EEN NIEUWE LENTE, EEN NIEUW HOOCHIEKOOCHIE

hoochiekoochie 25 4 2018 (2)

Misschien was je al op de hoogte, misschien ook niet. Mijn blog hoochiekoochie, mijn levenswerk sinds maart 2005, was ‘eigendom’ van Proximus, voorheen Belgacom. Op 31 mei dit jaar zal Proximus zijn blogservice (skynetblogs) beëindigen. Dat betekent dat er vanaf die datum van hoochiekoochie zoals het al die jaren was geen spoor meer zal overblijven. Zo verdwijnt mijn belangrijkste literaire werk, duizenden pagina’s tekst: kortverhalen; mijmeringen; autobiografische fragmenten; gedichten; beschouwingen over film, muziek, kunst; playlists van mijn radioprogramma Zéro de conduite, en veel meer. Zo verdwijnen honderden met zorg gekozen foto’s en andere illustraties.
Mijn blog telt op dit ogenblik meer dan 3,3 miljoen bezoekers. In NetworkedBlogs heeft hoochiekoochie 1.135 volgers.
Omdat ik geen uitgever heb en de voorbije vijftien jaar weinig in tijdschriften heb gepubliceerd kwam het nieuws van die ‘verdwijning’ bijzonder hard aan.

Maar ik heb de voorbije veertien dagen niet stilgezeten. En ik heb ook veel hulp gekregen van heel wat fijne en vakkundige mensen. Waarvoor mijn dank. Zo heb ik mijn blog onder dezelfde naam hoochiekoochie in WordPress kunnen importeren. Alle oude teksten, vanaf maart 2005, staan hier nu weer, samen met zowat alle illustraties en commentaren die er deel van uitmaken.
De stijl van mijn blog is voortaan evenwel anders, soberder, transparanter, met minder verwijzingen, cultuurgeschiedenis en pedagogie. De nadruk ligt nu op de woorden, op de teksten, op de verhalen.
Er is zeker nog werk aan de layout van mijn nieuw blog, er zijn nog heel wat schoonheidsfouten.  Maar dat komt wel goed. Het slechte nieuws van twee weken geleden is zo min of meer geneutraliseerd. Het heeft geleid tot deze kleine renaissance in mijn schrijvend en ontwerpend leven.

Hopelijk beleven jullie in de toekomst nog meer lees- en kijkplezier aan mijn blog dan in het verleden.  Of mogelijk horen jullie er nu voor het eerst van… Wees welkom op het vernieuwde hoochiekoochie!

hoochiekoochieblog 25 4 2018 nieuw (2)

VREEMDELINGEN IN EEN VREEMDE STAD

verhaal, stad, steden, mysterie, dwalen, dolen, zwerven, verdwalen, dérive, alleen, elvis, conversatie, bezoek, maaltijd, bendes, gevaar, zand

