OP VOORSCHRIFT VAN DR. JOHN

dr john 5

De stem, de muziek, de songs en de persoonlijkheid van Malcolm John Rebennack, beter bekend als Mac en beroemd als Dr. John, bezitten voor mij en mijn vrienden en waarschijnlijk voor iedereen die van muziek houdt een magische, bijna bovennatuurlijke kracht en schoonheid. Wat ergens wel vreemd is want het ritme dat het leeuwendeel van Dr. Johns songs en van zijn beste albums zo veerkrachtig en aanstekelijk maakt is honderd procent van de aarde, van het lijf, van het kloppende hart. Maar als je daar even bij stilstaat is dat toch weer niet zo vreemd: aarde, lichaam en geest vormen een magisch geheel en muziek is transcendentie van de natuur in de mens. Een mooie vaststelling op deze dag van Pinksteren, al hoef je niet echt in de Heilige Geest te geloven, om door de grooves van Dr. John geroerd te worden (en als de sterren in de juiste constellatie staan, uit je verkrampt lichaam te treden en op te gaan in iets wat ons met elkaar en met het één-en-al – of  Ἓν καὶ Πᾶν in het Grieks – verbindt).
Overigens denk ik dat de dokter bij al deze metafysica eens flink zijn wenkbrauwen zou optrekken. Je hoeft mij ook helemaal niet te geloven. Luister gewoon naar zijn platen, in je luie zetel, in een donkere kamer, in de keuken, op een boot, in de trein, op de dansvloer, in de weide, boven op een berg of op het strand. Altijd zal geluk en betovering je deel worden. Je bent tenslotte een mens en een mens is vooral zwak. De allergrootste componisten en muzikanten kunnen je sterker en beter maken, kunnen je zelfs genezen. Malcolm Rebennack is een van die allergrootsten.  Dat schrijf ik in de tegenwoordige tijd.

dr-john-2

Got many clients come from miles around, running down my prescription. I got my medicine, to cure all your ills. I got remedies of every description. Aldus Dr. John Creaux, die mij sinds 1968 tot zijn trouwe en gehoorzame cliënten mag rekenen. Dit is een lijst van de heilzame middelen die hij me sinds mijn achttiende verjaardag voorschreef:

Gris-Gris Gumbo Ya Ya
Danse Kalinda Ba Doom
Mama Roux
I Walk on Guilded Splinters
Gris-Gris (1968) (Atco, 33-234)

Glowin’
The Lonesome Guitar Strangler
Babylon (1969) (Atco, SD 33-270)

Loop Garoo
What Goes Around Comes Around
Remedies (1970) (Atco, SD 33-316)

Black John the Conqueror
Where Ya at Mule
The Sun, Moon & Herbs (1971) (Atco, SD 33-362)

Blow Wind Blow
Junko Partner
Dr. John’s Gumbo (1972) Atco, SD 7006)

Right Place Wrong Time
I Been Hoodood
Cold Cold
In the Right Place (1973) (Atco, SD 7018)

Quitters Never Win
Mos’ Scocious
(Everybody Wanna Get Rich) Rite Away
Desitively Bonnaroo (1974) (Atco, SD 7043)

Wild Honey
City Lights (1979) (Horizon/A&M, SP-732)

Mac’s Boogie
Saints
Dr. John Plays Mac Rebennack, Vol. 1 (1981) (Clean Cuts, 705)

Marie La Veau
Your Average Kind Of Guy
The Brightest Smile In Town (1983) (Clean Cuts, 707)

Black Night
In a Sentimental Mood (1989) (Warner Bros., 25889)

Milneburg Joys
Didn’t He Ramble
I’ll Be Glad When You’re Dead , You Rascal You
Cabbage Head
Goin’ Back to New Orleans (1992) (Warner Bros., 26940)

Television
Limbo
Witchy Red
Television (1994) (GRP/MCA, 4024)

There Must Be A Better World Somewhere
I’m Confessin’ That I Love You
Afterglow (1995) (Blue Thumb/GRP/MCA, 7000)

Voices In My Head
John Gris
I Don’t Wanna Know
Anutha Zone (1998) (Point Blank/Virgin/EMI, 46218)

I’m Gonna Go Fishin’
It Don’t Mean a Thing
Satin Doll
Duke Elegant (2000) (Blue Note/Parlophone/EMI, 23220)

Holdin Pattern’
Take What I Can Get
One 2 A.M. Too Many
Creole Moon (2001) (Blue Note/Parlophone/EMI, 34591)

