VAN DE WREEDHEID EN DE TROOST

puinvrouwen 1

Een van de weinige lezers van hoochiekoochie die af en toe nog commentaar geeft (het is ooit anders geweest) vond mijn beschouwingen van enkele dagen geleden over De roverbruidegom en Friedrich II wreed. Wat zeker het geval is. Waarom schrijf ik soms zulke naargeestige teksten? Het zou kunnen dat ik mezelf, en zo ook mijn lezers, gerust wil stellen. Dat de wrede wereld waar we nu in leven nog wel meevalt, dat de menselijke werkelijkheid vroeger veel erger, veel gruwelijker was.
Omdat ik zelf vond dat zoveel bloedvergieten in het echte leven (geschiedenis) en zoveel gruwelijks in een sprookje (verbeelding) nogal ver ging heb ik er op het einde het droomstukje in conversatievorm aan toegevoegd. Ik houd niet van horror in film en literatuur, al zijn er enkele uitzonderingen, waaronder The Shining van Stanley Kubrick en Sisters van Brian De Palma, en wil mij ook niet aan dat genre wagen. Maar bij het herlezen van mijn tekst vond ik de dialoog van de prins van Homburg en zijn geliefde Natalie een beetje artificieel. Die hele droomscène was er met de haren bijgesleept. Heinrich von Kleist komt wel vaker op de proppen als ik hem niet echt nodig heb. Je zou hem een obsessie kunnen noemen. Nu is hij mijn kroniek binnengeslopen omdat ik net een Italiaanse filmversie van zijn geniaal stuk had gezien, Il principe di Homburg van Marco Bellocchio, waarin de romantische droomwereld van Kleist en zijn personages waarheidsgetrouw wordt geëvoceerd. Een paar dagen eerder had ik voor het eerst de heel bijzondere film Deutschland, bleiche Mutter van Helma Sanders-Brahms gezien. Het toeval wil dat deze enigszins miskende regisseuse debuteerde met een biografie van Heinrich von Kleist én zijn verhaal Das Erdbeben in Chili verfilmde. Dat had ik als Kleist-bewonderaar moeten weten, maar ik wist het niet. Ik vond het vooral een mooi toeval. Twee films gekocht in Berlijn, allebei met een Kleist-connectie. Terwijl ik dit jaar niet eens zijn graf aan de Wannsee ben gaan bezoeken.
Maar je laten leiden door het toeval is niet altijd wenselijk. Als je ziek bent laat je je toch ook niet door het toeval leiden om de juiste arts te vinden? Je zou een tekst als een soort van ziekte kunnen beschouwen. Die heeft de juiste geneeswijze nodig, in dit geval is dat het einde. Er moet over nagedacht worden, gewikt en gewogen, gekozen.

homburg 3

Het einde behoorde de bomen van het volkspark in Friedrichshain toe. De meeste bomen daar zijn recent, de overgrote meerderheid werd tijdens de tweede wereldoorlog verwoest. Wat overbleef werd opgestookt tijdens de barkoude winters na de oorlog. Hetzelfde lot ondergingen de bomen van Tiergarten en andere Berlijnse parken en bossen. De dappere Trümmerfrauen [1] is het allang vergeven dat ze niet wilden doodvriezen. Ze stonden voor ongeveer alles alleen, hun mannen waren gedood aan het front of in krijgsgevangenschap afgevoerd.
De torens en bunkers die zich in het park bevonden werden opgeblazen, de gaten met puin gevuld en met aarde toegedekt. Het zijn nu heuvels, geschiedenisbergjes noem ik ze. Om eerlijk te zijn lijken de bomen helemaal niet op die van het bos dat ik me bij De Roverbruidegom voorstel. Maar zoals zoveel in Berlijn groeien ze op bloed doordrenkte grond. Als ik de geschiedenis laat rusten herinneren de heuvels mij vooral aan wat in de Maasvallei ‘de kip’ werd genoemd, de heuvels aan weerszijden van de Zuid-Willemsvaart, waar ik als kind zo vaak heb gespeeld en gedroomd. Ik was een romanticus lang voor ik wist wat dat woord betekende. Hele zomerdagen zat ik daar in de bomen met mijn pennenmes figuren te snijden uit boomschors en boeken van Alexandre Dumas en Victor Hugo te lezen. Zo reis ik in mijn gedachten van een eerder gruwelijke omgeving naar het pastorale landschap van mijn kinderjaren en vind ik tegelijk troost voor de verschrikkingen van deze tijd.

monte cristo dumas

[1] De puinruimsters worden ook getoond in Deutschland, bleiche Mutter. Helma Sanders-Brahms gebruikte voor haar film échte actualiteitsbeelden.

Afbeeldingen: Trümmerfrauen (puinruimsters); Il principe di Homburg van Marco Bellocchio; De graaf van Monte Cristo van Alexandre Dumas, een kopie van de uitgave die ik in een boom in Neerharen las.

