TAMELIJK BETAMELIJK GEDRAG

Senga, Dolfijnstraat, omstreeks 1977.

[Nachten aan de Kant 62]

Die dag in augustus werd ik pas omstreeks het middaguur wakker. Beneden in het Groot Vertrek zat Senga aan de keukentafel te lezen in Film en Televisie. Wat lees je, vroeg ik. Een boeiende recensie van Ronnie Pede over Renaldo & Clara, zei Senga. Je hebt in de oude tijdschriften zitten neuzen, zei ik. Zo oud is dit nu ook weer niet, zei ze. Toch wel een jaar, zei ik. De tijd gaat snel, zei Senga. Je hebt ze toch weer niet allemaal door elkaar gehaald, zei ik. Ik heb die oude Photo van jou weer bovenop de stapel gelegd, zei ze. Senga zag er verrukkelijk uit, in haar lila T-shirt met de expressieve kop van Jim Morrison erop afgebeeld. In de zomer liep Senga graag in haar blote kont rond, maar nu Gabriëlla bij ons woonde was ze wat betamelijker geworden. Ik kwam wat dichterbij om te zien welke zedige oplossing ze voor vandaag gevonden had. Het was een kort dun rokje in wit katoen, dat wat meer aan de verbeelding overliet dan een blote kont, maar niet zo heel veel meer. Senga leek ervan uit te gaan dat mijn voorstellingsvermogen eerder klein was. Daarin vergiste ze zich.
Gabriëlla was het andere uiterste. Ook in de zomer liep ze gekleed alsof het elk moment zou kunnen gaan vriezen. Steevast droeg ze een jeans, een T-shirt en daarover meestal nog eens een slobbertrui. Nooit zag het zonlicht haar blote benen. En toch had ze iets, maar om dat te zien moest je over een bijzondere gave beschikken. Verbeelding volstond niet.

Photo, juli 1979

Ik had Lost in the Ozone van Commander Cody & His Lost Planet Airmen op de platenspeler gelegd. Het concert van die countryrock band, de onwaarschijnlijke opener voor Elliott Murphy op de Brusselse Grote Markt, was bij mij in de smaak gevallen, maar in vergelijking met de blonde rockdichter zag het er allemaal wat vulgair uit en klonk het ook zo. Toch kon ik nog altijd genieten van songs als Seeds and Stems (Again) en Lost In the Ozone. Ondertussen had mijn verrukkelijke Syngala de tafel gedekt. Je moet weten dat ik haar af en toe met veel plezier een andere naam gaf. Syngala paste klankmatig goed bij Bengaals vuur, vond ik Net als mijn geliefde kon dat lang, rustig en toch fel branden.

Ik dronk drie koppen van Senga’s sterke koffie, want ik voelde me erg moe. Van wat kon dat zijn? In de Mort Subite hadden we niet meer dan twee of drie glazen bier gedronken… Van schrijven zou er niets meer in huis komen vandaag. Ik vroeg Senga of ik haar wat uit De triomf van het leven mocht voorlezen. Dat vond ze een prima voorstel.

We gingen in de bruine zetels zitten, Senga en Jim Morrison tegenover me, en ik begon te lezen.

Triomf van het leven

Het leven is het leven. Rampzalige tautologie, die alles omvat en toch niets betekent. Bestond zij maar niet, of had ik ze maar meteen geschrapt. Wekenlang houdt die uitspraak me nu al in haar ban. ’s Nachts kan ik er niet van slapen, overdag belet ze mij te werken. Aan niets anders kan ik nog denken dan aan het leven dat het leven is.

Sinds het ogenblik dat deze tautologie mij een van die prachtige vondsten leek heb ik al twee cahiers volgeschreven. Geen woord van mezelf. Uitsluitend fragmenten van bekende en minder bekende denkers en dichters. Gedachten, beschouwingen, uitspraken over de zin, de oorsprong, het doel en zelfs de absurditeit van het leven. Tijdens dit voorbereidend werk, van krampachtig associatieve aard, was me opgevallen dat zowat alle auteurs het vooral en steeds weer over de dood hadden, of op zijn minst over de vervlechting van leven en dood.

Ik wierp een steelse blik op Senga, haar bevallige blote benen gekruist. Ze zat met de ogen toe en leek aandachtig te luisteren. Mijn tekst verveelde me. Veel liever had ik lekker met haar gevrijd. Haar lijf nog getaand door de zon van de Camargue. Maar zelfs de gedachte aan al die opwinding putte me uit.

De volksmond leert ons dat het leven een strijd is. Charles Darwin heeft die wijsheid wetenschappelijk onderbouwd. Ook bij Hegel, Marx en zelfs Nietzsche vinden we ettelijke passages over strijd, oorlog, destructie, volstrekte negativiteit terug. Arthur Schopenhauer, voorloper van de Weense School en inspiratiebron voor Samuel Beckett, ziet het leven als één lange ontgoocheling.
“Wat ligt er toch een afstand tussen het begin en het einde van ons leven: het begin met de waan van de begeerte en de verrukking van de wellust, het einde met de vernietiging van alle organen en de stank van rottende lijken…” De wereld is een boeteoord, een strafkolonie, vindt hij. Schopenhauers epigoon Sigmund Freud is niet minder fatalistisch. Het levenloze (steen) was eerder aanwezig dan wat leeft (adem) en alles wat leeft neigt naar deze oorspronkelijke toestand. Het doel van het leven is de dood.
Ik weet dat ik de psychoanalyse hiermee geweld aandoe.

Freuds belangstelling voor de klassieke tragedie bracht me op het spoor van Sophocles:
Niet geboren zijn is ’t allerbeste,
dan, als tweede, dat wie in het licht verscheen
snel daarheen weer keer’, vanwaar hij kwam,
want wanneer de jeugd verdwijnt met haar onbezonnenheid,
wat plaag van smart is ’s mensen lot dan vreemd?

Het klinkt allemaal nogal somber, zei Senga. Ja, zei ik, ik weet het. Maar het blijft niet alleen maar kommer en kwel. De weg naar het licht begint in duisternis. Wil je dat ik voor vandaag ermee ophoud? Nee, hoor, zei Senga, lees maar door. Ik wil liever met je vrijen, zei ik, zoals je daar nu zit, zo’n lekkere vrucht. Dat is pas leven. Senga stond op, stapte blootsvoets naar me toe, bukte zich en kuste me lang op de mond.

Een paar uur later zaten we in alle rust Winstons te roken en een glas Gewürztraminer te drinken. De smaak van die wijn deed mij altijd aan onze eerste kus denken. Tijd voor Tim Buckleys Happy Sad, met daarop het magnifieke Buzzin’ Fly. Weet je wat, Senga, morgen lees ik alleen mijn bevindingen voor, of een aantal ervan, boeiende tekstfragmenten die ik over het thema heb gevonden. Want mijn essay is beslist nog niet af; het is nu nog erg onevenwichtig. Lang niet zo geslaagd als Taferelen van onverschilligheid. Wat erg dat Guy zich bij het lezen van dat verhaal herkend heeft in Ergo Verdussen, of was het in Jacky Avontuur, zei Senga. Heel erg en heel onterecht, zei ik. In wie van die twee idioten, die de verteller met een roestig zwaard dreigt te zullen onthoofden, weet ik eigenlijk niet. Ik heb Guy een brief geschreven om hem op het hart te drukken dat ik hem hoegenaamd niet als model heb genomen. Mogelijk zit hij hem nu al te lezen en komt alles nog goed tussen ons.

Guy Bleus, You Can Never Go Home Anymore!

EINDE VAN HET SEIZOEN

Een manifestatie van de filosofische kring Aurora, circa 1980.

[Nachten aan de Kant 61]

De zomer van 1979 liep langzaamaan ten einde. Het was het jaargetijde waarin de weemoedige song Summer’s Almost Gone van the Doors mij onvermijdelijk te binnen schoot, ook nu weer, nu de band van Jim Morrison tot een relict uit een begraven tijdperk was herleid. Spoedig zou ik een flinke klap krijgen, een waarschuwing dat ik mijn leven grondig zou moeten veranderen. Vandaag was het nog niet zo ver. Het waren drukke zomerdagen geweest.  De haast routineuze nachtelijke escapades naar de Dageraadsplaats en naar de Stadswaag begonnen een zware tol te eisen. Al wilde ik dat maar al te graag ontkennen. Ook in 1979 al was zelfbedrog mij niet vreemd.
Overdag was er werk aan de winkel: filosofie en literatuur. Bij Aurora vertaalde ik samen met Paul Rigaumont De dans van de filosofie, een essay van de Parijse filosoof Claude Roels. Wat met die tekst uiteindelijk is gebeurd, weet ik niet. In 1982 heb ik de filosofische kring Aurora de rug toegekeerd, en ik heb er lange tijd niet meer naar omgekeken. Al ben ik met Paul tot aan zijn dood goed bevriend gebleven. Claude Roels ontmoette ik vele jaren later een paar keer. Paul en zijn vrouw Olga waren de filosoof als een intieme vriend gaan beschouwen. Maar op een dag verdween hij zomaar zonder een spoor achter te laten uit hun leven. De hele geschiedenis leek een beetje op een van die raadselachtige verhalen van Patrick Modiano.

In de Dolfijnstraat werkte ik aan mijn tekst De triomf van het leven, geïnspireerd door een gedicht van Percy Shelley. Ik dweepte nog altijd met de romantiek, vooral de Britse versie ervan. Al hield ik ook van Novalis en Kleist. Kleist zou ik nu hoegenaamd geen romantische auteur meer noemen. Hij behoort tot de klassieken. Waarschijnlijk heb ik De triomf nooit afgewerkt en heel zeker niet naar een uitgever verzonden. Ik was ervan overtuigd dat niemand mijn werk zou willen publiceren. Ik wantrouwde uitgevers, ik wantrouwde de literaire wereld, ik wantrouwde de meeste schrijvers. Je hoort nergens bij, jongen, zei ik, je staat er alleen voor. Alleen in outsiders herkende ik iets van mezelf. Ik was een twijfelaar, altijd onzeker, was mijn werk wel goed genoeg, hoe zat het met mijn grammatica, met mijn woordenschat? Had ik originele ideeën?

Louis Edouard Fournier, De begrafenis van Shelley

De triomf van het leven is dat je volhardt, dat je in jezelf blijft geloven, in je mogelijkheden, dat je weet dat je kunt veranderen. De triomf van het leven is dat je kunt liefhebben en liefde terugkrijgt. Waarbij je nooit uit het oog mag verliezen dat liefde op maar weinig vragen een antwoord geeft. Daarin had John Lennon, en met hem heel wat van zijn generatiegenoten en kompanen, het verkeerd voor. Liefde is niet het antwoord, het leven is veeleer strijd. Love is a battlefield, zong Pat Benatar een paar jaar later. Dat lijkt me realistischer.

Senga en ik waren arm, zonder dat we onszelf zo zagen. Of, het maakte niet veel uit. De weinige waardevolle dingen die we bezaten moesten we verkopen. Voor een nikkelen servies uit de 18de eeuw kregen we tweeduizend frank. Een mooi bedrag voor wat oude prullaria. Met de opbrengst konden we wat van onze schulden in winkels en bars en aan onze vrienden aflossen.

Op de Grote Markt in Brussel zagen we Elliott Murphy optreden. Hij was in die tijd een van mijn muzikale helden. Hij had een romantisch aura, droeg een wit pak, schreef literaire liedjesteksten, verwees in zijn interviews naar F. Scott Fitzgerald en Ernest Hemingway. Hij leidde een leven dat de muziekpers decadent noemde. Ik zag hem als een Amerikaanse versie van Kevin Ayers. De verbluffend mooie Grote Markt was een ideaal decor voor de songs van Elliott Murphy. Was hij een van the last of the Rock Stars? Na het optreden zagen we in Au mort Subite Freddie Bleus terug. Al pratend reisden we terug naar de Waterkrachtstraat in Sint-Joost-ten-Node, waar alles begonnen was. Het prille begin van onze liefdevolle veldslagen. Toen Senga voor mij Daphne was, mijn romantische muze. Al zag ik mezelf niet als Apollo en wilde ik haar zeker niet in een laurierstruik veranderen. Daarvoor verlangde ik te zeer naar haar vlees en bloed, of liever, naar haar huid en haar. Met Freddies broer Guy was er iets vreemds aan de hand. Ik had in Aurora mijn verhaal Taferelen van onverschilligheid gepubliceerd. Daar kwamen twee onsympathieke personages in voor. In een van de twee had Guy zich herkend. Dat was pure paranoia van hem geweest. Guy was mijn vriend, ik zou hem nooit belachelijk maken, in een tekst noch in het echte leven. Mijn verhalen waren verzinsels, geen autobiografische notities zoals deze hier. Ik schreef hem hierover om hem duidelijk te maken dat hij zich hierin vergiste. Zou hij me geloven?

Gian Lorenzo Bernini, Apollo en Daphne, 1622-1625

Met Senga en Gabriella ging ik die zomer meermaals naar de bioscoop. Veel indruk maakte op mij opnieuw Last Tango in Paris met Marlon Brando en Maria Schneider. Ik had de film al drie of vier keer gezien. Die nacht schreef ik er een lang, psychoanalytisch geïnspireerd stuk over. Af en toe hield ik op met schrijven om te horen of er niets onheilspellends in de kamer van Gabriëlla gebeurde. Mogelijk zat ze weer aan de morfine, ze was al enkele dagen bleek en verzonken in gedachten of dagdromen. Terwijl ze toch met zoveel goede voornemens bij ons was ingetrokken. Ik probeerde me er niet te veel kopzorgen over te maken en beëindigde de tekst. Ook daarmee deed ik niets. Het was een onderdeel van één groot werk voor niemand.

ZERO DE CONDUITE: BLOED

Grave, Julie Ducorneau

Zéro de conduite is in essentie een muziekprogramma waarin songs uit de popcultuur in het keurslijf van thema’s worden ‘geperst’. Woekerende chaos wordt enigszins overzichtelijk gemaakt. Alle zogeheten populaire genres komen aan bod, al ligt de nadruk op Amerikaanse folk, blues, country en rock-‘n-roll. Sommige muziekliefhebbers noemen het allemaal pop. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds kan je ernaar luisteren op Radio Centraal 106.7 fm en streaming. Meer informatie over de zender en zijn medewerkers en programma’s vind je hier.
Het motto van deze aflevering is
You bit your lover in the bed, / Come here I`ll break your lousy head / Our nation must be saved and freed / You been accused of murder, how do you plead?

I Spit On Your Grave, Meir Zarchi

Op 10 april begint de Goede Week. Voor wie het nog niet of niet meer zou weten: dan worden het lijden, sterven en de verrijzenis van Jezus herdacht. Ik heb altijd meer interesse gehad voor de wederopstanding dan voor het lijden en sterven maar in deze tragische tijd kan ik niet aan de dood voorbijgaan. Aan gewonde en stervende mensen en dieren, aan bloed. Hoewel we er liever niet aan denken of naar kijken is het er altijd. Bloed. Vaak wordt deze vloeistof in één adem met zweet en tranen genoemd. In elk tijdperk, in elk leven, in elk gezin, in elke woning wordt er gebloed. Elke dag vloeit her en der bloed. Op sommige dagen en in sommige periodes – zoals nu – is de hoeveelheid bloedverlies groter dan anders. (We kunnen ons het volume ervan zelfs niet meer voorstellen.) Dan zijn we triest en bang en voelen we ons hulpeloos. We zoeken naar middelen om het bloeden te stelpen maar vinden er geen. Het lijkt erop dat sommige bloedingen vanzelf moeten ophouden. Hopen en bidden en en beven veranderen niets aan deze situatie. Het is een schaakspel dat niemand kan winnen. Ook de koning en de koningin hebben gapende wonden. Al begrijp ik dat zelfs gebeden die niet worden verhoord toch troost kunnen bieden, vooral als ze in delicate tempels, kerken, synagogen en moskeeën worden gezongen of in stilte uitgesproken. Eveneens begrijp ik dat kunst, ook die waarin bloedige taferelen worden afgebeeld, het Martelaarschap van de heilige Agatha door Giovanni Batistta Tiepolo bijvoorbeeld, of Saturnus verslindt zijn zoon door Francisco de Goya, ons kunnen helpen de ogen te sluiten voor het afschuwelijke, voor de horror. Zelfs bloederige horrorfilms als Trouble Every Day van Claire Denis, Grave (Raw) van Julie Ducorneau en La reine Margot van Patrice Chéreau kunnen ons afleiden van wat ginds, niet zo heel ver van hier, gaande is. Misschien kunnen ook deze 31 bloederige songs dat?

