1969: MUZIEK VOOR SCHOOIERS

HENRY 2

Niet alleen voor de inwoners van Parijs en van zowat alle grote steden van de wereld maar ook voor mezelf was 1968  een uitermate boeiend jaar. Over hoe het er in de grote wereld aan toe ging bestaan een aantal interessante boeken, waarvan ik er twee wil aanbevelen: 1968: The Year that Rocked the World van Mark Kurlansky en There’s a Riot Going On: Revolutionaries, Rock Stars and The Rise and Fall Of ‘60s Counter-culture van Peter Doggett  [1]. Toch sla ik in deze korte beschouwingen over een aantal van mijn geliefkoosde popalbums dat woelig jaar voorlopig over. Ik wil hier niet alles nauwgezet en chronologisch, als een popboekhouder, onder de loep nemen. Overigens heb ik er al meermaals over geschreven; dat is allemaal terug te vinden op deze blog.
Mijn verhuis naar Brussel in 1969 en mijn (zinloze) studies aan het Ritcs heb ik ook al uitvoerig behandeld, hier en hier. Het is sowieso niet mijn bedoeling om in dit bestek al te diep op mijn biografie in te gaan, al zijn aan mijn ervaringen met muziek zeker wel (auto)biografische elementen verbonden. Op zowel persoonlijk als muzikaal vlak was mijn kennismaking (en al gauw vriendschap) met Marc Didden in september 1969 een mijlpaal. De ontmoeting met mijn eerste vrouw zou mijn leven ingrijpend veranderen.

De periode tot september 1969 was er een van nieuwe – soms vluchtige –  vriendschappen, verliefdheden, zoeken maar moeilijk of helemaal niet vinden. Van dromen van een leven weg uit de hel van het internaat, van herwonnen vrijheid. De vrijheid die ik had gekend als kind op het schip en als adolescent tijdens de lange zomervakanties. Is vrijheid niet bijna altijd kinderlijk en sensueel en vaak ook erotisch? Is muziek niet ook bijna altijd kinderlijk en sensueel en vaak erotisch?

Hoewel ik het internaatleven in Tongeren als iets infernaals beleefde, waren er ook stralende dagen. Dat heb ik aan die fijne vrienden te danken over wie ik het in de vorige notitie al had. Op mijn eentje kon ik wegvluchten in boeken en in beginnend dichterschap. Samen gaven we ons over aan popmuziek en de mode die daar mee samenhing. Tegen het grijs van die tijd kwamen wij in opstand met de vele kleuren in onze garderobe en met onze lange haren.

De zomer van 1969 was anders dan alle andere zomers. In de opwinding van de eerste dagen van onze ‘vita nuova’, was al iets bitters geslopen. Alleen en met mijn vrienden hing ik rond in de straten van Neerharen, Hasselt, Maastricht en Blankenberge. Later vond ik het woord dat onze levensstijl van toen goed omschreef: schooiers, in het Engels bums. De uitdrukking had een positieve inhoud gekregen, maar het negatieve aspect zat er nog altijd aan vastgekleefd. Die negatieve component maakte zich ook meester van mijn adolescente psyche. De verrukkelijkste dagen werden gevolgd door weken van donkere twijfels en angsten. Vooral was ik bang voor seks. In tegenstelling tot de jongens in de dorpen, zij die niet opgesloten zaten in een internaat, wist ik er niets van. Een meisje kussen was al een goddelijke ervaring. Wat moest de rest dan zijn? Maar ik wist ook niet wat ik met mijn leven moest aanvangen. Wat zou de toekomst brengen? Op de eindexamens aan het Atheneum in Tongeren volgde een lange, mooie, moeilijke zomer en dan de ingangsproeven aan het Ritcs in Brussel. Waar heel even alles openbloeide.

Meestal was het wegvluchten in muziek. 1969 was daar een uitermate geschikt jaar voor. Ik was er bij op het First International Pop Event op 21 juni, georganiseerd door Louis de Vries en Jo Dekmine. Louis de Vries was de baas van café het Pannenhuis in Antwerpen [2] en Jo Dekmine directeur van Théâtre 140 in Brussel. Op dat popevent in Deurne raakten we bedwelmd door de muziek van The Pebbles, Yes, The Nice, Colosseum en vooral Peter Green’s Fleetwood Mac. Peter Green behoorde op dat ogenblik tot ’s werelds meest vooraanstaande bluesgitaristen, op gelijke voet met B.B. King en Elmore James. Het festival duurde tot lang na middernacht. Tot we een trein weer naar huis konden nemen zaten we in een kroeg in de Wolstraat. We hoefden er niets te consumeren maar mochten ons hoofd niet op de tafel laten rusten voor een ogenblik slaap. Overigens was dat typisch in die dagen, op café gaan zonder iets te drinken, alleen maar voor het gezelschap en de muziek.

