ASTRIDPARK:79 BOMEN WEG

IMG_20190828_192617

Het Astridpark krijgt zijn luister van weleer terug, lees ik in Anderlecht Contact, het krantje van de gemeente. Om alvast te beginnen met de verfraaiing hebben de gemeentediensten 79 bomen geveld. De meeste van die mooie oude bomen moesten om fysosanitaire redenen worden verwijderd, zo staat er in de mededeling. “De aannemer verwijderde 51 zieke en 9 dode bomen, terwijl 19 andere bomen moesten worden verwijderd in het kader van de werkzaamheden.”
De bomen en het struikgewas onttrokken het wanstaltige voetbalstadion, een van de lelijkste architectonische creaties ooit door mensen ontworpen, aan het zicht. Bijna dertig jaar lang kon ik naar de metro lopen zonder depressief te worden van die wanstaltige kolos. Dat is nu definitief voorbij. Bovendien heet het voetbalstadion nu ook nog eens Lottostadion. Als het zo doorgaat heet binnenkort elk stadion, elke concertzaal, elk administratief gebouw Lotto dit of dat. Wordt er iemand betaald om dergelijke namen te verzinnen? Wat ik nog niet weet is of het Astridpark nu officieel Lottopark heet, maar het zou me niet verbazen. En nog iets: je wint sneller met de loterij dan dat Anderlecht een match wint.

IMG_20190828_192640

IMG_20190828_192707

IMG_20190828_192732

 

 

DE NAAM VAN DE MOORDENAAR

 

Het toilet van Bathseba

Ring ring ring (ringtone )…
Marius: Hallo, dag Dita, hoe gaat het?
Dita: Dag Marius. Zeg, weet jij nog hoe die moordenaar van Barnabas Shuttleworthy heet, ik geloof dat het zijn beste vriend was?
Marius: Wat een merkwaardige vraag, je kunt dat toch in een oogwenk in Wikipedia vinden…
Dita: Ik wilde het liever uit jouw mond horen, dat is zoveel echter. En om eerlijk te zijn: ik wilde dolgraag je stem nog een keer horen. Bovendien weet je toch ongeveer alles over Edgar Allan Poe?
Marius: Dat is lief van je, Dita. De moordenaar heet Charles Goodfellow. Schitterende vondst, zo’n naam voor een koelbloedige moordenaar, vind ik.
Dita: Ik herinner me wel nog het kistje Margaux dat Goodfellow na de dood van Barnabas Shuttleworthy ontvangt. Daar zit wel geen wijn in maar het stoffelijk overschot van zijn slachtoffer, reeds in staat van ontbinding. Met de bijbelse woorden “Jij bent de man!” beschuldigt hij  Goodfellow van de lafhartige moord. Je houdt het niet voor mogelijk dat een schrijver zoiets kan bedenken. En dan ook nog eens dat buikspreken!
Marius: Zo is het helemaal, Dita. “Jij bent de man!” is inderdaad een verwijzing naar een passage in de Bijbel, maar dat zal jij beter weten dan ik.
Dita: Misschien, Marius, misschien… Ik weet wel dat de uitspraak voorkomt in 2 Samuel 12. God stuurt de profeet Nathan naar Koning David. Die vertelt David de gelijkenis van de rijke man die een gast op bezoek krijgt. De rijkaard is te krenterig om voor de bereiding van de maaltijd een van zijn eigen geiten of schapen te gebruiken. Daarom neemt hij het enige lammetje van de arme man en zet dat de gast voor.
Marius: En David was zelf zo’n dader, niet?
Dita: Jazeker. Nathan zegt hem: Die man, dat bent u. David heeft namelijk Uria laten vermoorden en hem zijn vrouw Batsheba afgenomen. God is wel een bijzonder strenge rechter. David moet immers aanzien dat God zijn vrouwen aan een ander geeft, aan iemand van zijn eigen familie. Die zal met zijn vrouwen slapen bij klaarlichte dag.
Marius: In het verhaal van Edgar Allan Poe valt de moordenaar dood. Zou God daar ook voor iets tussen gezeten hebben?
Dita: Dat hebben we alleen maar het raden naar, niet, Marius? Ik heb intussen veel zin gekregen in zo’n glaasje Chateau Margaux. En jij?
Marius: We moeten daar zo gauw mogelijk werk van maken, Dita. Wat denk je van volgende week donderdag? Ken jij een geschikte wijnbar?
Dita: Niet zo meteen. Ik zal er eens naar uitkijken.
Marius: Toch niet in de Wikipedia?
Dita: Ha ha ha.