DE ROVERBRUIDEGOM

deutschland bleiche mutter 5

Met onze broodjes terug naar het park op zoek naar een bank. Veel schoolkinderen en joggers, stedelingen op zoek naar frisse lucht, want ook Berlijn heeft te kampen met fijn stof en andere luchtvervuiling. We lopen door een heuvelachtig stuk van het park dat bijna op een bos lijkt. Een beetje op dat van De roverbruidegom. Na een korte afdaling vinden we eindelijk een plek waar we rustig onze broodjes kunnen opeten.
Recht voor me zie ik het standbeeld van Friedrich II. Geen sprookjesschrijver, die man. Hoewel bijvoorbeeld De roverbruidegom toch heel wreed is. Ja, ik heb het niet kunnen laten. Ik heb toch wat over die sprookjes van Jacob en Wilhelm Grimm opgezocht op mijn smartphone… Een van hun sprookjes, De roverbruidegom, heb ik zelfs helemaal gelezen. De roverbruidegom en zijn trawanten komen een huis midden in een donker bos binnen, alwaar de bruid zich verscholen heeft. Hun plan is de bruid op te eten, het water staat al te koken. Maar ze hebben een ander jong meisje meegebracht, het voorgerecht. “Ze lieten haar wijn drinken: drie glazen vol, een glas witte wijn, een glas rode wijn en een glas gele wijn, en daarvan brak haar hart. Toen rukten ze haar de mooie kleren af, legden haar op een tafel, hakten haar mooie lichaam aan stukken en strooiden er zout over.” [1]
Omdat ik toch al over de sprookjes van Grimm had zitten lezen heb ik Friedrich II ook maar eens opgezocht. Ergens in mijn achterhoofd zat de idee dat hij een verlichte vorst was, bevriend met Voltaire en Casanova en andere ‘grote mannen’. Het is heel goed mogelijk dat hij een verlichte heerser was, maar hij was net zo goed een bloeddorstige tiran.
Het verhaal van Friedrich II begint voortreffelijk. Als kind van soldatenkoning Friedrich Wilhelm I wilde hij niet met tinnen soldaatjes spelen maar liever met zijn zuster. In de barkoude Pruisische winters mocht de jonge Friedrich geen handschoenen dragen. Al gauw had hij genoeg van dat leven en vooral van de tirannie van zijn vader en probeerde naar Engeland te vluchten. Daarbij werd hij geholpen door zijn adjudant, Hans Hermann von Katte. De vluchtpoging mislukte. De achttienjarige Friedrich moest van zijn vader toekijken hoe zijn vriend von Katte voor zijn ogen onthoofd werd. Het lijk van de adjudant moest voor het raam van de jonge Friedrich blijven liggen. Roept deze scène geen herinneringen op aan Griekse tragedies, meer bepaald aan Antigone? En aan sommige toneelstukken van Heinrich von Kleist? Eenmaal koning nam Friedrich een aantal toe te juichen beslissingen: hij stelde godsdienstvrijheid in en schafte ondervraging met foltering af. Maar hij voerde ook oorlog met Frankrijk, Rusland en Oostenrijk. De Zevenjarige Oorlog kennen we nog uit de geschiedenisles. Na de slag bij Kunersdorf (nu Kunowice in Polen) op 12 augustus 1759 bleven er van zijn leger van 50.000 soldaten nog 3.000 over. De lange oorlog putte Pruisen volkomen uit. Op het einde ervan had een half miljoen soldaten en burgers, ongeveer tien procent van de bevolking, het leven verloren.
De lectuur van deze geschiedenis had mij in een droomtoestand gebracht. Was ik nu wel wakker? Waren deze bomen echt? Wie had mijn broodje opgegeten?
Hoe zit het, Arthur, ben je er nog, vroeg de vrouw die naast me op de bank zat.
Hoezo, vroeg ik. Wie ben jij?
Herken je me niet, ik ben toch Natalie, zei ze.
Natalie, de prinses van Oranien, vroeg ik. Maar je lijkt ook wel wat op Jeanne Moreau. En waarom noem je mij Arthur?
Ik houd niet zo van je andere voornaam, zei Natalie.
Nu begrijp ik het, zei ik, ik ben Friedrich Arthur von Homburg.
Eindelijk word je wakker uit je droom, zei Natalie. Zullen we eens de stad ingaan? Misschien is de rij bij ‘Wanderlust’ vandaag wat minder lang.
Laten we het hopen, zei ik.
Toen ik van de bank opstond was ik weer een gewone sterveling, een man met de vreemde naam Martin Pulaski. We liepen naar tram 4 die ons naar de Hackesche Markt zou brengen. Van daar was het nog een tiental minuten lopen tot aan de Alte Nationalgalerie. Ik was nu helemaal wakker. De gebroeders Grimm had ik weer diep in mijn onbewuste weggeduwd, waar ze thuishoorden. Friedrich II mocht hen daar gezelschap houden.

[Dit was het tweede deel van mijn avonturen in Volkspark Friedrichshain in Berlijn.]

 

[1] Weer thuis in Brussel zag ik de film ‘Deutschland, bleiche Mutter’, die ik in Berlijn bij Dussmann had gekocht. In dit verhaal over een moeder en haar dochtertje in Duitsland tijdens de tweede wereldoorlog vertelt de moeder dit sprookje als ze door een verlaten huis dolen. Duitsland is dan al grotendeels verwoest. De vader is afwezig, want aan het front.
Waarom is de regisseuse van dit meesterwerk, Helma Sanders-Brahms, veel minder beroemd dan haar tijdgenoten Werner Herzog, Rainer Werner Fassbinder en Wim Wenders?

Foto: Deutschland, bleiche Mutter, Helma Sanders-Brahms, 1980.

IN VOLKSPARK FRIEDRICHSHAIN IN BERLIJN [1]

dav

In september logeerde ik [1] in Berlijn in een hotel met uitzicht op het Volkspark Friedrichshain, het oudste gemeenschappelijke parkgebied van Berlijn. Mooi is het park niet. Het is geen Jardin du Luxembourg of Hyde Park; het is tenslotte een volkspark. Maar er is veel te zien, vooral veel geschiedenis (die je niet meteen opvalt). Het mooiste stuk van het park heet Märchenbrunnen, een bronnen- en tuinencomplex dat in het teken staat van de gebroeders Grimm, met een dozijn of zo personages uit de wonderlijke sprookjes van Grimm, vooral meisjes. Die beelden geven je meteen zin om de sprookjes te herlezen. Het verfrissende geluid van de fontein brengt je vanzelf al in een sprookjesachtige sfeer (maar niet in de grimmige en gruwelijke sfeer van heel wat van die sprookjes). Je wilt de sprookjes herlezen om hun betoverde wereld die de tijd heeft vervaagd weer nieuw leven in te blazen. Wie was toch ook weer Repelsteeltje, was Tafeltje dek je een sprookje van Grimm, hoe heetten de zeven dwergen? Je zou het terwijl je daar wat op adem zit te komen van de voorbije, overweldigende dagen in Berlijn op je smartphone kunnen opzoeken, maar dat doe je niet, dan is de magie weg. Je wacht liever tot je weer thuis bent.
Terwijl ik me die sprookjes trachtte te herinneren zat mijn eigen Roodkapje de hele tijd te lezen in een roman van Philip Roth. Ik heb een beetje honger, zei ik. Zullen we op de hoek van de Greifswalder Strasse weer broodjes met geitenkaas kopen met Bionade erbij om ze door te spoelen, stelde ze voor. Heel goed Roodkapje, zei ik. En dan kunnen we ze hier in het park komen opeten. Waarom heb je zo’n grote ogen, vroeg Roodkapje. Grote ogen, dat zal van de gedachte aan die broodjes zijn, zei ik. Kom, laten we gaan.