De sfeer op Jazz Bilzen was in 1969 niet meer die van een love-in en ook lang niet meer zo braaf als in ’67. Er werden sterke drank en hoestsiroop (Romilar) gedronken, allerlei pillen geslikt, het regende, we hadden het koud en kwamen ten val in de modder. Claudi kwam niet opdagen, Monique evenmin. Mijn vrienden en ik wisten het allemaal niet meer zo goed. We sliepen in een kamer in het huis van de ouders van Paul Vrijens, de basgitarist van the Scrub, met wie we in Blankenberge kennis hadden gemaakt.
De muziek op de Bilzense weide was beter en gevarieerder dan ooit. Er traden voor ons op: Humble Pie met de fantastische zanger Steve Marriott, een betoverende en sexy Marsha Hunt & White Trash, the Soft Machine met Robert Wyatt in bloot bovenlijf, Aynsley Dunbar Retaliation, the Bonzo Dog Band, Shocking Blue, Taste en Ornette Coleman. Stuk voor stuk avontuurlijk en vaak grensoverschrijdend. De set van Ornette Coleman was mijn eerste kennismaking met jazz. Nog altijd zie ik hem daar op dat podium musiceren, zijn lyrisch en dissonant saxofoonspel ten hemel stijgend.

Een ander memorabel counter-culture-evenement vond op 11 oktober in Londerzeel plaats: de Island Show. Er traden drie progressieve Britse bands op die platen uitbrachten op het Island-label en die we al een tijdje bewonderden: Spooky Tooth, Free en Jethro Tull. Live klonken ze nog stukken beter dan op plaat. Ik woonde toen al op een kamer in de Karmelietenstraat in Brussel. De nacht brachten we door in een bouwwerf in Londerzeel. De rest is kleine geschiedenis en een lijstje [3].

  1. The Gilded Palace of Sin – The Flying Burrito Brothers
  2. Let It Bleed – The Rolling Stones
  3. The Band – The Band
  4. Nashville Skyline – Bob Dylan
  5. Everybody Knows This Is Nowhere – Neil Young & Crazy Horse
  6. Led Zeppelin II – Led Zeppelin
  7. Liege & Lief / What We Did On Our Holidays / Unhalfbricking / – Fairport Convention
  8. Oar – Alexander “Skip” Spence
  9. Abbey Road – The Beatles
  10. The Velvet Underground – The Velvet Underground
  11. Dr. Byrds & Mr. Hyde / Ballad of Easy Rider – The Byrds
  12. Free – Free
  13. Dusty In Memphis – Dusty Springfield
  14. Mendocino – Sir Douglas Quintet
  15. From Elvis in Memphis – Elvis Presley
  16. Ummagumma / More – Pink Floyd
  17. Happy Trails – Quicksilver Messenger Service
  18. Nick Drake – Five Leaves Left
  19. Pickin’ Up The Pieces – Poco
  20. Bayou Country / Willy and the Poor Boys / Green River – Creedence Clearwater Revival
  21. Then Play On – Fleetwood Mac
  22. Happy Sad – Tim Buckley
  23. 20/20 – The Beach Boys
  24. Scott 4 – Scott Walker
  25. Hollywood Dream – Thunderclap Newman
  26. Stooges – The Stooges
  27. Tons of Sobs – Free
  28. Volume II – The Soft Machine
  29. Crosby, Stills & Nash – Crosby Stills & Nash
  30. Trout Mask Replica – Captain Beefheart And His Magic Band
  31. Stand! – Sly & the Family Stone
  32. Blind Faith – Blind Faith
  33. Stand Up – Jethro Tull
  34. Live/Dead – The Grateful Dead
  35. Second Winter – Johnny Winter
  36. Ssssh – Ten Years After
  37. Testifyin’ – Clarence Carter
  38. Bless Its Pointed Little Head – Jefferson Airplane
  39. Barabajagal – Donovan
  40. Brave New World / Your Saving Grace Steve Miller Band

[1] Het boek van Peter Doggett beslaat de jaren 1965-1972.