Afbeelding: Cornelis Cornelisz van Haarlem, Het toilet van Bathseba

EEN VREEMDE REDENERING

STEAMBOAT BILL JR.

Ring ring ring (ringtone )…
Dita: Hallo, dag Marius, hoe gaat het?
Marius: Goed… Heb je het gehoord, Dita? De Vlaamse politici hebben een akkoord bereikt over de kleur van de burgemeesterssjerp. Zowel het model in zwartgeel als dat in zwartgeelrood mag. Daarover onderhandelen ze een hele nacht, terwijl wij met zijn allen in de buurt van de afgrond rondslenteren.
Dita: Je zou ze een provincialistische mentaliteit gunnen, maar zelfs dat hebben ze niet. Het zijn dorpelingen, waarmee ik niets negatiefs over de mensen uit mijn dorp wil zeggen.
Marius: Weet je waar ze vergaderen? In Wenduine…
Dita: Ik begrijp wat je bedoelt. Als die vergadering nog lang blijft duren zullen ze hun rubberen laarzen moeten aantrekken.
Marius: Verzuipen met een zwartgele sjerp aan, het is ze gegund.
Dita: Mijn therapeut wist me te vertellen dat het moeilijker is een auto te bezitten en die niet altijd te gebruiken dan helemaal geen auto te bezitten.
Marius: Wat een vreemde redenering.
Dita: Ze zegt dat je als je nooit een auto hebt gehad, dat je die dan ook nooit nodig had. Wat je nooit nodig had mis je niet, zegt ze.
Marius: Ze schijnt niet te beseffen dat je ook al heb je geen auto toch kunt dromen van een reis door Amerika, van Oost naar West, of omgekeerd, met een auto die je niet hebt. Ik geloof dat het veel moeilijker is om geen auto te bezitten.
Dita: Dat heb ik haar ook gezegd. Ik vermoed dat ze zich schuldig voelt over haar rijgedrag.
Marius: Ze zou best eens bij een therapeut langsgaan. Schuldgevoelens zijn zo passé.
Dita: Waarom belde je eigenlijk?
Marius: Zomaar. Ik verveelde me een beetje. Ik verwacht een pakje. Wat een shit zeg, die online bestellingen. Ik vraag me af waar het nu ergens zit.
Dita: Waarom zet je geen stomme film op, iets van Buster Keaton of zo.
Marius: Daar word ik veel te triest van.
Dita: Dat geloof ik niet, Marius.
Marius: Tot gauw, Dita.
Dita: Tot gauw, Marius.

Afbeelding: Buster Keaton in Steamboat Bill Jr.

EEN GESPREK MET STUART STAPLES

amputees

Een week geleden zat ik aan een tafeltje in Coffee & Vinyl in Antwerpen te praten met Stuart Staples, zanger en componist van de band Tindersticks. Ik had hem al enkele keren ontmoet na concerten in Gent, Brussel en Antwerpen, maar nooit met hem geconverseerd. Te schuchter. Nu kwam hij naast me zitten en heel spontaan ontstond een gesprek. (Mijn goede vriend Neil Fraser, gitarist van de band, had me even tevoren opnieuw aan de zanger voorgesteld.) Tijdens onze conversatie sneden we diverse onderwerpen aan, maar het is onze liefde voor muziek die ons met elkaar verbindt. Of wat dacht je?
Op de achtergrond, een half uur tevoren nog voorgrond, ’No Treasure But Hope’, de in Parijs opgenomen nieuwe elpee van Tindersticks, die op 15 november uitkomt. Het zou wel eens de meest bij de strot grijpende en gloedvolle langspeelplaat van de Britse groep kunnen zijn, al is het moeilijk om hun oudere werk te overtreffen (vanaf hun debuut uit 1993, Tindersticks, tot The Waiting Room uit 2015). We komen van ver, zegt Stuart. Onze eerste elpee kwam zesentwintig jaar geleden uit. Dat lijkt een eeuwigheid geleden. Ik was een andere man, jong, romantisch, vol bewondering voor mijn muzikale helden, onder meer Scott Walker, Leonard Cohen, Townes Van Zandt, Joy Division en Nick Cave.