Elke stad bevat meerdere steden, sommige zichtbaar, sommige onzichtbaar. In zo’n stad in een stad liep ik over straat met een plastieken tas boordevol boodschappen en haastte me naar huis. Maar waar was mijn mooi huis en waar was mijn mooie vrouw? Dat zullen we later wel zien, dacht ik, en ik vervolgde mijn weg. Het was eerder een steegje dan een straat, zag ik nu. Een donker steegje in een middeleeuwse stad, met links en rechts van mij grijze en zwarte gebouwen waarvan de gevels elkaar bijna raakten. Verderop een brede boulevard met meer licht.
Wie is toch deze man die naast me loopt, vroeg ik me af. Terwijl ik dit dacht vielen mijn haast en mijn ongerustheid van me af. Ik zag dat de onbekende man – die ik zeker wel ergens van kende – en ik vrolijk doorstapten, nieuwsgierig om ons heen kijkend naar al het betoverende dat deze mysterieuze stad te bieden had. Ik zag dat omdat ik kennelijk uit mezelf was getreden, heel even maar, en een stukje achter mezelf en die vreemde man aanliep. Wat waren we opgetogen over deze stad! Zelfs de stinkende steegjes vertederden ons en wel zozeer dat ik meteen een foto maakte: een close up van onze pretoogjes.
Ik was al lang niet meer gehaast. Waarom zou ik me haasten? Ik had geen doel, tenzij je dit drentelen zelf, deze dérive, het doel zou noemen. En een bestemming dan? Ja, daar zeg je zoiets. Wat is het verschil tussen een doel en een bestemming? Alleszins was onze stemming opperbest, maar dat vermeldde ik al. We praatten er lustig op los; a little less conversation, dat merkwaardige advies van Elvis, was aan ons niet besteed.
Een vrouw sprak ons aan. Ze nodigde ons uit voor het avondmaal bij haar thuis. Haar eetkamer bestond uit twee delen, gescheiden door een wit gordijn in balenkatoen. Het was niet duidelijk waar ik plaats mocht nemen. Ik wist namelijk niet op basis van welke criteria de tweedeling was gemaakt. Al gauw bleek dat wij onder de genodigden de enige vreemdelingen waren. De andere aanwezigen waren allemaal familie van elkaar. Ze zaten met z’n allen, zeker wel dertig, aan grote langwerpige tafels. Waar vond ik een plaats om mijn boodschappentas achter te laten? Niemand bleek zich iets van mijn beslommeringen aan te trekken. Zag iemand mij wel? Waarom was ik hier uitgenodigd? Ik had zelfs geen honger.
Het was al donker geworden toen mijn metgezel en ik in de gevaarlijke wijk van de stad belandden. Op straathoeken waakten gewapende mannen. Meerdere bendes – met elk haar eigen kleuren en kapsels – terroriseerden deze buurt. We moesten ons gauw uit de voeten zien te maken. Hier en daar waren al straatgevechten aan de gang. Soms ook een eenzame wolf met een in het maanlicht flikkerend mes. Een psycho killer?
Gelukkig was het niet ver tot de nieuwere wijk, waar de zon opkwam. Ik liep voorop. Met mijn armen gestrekt bootste ik als een kind een vliegtuig of een engel na. Het leek wel of ik kon vliegen. Ik kon vliegen! Ik zag het vanop een afstand, met mijn eigen ogen. In deze wijk is de bevolking wel erg vriendelijk, zei mijn compagnon. Ja, zei ik, dat komt door het zand. In plaats van tegels, kasseien, straatstenen, was er overal zand. We deden onze schoenen uit en voelden de warmte van het witte zand.
We waren thuis gekomen. Niet bij mij thuis maar in het appartement van mijn metgezel, mijnheer Angelo Mysterioso. Hij was meteen in een diepe slaap gevallen. Alles was nu rustig. Ik was alleen met mezelf, met mijn onnauwkeurige gedachten. Wat mistte ik onze kinderlijke gesprekken. In een kartonnen doos naast zijn bureau zag ik folders over banken, over beleggen, over beursnoteringen. Doe je aan beleggen, vroeg ik. Ja, antwoordde hij met slaperige stem. Ik was diep teleurgesteld. Wie was deze man? Niemand om bevriend mee te zijn. Ik verliet het appartement en stond opnieuw op straat in het heldere licht van de dag. Ja, ik was alleen en redelijk gelukkig. Niets kon me nu nog tegenhouden.

Ω

Afbeelding: Martin Pulaski, Jaén, 2005

NACHTELIJK KLASSEREN

1969-karmelietenstraat2_edited.jpg

Ik geloof dat het allemaal begonnen is met postzegels klasseren. Dat kon een hele of toch zeker een halve nacht doorgaan. ’s Morgens stapte ik uit bed met een gevoel van voldaanheid maar ook met lichte hoofdpijn en het gevoel dat ik niet uitgeslapen was. In plaats van uit te rusten hadden mijn hersens flink doorgewerkt.

Misschien was dat zo kwaad nog niet maar het ging toch naar erger. Alsof mijn leven ervan afhing ging ik boeken, grammofoonplaten en compact disks klasseren. Bij het ontwaken, soms midden in de nacht, was ik meestal niet veel verder geraakt dan de M. Soms sliep ik weer in en kon dan nog een tweetal letters afwerken. Meermaals leek het of elke ordening nieuwe chaos in leven riep. Je mag me geloven: dergelijke dromen zijn frustrerend. Je klasseert wel maar je weet nooit wat het ordenend principe is, wat de categorieën zijn, waarom je er sowieso aan begonnen bent. Alleen ben je er zeker van dat het moet en dat er geen ontsnappen mogelijk is.