[2] Over het Pannenhuis heb ik vorig jaar al uitvoerig bericht, maar dat verhaal moet zeker nog een vervolg krijgen.

[3] Niet alle elpees uit deze lijst waren in ons bezit. Sommige ervan, met name die van Elvis Presley, Nick Drake en Clarence Carter, kregen wij pas later te horen. Aanvankelijk hield ik niet van Nick Drake. Uiteraard hadden de elpees die vanaf 1965 waren uitgekomen nog niets van hun magie verloren.

 

monique3

Afbeeldingen: boven: mijn vriend Henry als schooier, circa 1968; onder: lachende jongen met Monique, circa 1968.

BRIAN JONES EN DE DOOD

IMG_20191011_124557

Op 3 juli 1969 stierf een van mijn grootste jeugdhelden, hoewel we in dat anti-tijdperk het woord ‘held’ niet gebruikten. Hoe noemden we iemand als Brian Jones dan wel? Hij was zeker geen idool. Aan idolatrie deden we evenmin. Voor mij was hij een verre vriend. Ondanks de afstand meende ik hem beter te kennen dan Jan, Henry of Luc. Wat een vergissing, achteraf gezien. Wist ik veel hoe erg het met Brian gesteld was. In welke mate drugs en ‘geneesmiddelen’ hem op die jonge leeftijd al hadden verwoest. Ik dacht dat hij van een astma-aanval was gestorven. In mijn donkerste ogenblikken ging ik ervan uit dat Mick Jagger en Keith Richards hem hadden vermoord of laten vermoorden. Dat was ook het uitgangspunt van een artikel dat ik een jaar of twee later voor Humo schreef. Niemand op de redactie geloofde mijn hysterische hypothese: mijn stuk werd niet gepubliceerd.
3 juli 1969 zal zeker een van die mooie zomerdagen geweest zijn waar ik me zo weinig van herinner omdat ik zo gelukkig was. Gedaan met de middelbare school, weg uit de hel van het Tongerse internaat. Eindelijk vrij, de wereld aan mijn voeten. Blankenberge, de Noordzee, aan de overkant Londen, dat nog even bleef swingen. Mijn langharige vrienden, the Scrub, the Pebbles. Take another little piece of my heart now baby, zongen ze.
Telkens als ik een sigaret opstak waarschuwde mijn Brusselse vriend Duduche me: als ik zo doorging zou ik het ook niet lang meer trekken. Zevenentwintig zou ik wel nooit worden. Tot ik dan eindelijk die leeftijd had bereikt heb ik zijn waarschuwing geloofd. Ik was immers een dubbelganger van Brian Jones… Wat hadden we dan zoal gemeen? We hadden allebei astma en we zagen graag meisjes, al dan niet blond.
In 1977, toen ik zevenentwintig was geworden, was punk onder ons. En boven ons en rondom ons. Geen tijd om aan de dood te denken, geen tijd om aan het verleden te denken – en zeker niet aan de toekomst. Forever now! En zo werd ik zesenvijftig. Tot 2 juni 2006 was ik er zeker van dat ik op die leeftijd zou sterven. Er gebeurde helemaal niets. Alleen had ik in die periode te kampen met een zware depressie.
Nu Brian vijftig jaar dood is ben ik negenenzestig, een eerder oude man. Ik ben nog steeds niet dood, al heeft het in 2011 niet veel gescheeld. Brian is al lang geen verre vriend meer (dacht ik even, wanhopig als ik soms ben). En mijn vrienden van vroeger zijn niet meer als toen, als ze nog in leven zijn, en ikzelf ben al helemaal niet meer als toen. Ik ben helaas zoals nu. Beter wordt het nooit.
Vanmorgen bij het ontbijt beluisterde ik enkele oude liedjes van the Rolling Stones. Hoe belachelijk vond ik opeens Tell Me en Heart of Stone. Infantiel, vond ik. Maar dan, toen ik op het terras de planten water stond te geven, hoorde ik Get Off My Cloud, één en al opwinding. Een nieuwe geboorte van rock & roll, een nieuw begin. Punk in 1966. Opnieuw zag ik Brian Jones, mijn verre vriend in Londen, grijnzen en nog eens aan zijn sigaret trekken en heel diep inhaleren. England’s dreaming, hoorde ik hem zuchten. Kom jongen, ik speel nog even wat slide voor je, wat denk je van Elmore James’ Make My Dreams Come True?