sdr

sdr

[1] Hoewel deze kroniek meestal in de ik-vorm wordt verteld ben ik zelden alleen. Soms eenzaam, maar zelden alleen.

Foto’s, Martin Pulaski, september 2018

MUZIEK VAN DE GRENS

WoodyGuthrie

Gisteravond luisterde je naar muziek van de grens. De tijd van Zéro de conduite is begrensd, maar de geselecteerde muziek is dat nauwelijks. Componisten, songschrijvers, muzikanten, zangers en zangeressen nemen ons mee op hun reizen en vertellen ons over hun observaties en ervaringen. Met hen ontdekken we waarom mensen op reis vertrekken, voor korte of langere tijd, voor altijd. Waarom ze op de vlucht gaan, waarom ze in een vreemd land hun heil gaan zoeken. Met hen tasten we grenzen af. We schaffen visa, paspoorten, geschikte kleren aan. Met hen steken we grenzen over. In nieuwe streken, op het platteland of in de steden voelen we ons beter, slechter, gelukkiger, eenzamer, verstoten, verwenst, met gastvrijheid bejegend. Oude dichters zoals Remco Campert zijn begaan met ons lot. We lezen zijn droeve woorden en voelen ons getroost.
Aan de grens controleert de douane onze al dan niet schaarse bagage. Sommigen van ons worden bedreigd. In het akelige grenslicht ontwaren we politieagenten met wolfachtige honden en machinegeweren. Brutale woorden, geweld, folteringen zijn geen uitzondering.

We reizen uit liefde voor de anderen. We ontmoeten zachtaardige medemensen. In Rome, in Essaouira, in Stockholm. In Barcelona ontmoeten we Catalanen die zich goed in hun vel voelen in Spanje. Ze verschillen niet van Basken of Andalusiërs.
Onze liefde voor muziek en films voert ons naar Louisiana. We verblijven dagen en nachten in New Orleans, the Big Easy. Het is er gevaarlijk, waarschuwt Geoff Dyer ons. Maar niemand probeert ons te beroven of op een andere manier kwaad te doen. Canal Street lijkt wel de veiligste straat van de wereld. Van Louisiana reizen we door naar Texas en dan de grens over naar Mexico. Luister je mee naar Border Radio? The Blasters op A1 op de jukebox. Chain Of Fools van Aretha. Mad dog Margaritas. Naar Acapulco rijden we, op zoek naar Elvis, die er zoveel plezier beleefde en naar Bob Dylan. (Wat in hemelsnaam betekent ‘soft gut’?)

Op de spooktrein van Rickie Lee Jones zit je niet voor de kicks, maar alles wat schrik aanjaagt heeft toch een grote aantrekkingskracht. The imp of the perverse. Deed Edgar Allan Poe aan grensoverschrijdend gedrag? Met dat nichtje van hem? Een voorloper van Jerry Lee Lewis, last of the rock stars. Uit Ferriday in Louisiana afkomstig. Herinner je je Great Balls Of Fire nog, de film van Jim McBride met Dennis Quaid in de rol van Jerry Lee?

We schrikken van de volstrekt onmuzikale man Van de Lanotte, die in een straatje in Laredo de hoek omkomt. Blootshoofds. Waarom draagt hij geen sombrero? Afhandelcentra hebben we nodig voor wie de Oostendse grens oversteekt zonder papieren, brult hij. Echt waar? Afhandelcentra in de koningin van de badsteden? We geloven hem niet. Keren hem de rug toe. Gaan een bar binnen, luisteren naar liedjes over Matamoros, Vera Cruz, Oaxaco. Pas op in de steegjes van Juarez, zingt een Indiaan, de kans is groot dat ze je daar de keel oversnijden. Mijn hart is in de Highlands, aldus een oude cowboy.
Twee Belgen, uit het met de dag racistischer wordende Vlaanderen, nemen ons mee naar Memphis. Bobby Bland treedt op in de club van BB King op Beale Street. Hoor mijn verdriet, zingt hij met zijn hartverscheurende stem. Ach, we zijn zo’n vreemden in dit onvriendelijke land. Het wordt al gauw duidelijk: in Amerika is het niks beter. Old man Trump legt de rede het zwijgen op. In de dorpen zitten de meeste jongeren aan de crystal meth of erger. Overal, niet alleen in Texas, worden muren opgetrokken. De wereld wordt een grote gevangenis, een krankzinnigengesticht. Waar we ook komen stoten we op grenzen. Dat horen we veel zangers zingen. Hun oude liederen zijn weer actueel geworden. Die van Leadbelly, Cisco Houston, Woody Guthrie, Joan Baez en vele andere opstandige mannen en vrouwen.

Als de stilte intreedt herinner ik me dat ik als jongeman van een wereld zonder visa, zonder paspoorten, zonder ambassades, zonder grenzen droomde. Daar droom ik tegen beter weten in nog steeds van. Zéro de conduite, bedenk ik, is een radioprogramma voor dromers.