Ondanks alles veel luisterplezier en dat er gauw vrede mag komen.

Trouble Every Day, Claire Denis

The Blood – The Zion Travelers – Down By The River – L.C. Cohen

I Know His Blood Can Make Me Whole – Blind Willie Johnson – The Complete Blind Willie Johnson – Blind Willie Johnson

I’ve Got Blood In My Eyes For You – Mississippi Sheiks – Honey Babe Let The Deal Go Down: The Best Of Mississippi Sheiks – L. Carter

Bloodshot Eyes – Wynonie Harris – King R&B Box Set Vol. 1 – Penny Hall

Blood Is Redder Than Wine – Little Willie Littlefield – Going Back To Kay Cee – Leiber/Stoller

Lust Of The Blood – Jerry Lee Lewis – Theme Time Radio Hour, Show 80: Blood – Jack Good/Ray Pohlman/William Shakespeare

Bleeding All Over The Place (Alternate Mix) – Randy Newman – Guilty: 30 Years Of Randy Newman – Randy Newman/Goethe/Milton

It’s About Blood – Steve Earle & The Dukes – Ghosts Of West Virginia – Steve Earle

Pay In Blood – Bob Dylan – Tempest – Bob Dylan

Let it Bleed – The Rolling Stones – Let It Bleed – Mick Jagger/Keith Richards

Hot Blood – Lucinda Williams – Sweet Old World – Lucinda Williams

Blood, Sweat and Murder – Nick Cave & Warren Ellis ft. Scott Biram – Hell Or High Water (OST) – Scott Biram

Sleeping In Blood City – The Gun Club – Miami – Jeffrey Lee Pierce

Heroin – The Velvet Underground – The Velvet Underground & Nico 45th Anniversary [ Deluxe Edition Vol.1] – Lou Reed

Blood – Tindersticks – Tindersticks – Alistair McAuley/David Boulter/Dickon Hinchliffe/Mark Colwill/Neil Fraser/Stuart A. Staples/Tindersticks

Blood Never Lies – Thurston Moore – Demolished Thoughts – Thurston Moore

Taste Of Blood – Mazzy Star – She Hangs Brightly – David Roback

Drawn To The Blood – Sufjan Stevens – Carrie & Lowell – Sufjan Stevens

Black Arrow, Bleeding Heart – Whiskeytown – Faithless Street – Steve Grothman/Caitlin Cary/Eric Gilmore/Phil Wandscher

Bloody Hands – Mark Olson & Gary Louris – Ready for the Flood – Mark Olson/Gary Louris

Flesh And Blood – Johnny Cash – Man In Black: The Very Best Of Johnny Cash – Johnny Cash

Are You Washed In The Blood – The Louvin Brothers – Nearer My God To Thee – Traditional

Blood Red Bird – Smog – Red Apple Falls – Bill Callahan

O Haupt voll Blut und Wunden (Matthäus Passion) – De Nederlandse Bachvereniging, Jos Van Veldhoven – Johan Sebastian Bach

Jesus’ Blood Never Failed Me Yet – Gavin Bryars with Tom Waits- Jesus’ Blood Never Failed Me Yet – Bryars

Blood of Tin – Lydia Lunch – Queen Of Siam – Lydia Lunch

Romeo Is Bleeding – Tom Waits – Blue Valentine – Tom Waits

Desert Blood – Albert Ayler – The Last Album – Mary Parks

Five Nights Of Bleeding – Poet & The Roots – Dread Beat An’ Blood – Linton Kwesi Johnson

Blood And Fire – Niney The Observer – Trojan Explosion – Winston Holness

Brother Blood – Neville Brothers – Brother’s Keeper – Charles Neville/Ron Cuccia

La reine Margot, Patrice Chereau

Samenstelling en research: Martin Pulaski

LIEFDE EN GELUK IN DE DOLFIJNSTRAAT

[Nachten aan de Kant 60]

Bij het lezen van mijn dagboeknotities van 1979 valt mij op hoe vaak daar klaagzangen te horen vallen. Opnieuw en opnieuw voel ik me eenzaam, ellendig en in de nabijheid van de dood. Herhaaldelijk maak ik melding van allerhande kwalen en vage vormen van depressie en andere psychische stoornissen. Senga en ik konden nauwelijks rondkomen, waardoor we weinig bewegingsvrijheid hadden. Weliswaar reisden we die zomer naar de Provence en de Camargue, maar dan wel op de meest primitieve manier denkbaar. In het dagboek worden de lamento’s over diverse aandoeningen, eenzaamheid en armoede afgewisseld met ellenlange verslagen van allerlei bizarre dromen en nachtmerries, meer dan eens van apocalyptische aard.

Was ik in werkelijkheid inderdaad zo ongelukkig en eenzaam? Helemaal niet, denk ik nu, meer dan veertig jaar later. Nagenoeg iedere dag waren er ontmoetingen met vrienden, met verwante zielen. Dan hadden we diepgaande en vaak ook grappige, soms ronduit krankzinnige gesprekken. Af en toe deden zich boeiende conflicten voor. Meer dan eens wonden we ons op over filosofen, linguïsten, structuralisten en dergelijke meer. We bejubelden De vrolijke wetenschap van Nietzsche, stelden ons vragen bij de ideeënleer van Plato en vroegen ons af hoe dat nu eigenlijk zat met de wil en de voorstelling bij Schopenhauer. We gaven ons over aan allerlei theoretische bespiegelingen over poëzie, nouvelle vague, free jazz. Onze discussies leken op middernachtelijke jamsessies, meanderend als ze waren. Ons enthousiasme over wat er in de kunstwereld gebeurde was groot. Performance, conceptuele kunst, nieuwe wilden, maar net zo goed Tintoretto, Caravaggio en Max Beckmann. Mijn vrienden en ik leken in een eeuwig nu te leven, ook al beseften we telkens weer dat het om een nu van korte duur ging. Bruisend leven noemden we het niet: de tijdsgeest was immers nihilistisch. We hadden drank, peppillen, af en toe een joint. Het leven was goedkoop. In de kroegen en de buurtwinkels kregen we krediet. Popmuziek was weer even opwindend als in de sixties. Daar schreef ik in mijn dagboeken maar weinig over. Over de kicks die we voelden als we This Year’s Model van Elvis Costello, Forces of Victory van Linton Kwesi Johnson, Muse van Grace Jones en Broken English van Marianne Faithfull beluisterden. In het Filmhuis, de Monty en Cartoon’s waren altijd wel geestverruimende films te zien, al beseften we dat toen waarschijnlijk onvoldoende. [1]

Senga en ik woonden in een bescheiden maar stijlvol huis, waar veel zonlicht binnenviel, gelegen in de Dolfijnstraat in Zurenborg, een van de prettigste buurten van Antwerpen. De huur was er betaalbaar, zelfs voor ons. Vrienden van ons woonden op enkele minuten loopafstand. Elke avond viel er wel iets te beleven, in de wijk, bij vrienden of bij ons thuis. Overdag werkte ik in een behaaglijke kamer met mijn lievelingsboeken binnen handbereik. Dat vertrek, voor mij een soort van baarmoeder, lag aan de achterkant, waar het altijd rustig was, met uitzicht op de tuintjes en verderop de spoorweg. Ik schreef alsof mijn leven ervan afhing, van negen tot vijf, soms langer.

Senga en ik hadden iets bijzonders. Iets wat liefde wordt genoemd. Al kan ik moeilijk beweren dat we gelukkig waren. Wat is dat, geluk? Is het iets wat je overkomt, of hangt het samen met een actief leven? Als geluk alleen maar neerkomt op het verwerven van bezit of de bevrediging van lustgevoelens, houdt het niet lang stand. Dan wil je al gauw iets anders, iets nieuws.
Meestal voelden Senga en ik elkaars verlangens en wensen goed aan. Als we vrijden bereikten we een aards equivalent van de zevende hemel. Mocht ik hierover gedetailleerd schrijven, zou dat al gauw op pornografie gaan lijken. Daarom liever niet. Onze seks was een beetje zoals die van Sada en Kichizo in Het rijk der zinnen, de erotische film van Nagisa Oshima, maar zonder het sadomasochisme en het bloed. Er was echter niet alleen maar seks. Zo lazen we elkaar voor uit romans van Thomas Mann, Miguel de Cervantes, Knut Hamsun. Soms maakten we ruzie. Onder invloed van sterkedrank en amfetamine had ik wel eens aanvallen van jaloezie. Conflicten werden echter altijd meteen weer bijgelegd. Ik vermoed overigens dat Senga net zo jaloers was als ik. Ik was tenslotte altijd verliefd. Maar zij was sexy en kreeg veel aandacht. Soms wat te veel naar mijn zin.

Wie ik in dat bijna idyllisch verhaal miste was mijn zoontje. Hij was nu acht en woonde ver weg in Brussel, een stad waar ik haast nooit meer kwam. Alsof ik het bitterzoete leven dat ik daar geleefd had wilde vergeten. Met de mantel der liefde bedekken. Ik hield zielsveel van hem maar zag hem veel te weinig. Altijd wel in de vakantieperiodes, maar dan nooit langer dan een of twee weken. Gelukkig kon ik in die tijd goed opschieten met zijn moeder, en met haar nieuwe vriend, een kunstenaar die niets dan rust en goedheid uitstraalde. Later, in een veel kleiner appartement in de Lamorinièrestraat, zou ik mijn jongen vaker zien. Maar tot eind jaren tachtig zou ik nog in armoede moeten leven en kon ik hem veel minder materiële steun geven dan ik wilde. In mijn dagboek schrijf ik met tederheid over de dagen dat we samen waren. Af en toe gingen we tezamen bij mijn ouders logeren, die toen nog aan de boskant in Neerharen woonden. In de Dolfijnstraat had mijn zoontje een vriendinnetje. Hij kende Vera al van toen hij nog een kleuter was en mijn ex en ik filosofie studeerden. Terwijl zijn hippieouders joints rookten of shitcake aten en papa in de huizen aan de overkant Mexicanen zag en ze vrolijk hoorde musiceren, speelden de kinderen poppenkast. Nu waren ze groter geworden en hielden een winkel met voedingswaren open.

Waarom dan al die jeremiades in mijn dagboeken? Veel overbodige zinnen en paragrafen, de uitdrukking van toestanden die ik me verbeeldde maar die voor mij écht zullen geweest zijn. Zijn hersenspinsels niet even echt als het reële? Vandaag zie ik dergelijke fragmenten als onderdelen van een ritueel om tot het echte werk te komen. Eerst moest ik van die fysieke ballast af. Waarna een taal moest ontstaan die veel verder reikte dan het lichaam met niets dan pijnlijke organen gevuld. Een taal in dienst van de schoonheid, ver weg van maagzuur en hartritmestoornissen.

[1] Ik denk nu aan films van Wim Wenders, Rainer Werner Fassbinder, Peter Handke (De linkshandige vrouw), Chantal Akerman, Werner Herzog, Margareta von Trotta, Andrzej Żuławski, Peter Lilienthal, Bertrand Blier, Luis Buñuel, André Téchiné, François Truffaut, Roman Polanski, Jerzy Skolimowski (en ik beperk me hier dan nog tot Europese regisseurs).

EEN ONVERWACHT BEZOEK

Senga, Brussel, 1976. Op de achtergrond Het land van de grote belofte van Andrzej Wajda. Een film die we pas veel later zouden zien. Foto: M.P.

[Eerste helft augustus 1979]

Enkele dagen na het etentje bij Giuseppe. De kater was weggeëbd, ik had de doodsbrief van Barbara Welkenhuyzen gelezen en vervolgens in een la gelegd. Later zou hij in een schoendoos worden opgeborgen. In 1979 was het oude Neerharen en de hele Maasvallei voor mij een verzonken wereld. De vrienden van toen waren schimmen geworden die alleen in mijn dromen soms nog een wat grotere rol kwamen opeisen. Dat laatste wees erop dat weinig van wat ik daar had beleefd uit mijn geheugen was gewist.

Omstreeks vijf uur ging de deurbel: het was Ria. We waren aangenaam verrast; het was de eerste keer dat ze bij ons op visite kwam. Ze stak meteen een sigaret op, waarbij haar handen een beetje beefden. Zij maakte een wat bedremmelde indruk. Ria kwam drie dingen vragen: 1° een tang (er scheelde iets aan haar fiets); 2° of ze één van haar werken nog eens mocht bekijken (“de hand met de genagellakte vingers”); 3° of we geen Captagon, één pilletje maar, konden missen. Jammer genoeg zaten we zelf zonder. Ik hoopte dat Ria me geloofde. Gebruikers van medicinale speed of amfetamine zijn vaak zuinig op hun voorraad. Dokters schrijven het middel met grote tegenzin voor. Apothekers die de pillen illegaal verkopen zijn op een hand te tellen. Senga kende er een in een buitenwijk van Gent, maar je mocht je daar maar één keer per maand komen bevoorraden. Mij gunde de man helemaal niets. Mogelijk omdat ik er minder sexy uitzag dan Senga. Nochtans gebruikte ik die pillen niet als drug maar als hulpmiddel, omdat ik me al sinds mijn kinderjaren moeilijk kon concentreren. Boeken lezen ging wel altijd vlot. Mogelijk omdat daar plezier en genot mee gepaard gingen. Studeren was moeilijker. Schrijven kon ik uitsluitend als ik in een soort van trance kon geraken. Met het ouder worden is het concentratieprobleem alleen maar verergerd. Lezen gaat nu moeizaam en uiterst traag. Artsen hebben daar geen enkel begrip voor. Antidepressiva, zware pijnstillers en zelfs verslavende kalmeermiddelen als bromazepam schrijven ze met gulle hand voor. Op medicatie om de concentratie te verscherpen schijnt een taboe te rusten, tenzij het om tieners gaat die aan ADHD lijden. Ik vermoed dat er daardoor nogal wat mensen in de handen van onbetrouwbare dealers zijn gevallen. En welke dealer is betrouwbaar? Gelukkig ben ik altijd voorzichtig geweest en is me dat nooit overkomen.

Ria was inmiddels een goede vriendin geworden. Als kunstenaar en performer was ze nog haar weg aan het zoeken, maar wat ze nu al deed sprak me erg aan. Vooral de ernstige humor van haar werk beviel me. Nu ze bij ons in de grote keuken zat gingen we echter helemaal anders met elkaar om dan op café, op een party of bij de opening van een tentoonstelling. We moesten door een muur heen om elkaar te bereiken. Ze kwam van de Wolmolen in de Lange Leemstraat, zei ze. Ze had er voor een habbekrats twee sjaals en een jasje gekocht. Senga bekeek de kledingstukken met veel aandacht. Fantastisch koopje, Ria, zei ze. Die Captagon had Ria graag geslikt omdat ze erg moe was en toch heel graag naar het optreden van de Kommeniste in de King Kong wilde gaan.

Om de stilte te verdrijven vertelde ik wat over Andrzej Wajda’s Het land van de grote belofte, die we nog maar pas in het Filmhuis hadden gezien. Het is een epische film over een keerpunt in de geschiedenis van het kapitalisme. De opkomst van de met machines uitgeruste fabrieken. Het verhaal van drie Poolse industriëlen speelt in de Poolse stad Lodz. Voor mij was de film een soort van commentaar bij Het Kapitaal van Marx, hoewel ik dat boek nooit helemaal heb kunnen uitlezen. Voor mij was het te saai; bovendien heb ik geen affiniteit met economie. Het land van de grote belofte is echter verre van saai en veel meer dan wat voetnoten bij een buitengewoon invloedrijk economisch-filosofisch werk. Wajda en zijn team hanteren een eigen, authentieke filmtaal. Er zijn overeenkomsten met het mythische boerenepos Novecento van Bernardo Bertolucci, maar terwijl die laatste film zich vooral tot het gevoel richt, spreekt Wajda de rede aan. Het directe en soms zelfs ruwe van de beelden en de montage hangt samen met deze intentie. Hoewel ik mijn kijk op de film slechts met horten en stoten kon verwoorden zag ik Ria toch aandachtig luisteren.  Zelf zei ze weinig.