Marie Laveau
Dis, Dat or D’Udda
Chickee Le Pas
I Ate Up the Apple Tree
Time Marches On
N’Awlinz: Dis Dat or d’Udda (2004) (Blue Note/Parlophone/EMI, 78602)

Calm in the Storm
Sippiana Hericane (2005) (Blue Note/Parlophone/EMI, 45687)

Locked Down
Revolution
Ice Age
Locked Down (2012) (Nonesuch/WEA, 530395)

Nobody Knows the Trouble I’ve Seen
When You’re Smiling (The Whole World Smiles With You)
Ske-Dat-De-Dat: The Spirit of Satch (2014) (Concord/UMe, 35187)

Bad Neighborhood – Ronnie & the Delinquents
Morgus the Magnificent – Morgus & the Ghouls
Storm Warning – Mac Rebennack
Good Times In New Orleans – 1958-1962 (Soul Jam, 2016)

dr john 3

Andere zaligmakende middelen laat ik voorlopig buiten beschouwing. Al hebben de brouwsels van  Mac’s collega’s en assistenten mij meermaals van een gewisse (zielen)dood gered. Daarvoor dank ik onder meer John Hammond Jr., Mike Bloomfield (Triumvirate), the Band, Levon Helm, Rickie Lee Jones (Makin’ Whoopee), Doug Sahm, Bob Dylan (Wallflower), the Rolling Stones (Exile On Main Street), Van Morrison (A Period of Transition), Ringo Starr, Jimmie Vaughn, Canned Heat, Leon Redbone, B.B. King, Willie Nelson, Snooks Eaglin, the Meters, Allen Toussaint, Greg Allman en David Bromberg.

dr john 4

You gotta pull together, go hand in hand. You really got to do your best.
Wouldn’t it be a perfect sight to see: the whole world filled with happiness.
Everybody let’s sing, sing, sing? (Let freedom ring)
(Everybody let’s sing, sing, sing?)
Let’s all pitch in to do our thing, make a better world to live in.
Earl King

ROLL ON DR. JOHN

sdr

Mac Rebennack has left us
Doctor John the Night Tripper is gone to the Eternal Bayous
He was and always will be a musical hero
A subtle subversive role model
A guiding light
Very early in my life he showed me the way to New Orleans
Where some of the best music in the world was concocted
Where some of the best music in the world is still being played
Jazz blues voodoo funk soul rhythm and blues and so on
Doctor John’s spirit will keep on haunting me in a positive way
Danse Kalinda Ba Doom & Let’s Make a Better World!

IK KENDE JE NIET, LOUISE VANDER MEERSEN

Voor Louise Vander Meersen

Ik kende je niet, kende je naam niet, Louise Vander Meersen.
Een tragisch voorval voerde je mijn leven binnen.
Een doodgewone alledaagse man,
Een van de vele racers hier in onze straten,
Reed je van het zo vaak begane pad
En slingerde je tot in niemandsland.

Ik kende je niet, kende je naam niet, Louise Vander Meersen.
Dame met het hondje, eenenvijftig jaar.
Het wandelen voor goed ten einde.
Nooit zullen wij elkaar hier nog eens ontmoeten,
Naast elkaar op een bank gaan zitten
En over onze levens praten.
Er viel, er valt zoveel te zeggen.
Alle kansen die er waren zijn er nu niet langer.
Je bent weg.

Maar nu ik je naam ken, wil ik hem ook niet meer vergeten.
Wij die hier nog zijn moeten je in ons geheugen bewaren,
Louise Vander Meersen,
Doodgereden door een dronken racer,
Zo zinloos, zo overbodig.
Wij die even kwetsbaar zijn als jij
Maar geluk hebben gehad:
Wij moeten deze wereld ten goede keren.

Voorgelezen tijdens een ingetogen wake voor Louise Vander Meersen op 21 mei 2019 aan het Verdiplein in Anderlecht. Op 10 mei werd Louise daar om vier uur ’s middags op het zebrapad doodgereden door een dronken chauffeur.

Je ne te connaissais pas, je ne connaissais pas ton nom, Louise Vander Meersen.
Un incident tragique t’a fait entrer dans ma vie.
Un homme comme un autre, ordinaire,
Un des nombreux coureurs ici dans nos rues,
t’ a renversée sur le sentier si souvent emprunté
et t’a balancée au milieu de nulle part.