tindersticks-colour-

The Amputees, de single die samen met foto’s van het hoesontwerp [1] voor de nieuwe elpee die avond in Coffee & Vinyl werd voorgesteld, is net afgelopen. Ik vraag me af over wie het lied gaat. Want het klinkt net zo triest als de donkerste songs van Townes Van Zandt of James Carr. Denk aan Still Looking For You of That’s The Way Love Turned Out For Me, hoewel de muziek van Tindersticks daar qua stijl niet meteen op lijkt.
Er klinkt wanhoop in Stuart Staples’ stem, schrijnend verdriet, dat verhevigt naarmate het lied vordert en dat een hoogtepunt bereikt als hij op het einde wel twaalf keer de woorden I miss you so bad herhaalt. Je hoort de pijn van een amputatie die plaatsvindt in de ziel. De zanger heeft het wel vaker over gedoemde relaties maar slechts zelden heb ik hem met zo’n intense droefheid over het einde van een liefde horen zingen. Gaat de song over iemand die Stuart kent, een vriend of vriendin, een van de bandleden? Over hemzelf? Dat laatste lijkt me onwaarschijnlijk: hij en zijn vrouw, de kunstenares Suzanne Osborne, zijn al heel lang samen en als hij haar naam uitspreekt is dat met veel tederheid. Ik dacht even dat het over de brexit ging, mompel ik, om een pijnlijke stilte te doorbreken. Al is dat gedoe evenmin iets om vrolijk van te worden. Nee, het gaat niet over de brexit, zegt Stuart. Al is dat een mogelijke interpretatie: als gevolg van de brexit moet ik afscheid nemen van heel wat Engelse vrienden. Ik weet niet of ik nog vaak zal teruggaan. The Amputees gaat niet over één bepaalde persoon. Een huwelijk of een relatie verloopt met ups en downs, dat zal je wel bekend zijn, als je al zo lang getrouwd bent als jullie. Je hebt zo van die wanhopige momenten, échte dieptepunten. Wat betekent je huwelijk nog? Opeens zie je jezelf terug in het verleden, toen je liefde nog pril en onaangetast was. Opeens mis je de vrouw die zij toen was. Het jonge meisje. Je zou willen dat je kon terugkeren, wat niet mogelijk is. Het lijkt op een scheiding. Maar zo’n ogenblik van wanhoop is natuurlijk niet het einde. Nadien sta je weer met je voeten op de grond. Je verzoent je met wie jullie nu zijn. Maar het resultaat van dat moment van vertwijfeling is The Amputees.