Foto: Woody Guthrie, 1941

HET GRENSOVERSCHRIJDEND GEDRAG VAN THE SLITS

‘Cut’ [1], het wonderlijke debuut van The Slits, verschijnt op 7 september 1979. Op 4 mei is Margaret Thatcher premier van Groot-Brittannië geworden, een gebeurtenis waarvan we ook in ons land nog steeds de gevolgen ondervinden. Privatiseringen, afbraak van de sociale zekerheid, verarming van de armen en de lagere middenklasse, verrijking van de rijke parasieten. Iran wordt een islamitische republiek, geleid door ayatollah Khomeini. Ook die religieuze revolutie heeft tot nu toe in ons land en op wereldvlak verstrekkende gevolgen. Ondanks massale demonstraties [2] gaat de Belgische regering akkoord met de plaatsing van 48 kruisvluchtwapens op de Belgische vliegbasis Florennes. De eerste Walkman komt op de markt.

Ik woon op dat ogenblik al twee jaar in de Dolfijnstraat in Antwerpen. Over mijn toenmalige habitat en levensstijl heb ik al eerder geschreven. Details laat ik voor dit verhaal even weg. Je kunt er meer over vinden in mijn tekst ‘Antwerpen in de jaren zeventig’ en zeker ook in de geweldige lezerscommentaren daarbij.
Net als de samenleving en de stad waar ik in leef is mijn leven dramatisch veranderd, ook op muzikaal gebied. Economie, leefomgeving en cultuur gaan hand in hand. Punk, new wave en reggae maken in die die barre dagen en nachten de soundtrack van mijn leven uit. Hoewel ik de grensoverschrijdende popmuziek uit de late jaren zeventig niet graag in de hokjes van de muziekindustrie onderbreng. Een van de reclameslogans van toen was “geef voor new wave”, belachelijk toch? Overigens denk ik dat the Slits er geen bezwaar tegen hebben dat wij hun elpee gaan stelen. Maar dat willen we de sympathieke platenzaak Brabo, waar we veel van ons vinyl aanschaffen, niet aandoen.

De rebelse en zelfs revolutionaire platen van die dagen zijn zoals altijd slechts onderdeel van een groter geheel. Ondanks de zware economische en existentiële crisis waar wij tot over onze oren in zitten, ondanks de overtuiging dat er geen toekomst voor ons is, gebeuren er op heel wat ‘vrijplaatsen’ verrassende en hartverwarmende dingen. Buiten is de sfeer dan wel terneerdrukkend en uitzichtloos, binnen wordt er met hart en ziel geleefd en feest gevierd. In het witte café het Pannenhuis aan het Conscienceplein komen kunstenaars en dichters bijeen om te praten, gedichten te schrijven, muziek te beluisteren en te spelen. De kunstenaars die ik daar en op andere subculturele plekken ontmoet, proberen koortsachtig hun nieuwe ideeën te verwezenlijken. Er zijn veel performances, onder meer in de immense Montevideo, gerund door Annie Gentils en haar kleine team. In het Aurora Atelier, een vrijplaats voor filosofie, literatuur en plastische kunst, waar ik zelf aan de slag ben gegaan, maak ik kennis met het werk van Ria Pacquée, waarin ze voornamelijk het gezag ondermijnt, met de ironische inbeslagnemingen van Guillaume Bijl, met de mailart-fantasieën van Guy Bleus en met Guy Rombouts’ bizarre alfabet. Elders ontdek ik de Belgische schande gezien door de ogen van Wout Vercammen, de perverse filosofische ‘tractaten’ en oefeningen van AMVK en DDV en de vuilniskunst van Frank Castelyns. De enige kunstenaar die niet schijnt te veranderen is Ludo Mich. Al verrijst hij binnenkort wel als de goeroe van de hologramkunst (ook in Montevideo). Geheel in de sfeer van het Slits-debuut is er Musical Snack Attack, een cafetaria waar je elders onvindbare reggaeplaten kan beluisteren en kopen. Geregeld zijn er in de buurt van de Wolstraat en de Stadswaag alternatieve modeshows te zien, met al die mooie boze mensen altijd een lust voor het oog. De Antwerpse Zes zijn niet uit het niets voortgekomen.
Eveneens op de Stadswaag, in Cinderella’s Ballroom, draait deejay Maryse de meest relevante én dansbare muziek van het moment. Op Assepoesters vochtige dansvloer leer ik eindelijk ongedwongen dansen, zij het op mijn idiosyncratische manier. Jongens mogen er aan het eind van de jaren zeventig ‘anders’ uitzien. Denk aan Tom Verlaine, Elvis Costello, Ian Dury, David Byrne. De freaks uit de gelijknamige horrorfilm van Todd Browning uit 1932 zien er nu voor ons bijna gewoontjes uit. Die voorbeelden spelen ongetwijfeld een rol in onze zelfaanvaarding. Niemand bekijkt je boos of fronsend als je tegen het ritme in danst of een beetje spastisch beweegt. Ik vermoed dat hetzelfde opgaat voor de meisjes. Een groep als the Slits zal voor hen ook wel een rolmodel zijn, net als the Raincoats, Lydia Lunch, Poly Styrene en Lora Logic.
Viv Albertine, gitarist en songschrijfster van the Slits, vertelt naar aanleiding van de cd-uitgave van ‘Cut’ dat haar band niet langer typisch mannelijke ritmes en structuren wilde nabootsen. De groepsleden gingen op zoek naar typische meisjesritmes, “skippy and light”. Een belangrijke bouwsteen voor hun sound is dub. Dat geluid hoorden de meisjes bij de DJ en cultfiguur Don Letts, die dansavonden organiseerde in de Roxy, de Londense punktempel. Don Letts is van mening dat the Slits met hun heel eigen geluid ver vooruit waren op hun tijd. Van de reggae namen zij het primaat van de baslijn over, waar zij gitaarspel en melodie ondergeschikt aan maakten. Ook het mengpaneel gebruikten zij als een instrument. Voor deejay Maryse vormen enkele songs van the Slits, zoals ‘Typical Girls’ en ‘Newtown’ een perfecte overgang naar de blok reggae die ze elke keer weer inlast in haar lange set. (Overigens deinst Maryse er niet voor terug om ook oud werk uit het rek te halen, onder meer van the Kinks, Rolling Stones, the Doors, Neil Young en Jimi Hendrix.)