Je ne te connaissais pas, je ne connaissais pas ton nom, Louise Vander Meersen.
La dame avec le petit chien, 51 ans.
Marcher c’est définitivement fini.
Jamais, nous nous verrons encore ici,
Pour s’asseoir sur un banc, l’un à côté de l’autre
Et parler de nos vies.
Il y avait, il y a tant de choses à dire.
Toutes les possibilités qui existaient n’existent plus.
Tu n’es plus là.

Mais maintenant que je connais ton nom, je ne veux pas l’oublier non plus.
Nous qui sommes encore là, nous devons te garder dans notre mémoire,
Louise Vander Meersen,
Conduite à la mort par un chauffeur-coureur ivre
Si inutile, si inutile.
Nous qui sommes aussi vulnérables que toi.
Mais qui avons eu de la chance.
Nous devons changer ce monde pour le mieux.

[Franse vertaling door de moeder van Bieke Comer.]

plantsoen 1

 

EEN MEIKEVER MAAKT HET VERSCHIL

sdr

Iedereen weet dat ook in een democratie een stem weinig betekent. Toch telt voor het geheel elk deel, zelfs het allerkleinste. Eén meikever kan het verschil maken: krijg er maar eens eentje in je oog.
Daarom ga ik stemmen. Als inwoner van Brussel geef ik die kleine stem van mij echter alleen maar aan een partij (of politica / politicus) die onvoorwaardelijk de strijd zal aangaan tegen armoede en uitsluiting en die er meteen alles zal voor doen om deze vuile stad van ons weer schoon te maken. En daarmee bedoel ik niet opkuisen in de betekenis die mijnheer Jambon en zijn Vlaams legioen eraan geven maar wel: dat de vuilnis uit onze straten en pleinen en parken en vijvers verdwijnt, dat onze lucht zuiver wordt, dat de gevels worden geschilderd. Ook moet de partij (of politica / politicus) voor wie ik stem voor een beleid gaan dat voorrang geeft aan voetgangers en fietsers en openbaar vervoer. Ik stem voor iemand die zich met hart en ziel inzet voor een leefbare stad voor iedereen.
Mocht ik in een andere stad dan Brussel wonen zou ik hetzelfde doen, maar in dat geval zouden propere straten misschien minder aandacht krijgen. Van alle steden die ik ooit bezocht, is die van ons werkelijk de smerigste. Ik kan er niet meer tegen.

Even concreet in verband met mobiliteit. In Anderlecht, het deel van Brussel waar ik woon, ondergaan wij het verkeer van drie afritten van de ring naar het centrum van Brussel (en die auto’s moeten ook weer terug). Er lopen vijf brede, extreem drukke lanen door Anderlecht. Eigenlijk zijn het autosnelwegen maar dan wel met verkeerslichten, wat voor nog meer vervuiling zorgt. In de historisch belangrijkste winkelstraat van Anderlecht, de Wayezstaat, inmiddels groezelig en verpauperd, moeten bus en tram tijdens werkdagen achter auto’s die daar niet horen in de file staan. De meeste straten in Anderlecht hebben tweerichtingsverkeer. Waar in de wereld vind je dat nog?
Ook dat is een vorm van smerigheid waar ik niet meer tegen kan.

Al die dingen bepalen mijn identiteit veel meer dan de Guldensporenslag of de Vlaamse Leeuw of het Belgisch volkslied. Al die klauwen en het hele heilig land der Vaad’ren kunnen mij gestolen worden. Mijn stem gaat naar een partij die oog heeft voor de werkelijkheid, voor het hier en nu en voor de toekomst.

MET DAVID LYNCH IN SRI LANKA (WAAROM IK STIL BLEEF NA PASEN)

large_xDavid_Lynch__Someone_is_in_My_House__2014__lithograph__courtesy_the_artist_and_Item_Editions

Pasen is voor mij en voor velen samen met mij de mooiste feestdag van het jaar. Het is het echte begin van de lente, het einde van de grauwe dagen, van de vasten: de wederopstanding uit de dood. Je weet dat ik een diepgelovige katholieke jongen was. Van mijn achtste tot mijn dertiende, toen ik mijn geloof verloor, ging ik elke dag naar de mis. Daar en op andere plaatsen waar ik rust vond bad ik in stilte tot God. Op de dag van Pasen, als de verrijzenis van Jezus wordt gevierd, voel ik ook nu nog steeds iets heiligs. Het is soms, niet altijd, meer dan een euforisch, juichend gevoel; het is een gewaarwording die al het bestaande overstijgt. Ik noemde dat gevoel, die ervaring lang geleden al anastasis en doe het nu nog.