kicking

Voor waardevolle muziek moet je online gaan, op YouTube of elders gaan zoeken, zegt Stuart. Op de radio valt niets meer te beleven. Bewonderenswaardig aan België, aldus de zanger, is onze diversiteit, zeker op cultureel en muzikaal gebied. Dat zegt hij omdat hij een groot stuk van de dag naar Radio Centraal heeft geluisterd. Daar hoor je wél nog andere muziek. De radiomakers van Centraal zijn niet bang voor experiment, mislukking, onzuiverheid, kunst. Dat is natuurlijk wel een geval apart, meer dan die zender kun je niet afwijken van de aanvaarde radiofonische concepten.
Je hoort vandaag opnieuw uitstekende muziek, zegt Stuart. Dat vond hij tien jaar geleden niet. Het was toen gedaan met betere rock, indie, r&b, noem maar op. Maar nu staan de zaken er weer beter voor. Kendrick Lamar bijvoorbeeld is fantastisch.
Nick Cave, die van Kicking Against the Pricks, was voor Stuart een openbaring. Tindersticks is het stadium van bewondering al een poos ontgroeid. Je hoort geen de duidelijke invloeden meer in hun composities, in hun sound. De songs van Tindersticks zijn door en door van Tindersticks. Maar destijds waren Nick Cave & the Bad Seeds invloedrijk. De manier waarop Nick Cave composities aandurfde die eigenlijk buiten zijn vocaal bereik lagen is bewonderenswaardig. Hoe hij Something’s Gotten Hold Of My Heart van Gene Pitney aanpakt, dat is subliem. Je moet veel moed hebben om zo’n moeilijke song aan te durven. Gene Pitney was een geweldige zanger, vind je niet? Jazeker, zeg ik, ik heb altijd zielsveel gehouden van I’m Gonna Be Strong en I Must Be Seeing Things. Fantastische zanger, beaamt Stuart. Nick Cave heeft een jongere generatie ertoe aangezet om naar Elvis Presley, Roy Orbison en Mickey Newbury te gaan luisteren, zeg ik. Ja, dat is een grote verdienste van hem, zegt Stuart. De Nick Cave van nu boeit me niet meer zo, gaat hij verder. De bezieling is een beetje verdwenen.
Wat denk je van Alex Chilton? Ook hij heeft zo’n ‘pedagogische’ rol gespeeld. Rockabilly, country, soul, jazz, het kwam allemaal bij hem aan bod. Ook hij wees naar grote voorbeelden uit het verleden. Ook hij zong liedjes die hij niet aankon, maar deed het toch met verve. Jammer, dat hij er maar weinig erkenning voor kreeg. Ach, zegt Stuart, ik denk niet dat hij daar wakker van lag. Hij deed het voor de muziek, succes maakte hem niet veel uit. Hij was trouwens een buitengewoon songschrijver. Holocaust is een van de mooiste liedjes die ik ken, zegt Stuart. Townes Van Zandt is ook zo iemand, en er zijn er nog. Muzikanten die het niet voor de roem deden, maar for the sake of the song.
Ik vraag hem of hij Hurray for the Riff Raff kent, de band van Alynda Lee Segarra. Nee, maar ik zal er naar luisteren, zegt hij.

We praten over Claire Denis. Stuart Staples en Tindersticks maakten de soundtracks voor bijna al haar films sinds Nenette et Boni (1996). Ze is een heel bijzondere vrouw, zegt Stuart. Je maakt haar niets wijs. Ze is al redelijk oud, zeker in de zeventig, maar ze laat zich door niemand doen, ze gaat altijd haar eigen weg. Beau Travail, over het Franse vreemdelingenlegioen, is mijn favoriete film van haar, en Trouble Every Day. Die twee zijn inderdaad subliem, maar op dit ogenblik gaat mijn voorkeur naar 35 Rhums, zeg ik. (De titel wil mij eerst niet te binnen schieten, en ik plaats het verhaal per abuis in Marseille, terwijl het in een Parijse banlieue van Parijs speelt. Stuart weet meteen welke film ik bedoel, noemt de titel maar corrigeert me niet wat betreft de plaats van handeling. Een echte gentleman.)

claire denis

Wat klinkt de nieuwe plaat toch geweldig. Opvallend is het gitaarspel. Ik hoor opeens een echo van the Velvet Underground, meer bepaald van Pale Blue Eyes. Stuart glimlacht even. Neil heeft nooit beter gitaar gespeeld dan op deze plaat, zeg Stuart.