Senga had ondertussen bier op tafel gezet. Daar dronken we van terwijl we met één oor naar Bob Dylan at Budokan luisterden. Ria rookte nog een sigaret en vertrok. Het was tijd voor de Kommeniste. Aan de hand met de genagellakte vingers hadden we niet meer gedacht. Nu ik dit neerschrijf zou ik er graag nog een keer naar kijken.

Werk van Ria Pacquée, gescand.

[Nachten aan de kant 59]

MARK LANEGAN IS DOOD

Hoe en wanneer Mark Lanegan in mijn muzikale wereld zijn entree maakte weet ik niet meer. Van zijn band Screaming Trees kende ik lange tijd alleen maar de naam. Grunge was een trend die me niet meteen aansprak, al was ik zeker wel onder de indruk van sommige songs van Nirvana en Pearl Jam. Omdat ik al sinds meer dan een halve eeuw een bewonderaar ben van het werk van Tim Hardin vermoed ik dat I’ll Take Care of You (1999) het startpunt was van mijn liefde voor de zanger Mark Lanegan. Die voor de songschrijver werd kort daarna aangewakkerd. I’ll Take Care Of You is een van de mooiste coveralbums die ik ken, met veel toewijding en inlevingsvermogen uitgevoerd. Shilo Town is maar een van de vele parels op die plaat. De donkere, warme, volle en diepe stem van de zanger doet elke nuance van Tim Hardins compositie recht aan. Carry Home is even aangrijpend als het origineel van the Gun Club. Mark Lanegan zwakt het sublieme pathos van Jeffrey Lee Pierce wat af en vult de vrijgekomen ruimte in met antieke droefheid en tragiek. Altijd als ik dit nummer hoor denk ik aan de film Light Sleeper, het meesterwerk van Paul Schrader, met Willem Dafoe in de rol van een drugsdealer, een tragische antiheld uit de grootstad.


Vervolgens kwam Field Songs (2001), een elpee die voor mij het songschrijftalent van Lanegan openbaarde. Hoe kon het ook anders, met aangrijpende songs als One Way Street en Kimiko’s Dream House? Mark Lanegan was een van die vocalisten met een authentiek, meteen herkenbaar timbre. Je hoorde in zijn songs aardedonkere kleuren, maar ergens in een duister hoekje scheen er ook altijd wat bevrijdend licht. Schoonheid redt. De ellende van het leven wordt draaglijk. De zanger weet je altijd te raken, te ontroeren en te troosten, zeker met zijn gloeiendste songs, zoals Kingdoms Of Rain op Whisky For The Holy Ghost (1994), Last One In The World op Scraps At Midnight (1998), Little Willie John en Strange Religion op Bubblegum (2004) en St Louis Elegy op Blues Funeral (2012). Om maar enkele parels te noemen.

Some Jack of Diamonds kicked her heart around
Did they know they were walking on holy ground?
[Strange Religion]


Mede dank zij de vurige pleidooien van mijn vriend Roen Hetzwoen, ben ik al gauw naar het vroege werk van de singer-songwriter uit het troosteloze stadje Ellensburg in de staat Washington gaan luisteren: The Winding Sheet (1990), Whisky For The Holy Ghost (1993) en Scraps At Midnight (1998). Elke song daarop, hoewel niet altijd perfect, was een openbaring voor me. De kwaliteit van Lanegans werk zou met de jaren zelfs toenemen. De veelzijdigheid ervan. De intensiteit. Ook de muziek die voortkwam uit talloze samenwerkingen met andere, altijd boeiende artiesten vond haar weg naar mijn hart, met als hoogtepunt de broeierige platen met Isobel Campbell.

Uit zijn aangrijpende autobiografie Sing Backwards and Weep, dat ik tijdens de eerste lockdown las, blijkt dat Lanegans talent zich niet beperkte tot songs schrijven. Het boek getuigt van groot schrijverschap. Door zijn welsprekende rauwheid grijpt het je bij de keel. Je leest – en voelt – er het leven van de jonge kunstenaar zoals het werkelijk was. Pijnlijk, wanhopig, tragisch en soms grappig.

Mark Lanegan leek onverwoestbaar. Maar niets is wat het lijkt, ook het leven niet. Alleen aan de dood valt niet te twijfelen. Hij werd 57.

If death rides a white horse
Then I ain’t seen him yet
And I have seen some things
That I can’t soon forget

When death comes creeping in
Oh he don’t speak a word
The heavens they don’t part
No trumpeter is heard
When death comes creeping in
[Death Rides a White Horse]

DE KANT VAN BARBARA SCHEPERS

Communiefeest in kleur, Tournebride, 1962

[Nachten aan de Kant. Intermezzo.]

Ik zat al een tijdje verstrikt in het delicate weefsel van mijn Antwerpse Nachten. Alles was er met alles en iedereen was er met iedereen verbonden. Of zo lijkt het alvast vanop een afstand van meer dan veertig jaar. Hoe kon ik mij uit al die touwtjes weer losmaken? Ik wist het niet meer. Ik kon geen stap vooruit zetten en terug gaan ging evenmin. Terwijl het einde van mijn levensweg zich met duidelijke tekenen aankondigde, waren mijn dagen op één lange nacht in een donker woud gaan lijken. Zeker, het is niet alleen dat weefsel, de stilstand houdt ook verband met de lange, haast uitzichtloze afzondering die met de pandemie samenhangt. Als je niemand meer ontmoet lijden al je vermogens daar onder. Je vergeet. Het wordt moeilijker je te concentreren, je taal gaat erop achteruit, eigennamen ontglippen je als stukken zeep uit natte handen.
In ‘Een avond bij Trimalchio’, het voorlopig laatste hoofdstuk van Antwerpse Nachten, waren Senga en ik pas in de vroege uren thuisgekomen. Ik had zowat comateus tot negen uur op de grond gelegen. Niet gevallen maar toch gevloerd. Senga had me niet de trap op gekregen, een man van lood.

Zou die enigszins tragikomische scène het einde worden van mijn Antwerpse kroniek? Daar begon het op te lijken. Ik had me echter van in het begin voorgenomen om er pas een punt achter te zetten na de definitieve sluiting van Het Pannenhuis, de roemruchte kroeg op het Hendrik Conscienceplein. Zover was ik nog lang niet. Maar ik kon toch ook niet eindeloos blijven doorgaan? Zelfs het eenvoudigste leven is onuitputtelijk. In elke biografie zijn er zoveel personages en achtergrondfiguren, zoveel gebeurtenissen, zoveel invalshoeken, zoveel stijlen, zoveel taalregisters, zoveel manieren om ze te vertellen. Geen enkel kunstwerk, muziekstuk, gedicht, boek, geen enkel verhaal is ooit helemaal af. Je moet alleen maar kunnen zeggen dat het genoeg is geweest. Maar wat onvoltooid blijft is daarom nog niet mislukt.

Toen ik enkele dagen geleden op het punt stond om in slaap te vallen heb ik vlug enkele namen genoteerd. Ik dacht terug aan verwanten, vrienden en kennissen die ik heb gekend in Neerharen. Dat kwam omdat in de zomer van 1979 Berb is gestorven, ik denk op 3 augustus, hoewel stamboomonderzoek mij leert dat het 3 september was. Kan er in die stamboom een fout zijn geslopen? De doodsbrief, die in de Dolfijnstraat in de bus zat toen we van bij Giuseppe waren thuisgekomen, kan ik maar niet terugvinden. Koortsachtig heb ik de voorbije weken ernaar gezocht. Ik heb tientallen oude en minder oude doodsbrieven teruggevonden, ook van mensen van wie ik me helemaal niets kan herinneren, maar niet die van Berb.

Berbs officiële naam was Barbara Maria Josephina Schepers. Zij is geboren op 25 oktober 1909 in Lanaken en was gehuwd met Jeang, wiens officiële naam Johannes Hendricus Welkenhuyzen was. Berb werd de nicht van mijn vader genoemd. Of dat waar is weet ik niet. De familieverwantschappen van de kant van mijn vader zijn voor mij altijd een mysterie geweest. Niemand sprak erover. Mijn vader was, zoals ik hier al vaker uit de doeken heb gedaan, een zogeheten natuurlijk kind. Berbs moeder werd Moe genoemd. Ik heb haar alleen maar gekend als een oud vrouwtje in het zwart dat altijd in een zetel zat. In haar handen een kleine zakdoek, een nog kleinere portemonnee en een paternoster. Ze sprak nooit een woord. Soms vroeg ik me af wat haar troebele ogen zagen. Met haar voorkomen, haar stilte en haar uitgebluste blik joeg ze me, vast ongewild, evenveel schrik aan als ’s nachts het getik van de wekker daar in dat huis, een geluid dat me bewust maakte van mijn hartslag en mijn moeizame ademhaling.

Jean Welkenhuyzen, coureur Henri, Barbara en de kleine Mathieu.


Barbara en Jean, zo wil ik deze gastvrije dorpelingen nu liever noemen, woonden in de Ladderstraat 249 te Neerharen. Voor mij een mythisch adres. Uit noodzaak heb ik er vaak gelogeerd, altijd met tegenzin. Alles was er volstrekt anders dan op het schip, dan het leven op de kanalen, in de havens en de dokken, waar ik zo vertrouwd mee was. Zelfs als het flink waaide was ik niet zo bevreesd voor het water, dat dan hevig tekeer kon gaan, als voor dat getik van de wekker in de Ladderstraat. Mogelijk was Moe de zuster van mijn grootmoeder, mijn vaders moeder, Anna Maria Brouns, geboren op 4 mei 1882 en overleden 16 juli 1947, drie jaar voor mijn geboorte in het statige Sint-Lucasziekenhuis te Ekeren, voorheen het Hof van Delft, dat inmiddels werd gesloopt. Ook als ik op Google Maps naar beelden van de Ladderstraat in Neerharen kijk, zie ik niet één herkenningspunt. Alsof een andere Groote Oorlog alle huizen heeft verwoest en een Bouwheer uit de Hel er nieuwe woningen heeft neergepoot. Vaak droom ik ervan om nog een keer door de straten van Neerharen te lopen, van aan het kanaal tot aan de Steenweg naar Maaseik en dan verder tot diep in het bos van Rekem en helemaal tot in Zutendaal. Maar ik besef dat dat een immense teleurstelling zou zijn. Van Anna Maria Brouns noch van Moe bezit ik ook maar één foto.

Die nacht schreef ik nog andere namen neer. Maria Welkenhuyzen. Henri Welkenhuyzen. Denise Gerets. Maria en Henri waren kinderen van Barbara (Berb) en Jean (Jeang). Ik zocht hun stamboom op. Maria trouwde met Johannes Julianus Gerets. Uiteraard gebruikte niemand zulke mooie namen. Iedereen noemde hem Jean. De meeste inheemse Limburgers hadden Franse namen, wat niet zo vreemd is als het lijkt maar daar nu op ingaan zou me te ver leiden. Maria zo stelde ik vast is al op haar 62ste overleden, in 1993. Haar broer Henri, die ik me nog als kapper herinner, hij had hetzelfde beroep gekozen als zijn moeder, was een goede vriend van mijn broer François. Soms gingen ze samen fietsen. Ze waren allebei wat toen nieuwelingen werd genoemd. Henri koerste stukken beter en stijlvoller dan mijn broer. François beweerde dat Henri pilletjes slikte. Bovendien had hij meer tijd om te trainen. Henri, zo ontdekte ik nu, overleed op 62-jarige leeftijd, op 20 april 2007 te Torrevieja in Spanje. Hij was getrouwd met Magdalena Baeten.

Tweede links is Henriette, derde links is Mitzi. Rechts op de foto Jean, de man van Maria (de vrouw met de witte blouse) en Denise zit naast het kleine meisje. Vooraan links is Valère.

Neerharen was een land van onschuld, een paradijs. Het was een plek van mysterie, van donkere wateren, de eeuwig stromende Maas, overstromingen, drijfzand, een dennenbos waar de zon nooit scheen en, dat wist ik met zekerheid, de vreselijkste dingen gebeurden. Ik ruik weer de boerderijen, hang rond op de begraafplaats achter de Sint-Lambertuskerk waar ik op zoveel grafstenen de namen Welkenhuyzen en Brouns ontcijfer. Ik fiets voorbij de kapel van Onze-Lieve-Vrouw-van Lourdes, lig op de Kup met een droommeisje dat ik nooit zal kussen. Ik huiver bij de diepe sluis en sta even te dagdromen bij het huis van de Sluismeester, waar Henriette woonde samen met haar zus Brigitte en haar vader Frans Pirlet en haar moeder Mitzi. Mitzi’s familienaam heb ik nooit gekend. Hongarije was toen een land aan het einde van de wereld. In Neerharen was ik een magere, heilige jongen. Ik had er erotische fantasieën van Henriette, Denise en Marie-Louise en wilde mij er, wat later, op het pad van de misdaad begeven. Indien mogelijk spion worden, in de voetsporen treden van James Bond. Of als Maigret de misdaad bestrijden. Jazeker, ik las veel Zwarte Beertjes. Mocht ik in Maastricht niet de provo’s hebben ontdekt en tegelijk de popmuziek van 1965 en, ingrijpender nog, in Bilzen de zomer van 1967 hebben meegemaakt, was ik misschien wel een soort van Patrick Haemers geworden. Geld, whisky en snelle wagens lieten mij in die dagen niet onverschillig.

Omdat ik moeilijk de slaap kon vatten schreef ik nog heel wat meer namen op. Die laat ik nu een tijdje in vrede rusten. Voorlopig wil ik niet weten wat er met al die mensen is gebeurd, met Valère bijvoorbeeld, helemaal vooraan op de foto, een beetje onscherp. Ik denk dat ik nu begrijp waarom ik vastgelopen was na dat feest bij Trimalchio. Ik moest eerst rouwen om zoveel mensen die ik meer dan een halve eeuw geleden heb liefgehad. Ik moest eerst de waanvoorstelling overwinnen dat ik al deze mensen van Neerharen met een of ander woord, met een of ander gebaar voor de dood had kunnen behoeden. Ik besefte dat zelfs de zanger Orpheus zijn Eurydice in de onderwereld moest achterlaten.

Familiefoto, 1962. Op de eerste rij: Denise Gerets, Henriette Pirlet (met klein meisje) en de plechtige communicant.

[1] Na het beëindigen van bovenstaande tekst ontdekte ik dat ook Henriette, mijn heldere ster, mijn eerste en enige nimf, niet meer in leven is. Prinses Henriette werd geboren op 24 januari 1951 te Maastricht en overleed op 24 juni 2019 te Hasselt. Henriette was omstreeks 1963 met haar ouders naar Hasselt, of mogelijk Diepenbeek, verhuisd. Sindsdien heb ik haar nooit meer teruggezien.

DE STEM VAN RITA

Rita Plettinx. Foto: M.P.

Dit is geen grafsteen. Dit zijn wat vluchtige woorden. Ik schreef ze voor jou, Rita. En voor jou, Jules.
Ik herinner mij nu de blik van Rita, haar ogen zoals ik ze voor het eerst zag, in de zomer van 1975. Ogen met een glimlach in het midden, open voor wat haar vertrouwd en wat haar vreemd was. Haar blik was onbevangen en sprak niet gauw een oordeel uit. Ik leerde Rita kennen in boekhandel Corman in Brussel, waarvan zij de ziel en het hart was. Wij vertrouwden elkaar meteen. Haar ogen stonden geen wantrouwen toe. En dan was er haar stem, even ontvankelijk als haar blik. In elke zin die ze uitsprak hoorde je dat ze plaats liet om er jouw gedachten aan toe te voegen. Rita gaf je altijd denktijd, ademruimte. Bij nogal wat mensen voelde ik mij niet zo goed in mijn vel, geremd, aan mezelf overgelaten. Nooit bij Rita.

Rita en Jules werden al gauw onze vrienden. Met de jaren zijn ze onze beste vrienden geworden. Het gaat om jaren die je niet kunt tellen. Elke mooie vriendschap heeft iets magisch, iets betoverends. De tijd lijkt er niet te bestaan. Dat vriendschap de tijd opheft wordt wel vaker gezegd. En het is waar. Ik heb het met Rita en Jules meegemaakt. Wij hoefden elkaar niet met regelmaat te zien om te weten dat we er voor elkaar waren. Natuurlijk was er veel water naar de zee gestroomd als we elkaar na drie maanden, een half jaar weer eens terugzagen. Er waren allerlei dingen gebeurd. Waarover hadden we anders kunnen praten? We waren veranderd maar tegelijk waren we dezelfde Rita, Jules, Agnes en Matti gebleven. Voor mij had de periode tussen twee ontmoetingen maar een oogwenk geduurd. Voor Rita zal dat niet anders geweest zijn. We waren elkaar altijd nabij.