Om acht uur vorige zondag zette ik de radio aan en hoorde het nieuws van de aanslagen in Sri Lanka. Gevoelens van verbijstering, intens verdriet, woede, verscheurdheid overmanden me. Hoe kon ik dit verwerken? Het was Pasen en er waren in meerdere kerken op Sri Lanka tientallen mensen vermoord. Ik voelde een stekende pijn in de borst, bijna alsof mijn hart werd uitgerukt. Nu kwam het erop aan mijn kalmte te herwinnen. Ik moest mijn geliefde nog gaan wekken voor het ontbijt. Maar die kalmte kwam niet, niet echt.

Een paar dagen eerder had ik in het Bonnefantenmuseum in Maastricht de tentoonstelling Someone is in my house, een overzicht van het werk van David Lynch, gezien. In dat werk toont hij de menselijke conditie zoals die zich in Amerika voordoet. Onder groene weiden, onder zacht glooiende velden en onder de fundamenten van lieflijke en veilige huisjes gaapt de afgrond. Binnenskamers maar soms ook op straat rukken mannen maar soms ook vrouwen hun maskers af en laten hun ware gelaat zien. Achter de brave schijn van truly fine citizens gaat wreedheid en agressie schuil. De steden maar ook de dorpen puilen uit van schijnheiligheid en ingehouden geweld. Soms komt het geweld tot uitbarsting. Er wordt verkracht, gefolterd, gemoord. Change the fucking channel fuckface. Velden staan in brand, huizen vatten vuur. David Lynch plaats zichzelf ook in die arena: my shadow is with me always. Waar is de liefde naartoe? [1] Hoewel de beelden van David Lynch me daar in Maastricht wisten te verleiden en te bekoren gaven ze mij toch ook een naar gevoel. Ik was een ramptoerist, een indringer. Zoals in de meeste hedendaagse kunst is ook bij hem de schoonheid ver te zoeken, hoewel ze er tegelijkertijd ís. Het universum van David Lynch is zacht, rooskleurig en verschrikkelijk. Je krijgt er ademnood en tegelijk adem je zuivere lucht in. Als de wanhoop nabij is schater je het opeens uit. Godzijdank is er humour noir!
Omdat het mysterieuze, onheilspellende universum van David Lynch een creatie is, het resultaat van verbeeldingsontginning en taalspel, kon ik de verschrikkelijk kanten ervan relativeren. Het is immers kunst, geen werkelijkheid, meende ik. Als er al iets werkelijk aan is komt dat voort uit heel persoonlijke angsten, nachtmerries, psychotische episodes. Dit is niet dé werkelijkheid, sprak ik – nogmaals – mezelf sussend toe. Wat aantoont dat ik een romantische optimist ben. Zoals de meeste mensen kan ik de gruwelijkheid van onze soortgenoten bijna meteen vergeten en doorgaan met mijn klein melodrama op mijn piepklein podium ver weg van de zorgen en beslommeringen van degenen die ik soms mijn zusters en broeders noem en die hier op aarde hun hindernissenparcours afleggen.

change the fucking channel fuckface

Over Sri Lanka moest ik er lang het zwijgen toe doen. Over die gruwelijke ochtend van 21 april, de dag van Pasen moest ik zwijgen. Ik kon niet anders. Wat wil je?
Een dag of zo later hoorde ik kardinaal Ranjith, de aartsbisschop van Colombo en metropoliet van Sri Lanka, gerechtigheid eisen: “Find out who was responsible behind this act.  And also to punish them mercilessly because only animals can behave like that,” zei hij. Elke mens zou echter moeten weten dat beesten zich nooit op die manier zouden gedragen. Alleen wij mensen zijn zo wreed. Worden wij beter is de vraag. Worden wij beter? Kijk eens naar de geschiedenis, of alleen nog maar naar de recente geschiedenis. Wij worden niet beter. Ik heb niet de indruk dat wij beter worden. Change the fucking channel!

David-Lynch-I-Write-on-Your-Skin-How-Much-I-love-You-lithography-2010-lithography-64-x-94-cm.-Curtesy-Item-Editions.-1200x831

[1] Ik zag slechts één werk waarop liefde ter sprake kwam (en er wordt nochtans veel gesproken op de kunstwerken van David Lynch), namelijk op de lithografie ‘I write on your skin how much I love you’ uit 2010

Afbeeldingen: David Lynch, Someone is in my house (2014); Change the fuckin’ channel fuckface (2008-09); I write on your skin how much I love you (2010)

OMTRENT SABAUDIA (EN PAOLO SORRENTINO)

amico-di-famiglia_

Opgedragen aan Bernardo Bertolucci en Pier Paolo Pasolini.