slits 3

De bezoekers van cafés als Pannenhuis en clubs als Cinderella’s Ballroom lijken op personages die je aantreft op foto’s van Nan Goldin, pas later berucht en beroemd geworden, en Robert Mapplethorpe. Niemand van ons lijkt geschikt voor een fatsoenlijke rol in de maatschappij. We zijn tegendraads, mislukt van bij de geboorte, losers. In de Gnoe, een kroeg in de Wolstraat die tot het krieken van de dag openblijft, dansen we op de tafels. “Boys keep swinging”, zeg ik tegen A., in de vroege ochtend op weg naar huis en nog meer extase. En zij: ‘typical girls are emotional’. Ja, zeg ik, en van shoplifting zijn ze ook niet vies.

Wellicht omdat ik een jongen ben, heb ik in die transittijd een voorkeur voor the Clash, the Ramones, Modern Lovers, Television en Elvis Costello. Maar zeker ook voor the Slits en hun elpee ‘Cut’ heb ik een zwakke plek. Wegens geldgebrek ga ik weinig naar concerten maar voor the Slits maak ik een uitzondering. The Slits treden op in de legendarische club Plan K. in de Manchesterstraat in Molenbeek. Jos D. leent me geld voor de reis naar Brussel en voor twee kaartjes.  A. en ik moeten eerst uren wachten op de binnenkoer van het gebouw, waar het vreselijk koud is. Een longontsteking zit er dik in. Opener The Pop Group kan me maar matig bekoren, misschien ben ik nog te verkleumd. Maar van the Slits word ik helemaal warm en helemaal gek. Ari Up, Viv Albertine en Tessa Pollitt kun je moeilijk klassieke schoonheden noemen. Ze zijn zeker geen modellen van het jaar, waar Elvis Costello een jaar geleden over zong. Maar deze meisjes zijn echte meisjes, sexy, uitbundig, en polymorf pervers. Opgewonden keren we naar Antwerpen terug, met de zekerheid dat we deze show wel nooit zullen vergeten.

‘Cut’, is meesterwerk van blanke reggae en vrouwelijke ‘punk’. The Slits is de girl group van de late seventies, maar controversiëler en rebelser dan hun voorbeelden uit de sixties. Vrouwelijker. Los van rebellie en seksueel-politieke boodschappen is het een groot genot om te dansen op de sound van the Slits. Ook vandaag nog klinkt ‘Cut’ cool en opwindend.

2018-05-01-slits 003

[1] Vier jaar later, op zondag 23 oktober 1983, betoogden 400.000 mensen tegen de plaatsing van Amerikaanse en Russische kernraketten in West- en Centraal-Europa. Het was de grootste manifestatie die ons land ooit gekend heeft.

[2] ‘Cut’ van The Slits. Verschenen op Island op 7 september 1979.
Een creatie van the Slits en Palmolive.
The Slits zijn:
Ari Up – vocals
Viv Albertine – guitar
Tessa Pollitt – bass guitar
en
Budgie – drums
Dennis Bovell – sound effects
Producer: Dennis Bovell.
Alle songs werden geschreven door Viv Albertine, Tessa Pollitt, Ariane Forster (aka Ari Up) en Paloma Romero (aka Palmolive).

DINGEN DIE VOORBIJGAAN

2018-03-03-LAGOMERA 389 (2)

Thuis in Brussel praten A. en ik niet zo veel meer. Ik geloof dat we stilaan zijn gaan lijken op de personages uit ‘Hello In There’, dat onvergetelijke liedje van John Prine. Old people just grow lonesome. Hebben we dat stadium werkelijk al bereikt? In Valle Gran Rey – en op andere plaatsen waar we voor wat langere tijd naartoe reizen – is dat anders. Het valt me ook op dat de routines hier anders zijn. Doordat je je er bijvoorbeeld van bewust bent dat je elke dag dezelfde wandeling maakt in een andere omgeving, ervaar je die meer als een ritueel. Wat in normale omstandigheden een routine is, wordt op die manier een bewustzijnsverruimende ervaring. Je zintuigen worden aangescherpt, je geheugen gaat beter werken.

Na de koffie in Sal Y Pimienta in Borbalán wandelen we met de oceaan aan onze linkerzijde terug naar onze tijdelijke woonst. Het is zonnig maar er staat een strakke wind. Ik moet mijn hoed vasthouden. Onderweg de taferelen waar ik nu al vertrouwd mee ben en die ik nauwelijks nog opmerk. Een hoelahoepmeisje dansend op het keienstrand, een jongeman die een meditatief stukje op zijn gitaar improviseert, zijn lange haren wapperend in de wind, het beeld van de verzetsheld Hautacuperche – die mij aan de houten sigarenwinkel-Indiaan ‘Kaw-Liga’ uit het lied van Hank Williams doet denken, hoewel hij wel tien keer zo groot is -, het restaurant Las Molinos, waar we nog nooit een stap binnen hebben gezet. En de oceaan zelf, het geluid van de golfslag dat altijd hetzelfde en toch altijd anders klinkt, alsof hij, de oceaan, gehoorzaamt aan een god, of zelf een god is, een hedendaagse Poseidon, zonder drietand maar wel onderhevig aan stemmingswisselingen, misschien wel afhankelijk van rilatine.
Terwijl ik al die indrukken bijna ongemerkt onderga komen mijn herinneringen uit een diepe, lang verborgen gebleven bron opgeweld. Je kunt ze niet tegenhouden en ze eisen uitgesproken te worden. Ik praat en praat, en ik heb het gevoel dat A. aandachtig luistert. Al kan ik me vergissen. Heeft mijn levensgezellin de dingen die ik vertel niet allemaal zelf ook meegemaakt of ten minste toch al meermaals gehoord? Of is ze alles vergeten? Of vindt ze het prettig om telkens dezelfde verhalen, zij het met kleine variaties, opnieuw te horen, zoals een kind voor het slapen gaan?