Hoe kun je zulke goede vrienden worden en blijven? Je kunt gemeenschappelijke interesses hebben, in ons geval onder meer literatuur, boeken en reizen. Maar dat volstaat niet. Er moet iets meer zijn. Er moet zielsverwantschap zijn. Die was er, is er, tussen Rita en mij, tussen Jules en mij. Tussen Rita en Jules en Agnes en mij. Wij, vier vrienden in en buiten de tijd. De ruimte tussen ons in is er een van genegenheid, warmte en begrip.

Als ik nu aan Rita denk, denk ik aan empathie, aan mededogen, aan gemeenschapszin. Zo asociaal als ik ben, zo sociaal was Rita. Zo sociaal zal ze ook altijd blijven in de gedachten en herinneringen van iedereen die haar heeft gekend. Zij was al zo sociaal in 1975 in die legendarische boekenwinkel en dat is ze altijd gebleven. Hoewel Rita zo van boeken hield was zij toch geen vrouw om na haar pensioen thuis te blijven, bijvoorbeeld om zoveel mogelijk te kunnen lezen, wat je logischerwijs had kunnen verwachten. Rita wilde actief blijven, zich tussen de mensen ophouden. Zij werd vrijwilliger. Ze ging werken in musea in Brussel, onder meer in het Muziek Instrumenten Museum, en in de fijne concertzaal De Roma in Borgerhout. Op die manier bracht zij altijd weer leven mee naar huis en naar onze gesprekken. Altijd had zij iets wonderlijks in een of ander klein voorval of ding opgemerkt. Er viel haar altijd iets boeiends op, iets om een typisch Rita-verhaal over te vertellen. Haar stem liet telkens weer horen dat zij begaan was met het lot van al die ‘kleine’ (en soms ‘grote’) mensen. Haar stem verraadde haar ziel. Het is die stem van Rita die ik nu nog hoor. De echo ervan. Ik denk dat veel mensen die haar hebben ontmoet, die met haar hebben gesproken, zich die warme stem van haar nog lang zullen herinneren.
Ik herinner mij nu weer hoe intens we met zijn vieren genoten van kleine uitstapjes naar Sint-Amands aan de Schelde, om er te wandelen, om er paling te eten, om er te praten. Het was altijd mooi weer als we in Sint-Amands waren. We wandelden langs het water, keken naar de fraaie bocht in de rivier, bleven even staan, in stilte, droomden van de vele dagen in het verschiet. Stiltes tussen ons waren altijd licht. Het waren rustpauzes. Punten op het einde van een lange zin. Waarna weer een volgende begon. Of een nieuw hoofdstuk.

Ik herinner mij nu weer hoe we elkaar in Praag tegen het lijf liepen. We hadden daar pas een dag later afgesproken, maar het toeval maakte dat onze wegen zich al vroeger kruisten. Een moment van grote euforie daar op het Oude Stadsplein in die heerlijke stad. Hé Agnes, hé Matti, riep Rita in blijdschap uit. De warme, begripvolle glimlach van Jules in harmonie met Rita’s woorden. Dat was nog voor de fluwelen revolutie. We vierden ons weerzien met veel frisse wijn van de streek op een terras op het Wenceslausplein. Het leek erop of dergelijke momenten zich nog vaak zouden voordoen. Het leek erop alsof de tijd niet bestond en dat het leven geen einde kent. Het leek erop dat Rita er voor altijd zou zijn. Dat is niet het geval. Dromen zijn bedrog. En toch. En toch hoor ik haar stem, zal ik haar stem blijven horen. En zullen Jules en Agnes haar stem altijd blijven horen. De gloedvolle stem van Rita.

Brussel, 19 januari 2022

Naschrift

Rita Plettinx werd geboren te Wilrijk op 8 mei 1949 en overleed te Antwerpen op 17 januari 2022. Ze was de echtgenote van Jules Van Camp. Rita werkte vele jaren bij de meertalige boekhandel Corman in de Ravensteinstraat in Brussel. Na de sluiting van Corman Brussel ging ze aan de slag bij boekwinkel Het Landschap in Antwerpen.
Tijdens haar pensioen deed Rita vrijwilligerswerk in het Brussels Muziek Instrumenten Museum en het Museum voor Kunst en Geschiedenis, daarna in het Museum voor Oude Kunst. Bovendien was ze bedrijvig in de legendarische concertzaal De Roma in Borgerhout.

ZERO DE CONDUITE – BOYS (AND SOME GIRLS)

Veronica Bennett (Ronnie Spector) with Phil Spector

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur in songs op Radio Centraal (106.7 FM) in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Het motto van deze aflevering isYou’re just a bastard kid, / And you got no name / Cause you’re living with me, / We’re one and the same.
Je kan dit programma via streaming beluisteren. (En hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers).

13th Floor Elevators

De voorbije dagen wilde ik om diverse redenen nog een keer vluchten naar een tijd waarin alles eenvoudiger en intenser leek, naar een vorm van popmuziek die je meteen warm maakte en altijd opwindend was. Ik bedoel de beat, soul en vroege punk van circa het midden van de jaren zestig. Hoewel het een periode van verandering en revolte was, van provocatie, lijkt het nu of er in die dagen toch grote eensgezindheid bestond over hoe de nieuwe wereld er moest gaan uitzien.
Om geen andere dan escapistische redenen koos ik 43 exemplarische songs uit dat tijdsgewricht. Mijn enige criterium daarbij was dat ze meteen genot moesten verschaffen, je vanaf het eerste akkoord moesten laten vergeten waar en wie je bent. Eerst wilde ik een jongensprogramma, omdat we in de sixties zo vaak jongens onder elkaar waren, maar songs van alleen maar van en voor jongens vond ik wat triest. Toen al en nu nog meer. Vandaar de toegevoegde waarde van de meisjes. (In werkelijkheid was en is de waarde van meisjes helemaal niet toegevoegd maar onschatbaar. Ik heb het over de naïeve spirit van lang vervlogen dagen.)

Opgedragen aan Ronnie Spector (Veronica Bennett), aan alle Veronica’s van toen en nu, aan Monica Vitti, aan the Yardbirds zoals ze te zien waren in Michelangelo Antonioni’s Blow-Up. Aan Michael Caine in de film Alfie, aan Rita Tushingham in Smashing Time, aan Riot On Sunset Strip en aan Barbarella. Aan Cathy McGowan van Ready Steady Go!, aan Uschi Nerke van Beat-Club. Met dank aan de televisieprogramma’s Moef Ga Ga, Fenklup, Tienerklanken, Hoepla!, Hullaballoo, Shindig en Pop Shop.

Veel luister- en dansplezier!

Moby Grape

Boys – The Beatles – Please Please Me – Dixon/Farrell – 2:28

Leaving Here – Eddie Holland – Motown Nuggets – Dozier/Holland – 2:26

Ain’t That Peculiar – Marvin Gaye – Moods Of Marvin Gaye – Robinson/Moore/Tarplin/Rogers – 3:01

I’m Ready For Love – Martha Reeves & The Vandellas – Watchout! – Brian Holland/Eddie Holland/Lamont Dozier – 2:57

Danger Heartbreak Dead Ahead – The Marvelettes – The Definitive Collection – Stevenson/Hunter/Paul – 2:32

Is This What I Get For Loving You? – The Ronettes featuring Veronica – Presenting The Fabulous Ronettes – Goffin/King/Spector – 3:22

Pain In My Heart – The Rolling Stones – The Rolling Stones, Now! – Aaron Neville/Naomi Neville – 2:15

But I Ain’t Got You – Remains – Barry & The Remains – V. Miller Jr. – 2:12

From a Buick 6 – Bob Dylan – Highway 61 Revisited (2010 Mono Version) – Bob Dylan – 3:10

Don’t Start Crying Now – Them – The Story of Them Featuring Van Morrison – Van Morrison – 2:06

I Can Only Give You Everything – The Troggs – Trogglodynamite – Scott/Coulter – 3:26

I’m Not Like Everybody Else – The Kinks – Face To Face – Ray Davies – 3:29

Circles (Instant Party) – The Who – My Generation – Pete Townshend – 3:13

E Too D – The Small Faces – Small Faces – The Decca Years 1965 – 1967 – Ronnie Lane/Steve Marriott – 3:04

How Does It Feel To Feel – The Creation – How Does It Feel To Feel – Garner/Philips – 3:08

Give Him A Great Big Kiss – The Shangri-Las – Sophisticated Boom Boom: The Shadow Morton Story – George Morton – 2:14

Younger Generation Blues – Janis Ian – Janis Ian – Janis Ian – 3:13

Your Good Girl’s Gonna Go Bad – Cookie Jackson – Behind Closed Doors – Billy Sherrill/Glenn Sutton – 2:46

Sticks And Stones – Mitch Ryder – Mitch Ryders Sings the Hits – Glover/Turner – 2:35

Get Outta My Life – Syndicate Of Sound – The Hush Records Story – Baskin/Gonzalez – 2:41

Walk Upon The Water – The Move – The Move – Roy Wood – 3:15

Stone Free – Jimi Hendrix Experience – Are You Experienced? – Jimi Hendrix – 3:36

Mr Farmer – The Seeds – A Web Of Sound – Sky Saxon – 2:51

Fire Engine – 13th Floor Elevators – The Psychedelic Sounds Of The 13th Floor Elevators – R. Erickson/S. Sutherland/T. Hall – 3:22

I’m Not Talking – The Yardbirds – For Your Love – Mose Allison – 2:36

Kick Out The James – MC5 – Joe Strummer: The Future Is Unwritten Soundtrack – MC5 – 3:01

Real Cool Time – The Stooges – The Stooges – Iggy Pop – 2:33

Seven & Seven Is – Love – Da Capo – Arthur Lee – 2:19

I’m Gonna Make You Mine – Shadows Of Knight – Nuggets: Original Artyfacts From The First Psychedelic Era, Vol. 2 – Carl D’Errico/William Carr/Carole Bayer – 2:34

(I’m Not Your) Steppin’ Stone – The Monkees – The Monkees Greatest Hits – Boyce/Hart – 2:23

Ups & Downs – Paul Revere & The Raiders – The Essential Ride: ’63 -’67 – M. Lindsay/Terry Melcher – 2:53

Medication – Chocolate Watch Band – The Inner Mystique – Ben DiTosti/M. Alton – 2:09

Mud In Your Eye – Les Fleur De Lys – Nuggets II: Original Artyfacts From The British Empire And Beyond, Vol. 1 – Phil Sawyer/Chris Andrews – 3:03

Gonna Find Me A Substitute – The Pretty Things – Get The Picture? – Turner – 2:58

I Got Nightmares – Q’65 – Revolution – Vink/ Bieler/ Roelofs/ Baar – 2:28

Lying All The Time – The Outsiders – Strange Things Are Happening –  R. Splinter/W. Tax – 3:15

I Ain’t No Miracle Worker – The Brogues – The Hush Records Story – Tucker/Mantz – 3:01

Omaha – Moby Grape – Moby Grape – Spence – 2:45

Why Don’tcha Do Me Right? – Frank Zappa & The Mothers Of Invention – Absolutely Free – Frank Zappa – 2:37

Who Do You Think You’re Fooling? – Captain Beefheart & The Magic Band – Legendary A & M Sessions –  Van Vliet – 2:10

Everybody’s Got to Change Sometime – Taj Mahal – Taj Mahal –  Sonny Boy Williamson – 2:56

Captain Of Your Ship – Reperata And The Delrons – The Best Of Reperata And The Delrons – Ben Yardley/Kenny Young – 2:29

You Can’t Put Your Arms Around a Memory ft. Joey Ramone – Ronnie Spector – The Very Best of Ronnie Spector – Johnny Thunders – 3:51

Love, L-R: Michael Stuart, Ken Forssi, Arthur Lee, Bryan MacLean, Johnny Echols

Samenstelling en research: Martin Pulaski

DE STEMBANDEN VAN EEN ELVIS-FAN

Het was een dag vol nevel, grijze schimmen en nachtschade, rooddoorlopen ogen, kleurloze haren, vergeefse handen. Te kleine huizen leken weg te glijden richting afgrond. Waarom hing er was aan de waslijnen op de koertjes? Enkele vlaggen als geschilderd in grisaille, stil. Een gele flits uit de grijze hemel maakte  concentrische cirkels rond een gehaaste kobaltblauwe regenjas. Een flits en dan weer hetzelfde tafereel van voor de flits, alsof er geen tijd meer was.

Mijn blik viel op het in mist gehulde flatgebouw aan de overkant. Dat ging almaar meer overhellen, alsof het gebukt ging onder de zorgen van zijn bewoners. Door een raam van een van de studio’s kon ik een Elvis-fan op zijn bed zien liggen luisteren naar Only the Strong Survive. Ik hoorde het lied tot hier en zag de lippen van de jongen op het bed meebewegen. Dan leek hij mij te willen roepen, maar hij had er de adem niet voor. Had hij dringend hulp nodig? Opeens klonk er dan toch stemgeluid. Ik zag zijn stembanden trillen. Ik hoorde het bewegen van zijn woorden. Ik hoorde golven breken op de kusten van Nova Zembla.

Nu nog hoor ik ze buigen, trekken, grijpen, lossen, strelen, spartelen, spelen, sissen, spuwen, gruwen. Nu nog hoor ik in die klanken iets van zijn vochtige ogen, het donkerblauwe verdriet ervan, het gemis, het snakken naar een bruid, de hunker naar een van die eerste huwelijksnachten. Of meer nog naar het mysterie daarvan.

Sint-Joost, 1975 – Anderlecht, 2022

EEN AVOND BIJ TRIMALCHIO

Senga en Giuseppe’s scienfiction-tv. © Martin Pulaski.

Men kan proberen een brood te bakken, maar men probeert geen schepping.
Willem Elsschot, Kaas

Antwerpen, 7 augustus 1979

Vandaag is er weer dat oude verlangen naar orde, zowel in mijn onmiddellijke omgeving als in mijn denken en werkmethode. Mijn dagindeling moet afgebakend zijn. Om negen uur moet ik aan deze werktafel zitten, voor vijven mag ik alleen naar de keuken om ’s middags wat te eten en koffie te drinken. De rest van de tijd moet ik lezen en vooral schrijven. Dagboeknotities, indien mogelijk gedichten, proza: liefst in die volgorde. De orde die ik bedoel heeft geen politieke of maatschappelijke betekenis. Een chaotische samenleving lijkt me ondoenbaar maar liever dat nog dan de orde van de tirannie, de orde van het duizendjarige rijk, zoals we die kennen uit de propagandafilms van Leni Riefenstahl. Ik heb orde nodig als antidotum tegen de chaos in mezelf. Het is de orde, de helderheid van de dag tegenover het troebele, onoverzichtelijke van de nacht. Alleen als er orde is en alles op zijn plaats staat kan ik schrijven. Toch mag ik geen tijd verliezen met boeken klasseren. De zucht naar orde en classificatie kan immers pathologische vormen aannemen.

Als ik het goed begrepen heb houdt deze drang van me verband met wat Claude Lévi-Strauss in zijn werk La pensée sauvage [1] voor ogen heeft.  “Deze behoefte aan orde vormt de grondslag van wat wij het wilde denken noemen, maar alleen in zoverre dat het de basis is van alle denken”.

Vanwege de connotaties gebruik ik het woord orde niet graag. Ik noem het liever indelen, klasseren, onderbrengen, rubriceren, enzovoort.


Opeens was het avond. Giuseppe had ons geïnviteerd. Er zat een briefje van hem in de bus. Het leek bijna een formele uitnodiging. Het is al zeker een maand geleden dat we elkaar nog gezien hebben, las ik. Ik heb een verrassing voor jullie. En zijn jullie niet nieuwsgierig naar de lotgevallen van het poesje? Jullie moeten vanavond naar de Vinkenstraat komen. Waarom had hij niet aangebeld; of hadden we de deurbel weer niet gehoord?