Na enkele weken, of waren het maanden, kwamen de meubelen en de hele inboedel van mijn woning aan de beurt. Alles moest om een mij onbekende reden worden verplaatst of in dozen gestopt en naar de kelder en of het stort gebracht. De dozen hadden een vooraf bepaalde plaats, al wist ik niet wie dat verordend had. Bovendien was ik te afgepeigerd om me daar druk over te maken. Het was een soort van a priori kegelspel en ik was de hond a posteriori. Of een ander dier, een olifant misschien… Meer kan ik er niet over zeggen.
Soms moest er helemaal opnieuw worden begonnen omdat een doos per ongeluk verkeerd was geklasseerd. Soms gebeurde het zelfs dat een voorwerp dat op die of die plaats in een doos moest komen ontbrak. Dan moesten de dozen weer worden geopend en leeggemaakt tot het ontbrekende kopje of de haardroger of een veiligheidsspeld was teruggevonden. Op de dozen bracht ik allerlei tekens aan zodat ik niet vergat wat er in zat en waar ik ermee naartoe moest.

Een paar dagen geleden ben ik met de huizen begonnen. Ik bespaar u het vermoeiende verhaal van wat mijn opdracht inhield. Het komt erop neer dat ze op basis van een obscuur systeem geklasseerd moesten worden. Woningen die niet aan objectieve – al even obscure – criteria voldeden moesten verdwijnen, wat soms met hevige emoties gepaard ging, want ik had die criteria niet opgesteld en er waren gebouwen bij die ik zelf waardevol en zelfs mooi vond.

De voorbije nacht kwamen de wijken van een grote stad, ze leek wat op Los Angeles, aan de beurt. Logischerwijze moest ik beginnen met wijk A. Mijn opdracht was zo weinig mogelijk wijken over te houden maar ik mocht er toch ook geen enkele doen verdwijnen die nog enige relevantie had. Van contradicties gesproken. Het ging over een hele cluster van relevanties. Als een wijk sociaal, historisch, geografisch relevant was moest zij behouden blijven maar dan wel op de juiste plaats. Een wijk waar een revolutie was begonnen mocht niet grenzen aan een waar een eerste steen was gelegd van een gemeentehuis of waar een standbeeld stond van een of andere vrijheidsstrijder. De ellende was dat ik dat standbeeld ook niet mocht verplaatsen naar de wijk waar veel vrijheidsstrijders woonden. Neen, aan de wijken mocht ik helemaal niets veranderen, dat zou te eenvoudig geweest zijn. Pornocinema’s die zich toevallig in de wijk van de blockbusterbioscopen bevonden mochten niet naar de pornozone worden verplaatst. En zowel de wijk van de porno als die van de blockusters moest behouden blijven. Relevantie, zo bleek later, was niet het enige criterium. Het was tevens mijn opdracht de wijken meer homogeen te maken. Diverse functies in één zelfde zone, dat veroorzaakte te veel verwarring.

Je kunt je voorstellen dat mijn werk me behoorlijk wat kopzorgen gaf – en hoe uitgeput ik nu ben. En ik ben maar tot aan de D van Distelheide geraakt. De rest is voor later, als dat nog ooit komt. Voor volgende week, of toch voor binnenkort, heb ik alweer nieuwe opdrachten. Eerst komen de planeten en daarna de sterren aan de beurt. Daar zal ik wel een tijdje zoet mee zijn en dan zien we wel weer.

Ω

Foto: Martin Pulaski, Brussel, 1970

DE ROKENDE MAN

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 040.JPG

Zondagmiddag. Ik ben al een paar dagen in Cadiz. De zuivere lucht van de Atlantische Oceaan doet me goed. Het ziet er naar uit dat ik spoedig zal herstellen. Gisteren schaamde ik me voor de koortsblaas op mijn lip en de zware hoest. Maar dat was niet nodig. Maria Jesus omhelsde me alsof ik een reis rond de wereld had gemaakt en nu weer thuis was gekomen, alsof ik grote gevaren en fatale verleidingen had getrotseerd. Later stonden we in de bars te praten en te lachen en plannen te maken alsof er niets aan de hand was. Nergens, met niemand. Wat maakte die hoest uit… Drink nog een glas bier, eet nog wat boquerones!
En nu zit ik op dit terras. Wat zou er op deze zonnige middag in het hoofd van de man daar aan het andere tafeltje omgaan? Je hebt geen idee. Of toch wel? Denkt hij aan invasies van goddelozen, aan nieuwe veroveringen, aan bloedvergieten? Waarom die zonnebril in de schaduw van een parasol? Waarom de burgerlijke blazer, de zegelring, het gekleed hemd? Hoe hij zijn brandende sigarettenpeuken op de vijandige grond gooit. Met zwier, met kracht, met minachting, met onverschilligheid. Hij lijkt niet in de richting van de vijandige grond te kijken, maar dat kan ik niet zien. Ik heb een vermoeden dat zijn ogen bloeddoorlopen zijn. Of nietszeggend, leeg. Misschien koortsig, onverschillig, wanhopig… Verdelgd.

