke hoedanigheid van zo’n maagdelijke muzikale ervaring. Het is geen gepaste vergelijking. Muziek is muziek. ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ [2] was niet Neil Youngs eerste solo-elpee, maar dat wist ik daar in dat Amsterdamse huis nog niet. En zoals de titel al duidelijk maakt was het ook geen solo-elpee, maar wel een met de nu uiteraard legendarische band Crazy Horse. Nog nooit had ik een elpee gehoord die zo door en door elektrisch was. Van de elektrische golven die op me af komen gaan de haartjes op mijn armen rechtop staan, veel meer nog dan van de kou. Ik voel mijn hart tegen mijn borstwand bonzen, zonder dat het pijn doet (hoewel misschien toch een beetje, maar op een prettige manier). Down by the river… Ta-ta-ta-ta-ta. Dat is de oorlog in Vietnam. De M-16, 900 kogels per minuut. Is Neil Young een wapenfreak? Nee, liefje, dit is net het omgekeerde. Het is razernij vanwege die oorlog, vanwege die vreselijk moordtuigen. Maar ook razernij vanwege de oorlog binnenin het menselijke hart. Een eenzame jager is het hart, zegt Carson McCullers. Op 25 maart, net voor Pasen, is Jimi Hendrix’ ‘Band Of Gypsys’ uitgekomen, met daarop ‘Machine Gun’. Die plaat en dat nummer heb ik nog niet gehoord. Later las ik dat Hendrix het als volgt aankondigde: “I’d like to dedicate this song to soldiers fighting in Berkeley—you know what soldiers I’m talking about—and oh yeah, the soldiers fighting in Vietnam too … and dedicate it to other people that might be fighting wars too, but within themselves, not facing up to the realities.”
Ik ben al een tijdje gek op gitaarhelden, vooral in het bluesgenre. Eric Clapton, BB King, Eelco Gelling (van Cuby & the Blizzards), Peter Green, Jimi Hendrix, Jimmy Page en Jeff Beck zijn voor mij de grootsten. De echte bluesgitaristen moet ik nog leren kennen, Freddie King, Albert King, Guitar Slim, Buddy Guy. Maar de elektrische gitaren die ik nu door het grachtenpand hoor schallen, dat is weer iets helemaal anders. Ja, zeg, wat is dit eigenlijk? Het is een soort van bezetenheid. Het is strijd om leven en dood, vuur tegen vuur. Of nee, het is een gevecht van en voor het leven tégen de dood. Een destructief gedreun is het, tegen alle destructieve krachten gericht. Een poging om te ontsnappen aan het grote Niets, aan ziekte en pijn en verdoemenis. Wat ik hoor zijn geen zachtaardige gitaar-duels zoals ik die van op de platen van Moby Grape ken, nee, dit is veel extremer. Ik hoor veel woede, agressie, maar ook tedere en kwetsbare momenten. ‘Cinnamon Girl’ is in weerwil van het harde metaal niets dan lust en liefde. Romantiek is het nummer ook: “You see us together chasing the moonlight”. Dezelfde passie hoor ik in diverse vormen op alle zeven nummers. Zeven, een heilig getal. Natuurlijk klinkt ook de wat fragiele en enigszins vrouwelijke zangstem van Neil Young heel passioneel. Ik denk dat het door dat instrument komt, nog meer dan door de gitaren, dat Neil Young die ochtend in maart 1970 in Amsterdam mijn held voor het leven wordt. Ik kende de elpees van Buffalo Springfield wel, maar had er nooit heel veel aandacht aan gegeven. Buffalo Springfield, net als the Byrds en the Monkees een Amerikaans antwoord op the Beatles, was bij ons niet zo populair als in de Verenigde Staten. Sommige nummers, zoals ‘For What It’s Worth’, ‘Mr. Soul’ en vooral ‘Expecting To Fly’, kende ik goed. Na mijn terugkeer ben ik aandachtiger naar Buffalo Springfield gaan luisteren. Nu vind ik ‘Expecting To Fly’ het meest romantische lied dat ik ken.
Met ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ ontdekte ik de echte Neil Young, het begin van een groots avontuur dat ik met veel andere gevoelige zielen deel. Songs als ‘Down By The River’, ‘The Losing End (When You’re On)’ en ‘Running Dry (Requiem For The Rockets)’ werden muzikale en lyrische thema’s die tot op vandaag tot de kern van mijn wezen behoren.

cof

Er gebeuren nog wel wat dingen in de eerste helft van 1970. Op 10 april maakt Paul McCartney het uiteengaan van The Beatles bekend. Op 4 mei schiet de Nationale Garde van Ohio vier studenten dood en verwondt er negen tijdens een demonstratie tegen de oorlog in Indo-China op de campus van de Kent State University. Four dead in Ohio…

In het najaar koop ik ‘After the Goldrush’, mogelijk het meesterwerk van Neil Young. Wij wonen nu in de Boomkwekerijstraat, nog altijd in dezelfde buurt. Iedereen die bij ons op visite komt, en ik heb in die dagen veel vrienden, wordt aan Neil Young-radiatie blootgesteld. Mijn enige zoon is zeer waarschijnlijk verwekt op het aanstekelijke ritme van Crazy Horse. In de buik van zijn geliefde moeder zal hij misschien de klagende en huilende en o zo troostrijke stem van de al even geliefde Canadese zanger en idiot savant gehoord hebben. En later vertelde ik hem voor het slapengaan verhaaltjes over de brave hond op de voorkant en de binnenzijde van de hoes van ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ en over de patchworkbroek [3] op de achterkant van de hoes van ‘After The Goldrush’.