Wat zag het er ordelijk uit bij mijn vriend. Hij weet dat ik zelden lang bij hem blijf hangen. Bijna altijd krijg ik er vanwege het stof dat zich gedurende maanden, misschien wel jaren heeft opgestapeld een hevige niesbui, soms zelfs een astma-aanval. Nu echter was alles comme il faut. Nergens bespeurde ik een stofje. Giuseppe had zelfs de keuken geschilderd. Zijn potjes met kruiden stonden daar mooi naast elkaar op alfabet gerangschikt. Ik heb me altijd afgevraagd hoe mensen in vuile, slecht verluchte en verlichte kamers kunnen nadenken en werken. Voor Giuseppe was dat kennelijk geen probleem. Het was voor ons, voor mij en Senga, dat hij zich zo had afgesloofd. Toch leek het mij ook voor Giuseppe een verbetering. De huidige staat van zijn woning  zou zijn vrijetijd heel wat aangenamer maken, dacht ik.

Giuseppe had allerlei lekkers in huis gehaald. Jullie lusten toch Franse kazen? Hij duidde ze  voor ons aan: Ami du Chambertin, Beaufort de Savoie, Boule des Moins, Brébis d’Oleron, Brie de Melun, Camembert de Normandie, Cantal, Caprice des Dieux, Chaumes, Emmentaler, Explorateur, Fromage de Coucouron, Gruyère de Savoie, Mâconnais, Munster, Pavé du Berry, Persillé de Sainte-Foy, Petit Montagnard, Rambol, Rigotte de Sainte-Colombe, Roquefort, Saint-Aubin, Saint-Paulin, Suprême des ducs, Tomme de Montagne, Vieux de Lille. Italiaanse kazen liggen mij niet zo, maar ik heb er toch maar wat van in huis gehaald, vervolgde hij: Bastardo del Grappa, Caciocavallo, Caprino della Val Brevenna, Crema del Friuli, Dolcezza d’Asiago, Furmaggitt di Montevecchia, Gorgonzola, Maiorchino di Novara di Sicilia, Montasio, Murazzano, Ostrica di montagna, Pecorino, Provola delle Madonie, Santo Stefano d’Aveto, Taleggio, Tumazzu di vacca en Zufi.

Hij had nog meer lekkers voor ons: dadels, garnalen, olijven, salami en vijgen. Duvels voor hem, rode wijn voor ons. Twee flessen Old Grand-Dad bourbon, mijn favoriet merk. Mogelijk was dat ook al voor John Steinbeck het geval. De whisky uit Kentucky is een trouwe metgezel op diens Travels With Charley. Raymond Chandler moet er ook van gehouden hebben, waarom anders zou hij in zijn meesterwerk The Long Goodbye zijn personage, de detective Philip Marlowe, die bourbon hebben laten aanbieden aan diens vriend?

Zoals zo vaak met Giuseppe hebben we die avond veel gepalaverd. Er zijn me alleen maar vage echo’s van die conversatie bijgebleven. Dat Giuseppe het poesje niet lang bij hem thuis had gehouden maar al gauw aan zijn Brusselse vriend Bert V. had meegegeven, had Gabriëlla ons al verteld. Giuseppe deed daar wat geheimzinnig over. Mogelijk had hij het naar een verlaten terrein in Mortsel Oude-God gebracht en daar aan zijn – of was het haar? – lot overgelaten. Senga noch ik konden ons er boos over maken. Het poesje was onze verantwoordelijkheid geweest. Als iemand zich schuldig moest voelen was ik het. Terwijl ik al jaren aan het verkondigen was dat het maar eens gedaan moest zijn met al die schuldgevoelens.

Zeker zullen Lowell George en Herbert Marcuse ter sprake zijn gekomen. De zanger van Little Feat, die nog maar pas zijn eerste en enige solo-elpee Thanks I’ll Eat It Here had uitgebracht, was een paar dagen tevoren aan een overdosis cocaïne overleden. Giuseppe was van in het begin een fan geweest van Little Feat. Hij had er bij mij vaak op aangedrongen om hun platen te beluisteren. Inmiddels was ik erg gaan houden van nummers als Brides of Jesus, I’ve Been the One, Truck Sop Girl en vooral Willin’. En wat te denken van Fat Man in the Bathtub? Waarschijnlijk was het niet de cocaïne die Lowell George de das omdeed, zei Giuseppe. Het was vraatzucht en obesitas. Op het einde woog hij bijna 150 kilo. De titel van zijn elpee laat aan duidelijkheid weinig te wensen over, zei ik. Dixie Chicken ook niet, meende Senga. Er viel even een stilte. Dan kwam Marcuse aan de beurt. Ik vertelde nog een keer dat ik op het Ritcs voor professor Kruithof aan een werk over De eendimensionale mens was begonnen. Maar dat ik er al gauw de brui aan had gegeven. Die mislukking, je mag het ook weigering noemen, had ertoe bijgedragen dat ik maar ineens met mijn hele filmstudie was gestopt. Te veel eendimensionale mensen op die school, zei ik. Marcuse is op dezelfde dag gestorven als Lowell George, zei Giuseppe. We waren toen net terug uit de Provence, zei Senga. Ons gesprek ging daarna over onze verregaande vervreemding. Jazeker, ook die van ons, ons gebrek aan kritisch bewustzijn, hoe wij onze eigen repressie bijna omhelzen. Kijk maar, ik ben al er best tevreden mee dat ik als een slaaf met de tram mag rijden. En wij met het bestaan van dat autoritaire Bijzonder Tijd Kader. Inmiddels waren we al aan onze tweede fles Old Grand-Dad begonnen.

Giuseppe bezat een klein wit tv-toestel. THX 1138, de eerste film van George Lucas, wordt uitgezonden, zei hij. Zullen we eens kijken? Ik houd niet van sciencefiction, zei Senga. Ik ook niet, zei ik. Ach, zei, Giuseppe, wat zijn jullie vervreemd van de werkelijkheid. Laten we toch even kijken. Dat deden we, en we waren danig onder de indruk. Met mijn dronken kop moest ik aan La passion de Jeanne D’Arc denken. Dat kwam waarschijnlijk door die kale koppen. Iedereen is kaalgeschoren in die film. Seks is verboden, drugs zijn verplicht. Wat betekent toch THX 1138, vroeg Senga. Dat moet toch iets betekenen? Het zal het kenteken van Lucas’ nummerplaat geweest zijn, zei Giuseppe. Zet je nog een plaatje van Little Feat op, vroeg ik, het geluid van je sciencefiction tv stelt niets voor. Terwijl Giuseppe een langspeelplaat oplegde slikte THX zijn drugs en keek naar holobroadcasts. Dat is toch Robert Duvall, riep Senga uit. Jazeker, en SEN 5241 is Donald Pleasence, zei Giuseppe. Of vice versa, zei ik.

Opeens zakte je ineen. Je leek wel comateus, zei Senga de dag nadien, nadat ik mijn roes had uitgeslapen. Giuseppe heeft een taxi gebeld. De chauffeur wilde je eerst niet in zijn auto. Hij was bang dat je zijn mooie wagen zou onderkotsen. Zijn woorden. De zak. Ik heb hemel en aarde moeten bewegen om hem ervan te verzekeren dat je niet zou overgeven, ha ha. Dat je dat nooit doet, ha ha. Alsof het ‘s nachts niet vaak zatte mensen zijn die een taxi laten opbellen, zei ik. Het is de enige legale mogelijkheid om je op zo’n uur dronken te verplaatsen. Je hebt hier dan nog tot negen uur op de grond gelegen. Ik kreeg je niet de trap op, je leek wel van lood. Heb je bij me zitten waken, vroeg ik. Wat dacht je, zei Senga. Wat ben je toch een engeltje, zei ik, kom eens wat dichter bij me. Heb je zin, vroeg ik. Wat dacht je, zei Senga.

Graf Herbert Marcuse. © Martin Pulaski, 2005.

[Nachten aan de kant 58]

[1]  Claude Lévi-Strauss, Het wilde denken, Meulenhoff, Amsterdam, 1968, p. 21.

OVER FILMS KIJKEN IN TIJDEN VAN COVID-19 (2021)

Sátántangó, Bela Tarr


In geen ander jaar zag ik meer films dan in 2021. Dat is een zekerheid. Er waren maar weinig avonden dat ik geen film zag, een verblijf van twee weken in Berlijn in september, toen het met die ellendige pandemie de goede kant leek op te gaan, uitgezonderd. Zoals veel van mijn generatiegenoten houd ik al sinds mijn kinderjaren van speelfilms. Tot 1984, het dystopische jaar van Big Brother, toevallig ook het jaar dat wij een televisietoestel konden aanschaffen, dankzij een kleine erfenis van A., zagen wij die nagenoeg altijd in de bioscoop. Eerst was dat met mijn ouders in een van de talloze Antwerpse bioscopen en daarna als adolescent, alleen of met vrienden, in dorpscinema’s. Van Zorro, Shane, High Noon en Man of the West via James Bond, Modesty Blaise en Barbarella naar – heel wat later – de kunstfilms van Antonioni, Bertolucci, Fassbinder, Wim Wenders, Kurosawa, Tarkovski en vele andere Grote Regisseurs. Ook na het jaar van ‘war is peace’, ‘freedom is slavery’ en ‘ignorance is strength’, bleef ik het grote boven het kleine scherm verkiezen. (Ik houd dit stukje al dan niet persoonlijke historie zo kort mogelijk.)

Geleidelijk aan kregen, zoals ook weer bij veel van mijn tijdgenoten, videotapes, dvd’s en Blu-ray-schijfjes de bovenhand. Zo blijkt nogmaals hoezeer de meesten van ons onderworpen zijn aan wat de markt ons dicteert. Noodgedwongen gebeurt sinds februari 2020 filmkijken alleen nog maar op het kleine scherm. Mubi had ik al vrij vroeg ontdekt. Nu kwamen er Netflix en Cinemember bij. Af en toe was er toevallig ook nog eens een keer een niet al te middelmatige film op Canvas of op een van de Nederlandse zenders. (Door gehoorproblemen kon ik niet langer films kijken zonder ondertitels, wat Arte, BBC en alle Franstalige zenders uitsloot. Waar het filmaanbod overigens elk jaar wat schaarser werd.)

Vanwege de pandemie was niet alleen het bioscoopbezoek weggevallen. Hetzelfde gebeurde met theater- en dansvoorstellingen en met concerten. Uit musea en kunstgalerijen bleven we weg. Kunstwerken zag ik nog uitsluitend op mijn laptop, rampzalig voor mezelf en meer nog voor de kunstenaars. Zelfs al voer je geen gesprek met ze, is er toch altijd dialoog. We zagen haast geen vrienden en familie meer, we reisden niet langer. We bleven thuis. Ik weet dat dit allemaal niet zo uitzonderlijk is, maar wil het hier desondanks noteren. Meer dan een kleine getuigenis over deze tijd is het niet.

Overdag was er naast de dagelijkse beslommeringen, waaronder de ziektegeschiedenissen, literatuur en muziek; ’s avonds vond ik – niet altijd – schoonheid en vertroosting in films. Mogelijk ging het om een vlucht. Mogelijk vervingen de filmbeelden de gemiste werkelijkheid, filmdialogen de gesprekken met vrienden, geacteerde emoties de echte emoties die vrijkomen bij echte ontmoetingen, de filmische landschappen en stadsgezichten de echte landschappen die je ziet – of veronachtzaamt, lezend in een reisgids, in een meeslepende roman – vanuit de trein en de echte steden die je doorkruist tijdens een van je onvergetelijke reizen. Waarmee ik maar wil zeggen dat films kijken in 2021 met nog meer emoties gepaard ging dan het voordien al deed.

Met het maken van onderstaande lijst ben ik een tijdje zoet geweest. Een aangenaam tijdverdrijf was het niet. Waarom deed ik het dan? Goeie vraag. De volgorde van de titels is min of meer chronologisch. Ik houd helemaal niet van puntensystemen om mijn waardering over wat dan ook uit te drukken, maar zag in dit geval geen andere oplossing. Ik kon onmogelijk over al deze films – en series – een recensie schrijven, zelfs als ik die kort had gehouden. Want in dat geval was dit een lijvig boek geworden, en het is zeker niet mijn intentie om een of andere betweterige en overbodige dikke paperback met schreeuwerige cover over film te schrijven. Mijn classificatie is nogal primitief. Waar geen sterretje staat, gaat het om een vaak maar niet altijd behoorlijke film. Een film met een ster is zeer degelijk, voortreffelijk zelfs; een film met twee sterren is uitstekend, stijlvol, klassiek. De betekenis van drie sterren is: onovertroffen, een meesterwerk. Een nul is van nul en generlei waarde. (Uitzonderlijk gebeurt het dat ik waardeloze films uitkijk.)

Wanda, Barbara Loden


Deze meesterwerken zag ik in 2021: Two-Lane Blacktop – Monte Hellman (1971); Carnival of Souls – Herk Harvey (1962); Waar is het huis van mijn vriend? – Abbos Kiarostami (1987); De wind zal ons meenemen – Abbas Kiarostami (1999); First Cow – Kelly Reichardt (2019); At Eternity’s Gate – Julian Schnabel (2018); Der Himmel über Berlin – Wim Wenders (1987); Muriel ou le temps d’un retour – Alain Resnais (1963); Cure – Kiyoshi Kurosawa (1997); 2 ou 3 choses que je sais d’elle – Jean-Luc Godard (1967); Wanda – Barbara Loden (1970); Sátántangó – Bela Tarr (1994); In a Lonely Place – Nicholas Ray (1950); Ai no korîda (Het rijk der zinnen) – Nagisa Ôshima (1976).

Der Himmel über Berlin, Wim Wenders

Dit is de volledige lijst van 208 films (waaronder enkele series):

Elvis and Nixon – Liza Johnson (2016)

Song to Song – Terrence Malick (2017)

The Whistleblower – Larysa Kondracki (2010)

With Love to Rome – Woody Allen (2012)

L’amica geniale (Mijn geniale vriendin) (serie) – Saverio Costanzo / Alice Rohrwacher (2018-201-)

Wind River – Taylor Sheridan (2017)

Pieces of a Woman –  Kornél Mundruczó (2020)

Berlin – Die Sinfonie der Großstadt – Walter Ruttman (1927)

Out of the Past – Jacques Tourneur (1947) **

Pretend It’s a City (serie) – Martin Scorsese / Fran Leibovitz (2021)

Charles mort ou vif – Alain Tanner (1969) *

Terra em transe – Glauber Rocha (1967) *

Godless (serie) – Scott Frank (2017)

Una – Benedict Andrews (2016)

The Dig – Simon Stone (2021)

Die dritte Generation – Rainer Werner Fassbinder (1979) *

Le charme discret de la bourgeoisie – Luis Buñuel (1972) **

Nina – Olga Chajdas (2018)

You Were Never Really Here – Lynne Ramsay (2017) *

I Called Him Morgan – Kasper Collin (2016)

Nord – Xavier Beauvois (1991)

News of the World – Paul Greengrass (2020)

Vice – Adam McKay (2018)

Daens – Stijn Coninx (1992)

Le navire night – Marguerite Duras (1979) **

Unsane – Steven Soderbergh (2018)

Robinson Crusoe – Luis Buñuel (1954)

Duelle – Jacques Rivette (1976) *

Winter’s Bone – Debra Granik (2010) *

La vérité – Hirokazu Kore-eda (2019) *

Le petit amour (Kung Fu Master) – Agnes Varda (1988)

Daguerreotypes – Agnes Varda (1975) **

Another Year – Oksana Bychkova (2014)

Molly’s Game – Aaron Sorkin (2017)

Un jeu brutal – Jean-Claude Brisseau (1983)

Dogtooth – Yorgos Lanthimos (2008) **

Wachttoren – Pelin Esmer (2012)

Something Useful – Pelin Esmer (2017)

Suspiria- Luca Guadagnino (2018)

J’accuse – Roman Polanski (2019)

Crossing the Line – Nia DaCosta (2019)

Genius – Michael Grandage (2016)

Aus dem Nichts – Fatih Akin (2017) *

Le jeune Ahmed – Gebroeders Dardenne (2019) *

Het meisje (Eltávozott nap) – Márta Mészáros (1968) *

Holdudvar – Márta Mészáros (1969) **

Szép lányok, ne sírjatok! (Huil niet, mooie meisjes) – Márta Mészáros (1970) *

Kilenc Honap (Negen maanden) – Márta Mészáros (1976) *

Ök Ketten (The Two of Them) – Márta Mészáros (1977) *

Dark River – Clio Barnard (2020)