Nog op de bus van San Sebastian naar hier, nu ongeveer een week geleden, dacht ik er even aan terug. Ik zat door het raam van de lijnbus foto’s te maken van het landschap, goed wetend dat ze stuk voor stuk mislukt zouden zijn. Ik deed het om de instellingen van mijn toestel te testen. Met de jaren word ik luier, meestal fotografeer ik nu op automatische piloot. Tijdens zo’n rit van meer dan een uur kun je echter veel leren. Fotograferen is ook een manier om aandachtig te kijken. Lang geleden nam ik op reis nooit een camera mee. Ik dacht dat fotograferen een zuivere waarneming in de weg zou staan. Ik bezat zelfs geen camera, om precies die reden. Of niet helemaal: ik was ook te arm om er een te kunnen kopen. Misschien heb ik dat verhaal van die waarnemingsbeperkingen alleen maar verzonnen om me minder een armoedzaaier, een mislukkeling te voelen. Door het raampje zie ik duizelingwekkende afgronden en zo lang na de grote brand die hier in 2012 woedde nog altijd zwartgeblakerde lage bomen. Het woud van Garajonay. Ik weet niet hoe het komt, maar in een flits denk ik terug aan Boekhandel Corman in Brussel, waar ik ongeveer anderhalf jaar als verkoper heb gewerkt.
Nu ik hier op de Avenida Maritima Charco de Conde loop komen die herinneringen levendiger terug. Ik herinner me de collega’s van toen. Charles Paron, de gerant, en zijn vrouw Anne, beiden échte maoïsten. Ze waren gekleed als Chinezen (ze hadden in China gewoond en gewerkt). Charles was een zachtaardige man. Van hem heb ik geleerd stevige knopen te leggen. Anne was een kettingrookster. Met het peukje van de oude stak ze een nieuwe sigaret aan. Die bleef altijd tussen haar lippen zitten. Net voor de as eraf zou vallen verwijderde ze die met een eenvoudige handbeweging; hij belandde altijd netjes in de asbak die naast een stapel van die kleine Rode Boekjes vlakbij haar kassa stond. Tijdens de middag zat ik meestal samen met Anne te lunchen boven in een klein ‘keukentje’ waar uitgedroogde vrouwentongen stonden. Ik zei nauwelijks een woord, vond mijn Frans te rudimentair. De schroomvalligheid om fouten te maken. Jean, die ik later nog terugzag in mijn hoedanigheid van occasionele ‘inspecteur’ bij de Vlaamse Overheid, werkte in de pocketkelder. Daar stonden schatten. De hele reeks City Lights, bijvoorbeeld. En de hele reeks New Directions. Dat betekende ongeveer alles wat de Beat Generation aan literatuur had voortgebracht. Overigens was Corman de grootste boekwinkel van Brussel en misschien wel van België. Het viertalige aanbod was immens. Nu kun je daar alleen nog maar van dromen. Ik geloof dat Brigitte bij de kinderboeken werkte. Zij was de bourgeoise van Corman, of zo herinner ik mij haar toch. Ze deed aan paardrijden, en vaak droeg ze haar haar in een paardenstaart. Dan was er ook nog de roodharige Eliane. Zij had zo kunnen meespelen in een van die lang vergeten Franstalige radicale films van die dagen, iets van Claude Faraldo, Alain Tanner, Claude Goretta of Bertrand Blier. Jean-François was een beetje van hetzelfde type, wat ouder, een anarchist. Hij werkte net als ik bij de Franstalige afdeling. Hij wist alles over Franstalige Belgische literatuur (waaronder de Vlamingen die in het Frans schreven). Volgens hem mochten we ons karige loon aanvullen met zo nu en dan een boek te ‘lenen’. Dat was iets helemaal anders dan boeken stelen. Zoals mijn vriend Jos D., die er vanuit ging dat ik bij Corman zijn kleptomanie zou tolereren. Jan C., niet arm nochtans, stak de boeken in zijn diepe jaszakken – of in de zomer onder zijn hemd – terwijl hij met me stond te praten. Werken van radicale denkers zoals Abbie Hoffman en Angela Davis of van leden van Internationale Situationniste, daar mocht je niet voor betalen, zal hij gedacht hebben. Ik zakte dan bijna door de grond van schaamte. Maar wat kon ik doen om mijn stelende vrienden tegen te houden? Wat Jean-François en ik deden was iets anders, dat was moreel verantwoord, vonden we. De fijnste collega die ik bij Corman had was Rita. Zij is een van mijn beste vrienden geworden, en samen met haar man is ze dat nog steeds. Over haar wil ik nog minder kwijt dan over de andere vrienden uit die lang vervlogen dagen, want misschien leest ze dit wel. Wie vindt het fijn over zichzelf te lezen, zelfs al zijn het lovende woorden? Misschien glimlacht ze wel vanwege de onjuistheden die hier staan, het gevolg van mijn onbetrouwbaar geheugen. De afdeling die mij was toegewezen, was die van Franstalige poëzie en theater, en kunstboeken. Die categorieën stonden boven, in een ruimte die grensde aan het kamertje waar we lunchten. Klanten moesten toestemming vragen om naar boven te mogen. De trap was afgesloten met een koperen ketting. Bij de kunstboeken stonden namelijk werken met naaktfoto’s en dat was in die dagen gevoelige materie. Zelfs de woorden ‘kut’ of ‘neuken’ in een roman konden als gevolg hebben dat de BOB (Belgische Opsporings Brigade) tot huiszoeking en inbeslagname overging. En zelfs tot arrestatie van de boekhandelaar, wat geloof ik met Herman Claeys van de Free Press Bookshop is gebeurd. Al weigerde Herman ook zijn belastingen te betalen. Af en toe bladerde ik in die mooie boeken, al herinner ik me niet zo goed meer van welke fotografen. Irina Ionesco vond ik alleszins fascinerend.

