RYOKAN : BILL VIOLA

RYOKAN

Ryokan, eind 18de eeuw: Ik zit stil te luisteren naar het vallen van de bladeren in mijn eenzame hut. Een leven vol ontzegging. De dingen worden niet langer herinnerd. Mijn mouw is nat van de tranen. Zeer sterk vind ik dat, net zo sterk als sommige werken van Bill Viola. Natuurlijk is zijn mouw nat van de tranen doordat de dingen niet langer herinnerd worden.

RITME VAN DE ZIEL

mali

Komen wij niet met z’n allen uit Afrika? Zit Afrika niet in ons genetisch systeem? Net als de Spanjaarden, de Italianen en alle Zuiderse volkeren worden ook wij om twee uur ’s middags moe en zouden we dan liefst van al een dutje doen, tot ongeveer vier uur. Maar doorgaans mag dat niet, vanwege de arbeidsethiek (die wij van de protestantse Angelsaksen hebben overgenomen) en de almachtige God die toekijkt (of alleszins toekeek toen die ethiek tot stand is gekomen).

Ja, wij zijn ‘primitieve’ mensen, die graag grooven op primitieve ritmes. Wat de katholieken de ziel hebben genoemd is gewoon dat orgaan dat gevoelig is voor die ‘primitieve’ ritmes, en melodieën. Noem het volksmuziek, etnische funk, shake, be bop of wat je maar wilt. Je krijgt warme rillingen en voelt trillingen – die vanuit de ziel opstijgen – als je het geluid van een accordeon hoort, of van een digeridoo, of van een viool. Dat primitieve komt tot leven in blues, flamenco, jazz, rock & roll, maar net zo goed in de muziek van Bartok en Liszt. Het is aanwezig in soul, disco, rock & roll en hip hop. Het zit in de jams van free jazz en in de raps die je al lang niet meer in de gore buurten hoort. Het zit zelfs in de schijnheiligste country & western en in de buitengewoon swingende Super Rail Band du Mali. Zet alsjeblieft die puur cerebrale westerse klankexperimenten niet op een altaarstuk. Er is niets mis mee, maar luister ook naar de muziek van de ziel, ’s nachts als de rede even in slaap ligt op de sofa. Luister naar het ritme en het lied. Goya zei dat de slaap van de rede monsters voortbrengt, maar misschien was hij alleen maar bang voor het donker, voor de nacht: dan verschijnt Dionysus en zijn wild dansend gevolg.

“Het woordenboek der muziek is er nog niet, er is zelfs geen begin mee gemaakt; alleen bij toeval worden de melodische figuren ontdekt die zeggen: ik ben kwaad, of ik houd van u, met hun nuances. De componist komt alleen op die melodische figuren wanneer zij hem worden ingegeven door de aanwezigheid van hartstocht in zijn eigen hart, of door zijn herinnering daaraan. Mensen die de beste jaren van hun jeugd gebruiken om te studeren in plaats van om te voelen kunnen geen kunstenaars zijn, niets is zo simpel als dat.”
Stendhal in ‘Over de liefde’

ZWARTRIJDEN IN ANTWERPEN

ghetto bells

Vorige zaterdag heb ik voor de zoveelste keer geld in een automaat gestopt zonder er iets voor terug te krijgen. Dit keer was het drie euro voor drie tramkaartjes. Er zijn geen kaartjes uitgekomen, het geld heb ik ook niet teruggezien, maar we hebben toch de tram genomen, in het zwart dan maar. Ik was nog eens in Antwerpen, waar ik een programma maak voor Radio Centraal. Het is een muziekprogramma en heet Zéro de conduite. Teddy Boy zegt me dat ik veel te braaf ben om een programma te maken met zo’n titel. Hij zal wel gelijk hebben, maar de muziek die ik draai is niet altijd even braaf. (Of was dat vroeger niet: ik draai nogal wat oude blues, soul, country en rock & roll: die rebellen van vroeger zijn nu al lang allemaal aanvaard en maken deel uit van het spektakel; maar moet ik hun muziek daarom afzweren? Ik geloof van niet). Ik denk dat hij me vooral te braaf vindt omdat ik me netjes aan een lijst houd, waaraan dagen voorbereiding vooraf zijn gegaan, want de keuze van de songs en hun volgorde vind ik van groot belang. Misschien moet ik meer improviseren, meer wild te keer gaan en tussen de liedjes de luisteraars uitschelden? En vaak uitroepen dat ik de beste ben van heel Antwerpen, ook al woon ik daar al 14 jaar niet meer en ben ik ook niet de beste. Ik heb me daar in Antwerpen een juweel van een plaatje aangeschaft van Vic Chesnutt, ‘Ghetto Bells’. Zomaar afgaand op mijn intuïtie. De rest van het jaar ga ik het heel vaak beluisteren, en daarna ook nog (als ik tenminste niet doof word). In dit geval had ik geen lijst bij de hand.