Bacalaureat – Cristian Mungiu (2016)

The Rider – Chloe Zhao (2017) **

Songs My Mother Told Me – Chloe Zhao (2015) **

Orphée – Jean Cocteau (1950) **

Mat i syn  (Moeder en zoon) – Alexander Sokurov (1997) *

Born in Chicago (documentaire over Chicago blues) – John Anderson / Bob Sarles  (2020)

The Road to Memphis (documentaire over Memphis blues) – Richard Pearce (2003)

Berlin Alexanderplatz – Burhan Qurbani (2020)

Night Train to Lisbon – Bille August (2013) 0

Carrie – William Wyler (1952)

A coeur ouvert – Marion Laine (2012)

An Appropriated Self-Portrait – María José Alós (2014)  0

Eshtebak (Clash) – Mohamed Diab (2016)

Dronningen (Queen of Hearts) – May el-Toukhy (2019)

This Boy’s Life – Michael Caton-Jones (1993)

Ascenseur pour l’échafaud – Louis Malle (1958) **

Collateral – Michael Mann (2004)

Blue Valentine – Derek Cianfrance (2010) *

Warnung vor der heiligen Nutte – Rainer Werner Fassbinder (1971)

Lazzaro Felice – Alice Rohrwacher (2018)

Bovary – Jaco Van Dormael (2021)

The Trial of Christine Keeler (serie) – Andrea Harkin / Leanne Welham (2019-2020)

The Rainmaker – Francis Ford Coppola (1997)

Werk ohne Autor – Florian Henckel von Donnersmarck (2018) *

Once Were Brothers (documentaire over the Band en Robbie Roberston) – Daniel Roher (2019)

Duelles – Olivier Masset-Depasse (2018)

Poulet au vinaige – Claude Chabrol (1985)

Elser – Oliver Hirschbiegel (2015)

Shirley – Josephine Decker (2020)

Hedda Gabler – Jan Decorte (1978) **

Woman on the Run – Norman Foster (1950) *

S’en fout la mort – Claire Denis (1990) *

Untouchable –    Ursula Macfarlane (2019)

The Woman in the Window – Joe Wright (2021)

Jerichow – Christian Petzold (2008) **

Two-Lane Blacktop – Monte Hellman (1971) ***

Requiem – Hans-Christian Schmidt (2006) *

Call Me By Your Name – Luca Guadagnino (2017) *

Sandome no satsujin (The Third Murder)  – Hirokazu Kore-eda (2017) *

Inspecteur Lavardin – Claude Chabrol (1986)

Wildlife – Paul Dano (2018)

So Long, My Son – Wang Xioshuai (2019) **

Die innere Sicherheit – Christian Petzold (2000) **

Napló apámnak, anyámnak (Dagboek voor mijn vader en moeder) – Márta Mészáros (1990) *

Kill Your Darlings – John Krokidas (2013)

Echo in the Canyon – Andrew Slater (2018) *

Yella – Christian Petzold (2007) **

Carnival of Souls – Herk Harvey (1962) ***

Ich war Zuhause, aber… – Angela Schanelek (2019)

The Southerner – Jean Renoir (1945) **

Xiao Wu (Pickpocket) – Jia Zhangke (1997) *

Ung flukt (Wayward Girl) – Edith Carlmar – (1959)

Shiva Baby – Emma Seligman (2020)

Once Upon a Time in … Hollywood – Quentin Tarantino (2019)

Waar is het huis van mijn vriend? – Abbos Kiarostami (1987) ***

La roue – Abel Gance (1923) *

Barbara – Christian Petzold (2012) **

Still Walking – Hirokazu Kore-eda (2008) *

Das Vorspiel – Ina Weisse (2019) *

Happy End – Michael Haneke (2017)

Doorheen de olijfbomen – Abbas Kiarostami (1994) **

Sois belle et tais-toi – Delphine Seyrig (1976)

Chocolat – Claire Denis (1988) **

Joker – Todd Phillips (2019)

De smaak van kersen – Abbas Kiarostami (1997) **

La belle personne – Christophe Honoré (2008)

De geverfde vogel – Václav Marhoul (2019) *

Dylda (Bonenstaak) – Kantemir Balagov (2019)

Don’t Expect Too Much (over Nicholas Ray) – Susan Ray (2011)

Wendy and Lucy – Kelly Reichardt (2008) **

First Cow – Kelly Reichardt (2019) ***

La graine et le mulet – Abdellatif Kechiche (2007) *

Delphine et Carole, insoumise – Callisto McNully (2019)

La Jetée – Chris Marker (1962) **

Sans soleil – Chris Marker (1983) *

Todos lo saben – Asghar Farhadi (2018)

De wind zal ons meenemen – Abbas Kiarostami (1999) ***

Girl With a Pearl Earring – Peter Webber (2003)

The Good, the Bad and the Ugly – Sergio Leone  (1966) *

Parasite – Bong Joon Ho (2019) *

Keith Richards: Under the Influence – Morgan Neville (2015)

Cold War – Pawel Pawlikowski (2018) *

What Happened, Miss Simone? – Liz Garbus (2015) *

Une histoire de femmes – Claude Chabrol (1988) *

Masques – Claude Chabrol (1987)

Joan Didion: The Center Will Not Hold – Griffin Dunne (2017) **

Traité de bave et d’éternité – Isidore Isou (1951) *

Oh Lucy! – Atsuko Hirayanagi (2017)

Dogman – Matteo Garone (2018)

Portrait de la jeune fille en feu – Céline Sciamma (2019) **

Ozark (serie) – Bill Dubuque /Mark Williams (2017-2022)

L’amant – Jean-Jacques Annaud (1992) **

Maps To the Stars – David Cronenberg (2014)

Shine a Light – Martin Scorsese (2008)

De wereld van Apu – Satyajit Ray (1959) **

Bang Gang (Une histoire d’amour moderne) – Eva Husson (2015) *

De Portugese non – Eugène Green (2009) *

Lola rennt – Tom Tykwer (1998) 0

Beast – Michael Pearce (2017)

Yellow Cat – Adilkhan Yerzhanov (2020) 0

Fin août, début septembre – Olivier Assayas (1998)

Örökség (de erfgenaam) – Márta Mészáros (1980) *

At Eternity’s Gate – Julian Schnabel (2018) *** (2 keer)

Mandabi – Ousmane Sembene (1968) *

Cargo 200 – Aleksey Balabanov (2007)

Der Himmel über Berlin – Wim Wenders (1987) ***

Pasolini – Abel Ferrara (2014)

Les trois couronnes du matelot – Raúl Ruiz (1983)

Muriel ou le temps d’un retour – Alain Resnais (1963) ***

Like Someone In Love – Abbos Kiarostami (2012) *

La cérémonie – Claude Chabrol (1995) *

Jiang hu er nü (Jianghu’s Sons and Daughters) – Zhangke Jia (2018) **

Er shi si cheng ji (24 City) – Zhangke Jia (2008) **

Shan he gu ren (Mountains May Depart) – Zhangke Jia (2015) **

Akasen chitai (Street of Shame) – Kenji Mizoguchi (1956) *

Gravity – Alfonso Cuaron (2013)

Out Stealing Horses – Hans Petter Moland (2019)

Dolor y Gloria – Pedro Almodovar (2019) *

Pather Panchali – Satyajit Ray (1955) **

1945 (Homecoming) – Ferenc Török (2017) *

Blind – Eskil Vogt (2014)

Souvenir – Bavo Defurne (2016)

Grave (Raw) – Julia Ducourneau (2016) **

Girl – Lukas Dhont – (2018) *

Control – Anton Corbijn (2007)

Workers – Jose Luis Valle (2013)

Inside Llewyn Davis – Ethan Coen / Joel Coen (2013)

Au revoir là-haut – Albert Dupontel (2017)

The Devil Is a Woman – Josef von Sternberg (1935)

Cure – Kiyoshi Kurosawa (1997) *** (2 keer)

Breakfast on Pluto – Neil Jordan (2005)

Passing – Rebecca Hall (2021)

Zycie jako smiertelna choroba przenoszona droga plciowa (Life As a Fatal Sexually Transmitted Disease) – Krzysztof Zanussi (2000) *

Interstellar – Christopher Nolan (2014)

La dolce vita – Federico Fellini (1960) **

When They See Us (serie) – Ava DuVernay (2019)

2 ou 3 choses que je sais d’elle – Jean-Luc Godard (1967) ***

Rolling Thunder Revue: A Bob Dylan Story by Martin Scorsese – Martin Scorsese (2019) *

Napszállta (Sunset) – László Nemes (2018) **

Zurich – Sacha Polak (2015) 0

The Power Of the Dog – Jane Campion (2021) **

Wanda – Barbara Loden (1970) ***

Nostalgia de la luz – Patricio Guzmán (2010)

Dark Waters – Todd Haynes (2019) *

Gainsbourg (Vie héroïque) – Joann Sfar (2010) 0

Sátántangó – Bela Tarr (1994) ***

The Whistlers (La Gomera) – Corneliu Porumboiu (2019)

Calle Lopez – Gerardo Barroso / Lisa Tillinger (2013) *

Lady Bird – Greta Gerwig (2017) *

Little Women – Greta Gerwig (2019) *

The Sisters Brothers – Jacques Audiard (2018)

Baden Baden – Rachel Lang (2016) *

Thoroughbreds – Cory Finley (2017) **

Midsommar – Ari Aster (2019)

Don’t Look Up – Adam McKay (2021)

Merci pour le chocolat – Claude Chabrol (2000) *

The Naked Kiss – Samuel Fuller (1964) *

In a Lonely Place – Nicholas Ray (1950) ***

Ai no korîda (Het rijk der zinnen) – Nagisa Ôshima (1976) ***

Ai no korîda (Het rijk der zinnen), Nagisa Ôshima

GESCHIEDENIS VAN HET KONIJN

Antwerpen, 29 juli 1979

Om vijf uur blijft er van ons niet veel meer over dan schaduw. Geraamten met vlees rond, in de woorden van Senga. Dronken en tegelijk nuchter, dat heb je soms met speed, loop ik de trap van Cinderella’s Ballroom op, gevolgd door Gabriëlla en Senga. Naar de Schelde, hoor ik mezelf roepen, ik heb licht en lucht nodig. Ik wil zien hoe de dag daar begint. Geweldig idee, zegt Gabriëlla. We lopen aan de linkerkant over de Raapstraat, de Predikerinnenstraat, Klapdorp, de Lange Koepoortstraat en de Zirkstaat tot aan de Jordaenskaai. Gabriëlla is uitgelaten, Senga volgt zwijgend op korte afstand. Ik kijk even om. Wat ziet ze er bleek uit. Al haar energie is op de dansvloer achtergebleven. Ja, we zijn nu niet veel meer dan drie schaduwen in het nieuw ontstane licht.

Aan de stroom die maar stroomt en stroomt, rusteloos en gevaarlijk en sereen, blijven we staan. Na het urenlange gedreun, de wilde extase en de nauwelijks verdrongen lustgevoelens, heb ik behoefte aan contemplatie. Aan de Schelde lijk ik tot rust te zullen komen. De Schelde, mijn stroom. De sleepboten in de verte herinneren me aan mijn kinderjaren op het schip. Ja, dat kind is altijd in mij aanwezig, zeker hier, aan de weidse rivier. De meeuwen, wit en grijs, laten zich gelaten als wrakhout op het water meedrijven. Het water zelf in vele tinten grijs en bruin, en de wolken daarboven. Dat alles daar buiten, dichtbij en toch ver, en dan ook nog mijn hart dat klopt en het bloed, het bloedrode bloed.

Dan kijk ik weer om en zie Gabriëlla tussen de duiven. Wat doe je, roep ik. Ik voer ze Librium, antwoordt ze, ze maken zo’n kabaal. Opeens bespeur ik beneden op de kade een groot uitgevallen konijn. Dat wil ik van dichterbij zien. Ik loop ernaartoe. Het konijn verroert niet. Is het dan niet bang voor me? Nu weet ik wat me te doen staat. Ik ga dat vet konijn vangen. Ik probeer het knaagdier zo dicht mogelijk te naderen. Dat is natuurlijk het lot tarten: het konijn maakt zich uit de voeten. Toch geef ik het nog niet op, ik loop erachter aan. Tot ik helemaal buiten adem ben. Gabriëlla staat luidkeels te lachen. Wat verderop overziet Senga de hele situatie en zegt nog altijd niets. Later, in bed, nadat we gevrijd en daarna geslapen hebben, vertelt ze me hoe ze zich had voorgesteld dat we circusartiesten waren. Jullie moeten een circus beginnen en daarmee de wereld rondtrekken. Ik zal jullie manager zijn, zegt ze. Het wordt een gigantisch succes. Een Rolling Thunder Revue op zijn Ensors, zegt ze. Met een konijn in de hoofdrol, zeg ik. Staat die pot yoghurt weer aan jouw kant, vraagt Senga.

[Nachten aan de kant 57]

2022

James Ensor, Carnaval in Vlaanderen


Gelukkig 2022, lieve vrienden! Mijn wensen? Dat je je goed mag voelen en niet slecht, dat je plezier mag hebben in plaats van pijn. Voldoening, genot en geluk in plaats van wanhoop, angst en verdriet. Kracht, gezondheid en goede daden. Waarheid in plaats van leugens. Wijsheid en inzicht in plaats van starheid en verblinding. Volharding en moed. Maat in plaats van mateloosheid. Stilte en troost van muziek. Lommerrijke dagen en een zacht klimaat in de steden en op het platteland. Feesten, velerlei lach en overal humor. De redding van onze blauwe en groene planeet. Wonderlijke dromen en vrede overal. (En natuurlijk ook Lou Reeds pow pow power of positive drinking.)

OVER LEZEN IN TIJDEN VAN COVID-19 (2021)

Vanwege de letterlijk hartverscheurende omstandigheden die het leven van Agnes en mezelf in het voorjaar ontwrichtten, had ik weinig tijd om iets anders te doen dan voor mijn geliefde te zorgen. Af en toe las ik wel wat, maar dat was eerder sporadisch en niet echt met mijn hoofd erbij. Vanaf juni kwam ik wat literatuur betreft opnieuw op gang. Lezen gaat bij mij altijd samen met schrijven. Het lukte mij opnieuw om wat ‘op papier’ te zetten. Ik nam de draad van Nachten aan de Kant (of ook Antwerpse Nachten) weer op, met een zonnige onderbreking in de vorm van herinneringen aan een verblijf in de Provence.

In die eerste maanden heb ik vooral genoten van de bitterzoete autobiografie van Bulle Ogier, J’ai oublié. Het enige boek waarover ik dit jaar een stuk schreef. Daarin onder meer dit: “J’ai oublié heeft mij zin gegeven om alles wat ik het voorbije jaar op Netflix – en andere streaming-diensten – heb gezien, meteen te vergeten. Wat was de cultuurwereld die Bulle Ogier beschrijft rijk in vergelijking met de opgewarmde, smakeloze kost die ons nu wordt voorgeschoteld.”
In dezelfde periode las ik De opgang van Stefan Hertmans, zijn beste fictie tot nu toe. In dat boek trekt hij al zijn registers open; zijn schrijfkunst, inzichten en kennis bereiken daarin hun zenit. Erg mooi en goed geschreven vond ik Al het blauw, van Peter Terrin. Herkenbaar en toch bevreemdend. Hoewel de plaatsen van handeling naamloos blijven lijken we ze toch goed te kennen.

Van mijn vriend en geestverwant Pascal Cornet, die ik jammer genoeg nog altijd niet in het echte leven heb ontmoet, las ik twee delen van zijn voortreffelijke en diepgravende autobiografie. Hij heeft ze in eigen beheer moeten uitgeven. Zijn er dan geen uitgevers meer die een originele stem herkennen? Het beste en welsprekendste boek over kunst was Funny Weather van Olivia Laing. Ik weet niet weer hoe ik haar heb ‘ontdekt’. Mijn keuzes zijn nogal willekeurig; ze hangen meestal van het toeval af. Soms laat ik mij iets aanbevelen of laat ik mij leiden door een recensie. Olivia Laing schrijft in een subjectieve stijl over Patricia Highsmith, Jean-Michel Basquiat, David Bowie, Agnes Martin, vrouwelijke schrijvers die drinken, Patti Smiths ‘Land’, Wolfgang Tilmans, etc.