Tijdens het kijken naar Paolo Sorrentino’s L’amico di famiglia dacht ik terug aan een verblijf in Sezze en een bezoek aan Sabaudia in de zomer van 1996. Niet alleen omdat ik mijn buik vol heb van mijn geliefde Italië was ik met enige tegenzin naar die film beginnen te kijken. Het afbraakwerk waar Berlusconi mee begonnen is wordt nu door schurken als Matteo Salvini voltooid. De hatelijke Benito Mussolini had nog een zeker gevoel voor schoonheid en poëzie. Zo was hij een bewonderaar van het futurisme van Marinetti (een bewondering die wederzijds was). Bij de machthebbers van vandaag blijft daar weinig van over. Als ik in de toekomst nog naar Italië ga, wat ongetwijfeld zal gebeuren want mijn zoon woont er, zal het met dezelfde weerzin zijn als waarmee ik mij aan L’amico di famiglia overgaf. Daar komt nog bij dat ik een liefde-haatverhouding heb met regisseur Paolo Sorrentino. Ben ik de enige levende ziel die niet van La grande bellezza houdt? Bijna alles aan die film is wat mij betreft fake. De film lijkt wel een Italiaanse versie van Curtis Hansons geestige Wonder Boys, wat evenmin een meesterwerk was maar het personage van Michael Douglas als opgebrande schrijver was wél geloofwaardig. Jep Gambardella (rol van Tony Servillo, een acteur die ik niet mag) daarentegen is van bordkarton. La grande bellezza werd vergeleken met La dolce vita. Laat me niet lachen! Waar is Marcello, waar Anita Ekberg, waar de gracieuze en langoureuze Nico? Sinds ik schoorvoetend heb durven toegeven dat ik niet van De grote schoonheid houd, wil zelfs mijn beste vriendin me niet meer zien.

Maar L’amico di famiglia was anders. Mogelijk is de film even cynisch als ‘La grande bellezza’, met een even onuitstaanbaar hoofdpersonage, de zeventigjarige Geremia De Geremei, een achterbakse en gemene woekeraar, een lelijk en venijnig ventje. Nu echter kwam ik er al gauw achter dat een cynisch hoofdpersonage niet noodzakelijk betekent dat de bedenker ervan een vergelijkbaar mens- en wereldbeeld heeft. Cynisme zou wel eens een methode kunnen zijn om het cynisme van de politiek en de samenleving te lijf te gaan, in dit geval ten tijde van Berlusconi. Zou het mogelijk zijn dat het cynisme van Paolo Sorrentino een aanklacht is tegen gedegenereerd kapitalisme, geldzucht en woeker? Overigens vind je die afkeer van woeker al terug bij Mussolini-bewonderaar en antisemiet Ezra Pound, lees er de Pisaanse Canto’s maar op na. Maakt dat ook van Sorrentino een antisemiet? Zeker heeft die akelige Geremia De Geremei semitische trekken. Hij heeft inderdaad wat van Shakespeare’s Shylock, terwijl je De koopman van Venetië toch moeilijk een racistisch stuk kunt noemen. Hath not a Jew eyes?, et cetera.

Sabaudia_35

Het verhaal is gesitueerd – en de film gedraaid – in en rond Sabaudia, een stadje in het vroegere moerasland Agro Pontino. Dat werd ten tijde van Mussolini drooggelegd, zogezegd om de malariaplaag uit te roeien maar zeker ook om de bevolking te imponeren met grootse bouwwerken in modernistisch-fascistische stijl. Het moeras is inderdaad verdwenen, al wordt in de film nog wel een dikke mug dood geklopt. Dichter en filmregisseur Pasolini toont al in 1974 aan de hand van Sabaudia aan dat het fascisme niet bij machte geweest is om de eeuwenoude schoonheid van Italië kapot te krijgen.[1] De fascisten waren een bende misdadigers die in Italië tijdelijk de macht gegrepen hadden maar geen vat hadden op de cultuur, de esthetiek en de creativiteit van het land. Wat Mussolini en zijn medestanders niet was gelukt zag Pasolini in die dagen wel reeds gebeuren ten gevolge van het snel oprukkende consumentisme.
Mussolini legde het moeras letterlijk droog, Trump en zijn soortgenoten doen het nu op symbolische wijze. Voor Trump staat het moeras voor democratie, goede smaak, cultuur, hoffelijkheid, bereidheid tot dialoog en compromis. Voor volksmenners van nu – ook bij ons, kijk maar eens naar de mannen van N-VA en Vlaams Belang – zijn dat stuk voor stuk verwerpelijke verworvenheden. Zo wordt dan Sorrentino een beetje een profeet: je ontwaart in L’amico di famiglia al het hedendaagse extreemrechtse Italië, opgetrokken op de ruïnes van Berlusconi’s media-imperium.