Ik zou graag met je praten over gisteren, over Menchu – niemand noemt haar Maria Jesus – en over de nieuwe vrienden, Carmen, Harvey en Juan. Over de sublieme heiligen van Murillo. Hun donkere, extatische ogen. Maar de rokende man neemt me volledig in beslag. Wie weet hoeveel verrukkelijke Gaditanas in dunne zomerjurkjes hier inmiddels al voorbij zijn gelopen. Zijn vijftiende sigaret reeds. Ik heb ze een voor een geteld. Nu gaat ook het lege pakje tegen de grond. Zijn het zijn laatste uren? Heeft hij zijn dagen gewikt en gewogen? Is deze performance zijn adieu? Of is het gewoon maar routine? Een elke zondagmiddag herhaald leren wennen aan het snel naderend onheil? Is het geen invasie waar hij aan denkt maar een catastrofe?
De glazen bier die hij drinkt tel ik niet, ik beperk me tot de sigaretten. Anders wordt het te chaotisch in mijn hoofd. Dag ga ik zelf misschien ook pils drinken en krijg ik nog zin in een sigaret ook. Want wat moet het heerlijk zijn om zo’n brandende peuk met zoveel levensverachting weg te slingeren. In de richting van de vijandige aarde. De aarde die met haar rampen en catastrofes zoveel schade aanricht bij mensen en dieren en planten en die ons allen zo weinig tijd gunt voor ze ons naar zich toetrekt.

Kom schat, laten we de rekening vragen, zeg je. Ik wil nog even naar de nieuwe stad, wat uitwaaien op het strand daar. Heel goed, zeg ik. Wat ik me afvraag is of we ooit Toronto en Vancouver zullen zien. Dat komt door Harvey, die lang geleden uit Canada hierheen is gekomen. Je vraagt je af waarom. Is Canada dan niet het beloofde land? Ik weet het niet. Het lijkt er wel op of ik helemaal niets meer weet. We zullen de bus nemen, zeg ik, dan kunnen we wat langer op het strand wandelen.

Ω

Foto: Martin Pulaski, Cadiz, 15 april 2016

MEVROUW BLUE EN ANDERE KLEINE AVONTUREN

P1020297.JPG

Ik logeerde in een kamer op de zevende verdieping van het Markiesgebouw, waar ik in het echte leven tien jaar heb gewerkt. Na een verkennende wandeling door een geheimzinnige stad, waar vooral de grijze trolleybussen me opvielen, maar toch ook de in bonte kleuren geklede meisjes, drinkend van flessen Long Star Beer, vond ik eerst het Markieshotel en daarna mijn kamer niet meer terug. Toen het gebouw na een lange en chaotische zoektocht, met allerlei zeer tijdelijke gidsen (die ik stuk voor stuk van ergens in het verre verleden meende te kennen) die zich aan me opdrongen met soms goede en soms slechte raad, ergens in een schemerzone aan de rand van de stad voor mij opdoemde, telde het maar één verdieping meer. En die ene verdieping was dan nog zwaar beschadigd. Ik zag sporen van brand, kogelgaten, bloed. Onwillekeurig herinnerde ik me de lectuur van Alfred Kubins ‘Aan gene zijde’. Later op de dag, het was al donker geworden, liep ik op blote voeten over koude en vochtige kasseien. Ik ben mijn schoenen in de kamer vergeten, zei ik tegen A.