In literair opzicht zal 2021 voor mij altijd het jaar van Joan Didion blijven. Al is altijd een relatief begrip. Ik ben haar werk veel te laat beginnen te lezen, daartoe verleid door de schitterende documentaire ‘Joan Didion: The Center Will Not Hold’ van Didions neef, Griffin Dunne. Tot voor enkele dagen was ik nog verdiept in Blue Nights, over de dood van haar dochter Quintana en haar eigen aftakeling. Nu is ze er zelf ook al niet meer. Over schrijven deed ze deze opmerkelijke uitspraak: “In many ways writing is the act of saying I, of imposing oneself upon other people, of saying listen to me, see it my way, change your mind. It’s an aggressive, even a hostile act. You can disguise its qualifiers and tentative subjunctives, with ellipses and evasions —with the whole manner of intimating rather than claiming, of alluding rather than stating—but there’s no getting around the fact that setting words on paper is the tactic of a secret bully, an invasion, an imposition of the writer’s sensibility on the reader’s most private space.” [Uit ‘Why I Write’, terug te vinden in de verzamelbundel ‘Let me tell you what I mean’.]

Mogelijk door de opkomst en groei van extreemrechts en de populariteit van allerhande fascisten en volksmenners in dit land en elders in Europa en de Verenigde Staten, ben ik mij wat gaan verdiepen in nazi-Duitsland. Onthullend vond ik vooral LTI, De taal van het derde rijk, van Victor Klemperer. Ik zag veel overeenkomst met de taal die we op sociale media lezen en met die van nogal wat nationalistische politici. Een uitdrukking als ‘dor hout’ voor oudere en zwakkere mensen, om maar één voorbeeld te geven, is ronduit nazistisch. Meeslepend en aangrijpend was voor mij de fictie van Hans Fallada. Zijn Alleen in Berlijn (Jeder stirbt fur sich allein) is een waarschuwing voor wat ons opnieuw te wachten staat. Je ziet de voortekenen overal. Het spinnenweb, het debuut van Joseph Roth, is even onheilspellend, al behoort het niet tot zijn beste werken.

Om mij te ontspannen las ik nogal wat biografieën. Jennifer Otter Bickerdike’s You are beautiful and you are alone is een uitstekende biografie van fotomodel, actrice, zangeres en songschrijver Nico. In de zeer leesbare maar weinig opzienbarende biografie The double life of Bob Dylan – 1941-1966, alweer een lijvig boek over Dylan van de betweter Clinton Heylin, vind je weinig nieuwe informatie. Mijn probleem is dat ik, eens voorbij pagina 30, boeken bijna altijd uitlees. Er zijn ergere problemen, ook al is tijdschaarste er een van.

Opnieuw stelde ik vast dat ik te vaak online zit te lezen en dat ik die teksten, hoe magnifiek ze soms ook mogen wezen, meestal meteen weer vergeet. Mijn voornemen is om dat minder te gaan doen. Mijn andere voornemen is om opnieuw gedichten te gaan lezen. Toen ik jonger was, was ik verslaafd aan poëzie. Nu blijven die mooie dunne boekjes gesloten. Wat een verloochening is van bijna alles waar ik sinds mijn vijftiende voor sta. Je moet je leven veranderen. Maar kun je dat nog? Je hebt zo weinig zelf in handen.



Boeken 2021 (geen chronologische lijst)

Joseph Roth, Tarrabas

Joseph Roth, Het spinnenweb

Elena Ferrante, Het verhaal van het verloren kind. Napolitaanse romans 4

Stefan Hertmans, De opgang

Annie Ernaux, De jaren

Bulle Ogier, J’ai oublié

Herman Melville, Moby Dick (vertaald door Barber van de Pol)

Margot Vanderstraeten, Mazzel Tov

Peter Terrin, Al het blauw

Tommy Wieringa, De heilige Rita

Sylvie Simmons, I’m your man. The life of Leonard Cohen

Olivia Laing, Funny Weather. Art in an emergency

Victor Klemperer, LTI. De taal van het derde rijk

Hermann Broch, Barbara. Novelle

Joan Didion, Where I was from

Joan Didion, Play it as it lays

Joan Didion, South and West

Joan Didion, De verhalen die we onszelf vertellen

Joan Didion, The year of magical thinking

Joan Didion, Blue Nights

Haruki Murakami, Eerste persoon enkelvoud

Tracy Thorn, My rock ‘n’ roll friend

Jennifer Otter Bickerdike, You are beautiful and you are alone. The biography of Nico

Clinton Heylin, The double life of Bob Dylan – 1941-1966. A restless, hungry feeling

Pascal Cornet, De elfde teen

Pascal Cornet, Populierendreef 29

Hans Fallada, Alleen in Berlijn

Hans Fallada, Wat nu, kleine man

Robert Walser, De bediende

Burhan Sönmez, Labyrint
James Salter, De kunst van fictie

Dave Eggers, Het Alles

Harrie Lemmens, Licht op Lissabon. Stadsverhalen

VERLOREN PARADIJZEN

Foto: Martin Pulaski

“… en de herinnering aan lijden in het verleden is noodzakelijk voor ons als de waarborg, het bewijs van onze onafgebroken identiteit.”
Oscar Wilde, De Profundis

Op de trein van Aix-en-Provence naar Marseille woog het afscheid Martin nog niet zo zwaar. Hij dacht terug aan de voorbije twee weken, de rust, de schoonheid van de landschappen, de kleuren en geuren van de gewassen, van het zoete en het zoute water, en bovenal aan het licht. De Camargue had diepe indruk op hem gemaakt. Opeens heeft hij een idee voor een verhaal. De plaats van handeling is Saint-Maries-de-la-Mer, de hoofdpersonages zijn hijzelf, of iemand die sterk op hem lijkt, en Madame Bovary. Hij is een zwerver, M., a lonely drifter, en wordt verliefd op Emma Bovary, die ongelukkig gehuwd is met een arts. Er komen paarden, flamingo’s en zigeunermuziek in voor. Bob Dylan krijgt een bijrol. Misschien wordt het wel wat. Laat ik de wind van Saint-John Perse er over de vlakte waaien, vraag Martin zich af. Beschrijf ik de berg van Paul Cézanne? Moet Vincent Van Gogh erin voorkomen? M. zou zichzelf in wanhoop een oor kunnen afsnijden, denkt hij. Ach, nee, het mag geen Desolation Row worden, met tientallen nevenfiguren. We zien wel, denkt hij. Wat komt, komt.

Al gauw rijdt de trein het station Marseille Saint-Charles binnen. Veel tijd om over te stappen hebben Senga en Martin niet. Om 21.53 uur vertrekt de nachttrein naar Parijs. Vanwege hun ontoereikend budget hebben ze de goedkoopste plaatsen moeten nemen, zonder reservaties voor zitplaatsen. Met hun onhandige rugzakken moeten ze op de gang blijven staan, dan zitten, dan liggen. Even buiten Marseille krijgt Martin het benauwd. Hij voelt woede opkomen, paniek. Zijn ademhaling wordt moeizaam. Het stof van de andere reizigers irriteert zijn luchtwegen. Na zoveel gezonde dagen krijgt hij dan toch nog met een astma-aanval af te rekenen. In een poging weer controle over zichzelf te krijgen haalt hij zijn cahier tevoorschijn en begint te schrijven, woedend, bezeten.

Op de trein word ik vermoord door de eerste klasse. Mijn laatste centen verspil ik aan een plaats in deze beestenwagen. In een spastische houding op de grond gezeten. Ik voel de hitte van de dood. Of is het de kou van de dood? De beklemmende koude hitte? Zo te sterven op het slagveld van de klassenstrijd. Zo jong nog, zoveel toekomst in een oogwenk van de kaart geveegd. Zoveel illusies over het einde van het kapitalisme. Het kapitalisme was zijn laatste adem aan het uitblazen, dacht ik. Wat we de voorbije jaren zagen waren alleen nog maar wat stuiptrekkingen, dacht ik. Wat een groteske vergissing! In Frankrijk wordt het iedereen duidelijk gemaakt tot welke klasse iemand behoort. Op het toilet, op de trein, in het café, op straat. De patrons en hun kontlikkers heersen hier schaamteloos. Wat ooit het proletariaat werd genoemd, de werkers en hun kinderen, berusten. Ze verliezen hun verstand bij het voetbal en de Tour en vallen uitgedoofd in slaap bij spelletjes en quizzen op de televisie. Geen teken van oproer of opstandigheid. Bij niemand. In Frankrijk besef je pas ten volle dat de zon van het kapitalisme nog maar net is beginnen te schijnen. De vrijemarkt is alomtegenwoordig.

Het ergste moment van de aanval kwam er nadat de trein uit Avignon was vertrokken. Hij ratelde door op weg naar Lyon. Martin keek niet door het raam. Hij klampte zich vast aan zijn schrift. Senga lag in een al even geforceerde houding als Martin met haar hoofd tegen haar rugzak en probeerde te slapen.

Wat stinken wij mensen. Wij verstikken in onze eigen walmen. Hoe lang houd ik dit vol? Hier op deze vuile grond, de passagiers uit de eerste klasse die over mij heen stappen, over Senga, die probeert te slapen. Courage, mon vieux. Courage, ma petite. Ja, het is waar, de hel, dat zijn de anderen. Omdat wij elkaars hel zijn zullen wij nooit de strijd tegen het kapitalisme winnen. De heren in hun villa’s, in hun maisons de campagne, op hun jachten, lachen met ons zielig negativisme, met onze wrok, met ons ressentiment. Hoe laat zou het zijn? Om kwart voor zes komen we aan in Parijs. Ze stompen me in de ribben. Ze trappen op mijn tenen, voeten, enkels. Mensenlichamen zijn afschuwelijk.

King Vidor, The Crowd, 1928

Martin heeft van zijn puffer kunnen nemen. Hij kan weer wat rustiger ademhalen. De onrust, die giftige slang, blijft echter in zijn woorden en zinnen binnendringen. Van slapen zal niets meer terechtkomen. Hij schrijft door, zijn jonge hoofd boordevol vruchtbare en verschrikkelijke herinneringen, boordevol woede en razernij.

Ik sterf aan de ziekte die eerste klasse heet. De onverschilligheid van haar onderdanen houdt de eerste klasse overeind. Hun lot, hun gebogen houding, hun zinloze dagen van zinloos werk, hun stem uitgebracht op paljassen, hun avonden opgebrand voor de televisie en af en toe wat lusteloos neuken, al die rotzooi, al die ellende, het lijkt hen vanzelfsprekend. Niemand kijkt nog op van uitbuiting, onrechtvaardigheid en repressie.

Ontsporen zal deze trein niet, deze trein der traagheid. Straks zijn we in Parijs, daarna komt Antwerpen. Maar waarheen spoedt zich mijn geest die zich niet langer met het gif van verraders en corrupte leugenaars en allerhande levenshaters wil inlaten? Waarheen snellen mijn rusteloze gedachten? Wat hebben deze woorden te betekenen? Misschien zijn het mijn laatste? Dan schrijf ik ze voor jou, Senga. Dan schrijf ik ze ook nog voor enkele vrienden, de weinige die ik nog kan en mag liefhebben. Voor degenen die lachen en spelen in betere lucht, die niet bang zijn om anderen lief te hebben, die voor schoonheid en lust leven, die de vruchten van hun dagen aan de wereld geven, ook al hebben zij pijn en worden zij oud, ouder, oudst. Misschien, ja, misschien zijn dit mijn ultieme woorden. Vast en zeker zijn zij een radicale aanklacht tegen de terroristen aan de macht. Nu nog niet maar ooit zal het gedaan zijn met hun gruwelen. Aan alles komt een einde. Vast en zeker zijn zij een aanklacht tegen de overbodige leeglopers van de eerste klasse, en tegen allen die vals glimlachend dienen en in dit schaduwrijk in vrede rusten
.

Op de vloer met onze onhandige rugzakken. Verkrampt. Met pijnlijke ledematen. Om ons uit te strekken is er geen plaats. Net voor de deur naar het toilet. Reizigers lopen af en aan, stappen over ons heen, laten hun sigarettenas op ons vallen, trappen op onze tenen. We proberen ons desondanks goed te houden. Het gaat al beter. Straks zijn we in Parijs, stad van licht. Van de macht, dat wel, maar ook van kunstenaars en dichters. Oscar Wilde ligt er begraven. Van hem leest Senga, die nu helemaal wakker is, De Profundis, een van de eerlijkste en waarachtigste boeken die ik ooit las, al is het met wat te veel retoriek en stijlfiguren geschreven. Maar aan hoeveel retoriek heb ik mij in deze ontboezeming niet schuldig gemaakt? Nooit zal iemand deze notities te zien krijgen. Dat zweer ik.

Langzaam reed de trein het station Paris-Gare de Lyon binnen. Het was donderdagochtend 26 juli, bijna zes uur. Het felle licht deed pijn aan de ogen. Parijs was al wakker. Martin en Senga dronken zwijgend een bittere koffie met een croissant erbij en namen dan de metro naar Gare du Nord. Ze waren bijna thuis.

Foto: Martin Pulaski

[Nachten aan de kant 56]

IN DE TUIN VAN PABLO PICASSO EN PAUL CEZANNE (VAUVENARGUES)

Paul Cézanne, Montagne Sainte-Victoire

Vauvenargues, maandag, 23 juli 1979

Het is nu vier uur. Het duurt nog even voor de bus naar Aix-en-Provence hier aankomt. Hoewel we op het terras van een restaurant zitten hebben we alleen nog maar een stuk appeltaart gegeten en twee koppen koffie gedronken. Het was ofwel dat ofwel helemaal niets. Overigens is dit het enige eethuisje in Vauvenargues, of ik moet de bar-pizzeria Chez Jo meerekenen, maar daar worden uitsluitend tijdens het weekend pizza’s opgediend.

Le Moulin de Provence is benevens een restaurant ook een hotel. Je kan moeilijk zeggen dat je hier vriendelijk wordt bejegend. De klandizie lijkt merendeels uit België te komen. Op het terras hoor ik voornamelijk Frans, maar met een Vlaams accent. Het is hier zo stil dat je elk woord kan horen. De aanwezigen doen uitstekend hun best om als bourgeois over te komen. In hun maniertjes, hun kleding, hun banaliteit. Hun gespreksonderwerpen lijken zo uit Flauberts ‘Woordenboek van Conventionele Ideeën’ [1] te komen. Voor deze medemensen zijn Senga en ik kennelijk een lagere diersoort. Ze schijnen te denken dat we hen niet zien als ze blikken boordevol misprijzen op ons werpen. Maar ik hoef maar even op te kijken van dit cahier om ze te zien. Af en toe komen uit het hotel nog wel logés van een ander type naar buiten. Ze dragen eenvoudige vrijetijdskledij en gymschoenen, de mannen hun haren zijn halflang, de vrouwen hebben veelkleurige broekrokken aan (het kunnen ook rokbroeken zijn). Die zullen dan wel in de goedkopere kamers logeren.