Afbeelding: Martin Pulaski

IN MEMORIAM ALVIN LEE (EN 1969)

Ten Years After.jpg

Een in memoriam van weinig woorden.  Ik heb maar korte tijd van de muziek  van Ten Years After en Alvin Lee gehouden. Ik herinner me weinig. Alleen een concert in het Brusselse Théâtre 140 in oktober 1969 (het jaar van de eeuw zeggen sommigen die het kunnen weten) is me bijgebleven. Hoe kan het ook anders: de hele prachtige theaterzaal vatte vuur, bijna letterlijk. Later besefte ik dat het het vuur was geweest van de jeugd die me verliet. En van de vlammen van de onschuld die ik samen met mijn generatiegenoten verloor. Denk maar aan Altamont en Charles Manson. Maar goed, heel even was Alvin Lee een god, een afgod, een duivelskunstenaar.  Toen we onze jassen al aangetrokken hadden, het was een wat kille herfstavond, stond Frank Zappa daar opeens op het podium. Twee van onze gitaarhelden ontmoetten elkaar. Na hun bliksems duel gingen we wat verslagen de nacht in. En nu is Alvin Lee dood.

DE RODE DRAAD: 6 DECEMBER 1969

wardour street café

Drink het bloed van een lam. Nee. Kijk uit. Een aangereden hond, zijn bloedspoor in de sneeuw. Jouw bloed en het bloed van iedereen die ik ken. Warm in de zomer en de koude winter. Opgewonden bloed. Dik en dun. Terneergeslagen bloed. Bloed voor niets.

Rode zetels in een Koninklijk Circus. De rode kamer in een gelijknamige roman van August Strindberg. De rode kamer waar ik met je vrijde in de tijd van wolven. Je rode, op tragedie rijmende schoentjes. Of rijmen ze op een sprookje? Verfoeide verkleinwoorden, omdat het niet anders kan. Rode zonsondergangen, zonsopgangen. De maan, je periode van geluk en verdriet. De maan die ik met je deel en met Venus. Vervuld met rood licht boven de warme golven van de Schelde.

In jou in mij is geen schuld, geen onschuld. In jou ben ik vuil en ben jij zuiver. In jou ben ik zuiver en ben jij vuil. In elkaar zijn we elkaar, zijn we wie we zijn. Of wat dacht je? Alsof de wolf zich daarover zou uitspreken. De wolf spreekt niet, de wolf is stil, of huilt. De wolf huilt om heel andere dingen. Die wij niet kennen of niet uitspreken. De wolf is de wolf. Hij is alleen maar een dier in de taal en een beeld in een gedicht.

Toen ik jong was, was het onweer rood en donker. Als we fietsten, alsof op de vlucht voor de dood. Talloze rode en blauwe fietsers waren er in die tijd, zoveel van hen gingen zo vroeg dood. Alsof ze bergopwaarts terugfietsten naar het verleden, pijlsnel naar een luguber bal van Edgar Allan Poe. Alle aanwezigen droegen er het masker van de rode dood.

Niet ver daar vandaan danst op rode muziek het leger van Trotski. En soldaten sterven, soldaten sterven voor jou. En soldaten sterven, soldaten sterven voor mij. Jonge jongens met blauwe en bruine ogen, bang. Je kunt je geen soldaat voorstellen zonder rood. George Stevens heeft ze gefilmd. Ze zijn op mijn netvlies gebrand. Hun dode ogen, jong, alle dromen dood.

Het gevaarlijk scharlaken in de woedende ogen van André Breton. In de zachte ogen van André Breton. ‘Le rouge et le noir’ en alle andere avonturen voor jou en mij verteld tijdens koortsige dagen. Wie is de verteller? De bladomslaander? Dat meisje met de rode lippen.. Les lèvres rouges, zeg je, dat klinkt mooier. Made in Belgium, antwoord ik.