bertrand_blier_preparez_vos_mouchoirs

Ook al werkte ik met enig plezier bij Corman hield ik het na anderhalf jaar voor bekeken. Ik was uitgeput. In mijn vrije tijd en ’s nachts schreef ik experimenteel proza voor het tijdschrift Aurora van de gelijknamige filosofische kring en werkte ik aan toneelstukken. Dat was zenuwslopend. Koffie, stimulantia, alcohol waren in overvloed nodig om dat ritme vol te houden. Twee pakjes sigaretten per dag. Overigens rookten al mijn collega’s van bij Corman zoveel, met mogelijke uitzondering van de ruiterlijke Brigitte. Vreemd dat er nooit een klant klaagde over de immense rookontwikkeling in die winkel.
Samen met A. en enkele vrienden heb ik in die periode (1975-1976) twee experimentele toneelstukken in elkaar gestoken: ‘Dokter Jekyll en Friedrich Nietzsche’ en ‘Empedocles’. Alleen het eerste hebben we ooit één keer kunnen opvoeren. In die dagen bestond er in Nederlandstalig België nog geen avant-garde theater [1]. Veel meer dan de KVS, KNS en NTGent, heel traditionele instellingen, had je niet. In die zelfde periode is, geloof ik, Jan Decorte met zijn vernieuwend theater begonnen. Hij heeft doorgezet, ik heb opgegeven. Later is Jan Fabre op de proppen gekomen. En het Kaaitheater en Ivo Van Hove en Luc Perceval en Guy Joosten en Akt-Vertikaal en al de anderen. Om in theater te slagen moet je een beetje een dictator zijn. Ik geloof dat ik te democratisch was. Ik legde mijn wil niet op. Ik had lessen moeten leren van de drilmeester in ‘Full Metal Jacket’, maar die film moest Stanley Kubrick toen nog bedenken.

r_lee_ermey - drill

Inmiddels hadden we Hautacuperche ver achter ons gelaten en was ik een beetje buiten adem geraakt van al dat gepraat. Het was de hoogste tijd om wat asperges uit een bokaal te eten en daarna verder te lezen in de meeslepende biografie van Anthony DeCurtis over Lou Reed.

[Deel 12 van een reeks impressies van een reis naar Valle Gran Rey in La Gomera, Canarische Eilanden. Een raamvertelling. Wordt vervolgd.]

Foto’s: Martin Pulaski, Valle Gran Rey, februari, 2018; Bertrand Blier, Préparez vos mouchoirs; Stanley Kubrick, Full Metal Jacket.

[1] “Het probleem lag vooral bij de directies. Verschillende directeurs hadden geen visie. Ze stelden zich te weinig vragen over wat ze konden doen met het stadstheater en de programmering. Directeurs bleven veel te lang op hun plaats zitten, vooral bij Koninklijke Nederlandse Schouwburg en Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Bij NTGent werd er gezocht naar verandering of deed men toch een poging. Op tien jaar tijd waren daar vier directeurs. Die grote wisselingen gebeurden steeds met vallen en opstaan. Directeurs durfden ook niet echt te kiezen voor regisseurstheater. Terwijl dit in het buitenland aan het opkomen was en duidelijk zorgde voor kwaliteitstheater. Er waren mensen die het wel konden, maar niet tot directeur werden benoemd. Daarbij denk ik aan Walter Tillemans, die vroeger echt experimenteerde in de categorie van het zogenaamde regisseurstheater. Natuurlijk waren er uitzonderingen. Ik herinner me Priester Daens in Gent, eind jaren ’70. Ook Walter Tillemans’ Kleine man, wat nu?, geïnspireerd op het regisseurstheater in Duitsland, wat een samenwerking was met Peter Zadek en Tankred Dorst. Af en toe doken nog andere stukken op van Hugo Claus of Walter Van Den Broeck. Soms werden mensen uit het buitenland aangetrokken. Maar dikwijls waren het toch kopieën van wat ze reeds gezien hadden. Die invloed kwam vooral uit Engeland. Bij de KVS kwam de invloed vooral uit Parijs, omdat ze daar veel komedies speelden, wat uiteindelijk de doorslag gaf. Maar het bleef toch een beetje steriel zoeken, zonder groot resultaat, en dat ontgoochelde mij ontzettend.”  Paul Arias

DEZELFDE STERREN ALS IN TAOS, NM

taos, new mexico (2)

Avondschemering als ik het appartement op de tweede verdieping van de Gomera Lounge binnenkom. In rode tinten de gevels, de wandelaars op de kleine promenade, de kinderen op het kleine strand. Straks wordt alles blauw, dan donker. Ik denk als wel vaker bij een of andere frappante waarneming aan een titel van een boek of een lied; in dit geval is het een ondertitel van een roman van Cormac McCarthy: ‘the evening redness in the west’. Tegelijk met dat diepe avondrood begint op het stukje strand voor het nu wel zeker definitief gesloten Casa Maria en aan het kapelletje van San Pedro daar vlakbij een soort van ritueel, bijna tribaal getrommel. Het zijn hippies die de zon vereren. Hoe sereen ook, soms maakt de intensiteit van dit schouwspel me rusteloos.
Het is nog te vroeg om te gaan eten en we weten ook niet waar. Dan zal het wel El Paraiso aan de Avenida Maritima worden, daar is meestal plaats en de vis is er vers, lekker en betaalbaar. We zitten op ons terrasje, wachtend tot het helemaal donker is en de sterren tevoorschijn komen. Mijn blik vermijdt het stukje rommelig braakland dat daar beneden al jaren ligt te wachten op een opknapbeurt (of een nieuw appartementsgebouw dat dan het uitzicht vanuit de Gomera Lounge op de Atlantische oceaan zou wegnemen.) Niet zo moeilijk nu de avond al het zichtbare aan het zicht begint te onttrekken. Toch concentreer ik me bijna angstvallig op de diepblauwe zee en speur de horizon af. Slechts een enkele kleine zeilboot te bespeuren.