Ik dacht terug aan die warme dag in juli 1996 toen ik was aangekomen in Sezze, in de provincie Latina en gelegen in de heuvels boven Sabaudia, ongeveer 150 kilometer ten zuiden van Rome. Samen met een twintigtal jongeren uit diverse landen van de Europese Unie verbleef ik daar een week in een dorpsschooltje voor een reeks seminaries over de multiculturele samenleving. Veel details van de lezingen zijn me niet bijgebleven. De sprekers op het seminarie waren stuk voor stuk Italiaanse intellectuelen die uitsluitend Italiaans spraken. De vertaling naar het Frans was zo erbarmelijk dat ik mij inspande om de taal van Dante zelf te verstaan. Het filosofisch, politiek en religieus discours klinkt niet zo heel anders in Italië dan in Frankrijk: er worden dezelfde basisbegrippen gehanteerd. Maar het schrille gezang van de miljoenen cicaden om ons heen maakte ook dat moeilijk. Vaak had ik op de koop toe hoofdpijn van de miserabele wijn uit kartonnen dozen die we ’s avonds bij het smakeloze eten kregen. Het project “Dialogo interculturale e convivenza” werd gesubsidieerd door de Europese Unie. Misschien zat de maffia er ook wel voor iets tussen, dacht ik oneerbiedig. Want waar ging het mooie budget naartoe? Zeker niet naar die giftige wijn. Naar ons ‘hotel’ dan? De hele groep verbleef in de sterk vervallen lagere school Colli di Susi; overnachten moesten we in een klaslokaaltje en voor alle deelnemers samen was er maar één douche en één toilet. Of moesten we aan den lijve ondervinden wat armoede betekende en wilden de organisatoren zo onze compassie doen toenemen?

Wat ik van de lezingen begreep was dat de armen armer worden, de rijken rijker. Ten gevolge van het kapitalisme en de erbarmelijke werk- en levensomstandigheden ontstaan er grote migraties van het zuiden naar het noorden. De vijandschap ten aanzien van vreemdelingen en vluchtelingen neemt toe. Vooral begreep ik dat we meer compassie nodig hebben. Dat waren duidelijke inzichten. Tweeëntwintig jaar later is het alleen maar erger geworden.

pasolini

Er waren die week zoals het betaamt ook vrije momenten. Zo kwam het dat ik op een middag met mijn vrienden Isabelle D. en Hotman H. in een café aan de Strada Lungomara zat. Ik had me verbaasd over de foto’s aan de wand van Bernardo Bertolucci en Stefania Sandrelli, die er ooit te gast waren, en liet nu mijn blik rusten op de vredige Tyrreense zee.
Ik had tevoren met onze gids, mijnheer Mancini, een wandeling in het stadje Sabaudia gemaakt. Mijnheer Mancini was een van de projectleiders. Hij was afkomstig uit Brooklyn maar nu woonachtig in Italië. Zijn vader was destijds uit deze streek vertrokken naar New York en had tijdens de tweede wereldoorlog als Amerikaanse onderdaan en piloot bij het Amerikaanse leger de dorpen rond Sezze mee gebombardeerd. Ondanks of misschien net door deze tragische contradicties was zijn zoon, onze mijnheer Mancini, een beminnelijk man. Hij was tot zijn grote spijt geen familie van de componist Henry Mancini, zei hij terloops op een vrije avond, terwijl we op weg waren naar een ijssalon pal tegenover La Fontana dei Quattro Fiumi van Gian Lorenzo Bernini op Piazza Navona in Rome.
Vanuit mijn antifascistische overtuiging, nog verhevigd door de voordrachten van de Italiaanse filosofen, – vooral het pathos van hun vertogen had aanstekelijk gewerkt – was het voor mij onmogelijk om die fascistisch-modernistische architectuur te appreciëren. Ik vond het allemaal even lelijk en deprimerend. De strakke, harde lijnen deden me aan die verschrikkelijke gebouwen aan de Kunstberg in Brussel denken en uiteraard ook aan de EUR-wijk in Rome. Was dit alles maar moeras gebleven, dacht ik in alle stilte. Sommige gedachten mag je natuurlijk niet uitspreken, maar het is al goed mama, dat is het leven en alleen maar het leven.