Op het vampierenbal wordt iedereen verwelkomd en innig gezoend. Tot de lippen stuk worden gekust, tot ze aan flarden hangen, als kleine stukjes vlees aan een haak op een mercado. Schamen ze zich niet! Niemand schaamt zich om rood. Rood? C’est chic!

Terwijl vampiers zich vermaken op net zo’n bal – in de nadagen van swinging London, in 1969, is Roman Polanski’s vriend John Philips, bijgenaamd The Wolfking Of LA, van the Mamas & the Papas, vlijtig op zoek naar cocaïne, naar heroïne; hij zakt dagenlang door in een pand op Powis Square in Notting Hill – stuurt Charlie de meisjes naar Polanski’s huis aan Cielo Drive 100050 in Benedict Canyon. Het bloed van Sharon Tate, van haar ongeboren baby, moet op de witte deur. ‘Varkens’ en ‘Helter Skelter’: het bloedspoor dat ze achterlaten.  En zo eindigt de lange rode zomer van liefde. Met bloedeloze varkens en moordlustige meisjes. De Maysles broers maken er geen documentaire over. Wel over the Rolling Stones gratis en voor niets op de Altamont Speedway, ook in Californië – het einde van de droom, 6 december 1969, zeggen de journalisten. Ed Sanders lid van The Fugs, oprichter van het tijdschrift Fuck You, schrijft een huiveringwekkend boek over The Family. Het verschijnt in 1971. Ondanks mijn onverklaarbare schrik voor bloed lees ik het in een ruk uit. Het lijkt wel of heel Death Valley doordrenkt is met bloed. Honderden sektes begraven er hun mensenoffers.

Het bloeden is geen Amerikaans fenomeen, maar zoals John Philips in Powis Square blijf ik in Los Angeles hangen. Er gaan jaren voorbij. De koude oorlog, het rode gevaar. En Hollywood, altijd Hollywood.

Michael Madsen snijdt met genoegen iemands oor af, Stealers Wheel vrolijk op de voorgrond. Met hetzelfde genoegen beluisteren we in 2010 in Antwerpen zijn geschonden stem. Elk woord is een beschadigd gedicht. Maar het enige gedicht dat ik werkelijk wil horen is jouw gefluister. Waardoor we vluchten. Vluchten in de nacht, zoals we in een oude film noir zouden hebben gedaan. Vluchten in elkaar. Ik vlucht in jou, jij in iets onbekends en onnoembaars.

Hoest je al bloed op? Kleine rode druppeltjes? Nee, nog niet, toch niet zichtbaar. Want anders zou het te laat zijn, jongen. Dan zou het te laat zijn voor dromen en plannen. Zelfs op de Toverberg zou je niet veel tijd resten. En er is niet eens een Toverberg. Er is geen Settembrini, geen Castorp, geen Chauchat. Zelfs niet de gevaarlijke muziek is er. Als het te laat is is het te laat. Zo is het en niet anders. Leg je maar neer bij deze moeilijke tijden. Wat je nog rest is de liefde. De liefde die geen naam heeft. Of heeft je liefde dan toch een naam? L’amor che muove il sole e l’altre stelle.

Foto: Wardour Street, Martin Pulaski

DON’T LOOK BACK: BRUSSEL IN 1969 (2)

zonienwoud 1970

Toen ik jong was vond ik mezelf belangrijk, uiterst hip, bijna een uitverkorene, een genie. Terugblikkend weet ik niet goed waar mijn zelfverklaarde genialiteit op gebaseerd was. Het is evenwel een belangrijk element bij het lezen van de volgende autobiografische notities.

Het feit dat ik vanaf oktober 1969 door een bende imbecielen was omringd heeft mijn carrière als toneel- of filmregisseur ongetwijfeld mee in de kiem gesmoord. Ik haatte die kleinkunstjongens met hun goedkope gitaren en hun ringbaardjes. Ik hield van the Rolling Stones, Blue Cheer op z’n luidst, Bob Dylan, the Band en de countrymuziek van the Flying Burrito Brothers, Poco, Buck Owens en George Jones. Ik had helemaal in het begin van mijn studies aan het Ritcs maar een vriend, en wel bijna meteen, en dat was Marc D. Die jongeman wist net als ik altijd wat goed was op gebied van populaire muziek en wat bullshit. Hij was – ook net als ik – als jongetje een fan geweest van Cliff Richard & the Shadows en van Elvis Presley en hij had een Franstalige vriend die van Baudelaire en Rimbaud hield. Ik denk dat hijzelf die voortreffelijke dichters ook bewonderde, maar dat niet durfde te zeggen tegen iemand die zo ‘modern’ en ‘hip’ was als ik. Ik moest in die tijd echter nog ongeveer alles leren over Rimbaud en Baudelaire, hoewel ik ‘L’albatros’ uit het hoofd kende. Ik was zelf een beetje een Rimbaud, maar wist het niet. Ik bedoel niet dat ik zulke geniale gedichten schreef, maar heb het over mijn manier van leven als bohemien.