[1] Van 1968 tot 1973 was hij Minister van Justitie. In deze hoedanigheid liet hij in 1969 Jef Geeraerts’ roman Gangreen 1 wegens onzedelijkheid in beslag nemen. Ook de volledige oplage van het  Rode Boekje voor scholieren werd onder zijn bewind in beslag genomen onder het voorwendsel “zedenschendend en subversief” te zijn.

[2] Op ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ spelen Neil Young (gitaar), Danny Whitten (gitaar), Ralph Molina (drums), Billy Talbot (bas) en verder Robin Lane (gitaar), en Bobby Notkoff (viool). Alle songs zijn van de hand van Neil Young. De producers zijn Neil Young en David Briggs.

[3] Patches: Susan Young

Foto’s: Martin Pulaski

IN DIE GOUDEN TIJD

herinnering,1970,brussel,geluk,eenvoud,goedkoop,sober,mooi,meubelen,appartement,wonen,interieur,dagelijks leven,ecologie
In die gouden tijd, hoewel toen ook de oorlog in Vietnam woedde en op tientallen plaatsen studenten en arbeiders – soms bloedig – onderdrukt werden, was het leven eenvoudig. Toen ik in 1970 samen met mijn vriendin in een appartement aan de Naamsepoort ging wonen richtten we dat in met meubels die we voor een habbekrats aanschaften bij Het Leger des Heils en bij Spullenhulp-Les petits riens. Een bed in massief hout kostte vijftig frank, een fijn afgewerkte stoel, met gevlochten rug en zitting, een tiende van die prijs. Soms waren we zo gek om op die ambachtelijk gemaakte meubelen een laag oranje of gele verf te zetten: ze deden ons te zeer aan het verleden denken, aan de manier waarop onze ouders en grootouders hadden geleefd. Van ons bed zaagde ik het hoofd- en voeteinde af, met liefde vervaardigd handwerk; ik wilde een eenvoudig bed, geen oude poespas. Een appartement of een huis huren was niet duur, als je niet al te hoge eisen stelde. Op auto’s keken we neer, tenzij ze voorkwamen in films zoals ‘Bullitt’ en ‘The French Connection’. In Brussel werd een metro aangelegd, een lijn was al in gebruik genomen (als pre-metro). Er reden bussen en trams. Maar meestal gingen we overal te voet naartoe. Niemand van onze vrienden had telefoon. Er werden geen afspraken gemaakt. Als we bij iemand op visite wilden gaan, liepen we er gewoon naartoe. Waren de vrienden niet thuis, was dat ook niet erg; dan lieten we een briefje achter en wandelden nog wat rond of gingen ergens een thee of een koffie drinken.

Het leven was eenvoudig en goedkoop. Onze verlangens waren waarschijnlijk even ingewikkeld als ze nu nog zijn, maar onze behoeften waren beperkt. Zonder al erg ecologisch bewust te zijn leefden we toch al op die manier. We waren geen verstokte consumenten, aten geen vlees, dronken weinig alcohol, reisden bijna nooit, en als we het toch deden staken we de duim op. De maan en de sterren waren voor ons belangrijker dan televisie en ander spektakel. Zelf gaf ik alleen geld uit aan muziek en boeken. En af en toe kocht ik een paar schoenen of een jeans. Ja, ons leven was eenvoudig in die dagen. En mooi, zoals in een droom waaruit je liever niet al te gauw zou ontwaken. Maar kijk waar we nu zijn. Waar zijn we nu eigenlijk?

Foto: Martin Pulaski, Brussel 1970.

STADSLEVEN, 1970

001_edited

In een appartement aan de Naamsepoort in Brussel. Alleen de namen zijn nog hetzelfde, al de rest is anders. Ik maakte deze foto* eind 1970. Met een fototoestel dat ik geleend had van een vriend. We waren te arm voor een eigen camera.

Ik vond een paar dagen geleden de negatieven terug. Veel schade, vlekken en strepen, die aan krassen op vinyl doen denken. Maar de sfeer is mooi. Een mens moet heel diep graven in de groeven van zijn geheugen om terug te kunnen keren naar een tijd waarin bijna alles goed en mooi was – en vol verwachting.

Deze foto hoort bij de reeks ‘Don’t Look Back’.

*Op de foto zie je rechts op de grond ‘Let It Be’ van the Beatles liggen. Dat was een fijn cadeau van mijn toenmalige levensgezellin. De elpee was verpakt in een fraaie doos, en er zat een mooi, geïllustreerd boek bij, dat ik vaak gefascineerd doorbladerd heb.