L’amico di famiglia veranderde niets aan het negatieve beeld dat ik mij in 1996 van Sabaudio heb gevormd. Toch wil ik er graag nog eens terugkeren en met de heldere blik van Pasolini naar de stad kijken en mijn ogen daarna laten rusten op de Tyrreense zee en mij proberen voor te stellen hoe Bernardo Bertolucci  zo lang geleden naar diezelfde zee heeft gekeken.

bertolucci-bernardo

[1] Now we find ourselves in front of the structure, the shape, the profile of another city bathed in a sort of grey lagoon light, although surrounded by a beautiful Mediterranean maquis. This is Sabaudia. I can’t tell you how much we intellectuals laughed about the architecture of the regime, about cities like Sabaudia. But now, observing this city closely, we feel something totally unexpected. There is nothing unreal or ridiculous about Sabaudia’s architecture. With the passing of the years, this lictorian architectural style has become the meeting point between metaphysical and realistic linked feelings. On the one hand, it evokes metaphysic related feelings in the most genuine European meaning of the word ‘metaphysic’ because it reminds us, for example, of De Chirico’s metaphysical painting. On the other hand, it evokes realistic related feelings because you can see even from a distance that these cities are truly suitable for human beings. One feels that there live regular families, human beings, complete living beings who are fully immersed in their umility.
How did this almost miraculous fact happen? How come that a ridiculous, fascist city suddenly seems to be charming?
We must examine this case a little more closely: there is no doubt that Sabaudia has been created by the regime, but actually there is nothing fascist about this city, apart from some external aspects. Therefore, I say that fascism, the fascist regime, was nothing else than a group of criminals who came to power. It wasn’t able to do anything, neither to affect the Italian reality, nor to scratch its surface. Therefore Sabaudia, although arranged in a rationalistic, aesthetising, academic way, is not rooted in the fascist regime by which it was created, but rather it is rooted in the Italian provincial reality that has been tirannically dominated and never conquered by fascism. In other words, it was the provincial, rustic and paleo-industrial Italian reality that created Sabaudia, and not fascism.
Now, instead, the opposite is the case. The regime is a democratic one, but fascism was unable to obtain both acculturation and homologation that today’s consumer society succeeds in obtaining by destroying the several micro-realities that made up Italian society in the past. This acculturation is actually destroying Italy. Therefore, I can state with absolute certainty that the true fascism consists in the power of today’s consumer society, which is destroying Italy. This happened so fast that we basically did not realise it. Everything happened in the last five, six, seven, ten years. It has been a kind of nightmare, in which we saw Italy around us destroying itself and then disappear.
And now, perhaps awakening from this nightmare and looking around us, we realise that there’s nothing to do.
Pier Paolo Pasolini, 7 februari 1974 (vertaald uit het Italiaans)

Latium_et_Campania

Afbeeldingen: L’ amico di famiglia; Sabaudia; Pasolini; landkaart van Latium; Bertolucci.

 