Stuart en Suzanne wonen al lang in Frankrijk. Ik dacht dat ze daar tevreden waren met hun leven, maar nu blijkt dat hij naar Griekenland wil verhuizen. De Grieken hebben iets anarchistisch, vindt hij. Zeker nu. Ze aanvaarden geen gezag meer. Je voelt bij hen een immens verlangen naar vrijheid. Waar in Griekenland? In Ithaka, het kleine eiland waar Odysseus vandaan kwam en naar waar hij na zijn omzwervingen terugkeerde. Dan wordt Suzanne je Penelope die op je zal wachten tot je terugkeert van een tournee. Suzanne zal niet lijdzaam zitten wachten, neem dat maar van me aan. Ik vertel hem het tragische verhaal van mijn schoonbroer, Bruno, op het eiland Mykonos. Stewart luistert aandachtig. Die moderne tragedie zal hem echter niet tegenhouden om als het ogenblik gekomen is naar Ithaka te verhuizen. Het is maar een klein eiland, 96 vierkante kilometer. Er wonen slechts drieduizend mensen. Het is er veilig.
Je zou net zo goed in Portugal kunnen gaan wonen, nog een Europees land dat zich op positieve wijze onderscheidt van de rest van ons continent. Ja, Portugal is ook een mogelijkheid. We hebben er vaak met veel plezier opgetreden. Portugezen zijn fijne mensen. Maar het wordt er erg druk. Grote Franse bedrijven investeren nu in Portugal. Er is heel veel toerisme in Lissabon en Porto. Ik houd van de platen van Madredeus, voegt hij eraan toe. Ik heb de groep leren kennen in de film van Wim Wenders, Lisbon Story (1994), ik werd meteen verliefd op Teresa Salgueiro, zeg ik. Om te rusten leg ik nogal eens hun plaat O Paraiso op. Dat bedoel ik niet negatief, eerder als lof. Soms val ik erbij in slaap, soms bereik ik er de grenzen van het paradijs mee. Soms word ik er voor enkele minuten toegelaten. Stuart glimlacht. Ik begrijp wat je bedoelt, zegt hij. Je kunt er bij wegdromen.

dav

[1] Foto’s van de videoclip voor de single The Amputees. Regie en knipwerk: Stuart Staples. Foto’s: Neil Fraser. Art direction: Suzanne Osborne.]

Afbeeldingen: The Amputees, foto’s tegen de wand in Coffee & Cigarettes, Martin Pulaski; Tindersticks, 2019, Richard Dumas & Suzanne Osborne; Nick Cave & the Bad Seeds, Kicking Against the Pricks; Claire Denis, fotograaf onbekend; Stuart Staples en ik in Coffee & Vinyl, Agnes Anquinet.

WAAR GAAT HET NAARTOE MET DE WERELD?

coole bar

Ring ring ring (raspberry beret ringtone weerklinkt)…
Dita: Hallo, dag Marius, hoe gaat het?
Marius: Goed, goed, maar ik heb vervelend nieuws.
Dita: Alweer.
Marius: Onlangs wilde ik iets gaan drinken in een van die coole bars hier. Mocht ik toch niet binnen zeker, Dita.
Dita: Je meent het niet. Je houdt me voor de gek, Marius. Iemes ne kloet aofdraaien, zeggen ze in de lieflijke streek waar ik vandaan kom.
Marius: Nee hoor, Dita. Ik ben serieus. De toegang werd mij ontzegd, om het eens ambtelijk te formuleren.
Dita: Wacht even, ik zet de muziek hier wat stiller.
Marius: Waar luister je naar?
Dita: You say you never compromise with the mystery tramp, je weet wel.
Marius: Jij met je Bob Dylan altijd.
Dita: Spirit. Het is Spirit. Maar vertel verder…
Marius: Wat is er aan de hand, vroeg ik aan de buitenwipper. Heb je je jeans al eens bekeken, vroeg die snerend. En ik: jazeker, zelfs meermaals, wat is er mis mee? Niet gescheurd, zei de buitenwipper. Geen gescheurde jeans, geen toegang. Dat is hier onze politiek.
Dita: Je houdt me echt wel voor de gek, Marius.
Marius: Was het maar waar.
Dita: Waar gaat het naartoe met de wereld.
Marius: Dat vraag ik me ook al een tijdje af, Dita.
Dita: Marius, ik moet nu dringend de planten water geven. Als je het niet erg vindt?
Marius: Oké. A un de ces quat’.

Afbeelding: Martin Pulaski, Gent, 14 mei 2006.