TREURLIED TUSSEN KALE BOMEN

jos d in 1976

Gisteren wilde ik iets schrijven over mijn in 1991 overleden beste vriend Jos Dorissen. Ik heb onlangs een scanner gekocht en had een foto van hem uit 1976 ingescand (ik denk hij dateert uit de lente van dat jaar, net voor de mooiste zomer van ons leven), die ik hier wilde tonen. De foto had, met bij mij veel meer effect dan een madeleine in een kopje thee, mijn herinneringen weer op gang gebracht. Toch kreeg ik over Jos geen regel, geen woord op ‘papier’. Ik denk dat ik eerst heel veel moet drinken eer dat wil lukken, want dat is wat wij samen ook meestal deden. Maar ik wil niet schrijven onder invloed van alcohol en eigenlijk wil ik ook helemaal niet meer drinken. Ik heb dus niets geschreven over mijn beste vriend en ik heb de foto ook niet getoond. Dat is me niet gelukt. Kennelijk is hij te zwaar voor dit medium, ofwel ligt het aan mijn onkunde, dat kan ook. Ik kan nauwelijks rekenen en heb geen verstand van techniek. Later, als iemand mij zal hebben geholpen, zal hier wel een beeld verschijnen van een goede, intelligente en mooie man. Maar vooral een diep melancholische jongen die zich niet met dit saaie leven kon verzoenen. Zelfs het pessimisme van Schopenhauer bood hem geen houvast, laat staan een uitweg. Omdat ik ook vandaag niets over Jos kan schrijven grijp ik hier terug naar een gedicht dat ik schreef naar aanleiding van zijn dood.

Treurlied tussen kale bomen.”

In Romeins marmer gebeiteld zie ik voor mij zijn buste. Hij heeft het ongelauwerd hoofd van een jonge dode dichter die geen sterveling kent. Ik zit zo stil mogelijk gebogen over dit kringlooppapier, waarop ik zijn naam schrijf: een neerliggende berk met een boogje op zijn top. Als ik met mijn ogen knipper beland ik in een klein Alexandrië tussen boeken die moeten branden als bossen omdat hij ze aanbad. Goden die hij in zijn handen had. Denken vindt geen vleugels voor een beter woord dan wit. Mijn dromen doven uit. Zij vergezellen de sterrren die tussen kale bomen vallen in de tuin. Niet dat de bomen een treurlied aanheffen voor een onaangepaste paljas of dat zij lijken op dorische zuilen. Nu het al zo vroeg donker wordt staan zij er alleen maar zo.”

(Omdat Jos hier niet wil verschijnen plaats ik Neil Youngs ‘After the Goldrush’. Neil Young was samen met Gram Parsons een van de grote helden van Jos. Lange tijd heeft hij rondgelopen met van die gelapte jeans aan, ook toen hij trambestuurder was in Antwerpen, wat ze daar wattman noemden.)

Inmiddels is Neil Young’s foto hier verdwenen en heeft Jos zijn rechtmatige plaats gekregen. Ik moet toegeven dat niemand me daarbij geholpen heeft, wat ik nochtans gehoopt en verwacht had. Maar ik begrijp nu dat je niet op de andere moet rekenen om je problemen op te lossen. Eigenlijk moet je nooit op de anderen rekenen. En dan kan het gebeuren dat er soms toch nog iemand uit nacht en nevel opduikt en je de hand reikt.
Foto: Martin Pulaski, Jos in 1976.