Ondanks die vriendschap was ik de eerste weken in Brussel erg eenzaam. Voor mij was het een grote stad, hoewel het in vergelijking met Londen of New York maar een klein gat is. In Brussel viel in die dagen niet veel te beleven. Je kon wel veel uitstekende films zien en er was het heerlijke Theâtre 140 van Jo Dekmine, waar alle underground bands die België aandeden optraden. Marc en ik waren fans van Pink Floyd en betreurden het dat Syd Barrett de groep had moeten verlaten. We behielpen ons dan maar met de versie met David Gilmour, een groep die een vrij slaapverwekkend concert gaf in 140. En toch vonden we het prachtig! Ik ben overigens nooit met Marc naar een concert geweest dat we niet prachtig vonden, behalve dat van het Mahavishnu Orchestra: toen zijn we Vorst Nationaal uitgevlucht. Pink Floyd was in die periode echt nog wel een band met een eigen gezicht, alleen misten wij de betovering van Syd Barrett. Marc en ik praatten bijna voortdurend over ‘alternatieve’ muziek en over undergroundtijdschriften zoals het Nederlandse Aloha, het Britse it (International Times) en het Amerikaanse Rolling Stone, die we bij Herman Claeys in de Free Press Bookshop gingen kopen. Marc hielp daar soms een handje, als Herman een glas wijn ging drinken in de Florio of een dringende boodschap moest doen. Dat gebeurde allemaal tijdens de laatste maanden van 1969. Altamont moest nog plaatsvinden; wij waren onschuldig en geloofden in een betere toekomst, een andere samenleving. Was het daarom dat wij zoveel belang hechtten aan zulke tijdschriften en aan muziek? De undergroundkranten brachten ons op de hoogte van nieuwe, experimentele vormen van samenleven in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Nederland en de muziek hielp ons vergeten in wat voor strontland wij leefden. Het leek wel alsof utopische ideeën nu eindelijk konden worden verwezenlijkt. Vreemd was wel dat Marc zeer hevig gekant was tegen hippies, terwijl hij lange haren had, en ik er al helemaal als een hippie uitzag. Ik was trouwens gek op ‘Hippie Boy’ van the Flying Burrito Brothers. Af en toe discussieerden we daarover, maar onze standpunten lagen niet zo ver uiteen omdat ik zelf ook geen ‘echte hippie’ was: ik leefde niet in een commune, deed niet aan groepsseks, gebruikte weinig of geen drugs, dronk slechts bij speciale gelegenheden, maar rookte wel heel veel sigaretten van het merk Lucky Strike.

1970-matti8_edited

“Het verschil tussen ons en de hippies is dat wij van rock & roll houden en drinken en dat zij gek zijn op die Duitsers en altijd maar zitten te trippen en joints te roken”, zei Marc vaak. Met die Duitsers bedoelde hij de bands die later onder de noemer ‘krautrock’ zouden vallen. Ik had niet een krautrockplaat in die tijd. Wel hoorde ik graag ‘Marmor, Stein Und Eisen Bricht’, van Drafi Deutscher, en dat hoorde Marc ook graag, omdat het rock & roll was. Bij ‘Black is Black’ had hij evenwel zijn twijfels, vanwege de Duitse zanger bij Los Bravos, een groep die voor de rest uit Spanjaarden bestond (in Spanje was Franco nog aan de macht). Ik vond ‘Black is Black’ zeer opwindend.