LAATSTE PERZIK VAN DE ZOMER

P1010196

 

Ring ring ring (raspberry beret ringtone weerklinkt)…
Dita: Hallo, dag Marius, hoe gaat het?
Marius: Goed, goed, maar ik heb vervelend nieuws.
Dita: Ai…
Marius: Ik kan je morgen jammer genoeg niet zien. Ik kan onmogelijk naar Diest komen.
Dita: Je bent toch weer niet ziek?
Marius: Nee, eigenlijk niet. Maar ik heb hier nog een perzik liggen die ik moet opeten. Als ik dat nog een dag uitstel wordt die rot.
Dita: Dat begrijp ik. Een rotte perzik, stel je voor.
Marius: Ik dacht wel dat je het onvermijdelijke van deze situatie zou inzien.
Dita: Volgende keer beter.
Marius: Zeker, dit is mijn allerlaatste perzik.
Dita: De zomer is afgelopen.
Marius: Zo is het. Dag Dita.
Dita: Dag Marius.

Afbeelding: Martin Pulaski, Berlijn.

VERMOEIDE STRIJDERS

 

enfant secret 2

Enkele dagen geleden zag  ik L’enfant secret van Philippe Garrel, een autobiografische film uit 1979 met Anne Wiazemsky, Henri de Maublanc, Elli Medeiros en Bambou. De soundtrack is van Faton Cahen, bekend of niet bekend van de Franse progressieve-rockband Magma. In L’enfant secret vertelt Garrel een liefdesverhaal gebaseerd op zijn relatie met de zangeres Nico. De titel verwijst naar het zoontje van Nico, Ari, dat door zijn vader, Alain Delon, nooit werd erkend.
Met Philippe Garrels filmstijl ben ik vertrouwd. Ik houd van zijn zwartwit, zijn lange stiltes, zijn trage camerabewegingen, zijn schaarse maar veelzeggende dialogen, zijn herhalingen. Zoals in al zijn films doen ook in L’enfant secret de acteurs en actrices aan underacting. Geen duidelijk zichtbare emoties bij de personages, wat niet belet dat je als toeschouwer toch met ze meevoelt. De film heeft vooral door zijn ritme en het vele donker een hypnose-effect. Je raakt bedwelmd: de kleine wereld die je op het scherm ziet en hoort wordt jouw eigen kleine wereld.