MELANCHOLIE, DOODSANGST

repulsion deneuve mirror

Ik zit vandaag vooral veel voor me uit te staren en te piekeren. Niet echt voor me uit staren: de blik is veeleer naar binnen gericht, ik zie nauwelijks wat er zich om mij heen bevindt. In de supermarkt ben ik vervreemd van de andere consumenten. Ik zet zonder iemand te zien mijn waren op de transportband, stop de etenswaren in mijn rugzak, betaal en ben weer weg. Mijn huidige toestand doet me denken aan die van Cathérine Deneuve in ‘Repulsion’. Dacht zij ook zo veel aan de dood? Dat is vandaag namelijk bij mij het geval. De dood zit mij dwars. Het is diepe melancholie, die verlammend werkt. De zekerheid dat je moet sterven. Het treuren om de dood van vrienden, familieleden, ouders, bewonderde helden.

De kwaal waar ik het enkele dagen geleden over had zit in mijn onderlijf, maar ze zit natuurlijk ook als idee in mijn hoofd – en langs die weg heeft ze mij al nare dromen over knekels en uiteenspattende vruchten bezorgd, dromen die zich afspelen in het onder een gouden nevel rustende rijk van de dood. Ik probeer aan die melancholie te ontsnappen met Brian Wilson en the Beach Boys (‘Cabinessence’, ‘Wind Chimes’, ‘Heroes and Villains’), maar veel helpt het allemaal niet. Ik zal geduld moeten oefenen en wachten tot de zon weer gaat schijnen, of me wat meer inspannen en troost zoeken in de wijsbegeerte.

HIAWATHA EN GUY DEBORD

Death-Of-Minnehaha_Dodge

De voorbije weken ontving ik twee buitengewone tijdschriften in mijn brievenbus. Het ene heet Hiawatha, genoemd naar een stadje in Kansas en uitgegeven door mijn geliefde zoon Jesse Brouns. Zijn inleidend artikel, zeer emotioneel geladen herinneringen aan een winterse trip door de midwest, heeft me diep geraakt. In tijdschriften lees je zelden zulk geraffineerd proza. Maar het hele blaadje (wat een gebrek aan eerbied in dit woord), gewijd aan mode, boeken, fotografie en muziek, is geraffineerd als de fijnste suiker. En zeer eigenzinnig. Er staat zelfs een bespreking in van een plaatje getiteld Arizona Man van Eurovisiesterretje Mary Roos…

Het andere tijdschrift dat ik ontving heet Buiten (jaargang 16, 1e kwartaal) en werd me toegezonden door mijn vriend Johny Lenaerts. Er staat een zeer memorabel artikel in van zijn hand over de melancholie van Guy Debord. Guy Debord was de oprichter van de Stiuationistische Internationale, een bewonderaar van Malcolm Lowry en hij was wellicht de meest miskende invloedrijke westerse filosoof van de tweede helft van de twintigste eeuw. Elf jaar geleden schoot hij zich een kogel door het hart. Het goed gedocumenteerde essay van Johny Lenaerts geeft je zin om het werk van Debord te herlezen en te herbekijken (ja, hij heeft ook films gemaakt). Wat ik niet wist of vergeten was: Guy Debord was weg van Nicholas Rays Johnny Guitar, een van mijn honderd uitverkoren films. Die film wil ik samen met het werk van Guy Debord en dat van zijn copain Raoul Vaneigem aan mijn lezers aanbevelen.

Afbeelding: Death of Minnehaha,William de Leftwich Dodge, 1885

SCHOONHEID EN AFTAKELING

candy

Al een tijd terug in de heimat, wennen aan de schoonheid en het vuil rondom mij. Wennen aan de zachte Belgische lente, het groen van de bomen in onze straat, de milde regen, de winkels uitpuilend van groenten en fruit, maar ook het lawaai van de auto’s en de giftige lucht. De onbeschofte taxichauffeurs. Het gevoel een vreemde te zijn in je ‘eigen’ stad, in je ‘eigen’ land. Het oude, vertrouwde dat soms zo bizar kan lijken. Of is het in wezen allemaal bizar?