Aan Marc heb ik alleszins veel te danken. Hij waarschijnlijk ook aan mij, maar dat moet hij maar vertellen. Hij bracht me in contact met Herman Claeys en zijn bookshop, met de Dolle Mol en met rode wijn. Nooit in mijn weliswaar nog jonge leven had ik gebraakt. In café Florio had ik op een avond echter zoveel wijn gedronken (drie of vier glazen, het was puur vergif wat ze in de Florio als wijn schonken), dat ik me naar buiten moest reppen. Marc en Herman ondersteunden me terwijl ik stond te kotsen in de goot. Later die avond stond ik opnieuw te kotsen in mijn lavabo. Ik vroeg me af waar al die kots vandaan kwam, want eten deed ik nauwelijks.

Als ik niet in het gezelschap van Marc was, was ik alleen. Ik had wel wat Franstalige kennissen, hippies die ik kende van aan zee, maar mijn Frans was te slecht voor een diepgaand gesprek. Wat ik vooral nodig had was een vriendin. Marc had wel een vriendin, al heel lang, sinds zijn kinderjaren. Zij waren nog steeds smoorverliefd. Soms spraken we af in de Florio, zij met hun beiden en ik alleen. Ik vermoed dat Angie zal gezegd hebben, “die Martin ziet er zo eenzaam en verdrietig uit, zouden we voor hem geen vriendin kunnen vinden?” De beste vriendin van Angie was Sarah. En zo kwam het dat we aan elkaar werden voorgesteld, maar zonder rechtstreeks resultaat. Ik was bijzonder schuchter. Sarah was een mooi en zeer speciaal meisje maar ik vond dat ze ook iets cynisch had, en soms leek het of ze op iedereen neerkeek die niet even hip was als zij. Ik voelde mij geïntimideerd. Wel bleek dat we elkaar al eerder gezien hadden, in een verlaten huis, na een concert van Jethro Tull.

Op school gebeurde niet veel. Marc en ik zaten tijdens de cursussen meestal te kletsen, hitlijsten te maken (de beste elpees allertijden!), of surrealistische woordspelletjes te spelen; af en toe kregen we opmerkingen van professoren, zoals van Tone Brulin, die echt niet met ons gebrek aan aandacht opgezet was. Maar wij waren – zeker in die periode – nu eenmaal meer geïnteresseerd in Soft Machine, Led Zeppelin II en Incredible String Band (wow, jongen ‘The Hangman’s Beautiful Daughter’, nog altijd even mooi, heb ik van Marc, maar Marc heeft van mij ‘The Velvet Underground & Nico’ en ‘White Light White Heat’, die decadente New Yorkse scène was hem volkomen vreemd – de Britse weirdo folk is echter de New Yorkse underground waard, of niet soms?).

Ik had een zogenaamde anti-progressieve partij opgericht, om de pseudo-progressieven belachelijk te maken. Die partij van mij had een aantal harde regels, waar niemand zich aan kon houden, veel succes had ze dan ook niet. De documenten die ik nog heb, koester ik wel. Het was allemaal nogal dadaïstisch, terwijl ik van die kunststroming in Tongeren nooit had gehoord. Tongeren was een stadje in de toendra, niemand had daar ooit van iets gehoord. Het meeste van wat ik nu weet heb ik trouwens zelf moeten leren. Ook op het Ritcs heb ik weinig opgestoken. Maar de vrienden die ik er heb ontmoet zijn veel meer dan goud waard. Marc, Leo S., Erwin G. (Oswald), Guillaume B.

Het leven op het Ritcs hing mij al een beetje de keel uit. Wij hadden les in elektriciteit en scheikunde, vakken waaraan ik dacht te zijn ontsnapt bij mijn vertrek uit Tongeren. Niet dus. Of toch wel. Na een paar maanden bleef ik uit de meeste cursussen weg. Dinsdagmiddag was ik altijd aanwezig: dan werden twee films vertoond, stuk voor stuk klassiekers, van Truffaut, Godard, Antonioni, Fellini, enz., allemaal regisseurs die ik ben blijven bewonderen. Ik bleef ook naar de ‘praatjes’ van Jo Röpke over film gaan, en hij vond me een goede leerling omdat ik een degelijke analyse van de film ‘Easy Rider’ had gemaakt. Wat ik ook nooit miste was de scenariocursus van Ivo Michiels, een zeer beminnelijke man. En nooit miste ik de lessen fotografie, omdat ik graag wilde leren fotograferen en omdat we een uitstekende kleinbeeldreflexcamera ter beschikking kregen. Uit de andere cursussen bleef ik weg.