P1020248.JPG

Naast me in de canapé zit een opvallend elegante vrouw die ik mevrouw Blue moet noemen. Dat is niet mijn naam maar zo heet ik nu eenmaal, zegt ze. Ze trekt haar winterjas uit en gooit die achteloos op de houten vloer. We praten zomaar wat: small talk. Over treinvertragingen, bussen die omgeleid worden, welke wijnen bij welke gerechten passen, het leven van de truffelvarkens in de Périgord, de regen die al weken lang door de kieren van onze woningen dringt, samenzweringen, de verleidingen van de heilige Antonius. De sfeer is niet bepaald ongedwongen. Mevrouw Blue gaat al gauw wat verder weg van me zitten. Waarom? Heb ik iets verkeerds gezegd misschien? Als dezelfde maar een andere, even elegante mevrouw Blue, vermoedelijk een dubbelgangster, in onze rommelige kamer haar entrée maakt schuift de mevrouw Blue die naast me zit nog verder van me weg, alsof ze zich schaamt of bang is voor wat ik maar de indringster zal noemen. Vliegensvlug drink ik mijn glas Picon leeg. Mevrouw Blue, de dubbelgangster, blijft kaarsrecht als een kolonel op ongeveer een meter afstand voor ons staan. De mevrouw Blue die naast me zit bedenkt zich nu en vlijt zich tegen mij aan, alsof ze wil zeggen dat zij de echte is, of dat ik de hare ben en zeker niet die van de mevrouw Blue die nu aanstalten maakt om aan mijn rechterzijde plaats te nemen.

Met A. beleef ik gelukkige dagen in Stockholm. Op onze laatste dag gaan we eten in een eethuisje, waar we bediend worden door de hartelijke en gastvrije uitbaatster zelf. Ander personeel is er niet. Als we willen betalen blijkt dat A. in plaats van bankbiljetten niets dan strookjes en briefjes heeft waarop cijfers staan, bijvoorbeeld “waarde 23 euro”. Ik zeg haar dat die briefjes misschien wel bij de stomerij in de Westland Shopping maar niet in Stockholm geldig zijn en zoek in mijn jas- en broekzakken naar echt geld. Veel is het niet, zeker niet genoeg om de rekening te betalen. Maar de uitbaatster vindt het niet erg, we komen zeker wel terug, zegt ze. Ik zie nu dat er bloed over haar gezicht loopt, dat haar rechteroog gewond is. Toch blijft ze glimlachen. Dat is niets, zegt ze, een kleinigheid. Wel vindt ze het erg dat we nu al vertrekken. Waarom blijven we toch niet langer in Stockholm, het is zo’n mooie zomer, al weken heeft het niet geregend, en overal vogelgezang? We komen over twee of drie jaar zeker terug, beloof ik. In haar ogen, waarvan één bloedrood, misschien wel blind, zie ik dat ze mij niet gelooft.

P1020340.JPG

Foto’s: Martin Pulaski, Brussel

 

ALS DE VOGELS VOOR ONS ZINGEN

michael madsen Reservoir-Dogs2.jpg

Vannacht hebben de vogels dan toch niet voor ons gezongen, zei Antoine.
Ze zullen te moe zijn geweest, zei Griselda, ze moeten al voor zoveel mensen zingen.
Zielige mensen met hun zielige noden, zei Antoine.
Antoine, ik hoorde op de radio dat Michael Madsen een pikante saus op de markt heeft gebracht, zei Griselda.
Dan zal hij wel niet veel gedichten meer schrijven, zei Antoine.
Wie pikant eet leeft langer, zei Griselda.
Mogelijk, zei Antoine, maar schoenmakers blijven meestal bij hun leest.
Wat is dat toch ook alweer, een leest, vroeg Griselda.
Een soort aambeeld, weet ik veel, zei Antoine, alleszins een ding waar een schoenmaker bij blijft.
Wat hebben Amerikaanse acteurs toch met sauzen, zei Griselda.
Ja, ik kan geen film met Paul Newman meer zien zonder aan mayonaise te denken, zei Antoine.
En de bolognesesaus van Martin Scorsese, zei Griselda.
Dat is iets anders, Martin Scorsese is een regisseur, zei Antoine.
Ik geloof dat hij ook iets met scheermessen doet, zei Griselda.
Heb je mijn Tarantino-bloedworst al geproefd, vroeg Antoine.