Ik word ouder, kaler, grijzer, maar rimpels laten nog wat op zich wachten. Het gezicht is niet doorgroefd van zware arbeid, drank en sigaretten. Het aantal kwalen waaronder ik gebukt ga is echter niet meer te overzien. Je kan niet zeggen dat ik voor gezondheid en geluk geboren ben. Ik ben niets, sta nergens, ben nergens thuis, ben gewenst noch ongewenst. Noem me maar een loser, baby. Maar als ik in de spiegel kijk ben ik niet helemaal ontevreden. Het is niet de kop van een coole schoonheid als Candy Darling – die nu weer in de belangstelling blijkt te staan – maar evenmin die van een beate idiotie uitstralende Tom Boonen of andere vedetten en kampioenen in het landschap van Big Brother. Ik ben tevreden met mijn kop omdat het een kop is. Je ziet meteen dat ik heb geleefd en wat nog beter is: dat ik nog steeds in leven ben. In leven, jongen. Thank you for the days, hoor ik Ray Davies nu zingen. Die man wist het al lang geleden. Those endless days…

Toch is er geen reden voor vreugde of ben ik niet meteen zinnens feest te gaan vieren. Tijdens mijn verblijf op La Palma (waar ik opnieuw sporen aantrof van een of ander paradijs, zeer aanwezig maar desondanks verloren, nabij en toch zo ver, om met Wim Wenders te spreken) ben ik ernstig ziek geworden en dat ben ik nog altijd en het zal zeker nog een tijdje duren. De volgende dagen worden dagen van medicatie, onderzoeken, analyses, bang en hoopvol afwachten.

Door die ziekte heb ik nu tijd om mij weer aan te passen aan de heimat. Ik gebruik graag dat Duitse woord omdat ik de drie Heimat-reeksen van Edgar Reitz tot het allebeste filmoeuvre reken dat ooit werd bijeengefilmd. Ik ben ook wel opgelucht dat ik nog thuis ben geraakt, dat ik mij hier kan laten behandelen. Niet dat ik de arts in Tazacorte wantrouwde, maar hier in mijn vaderland kennen de dokters me. Ze zijn op de hoogte van mijn zwaktes, mijn allergieën, mijn angsten, maar ook van mijn hypochondrie. Dat geeft een enigszins veiliger gevoel.

Ondertussen is het Vlaamse Circus BHV nog altijd in het land. Begrijpen de Vlaamse fanatici dan niet dat ze België vernietigen, dit uniek, fabelachtig, en inderdaad visionair land? Wie zit er te wachten op een Vlaming of een Waal? Belgen echter worden gerespecteerd, onder meer vanwege hun bedrevenheid in het oplossen van problemen. Maar meer nog omdat ze een bijzondere gave hebben om problemen te scheppen. Dat is toch buitgengewoon! De Vlaamse fanatici willen dus een soort Denen of Moldaviërs worden. Ik heb niets tegen Denen, maar zijn zij bijzonder? In wat dan? Ik ken hen alleen als een volk in een land in een stuk van Shakespeare. Een fictief volk, eigenlijk. Dezelfde fanatieke Vlamingen (of hun voorouders) hebben van Brussel een Franstalige stad gemaakt. Je moet maar eens de proef op de som nemen en in het telefoonboek kijken hoeveel Franstalige Vanderstraetens er in Brussel wonen. Allemaal afstammelingen van ‘echte’ Vlamingen. Die mensen hebben op een gegeven moment vanuit praktische en economische overwegingen (en zeker niet literaire) het Frans verkozen boven het ‘Nederlands’ (meestal ging om het Oost- en West-Vlaams: de sprekers van die dialecten waren de meest ondernemenden onder de oude Flamins). De consequentie daarvan is dat Brussel nu een Franstalige wereldstad is met inwoners uit meer dan honder landen afkomstig. So what? Als deze stad New York zou heten zou iedereen er trots op zijn. En als Brussel de hoofstad van een België zou zijn waarmee je je kunt identificeren, ook als immigrant, zoals de immigranten in de VS zich Amerikanen voelen, dan zou iedereen even trots zijn. Maar dat willen die fanatieke Vlamingen niet. Die willen BHV splitsen en met oude leeuwen zwaaien en kaakslagen incasseren en het eigen volk voor eeuwig in het eigen nat laten marineren. Ach, fanatici, een meelijwekkende soort. Ik blijf er voorlopig op vertrouwen dat de heren Di Rupo en Verhofstadt – waar ik niet de minste sympathie voor koester – een oplossing vinden voor het Circus BHV.

En vanaf nu zwijg ik over politiek en keer ik terug tot de letteren (in het Nederlands tot uitsterven gedoemd) en de rock & roll (al dood en begraven). Keep on rockin’ in the real world! Laat je niet aliëneren. En let op de parkeermeters: die hebben oren.

Foto: de schoonheid van Candy Darling