Het is mogelijk dat niet iedereen intimistische films als die van Philippe Garrel zo beleeft. Sommigen zullen zich ergeren aan de tegendraadsheid en de traagheid. Toen ik er gisteravond in het sprookjesachtige Warandepark met op de achtergrond de exotische muziek van de Feeërieën nog eens over nadacht besefte ik dat ik zelf ook in zo’n kleine wereld heb geleefd, en dat – in mindere mate – nog steeds doe. Een andere omgeving, een andere stijl, dat zeker, maar er zijn nogal wat overeenkomsten met die van de donkere setting waar Garrel ons mee naartoe neemt.
Aan het einde van de jaren zeventig en zeker in de jaren tachtig leefde ik net zo geïsoleerd, net zo opgesloten in mezelf en in de zelfgekozen microkosmos van verwante zielen. In zoverre we dat zelf al kunnen kiezen. Het was de nasleep van de tegencultuur. We waren vermoeide strijders die nooit hadden gestreden maar wel de oorlog verloren.
De muziek waar ik van hield hoorde je weinig op de radio (tenzij in het onvolprezen programma Domino, leerschool van heel wat muziekminnaars). Mijn favoriete films, die van Terrence Malick, Yasujiro Ozu, Shohei Imamura, de jonge Wim Wenders, Rainer Werner Fassbinder, Jacques Rivette en die van oude meesters als Friedrich Wilhelm Murnau, Jean Epstein en Robert Bresson, zag je alleen in cinefiele filmhuizen zoals Cartoon’s en Monty in Antwerpen en in het Brusselse Filmmuseum. Ik las geen bestsellers, geen boeken van bekende Nederlandse schrijvers (en van onbekende ook maar heel weinig). Wel ging mijn liefde naar romantische auteurs: Shelley, Keats en Kleist (die ik tot de romantici rekende). Ik had een grote bewondering voor Hölderlin en voor Antonin Artaud. Ik geloof dat ik maar één Nederlandse dichter las, H. H. ter Balkt alias Habakuk II de Balker, die ik als een Captain Beefheart van de Lage Landen beschouw(de). Mogelijk ben ik enkele dichters vergeten. Maar hoe het ook zij: ik verachtte het literaire wereldje van toen. Dat van de salons en boekenbeurzen en de praatprogramma’s (het bestaan waarvan ik pas in 1984, na aanschaf van een televisietoestel, ontdekte). Ik las geen kranten. Hoewel ik enkele kunstenaars als goede vrienden beschouwde interesseerde hedendaagse kunst me weinig. Ik liftte naar Firenze, Rome, Venetië en Padua om er de grote meesters uit de renaissance te bestuderen. De mooiste herinneringen heb ik aan een kort verblijf in Tübingen, en dan vooral aan mijn bezoek aan de toren waar Hölderlin de laatste zevenendertig jaar van zijn leven sleet. Hoewel de toren die er in 1979 stond niet meer de originele was, voelde ik er toch de aanwezigheid van de grote tragische dichter. Door een raam zag ik de Neckar stromen, dezelfde en toch niet dezelfde rivier die Hölderlin zo vaak zoveel troost had geschonken. Ja, grotendeels leefde ik in de negentiende eeuw en voor de rest in het boek The Romantic Agony [1] van Mario Praz, een tijdlang mijn literair-esthetische bijbel. Mijn kijk op de renaissance was negentiende-eeuws, de manier waarop ik naar muziek luisterde was dat vermoedelijk ook.
Op een dag echter gingen misdaadromans in mijn lezend leven ook een grote rol spelen . Hoe ik daartoe gekomen ben weet ik niet goed meer. Mogelijk kwam het door mijn vele gesprekken met mijn vriend Jos. Mogelijk raakte ik eraan verslingerd nadat ik de film Hammett van Wim Wenders had gezien. Voortaan vond ik het heerlijk om de hard-boiled romans van Dashiell Hammett, Raymond Chandler, Ross McDonald en vooral James Cain te lezen; een ware verrukking als ik een kater had. Wat later kwamen Sjöwall en Wahlöö het groepje misdaadverzinners vervoegen. Die had Jos mij aangeraden, dat weet ik wel zeker. In het begin aarzelde ik nog wat, onder meer omdat die twee schrijvers, een echtpaar, zulke rare namen hadden en ook wel omdat het zo’n lelijke Zwarte Beertjes waren. Maar zodra ik er één gelezen had volgde de rest.

Van alles wat ik hier heb opgesomd komt er zo goed als niets ter sprake in L’enfant secret. En toch, en toch is er die geestelijke verwantschap met Philippe Garrel – en met andere vergelijkbare kunstenaars. Ik denk dat gevoelens van afzondering, eenzaamheid en melancholie daar de grondtonen van zijn. Net als Philippe Garrel leefde ik in die tijd in een milieu waarin waanzin, psychiatrische instellingen, zelfmoord, amfetamine en morfine schering en inslag waren in de levens van sommige van mijn vrienden, de meest tragische van de vermoeide strijders tegen de toen heersende cultuur. Noem mijn generatie niet de generatie van vrijheid-blijheid. Als er al zoiets bestaat als mijn generatie. De deelgeneratie waar ik toe behoor zou je een nieuwe verloren generatie kunnen noemen, vergelijkbaar met die uit de jaren dertig, die van F. Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway en Ezra Pound. De meesten van ons waren beautiful losers. Maar ik ben een overlever, ook al verafschuw ik die uitdrukking en ook al voel ik me nog steeds nergens thuis.

1978-1980-AURORA 15 DROMEN 001_editedb

[1] Lezers die in die dagen geen Italiaans kenden moesten hun toevlucht zoeken tot de Engelse vertaling van wat oorspronkelijk ‘La carne, la morte e il diavolo nella letteratura romantica’. Het boek werd later in het Nederlands vertaald als ‘Lust, dood en duivel in de literatuur van de Romantiek’.

Afbeeldingen: Anne Wiazemsky en Henri de Maublanc in L’enfant secret; schrijver dezes en Agnes (toen Senga) omstreeks 1979.