Griselda, denk je dat dit allemaal op een keer terug zal komen… Dat we opnieuw in dit café naast elkaar zullen zitten en over dezelfde dingen praten, vroeg Antoine.
Nadat Brussel is verwoest en weer opgebouwd en weer verwoest en weer opgebouwd, zei Griselda.
Over tienduizend jaar, zei Antoine.
Ik hoop het zo, zei Griselda.
Met dat verschil dat de vogels dan voor ons zullen zingen, zei Antoine.

bigshave.jpg

Afbeeldingen: Michael Madsen in ‘Reservoir Dogs’, Quentin Tarantino, 1992; Peter Bernuth in ‘The Big Shave’, Martin Scorsese, 1967.

 

 

SCHIMMEL

IMG_2800.JPG

Ik bevind me in een gigantisch gebouw, een ministerie of een ziekenhuis, of is het een archief? Herinneringen aan de gangen in het Markiesgebouw, waar ik van 1991 tot 2012 werkte; nu is er de beurs van Brussel in ondergebracht.  Ik zit op de vloer, met aantekeningen of dagboeknotities. Wat moet er met al deze geschriften van me gebeuren? Samen met mijn boeken een onoverzichtelijke massa, zeker voor anderen. Een drietal jonge vrouwen blijft bij me staan. Een van hen, later verneem ik dat zij de jongere zuster is van Chantal S., spreekt me aan. Ze hebben hulp nodig bij het oplossen van een belangrijk probleem van bestuurlijke aard. Of ik wil helpen? Hoewel ik helemaal niet weet waar het om gaat en zelfs de vraag niet goed heb begrepen, stem ik toe. Ze nemen me mee naar een vergadering, waar al een aantal specialisten om de tafel zit. Op weg ernaartoe vertelt ‘de zus van Chantal S.’, hoe ze heet zegt ze niet, wat over haar oudere zus (waar ze bedrieglijk veel op lijkt). Chantal (de echte) vindt het zo erg dat jullie elkaar nooit meer zien, zegt ‘de jongere zus’. Ja, het is zeker tien jaar geleden, zeg ik. Waarschijnlijk meer. En haar oudere zus, Renée S… Zo erg hoe zij aan haar eind is gekomen… Ja, zegt ‘de jonge zus van Chantal’, wie had dat destijds kunnen denken. Ik heb jarenlang in dit gebouw naar Chantal gezocht, zeg ik, maar zonder resultaat. Als ik al een spoor van haar vond in een of ander bureau werd het meteen weer uitgewist. Het is hoe dan ook erg moeilijk om hier iets of iemand te vinden. Ooit moest ik dringend een arts raadplegen, maar zelfs dat lukte me niet. Hier is vast wel een geneeskundige dienst, maar die zit dan wel goed verborgen in een of andere doodlopende gang, ver van een lift of een trap verwijderd. Je mag je niet voorstellen wat daar allemaal gebeurt.

Tijdens de vergadering probeer ik zoveel mogelijk van wat wordt gezegd te noteren in mijn klein notitieboekje van Muji. Maar enerzijds begrijp ik geen woord van de ambtelijke taal, anderzijds slaag ik er niet in om ook maar één zin op een leesbare manier neer te schrijven. Wat op papier verschijnt is werkelijk beschamend. En dan te weten dat mijn handschrift vroeger zo duidelijk was en mijn woordenschat zo omvangrijk; mij mijn grenzeloze verbeelding te herinneren! Neen, ik breng er niets van terecht. Des te meer maak ik mij zorgen over de bestemming en bewaring van mijn oude teksten, cahiers, dagboeken, verhalen en brieven; mijn hele onoverzichtelijke archief.

Ik ga even bij Erik langs, een collega die in een bureau in de buurt werkt en over een klein deel van mijn archief waakt: de Muji-notitieboekjes. Wat erg, zegt Erik, ze zijn allemaal door schimmel en insecten, vooral papiervisjes, aangevreten. Nog een geluk dat deze beestjes het driehonderd dagen zonder eten kunnen volhouden. Je zou best op zoek gaan naar een huis, een voldoende grote en luchtige ruimte om alles in onder te brengen, zeker ook het materiaal dat je op het schip bewaart. Dat zal zeker nog meer aangetast zijn dan de Muji-boekjes hier. Ja, dat is ook mijn vrees, zeg ik.  Overigens moet ik hoe dan ook weg van dat schip: het wordt verkocht en dan gesloopt. Veel tijd om er mijn bezittingen weg te halen heb ik niet meer. Maar waar kan ik naartoe, beste Erik?

Ω

Foto: Martin Pulaski, Brussel, juni 2015.