Ik praat met A. over de honden, die van vandaag en die van lang geleden. Hoewel ze al vaker over Jimpy, Suzy en Laika gehoord heeft, denk ik dat ze het niet vervelend vindt mijn mijmeringen daarover nog een keer te moeten aanhoren. Maar al gauw verschijnt er weer een andere hond in het met woorden opengevouwen landschap. In een oogwenk bevinden we ons in New Mexico in september 1993, tijdens een van de mooiste reizen van mijn leven, van het Oosten naar het Westen van de Verenigde Staten. We vertoefden enkele dagen in Taos, een pittoresk stadje van Indianen, (toen al) oude hippies, en Easy Riders. Taos was een plaatsnaam waar ik me sinds omstreeks 1970 veel bij had voorgesteld. Lang geleden werd er Tiwa gesproken, een taal waarin Taos ‘rode wilg’[1] betekent. Het stadje werd van in het begin van de twintigste eeuw een kunstenaarskolonie. In 1924 kwam D.H. Lawrence er wonen. In ruil voor het manuscript van zijn roman ‘Sons and Lovers’ kreeg hij de Kiowa Ranch in handen, nu D. H. Lawrence Ranch genoemd. Ook Aldous Huxley woonde er enige tijd, evenals de kunstschilders Georgia O’Keeffe en Agnes Martin. De film ‘Easy Rider’ van Dennis Hopper werd er gedeeltelijk gefilmd, onder meer de gevangenisscène met Jack Nicholson. Nu waren wij er met de Greyhound uit Albuquerque aangekomen.
 
TAOS 3 (3)

Op een dag vertrokken we vanuit ons hotel aan de Paseo del Pueblo Sur voor een lange wandeling. Eerst naar downtown Taos, dan via de Little Deer Horn Road in de richting van Taos Pueblo. Daar sloegen we een kleiner pad in dat ons naar de vrije natuur bracht. Of dat dachten we. Je was in die streek echter nooit zeker wat privéterrein was en wat publiek. Het landschap zag er behoorlijk wild uit, verweerde aarde, met weinig andere begroeiing dan sagebrush (alsem). We hadden de adobe huisjes al een heel eind achter ons gelaten toen er een hond op ons afkwam. Aan deze viervoeter, hij leek wat op Lassie, zag je zo dat hij ongevaarlijk was. Het leek wel of hij ons kwam begroeten, verwelkomen zelfs. Welkom in de Far West, leek hij te zeggen, nu zijn jullie eindelijk in het land van jullie dromen aangekomen. Later, toen ik Rilke herlas, zag ik in deze zachtaardige hond de incarnatie van het goede en trouwe in de dieren. We wandelden verder, terwijl de hond van Taos ons bleef volgen, alsof hij dat altijd al had gedaan, alsof dat zijn bestemming was.
Een stukje verderop zagen wij een jongen op ons toekomen. Hij vroeg wie we waren, waar we vandaan kwamen, waar we naartoe gingen, vriendelijk en beleefd. Zijn naam was Shane. Duidelijk verveeld met de boodschap die hij bracht, vertrouwde hij ons toe dat we ons op heilige Indiaanse grond[2] bevonden. Hoewel dit geen privé-eigendom was, waren we in overtreding met oudere wetten dan die van de staat New Mexico en van de federale wetten. We praatten nog wat over de Indiaanse cultuur en keerden dan terug naar de Taos. Tijdens ons kort gesprek was Lassie ongemerkt uit het zicht verdwenen.
Ik krijg nu wel wat honger, onderbrak A. mijn relaas. Zouden we niet stilaan vertrekken? Straks is alle vis op. Goed idee, zei ik. En zo’n glas Martin Codax zou me ook wel smaken, beter dan die Californische wijn die we daar in New Mexico dronken.

Onderweg naar El Paraiso over de Avenida Maritima zag ik aan de hemel dezelfde sterren, honderden, duizenden, als toen we ’s avonds in Taos over de Paseo del Pueblo Sur terugkeerden naar ons hotel. Kijk, zei ik dan, daar is het Sun Goddess Motel, nog vijf minuten en we zijn in onze kamer. Want helemaal veilig voelden we ons niet, als enige voetgangers, op die verlaten Amerikaanse Highway, zelfs niet met de sterren die met hun geschitter het harde asfalt verlichtten.

[Deel 11 van een reeks impressies van een reis naar Valle Gran Rey in La Gomera, Canarische Eilanden. Wordt vervolgd.]

TAOS 1

[1] Hoewel over die betekenis betwisting bestaat. In ‘The People. Indians Of the American Southwest’, lees ik het volgende: “Taos is an adaptation of the Tiwa Teotho, meaning “houses of the people” or “in the village”.
De naam van de pueblo in Taos: “The proper name of the pueblo is ȉałopháymųp’ȍhə́othə̀olbo “at red willow canyon mouth” (or ȉałopháybo “at the red willows” for short).This name is more commonly used in ceremonial contexts and is less common in everyday speech.”

[2] Heilige grond. From the Jicarilla creation story, the land bounded by the four sacred rivers was provided to them by the Creator, with select places for communicating with the Creator and spirits, sacred rivers and mountains to be respected and conserved, and very specific places for obtaining items for ceremonial rituals, such as white clay found 18 miles (29 km) southeast of Taos, red ochre 20 miles (32 km) north of Taos and yellow ochre on a mountain near Picuris Pueblo. They believe the “heart of the world” is located near Taos.
Traditional Jicarilla stories of White Shell Woman, Killer of the Enemies, Child of the Water and others feature places and nearby people special to them, such as the Rio Grande Gorge, Picuris Pueblo, the spring and marsh near El Prado, Hopewell Lake and particularly of the Taos Pueblo and the four sacred rivers. The Jicarilla created shrines in sites that held spiritual meaning, sharing some of the Taos area sites with the Taos Pueblo.

Foto’s: Martin Pulaski, Taos, New Mexico, september 1993.