aloha 1

Foto’s: de jonge Martin Pulaski

EENZAAM OF ALLEEN

holsbeek1973

Soms kom ik terug op thema’s die me bezig houden. Waarom zou ik ook niet? Het is geen herhalingsdwang. Als puntje bij paaltje komt zijn er niet zo gek veel onderwerpen om over te praten. Eenzaamheid is er wel een. Eenzame mensen hebben altijd nogal veel indruk op mij gemaakt. Er is ongetwijfeld een – wellicht subtiel – verschil tussen eenzaamheid en alleen zijn. Eenzaamheid lijkt mij iets positiefs; je kiest er zelf voor. Alleen zijn impliceert verdriet en lijden, je kunt je niet herkennen in iemand anders, je maakt geen deel uit van een gemeenschap, je bent ‘alleen op de wereld’.

Ik kan niet tegen alleen zijn. Ik ben in vroeger dagen nooit alleen geweest. In 1969 ben ik als filmstudent in Brussel komen wonen. Al na een paar weken logeerde Reinhard bij me. Die jongeman wilde dringend van huis weg, want hij dreigde daar te verstikken. Zijn vader was een ex-nazi, die nog steeds zijn zwarte laarzen droeg en Reinhard ’s morgens bevelen toesnauwde. Geen ex-nazi maar een volbloed 1969-nazi… Voor hem was ’69 geen ‘année érotique’ maar een (imaginaire) tijd van definitieve Endlösung.
In mijn gezelschap leek Reinhard gelukkig, zeker als zijn Hollands liefje Josefien erbij was en zij zich in Breda van voldoende rode Libanon hadden voorzien. Hij kon buitensporig genieten van de boeken van Jan Wolkers en Henry Miller. Tegen het einde van het jaar begon ik een relatie met Sarah, die mijn eerste vrouw zou worden, moeder van mijn zoon, mijn enig kind. Voor Reinhard was er vanaf dan geen plaats meer op mijn kamer. Nog een paar dagen mocht hij op de sofa logeren, maar we vonden het niet leuk hem erbij te hebben als we vrijden. Reinhard heeft die laatste dagen toch nog gauw de dichtbundel ‘De val van de tandenloze kanunnik’ geschreven, waarna hij naar Gent is verhuisd, waar hij in de gevangenis werd opgesloten vanwege een dagboeknotitie over hasjiesj. Een dagboeknotitie, kun je je dat voorstellen? Je moet nu al een container vol shit laten aankomen in de haven van Antwerpen om nog gerechtelijk vervolgd te worden. Nog later is Reinhard in psychiatrische instellingen verder geestelijk verwoest. Zijn zus Reinhilde is op het einde van de jaren ’70 verongelukt op de weg. Een broer van hem is tijdens zijn legerdienst in een keuken ontploft. Wat er met Reinhard uiteindelijk is gebeurd, weet ik niet, ik vermoed dat hij nog wat leeft.

Met Sarah heb ik het vijf jaar volgehouden, tot mijn studie filosofie was voltooid. In mijn thesis behandelde ik het einde van het burgerlijke gezin. (Ik ben een licentiaat in de geschiedenis van de filosofie. Wat betekent dat nu nog? Ik ben niet eens een master…)
Op eigen initiatief, zonder de aantrekkingskracht van iemand anders, zou ik nooit van mijn eerste echtgenote weg zijn gegaan, denk ik, hoe hard het er tussen ons soms ook aan toe ging. Sarah was een lieve, intelligente en sterke vrouw, maar onze karakters pasten niet bij elkaar. Wij waren nog veel te jong toen we trouwden, onze ouders hadden ons daar voor gewaarschuwd, maar natuurlijk hadden wij niet willen luisteren naar hun raad, integendeel, het was veeleer een stimulans geweest voor ons. Wij spiegelden ons aan John en Yoko. Gelukkig ben ik verliefd geworden op Laura, wat het vertrek minder zwaar heeft gemaakt.

Nee, ik ben nooit echt alleen geweest. De jongste jaren begin ik er wel last van te krijgen, maar daar wil ik nu niet dieper op ingaan. Ben je niet altijd eenzaam uit vrije keuze? Is het geen (gemoeds)toestand die je moet koesteren, iets wat je zolang het duurt enige vrijheid schenkt?

Foto: Martin Pulaski, Holsbeek 1973.