DE ROVERBRUIDEGOM

deutschland bleiche mutter 5

Met onze broodjes terug naar het park op zoek naar een bank. Veel schoolkinderen en joggers, stedelingen op zoek naar frisse lucht, want ook Berlijn heeft te kampen met fijn stof en andere luchtvervuiling. We lopen door een heuvelachtig stuk van het park dat bijna op een bos lijkt. Een beetje op dat van De roverbruidegom. Na een korte afdaling vinden we eindelijk een plek waar we rustig onze broodjes kunnen opeten.
Recht voor me zie ik het standbeeld van Friedrich II. Geen sprookjesschrijver, die man. Hoewel bijvoorbeeld De roverbruidegom toch heel wreed is. Ja, ik heb het niet kunnen laten. Ik heb toch wat over die sprookjes van Jacob en Wilhelm Grimm opgezocht op mijn smartphone… Een van hun sprookjes, De roverbruidegom, heb ik zelfs helemaal gelezen. De roverbruidegom en zijn trawanten komen een huis midden in een donker bos binnen, alwaar de bruid zich verscholen heeft. Hun plan is de bruid op te eten, het water staat al te koken. Maar ze hebben een ander jong meisje meegebracht, het voorgerecht. “Ze lieten haar wijn drinken: drie glazen vol, een glas witte wijn, een glas rode wijn en een glas gele wijn, en daarvan brak haar hart. Toen rukten ze haar de mooie kleren af, legden haar op een tafel, hakten haar mooie lichaam aan stukken en strooiden er zout over.” [1]
Omdat ik toch al over de sprookjes van Grimm had zitten lezen heb ik Friedrich II ook maar eens opgezocht. Ergens in mijn achterhoofd zat de idee dat hij een verlichte vorst was, bevriend met Voltaire en Casanova en andere ‘grote mannen’. Het is heel goed mogelijk dat hij een verlichte heerser was, maar hij was net zo goed een bloeddorstige tiran.
Het verhaal van Friedrich II begint voortreffelijk. Als kind van soldatenkoning Friedrich Wilhelm I wilde hij niet met tinnen soldaatjes spelen maar liever met zijn zuster. In de barkoude Pruisische winters mocht de jonge Friedrich geen handschoenen dragen. Al gauw had hij genoeg van dat leven en vooral van de tirannie van zijn vader en probeerde naar Engeland te vluchten. Daarbij werd hij geholpen door zijn adjudant, Hans Hermann von Katte. De vluchtpoging mislukte. De achttienjarige Friedrich moest van zijn vader toekijken hoe zijn vriend von Katte voor zijn ogen onthoofd werd. Het lijk van de adjudant moest voor het raam van de jonge Friedrich blijven liggen. Roept deze scène geen herinneringen op aan Griekse tragedies, meer bepaald aan Antigone? En aan sommige toneelstukken van Heinrich von Kleist? Eenmaal koning nam Friedrich een aantal toe te juichen beslissingen: hij stelde godsdienstvrijheid in en schafte ondervraging met foltering af. Maar hij voerde ook oorlog met Frankrijk, Rusland en Oostenrijk. De Zevenjarige Oorlog kennen we nog uit de geschiedenisles. Na de slag bij Kunersdorf (nu Kunowice in Polen) op 12 augustus 1759 bleven er van zijn leger van 50.000 soldaten nog 3.000 over. De lange oorlog putte Pruisen volkomen uit. Op het einde ervan had een half miljoen soldaten en burgers, ongeveer tien procent van de bevolking, het leven verloren.
De lectuur van deze geschiedenis had mij in een droomtoestand gebracht. Was ik nu wel wakker? Waren deze bomen echt? Wie had mijn broodje opgegeten?
Hoe zit het, Arthur, ben je er nog, vroeg de vrouw die naast me op de bank zat.
Hoezo, vroeg ik. Wie ben jij?
Herken je me niet, ik ben toch Natalie, zei ze.
Natalie, de prinses van Oranien, vroeg ik. Maar je lijkt ook wel wat op Jeanne Moreau. En waarom noem je mij Arthur?
Ik houd niet zo van je andere voornaam, zei Natalie.
Nu begrijp ik het, zei ik, ik ben Friedrich Arthur von Homburg.
Eindelijk word je wakker uit je droom, zei Natalie. Zullen we eens de stad ingaan? Misschien is de rij bij ‘Wanderlust’ vandaag wat minder lang.
Laten we het hopen, zei ik.
Toen ik van de bank opstond was ik weer een gewone sterveling, een man met de vreemde naam Martin Pulaski. We liepen naar tram 4 die ons naar de Hackesche Markt zou brengen. Van daar was het nog een tiental minuten lopen tot aan de Alte Nationalgalerie. Ik was nu helemaal wakker. De gebroeders Grimm had ik weer diep in mijn onbewuste weggeduwd, waar ze thuishoorden. Friedrich II mocht hen daar gezelschap houden.

[Dit was het tweede deel van mijn avonturen in Volkspark Friedrichshain in Berlijn.]

 

[1] Weer thuis in Brussel zag ik de film ‘Deutschland, bleiche Mutter’, die ik in Berlijn bij Dussmann had gekocht. In dit verhaal over een moeder en haar dochtertje in Duitsland tijdens de tweede wereldoorlog vertelt de moeder dit sprookje als ze door een verlaten huis dolen. Duitsland is dan al grotendeels verwoest. De vader is afwezig, want aan het front.
Waarom is de regisseuse van dit meesterwerk, Helma Sanders-Brahms, veel minder beroemd dan haar tijdgenoten Werner Herzog, Rainer Werner Fassbinder en Wim Wenders?

Foto: Deutschland, bleiche Mutter, Helma Sanders-Brahms, 1980.