We zijn naar Vauvenargues gekomen voor de illustere naam van het dorpje maar ook om te wandelen. Eerst naar het dal, in de richting van de Montagne Sainte-Victoire. Heel nabij zo lijkt het, maar bergen bedriegen altijd. Het was moeilijk om ons een weg benedenwaarts door dicht struikgewas te banen. Senga was beducht voor muggen, dazen en ander ongedierte. Zaten hier geen slangen? Een noemenswaardig wandelpad vonden we niet. Wel rook het alom heerlijk naar lavendel. Het stuk grond behoort toe aan de erfgenamen van Pablo Picasso en hoort bij het schitterende Château de Vauvenargues. Ooit waren deze grond en het kasteel eigendom van Luc de Clapiers, hertog van Vauvenargues, vooral bekend van zijn Réflexions et Maximes, verschenen in 1746. Veel beroemder dan de hertog is Pablo Picasso, die het kasteel in 1958 kocht. Lang heeft hij er niet gewoond, van 1959 tot 1962, al keerde hij er wel vaak terug. Picasso, gestorven op 8 april 1973, ligt hier begraven. Jammer dat we zijn graf [2] niet konden bezoeken. In plaats van daarover te treuren zong ik een oud refreintje van Paul McCartney:

Drink to me, drink to my health
You know I can’t drink any more
Drink to me, drink to my health
You know I can’t drink any more
Drink to me, drink to my health. [3]

Pablo Picasso en Jacqueline Roque

Nadat Picasso het kasteel en de grond had aangekocht grapte hij tegen zijn vrienden dat Cézanne de Montagne Sainte-Victoire had geschilderd maar dat hij, Pablo Picasso, hem had aangekocht. Pablo Picasso never got called an asshole, aldus Jonathan Richman. Een beetje asshole was Picasso echter wel. De Montagne Sainte-Victoire is van Paul Cézanne. Hij heeft hem mogelijk zelfs voor het eerst werkelijk gezien. Hij heeft hem uit elkaar gehaald en weer in elkaar gestoken. Hij heeft via zijn werk aan de berg betekenissen gegeven die hij tevoren niet had. Zelfs Picasso kon die niet negeren. Zodra de Montagne Sainte-Victoire van Cézanne bestond kon niemand hem meer ongedaan maken. Andermaal denk ik aan een song, een van de troubadour Donovan Leitch, en wel First There Is a Mountain, waarin hij deze wijze woorden zingt:

First there is a mountain, then there is no mountain, then there is
First there is a mountain, then there is no mountain, then there is
First there is a mountain, then there is no mountain, then there is
First there is a mountain, then there is no mountain, then there is
First there is a mountain.

Omdat we niet verder konden keerden we terug naar het dorp, helemaal die helling weer op. Le Moulin de Provence was op dat ogenblik nog een onbeschreven blad. Na wat zoeken hebben we dan toch een pad gevonden dat naar de bergen voerde. Zo hebben we de top van de berg bereikt die tegenover de Montagne Sainte-Victoire ligt maar minder hoog is.

Eindelijk nog eens een keer ondergedompeld in de natuur. Doordringende geur van Provençaalse kruiden. Tijdens de klim wordt aan alles geroken en worden takjes en blaadjes geplukt om in onze rugzakken naar Antwerpen mee te nemen: wilde tijm, salie, laurier, rozemarijn. Overweldigend is het gezang van de krekels. Wat moeten zij elkaar veel te vertellen hebben. Jammer dat wij hun vrolijke taal niet begrijpen. Hoornaren, een soort van horzels, zie je hier ook wel. Leeggezogen door enorme mieren en uitgedroogd hangen ze aan takjes. Alleen nog maar doorzichtige omhulsels zijn die hoornaren, helemaal intact.

Zodra je de top hebt bereikt voel je je beetgenomen. Een vlakte met veel zon en weinig schaduw. Moesten we daarvoor al die inspanningen doen? Je weet niet goed waar naartoe, dus keer je maar op je passen terug. Op de terugweg worden geen geuren meer opgesnoven en wordt niets meer geplukt. Je loopt door. Je hebt een duidelijk doel voor ogen.

Weer op het dorpsplein. Op de fontein staat in groene, moeilijk leesbare letters gespeld: EAU NON POTABLE. We lopen naar Le Moulin de Provence en gaan op het terras zitten. Het duurt lange tijd eer een meisje ons vragen komt wat we wensen.

Nu ik dit hier zit te noteren ervaar ik de verveling van het dorpsleven. Vauvenargues bestaat uit niet meer dan enkele huizen; er zijn weinig mensen op straat. Stilte. De geluiden van de natuur maken deel uit van die stilte. Het is een zware stilte. Het is een stilte waar je moedeloos en lusteloos van wordt. Af en toe het vermoeid geblaf van een oude hond. Dan weer stilte. Hier is niets te doen. Il n’y a rien à faire. Je denkt dan maar terug aan de wandeling, de honderden fladderende vlinders in alle kleuren van de regenboog, aan de sprinkhanen en de krekels. Aan Cézannes berg, die je nu niet kunt zien. Daar is de bus. We hebben de rekening toch al betaald?

[Nachten aan de Kant 53]

Pablo Picasso, Jacqueline assise dans un fauteuil

[1] Gustave Flaubert, Bouvard en Pécuchet, Woordenboek van conventionele ideeën. Vertaald door Edu Borger.
[2] Ook het graf van Jacqueline Roque, de tweede echtgenote van Picasso, bevindt zich in Vauvenargues. Op 15 oktober 1986 maakte zij een einde aan haar leven.
[3] Picasso’s Last Words (Drink to Me), op de elpee Band on the Run (1973) van Wings.

IN AIX-EN-PROVENCE

Atélier de Cezannne. Foto: MP

Aix-en-Provence, zondag 22 juli 1979

Gisterenmiddag, na een schietgebed voor de heilige Sara en de drie Maria’s, dan toch uit Saintes-Maries-de-la-Mer kunnen vertrekken. Met de bus tot Arles, daarna de trein naar Marseille. De treinreis was een genot en daardoor zelfs wat te kort. Meestal verdiep ik mij tijdens zo’n reis in een boek, nu keek ik door het raam, gefascineerd door het snel veranderende landschap. De vlakte maakt plaats voor heuvels, bossen, rotspartijen.
Kunnen bomen ontroeren? De hoge, kaarsrechte cipressen alom deden dat bij mij zeker wel. Ik noteerde vlug enkele woorden, het begin van een gedicht, maar hield er meteen mee op want ik wilde niets missen van wat daar zo zonverlicht zichtbaar was. Overigens zou ik Goethes woorden over de cipressen in de Giardino Giusti in Verona nooit kunnen overtreffen. [1]

In Marseille een oponthoud van ongeveer een uur. Dan een lokale trein naar onze bestemming, Aix-en-Provence, waar we omstreeks zes uur zijn gearriveerd. Op camping Chanteclerc, dichtbij Cours Gambetta, een eind buiten de stad, kregen we gelukkig nog een plaatsje. Vanuit onze tent kijken we uit op een klein zwembad en op de Montagne Sainte-Victoire, de berg van Paul Cézanne, in het Oosten. Toen we in Chanteclerc aankwamen was het al volop feest. Belgen, Nederlanders en enkele Fransen vierden broederlijk en zusterlijk de Belgische nationale feestdag. Na de ervaring met de cipressen was dit een bevreemdend schouwspel. In België heb ik me al altijd een outsider gevoeld, nu werd ik dat, heel even toch, in het kwadraat. Sommigen hadden zich verkleed, er werd uitbundig gedanst en gezongen. Kort voor middernacht was het gedaan met de geforceerde nationale trots. Enkele Nederlandse punks die zin hadden om nog te gaan dansen in een discotheek in de stad, vroegen ons om met ze mee te gaan. Senga had er wel oren naar, maar we beseften allebei dat we te moe waren. Bovendien voelden we nog altijd de nasleep van die lange, uitputtende wandeling in de hemelse hel van de Camargue.

Na het ontbijt vanmorgen hebben we het idyllisch gelegen Atelier Cézanne bezocht. Werken van de meester zijn er niet te zien, maar de plek is zeker een uitstap waard. Te bezichtigen zijn er een aantal voorwerpen die de schilder gebruikte voor zijn stillevens: flessen, melkkannen, glazen, fruitschalen, doodskoppen, tapijten, boeken. Ook kleren, wandelstokken, schildermateriaal, een schildersezel. Er is een weelderige tuin achter en naast het huis, waar je vrij in mag rondwandelen. Hier kuierde ooit Paul Cézanne, de voorloper van de modernen, de schilder die kunstenaars en schrijvers – waaronder Rainer Maria Rilke en Peter Handke – leerde zien.

Na de lunch bezochten we Ecole des Beaux Arts, voor de tentoonstelling Présence Contemporaine. Een boeiende keuze van werk van hedendaagse, vooral Franse kunstenaars. Bij sommige werken heb ik notities gemaakt. Na zoveel jaar en zonder reproducties van de werken erbij weet ik niet of ze nog veel leeswaarde hebben. Je kan ze lezen in een lang uitgevallen voetnoot hieronder. [2] De werken van Bram van Velde, Hans Hartung en Jean-Paul Riopelle waren zo opmerkelijk dat ik er geen woorden bij kon bedenken.

Nog onder de indruk van zoveel dwarse schoonheid liepen we in stilte over Cours Mirabeau, een straat die meer op een plein lijkt. Aan weerszijden platanen die er mogelijk al stonden ten tijde van de Franse revolutie. Nu was het tijd voor een glas Provençaalse wijn.

[Nachten aan de Kant 52]

Paul Cézanne, Montagne Sainte-Victoire

[1] Goethe, Reis naar Italië, vertaald door Roel Houwink p. 58.

„Diese Zweige bracht’ ich aus dem Garten Giusti, der eine treffliche Lage und ungeheure Zypressen hat, die alle pfriemenartig in die Luft stehen. Wahrscheinlich sind die spitz zugeschnittenen Taxus der nordischen Gartenkunst Nachahmungen dieses herrlichen Naturprodukts. Ein Baum, dessen Zweige von unten bis oben, die ältesten wie die Jüngsten, gen Himmel streben, der seine dreihundert Jahre dauert, ist wohl der Verehrung wert. Der Zeit nach, da der Garten angelegt worden, haben diese schon ein so hohes Alter erreicht.”
Goethe, Italienische Reise, Projekt Gutenberg.

[2] Notities gemaakt in Ecole des Beaux Arts

HENRI LE CHENIER
zwartwit, breuk, twee vlakken
zwart gebroken door witte bliksem
zwart land van scheiding door witte rivier
topografische kaart, luchtgezicht –
toeschouwer boven wolken en nevel

PAUL REBEYROLLE
nieuw gevecht van kleuren: groen, marineblauw,bruin,
zwartwit, nauwelijks begonnen geel
grenzen opgelost
de hemel mislukt

PIERRE TAL-COAT
zwart (landschap) passief verzet
zwart (landschap), niet veel meer dan niets
en toch beweging, enkele witte nevels,
witte schaduw die van links komt aanzweven,
of die terugwijkt.

GERARD TITUS-CARMEL
déambulatoire, carré n° 3
potloodtekening, fantasie –
de vier hoeken van het getekende kader
met getekende doeken omwikkeld
wat heel gewoon is, dat is geheimzinnig
het kader in het centrum
geen verwijzing geen betekenis.

PABLO PALAZUELO
labyrint
ook weer zwart met witte lijnen (korte rechte lijnen)
je herkent een bepaalde structuur: intuïtie?

GUILLAUME CORNEILLE
vrouw in het centrum
totem, tekens en kleuren van de azteken
pre-columbiaans
kleuren vooral rood, geel en groen (ik denk aan Van Gogh)
fantastische faunen
warme waanzin

ANTONIO TAPIES
kruisen in het witte vlak gekerfd

PIERRE ALECHINSKY
verrassende speelsheid, zogenaamd primitivisme
opvallend de zoete warmte van vruchten,
van nieuw leven, geboorte
het warme zoete rood.

IN DE VERTE STAAT EEN PAARD

Saintes-Maries-de-la-Mer. Foto: MP

Saintes-Maries-de-la-Mer, woensdag 18 juli 1979

Gisteren om drie uur in Saintes-Maries-de-la-Mer aangekomen. Nog steeds dezelfde afmattende hitte. Het kampeerterrein van Touring Club de France, een zandvlakte, een kleine woestijn, heeft iets van een gevangenenkamp. Ik hoor hier voornamelijk de Duitse taal, ook het personeel spreekt je in het Duits aan. Schoon en hygiënisch is het allemaal wel.

Tijdens de eerste nacht werd de aanvankelijke stilte al gauw verstoord door dronkaards en andere idioten. In de vele merendeels erg grote tenten gekreun, talloze orgasmen. Het viel me op hoe kort de stoeipartijen duurden. Liever had ik dat allemaal niet gehoord en mijn geliefde in de stille nacht lang en teder gestreeld, daar waar ze het graag heeft, en haar sweet nothings in het oor gefluisterd. Helaas onmogelijk in een strafkolonie. We lagen wakker en al gauw hoorden we motorrijders het kamp komen oprijden. Daarna hardrock, Deep Purple, Uriah Heep – of the Scorpions misschien? Het waren Duitsers, zagen we vanmorgen, in zwart leer gehuld, breed geschouderd, met op hun pezige armen tattoos van blote vrouwen. Born to be wild, maar twintig jaar te laat. Marlon Brando zou hun vandaag alleen maar uitlachen. Het is alvast duidelijk dat ons verblijf hier ons geen rust zal brengen.

Het strand van Saintes-Maries is van glooiend, golvend zand, zacht aan de voeten.

Deze middag hebben we op het strand gelegen. Je zou het zonnebaden kunnen noemen. Het zeewater was te koud om in te zwemmen. Samen het water ingaan is niet mogelijk. We zijn op onze hoede voor tasjesdieven. In een plastieken zak van platenzaak Brabo zit heel ons vermogen en mijn bril en enkele boeken. Een groot kapitaal is dat niet, maar we moeten nog wat kunnen eten en naar Antwerpen terug reizen. Libération heb ik ook mee, nog altijd een uitstekende krant, zeer geschikt om de verveling mee te verdrijven en me nog enigszins aan het bestaan van de werkelijkheid te helpen herinneren. De krant doet tevens dienst als parasol.

De muggen van de Camargue zijn gemeen. Zoemen doen ze niet, ze vallen meteen aan en voor je het weet hebben ze je gebeten. Ze zijn stukken agressiever en giftiger dan hun soortgenoten in Antwerpen. De autochtonen lachen erom. Zij kennen hun muggen en maken zich vrolijk om de arme vakantiegangers die door hun kleine beestjes worden getreiterd.

Al vroeg in een goedkoop restaurant vis gegeten en vooral koele wijn gedronken.

Boven een moeras zag ik daarna een verrukkelijke zonsondergang. Voorbij het moeras de Middellandse Zee. In de verte, zei Senga, in de verte ginds staat een paard, een wit paard. Zie je dat? De zon was bijna ondergegaan. Ja, het witte paard is nu nog rood en dra is het zwart. Onwillekeurig moest ik aan T.S. Eliot denken. En nu, nu ik zoveel jaren later deze notities herlees, weet ik nog altijd niet waarom ik dat deed. Mogelijk dacht ik aan regels uit The Four Quartets, of uit The Wasteland.

Na zonsondergang is deze landstreek op haar bekoorlijkst. De lucht wordt zachter, doordrongen van een moeilijk te definiëren parfum, maritiem en landelijk tegelijk. De hemel krijgt een donkere en tegelijk heldere blauwe kleur. Miljoenen fonkelende sterren, heel dichtbij, je lijkt er op korte tijd naartoe te kunnen vliegen. Hun schittering verlicht de hemel als een kristallen bal een balzaal. Ver weg witte sluiers, Melkwegen. Mijn boek met afbeeldingen van de sterrenbeelden heb ik thuisgelaten. Ik aanschouw een onleesbare hemel.

Terwijl het donker werd stonden we daar wat te rillen, verloren in dit gigantisch universum en toch gelukkig. Het vuur van de hemel, het water van de Middellandse Zee en de moerassen, de mariene lucht overal om ons heen en de warme aarde onder onze voeten stelden onze zintuigen danig op de proef. Het ene moment voelde alles zacht en teder aan, dan weer hard en brutaal. Ik besefte hoe de aarde onze lichamen begeerde, hoe zij naar alles wat leeft en ademhaalt verlangt. Maar dat aardse verlangen deerde mij toen niet. Ik vergat mijn vrienden, mijn zoontje, mijn vader en moeder en broer, ik vergat de mensen die het slecht met me voor hebben, ik vergat mijn honger, ik vergat de bootvluchtelingen in Azië en de hongersnood in Afrika. Ik vergat dat het leven niets waard is. Ik vergat de steen in mijn hart. Ik vergat al het afval dat de wereld overspoelt. Ik vergat mezelf en ik vergat Senga. Ik was deel van de lucht en de aarde en het water en het vuur. Ik was gelukkig.
Het wordt koud, zei Senga, laten we naar onze woning gaan. Woning, vroeg ik. Je weet wel, lachte Senga, het kamp.


[Nachten aan de Kant 50. Zomer 1979]

MOERASKOORTS

Foto: Martin Pulaski

Port-Saint-Louis-du-Rhône, maandag 16 juli 1979

Terug in Port-Saint-Louis-du-Rhône. Over een uurtje komt de bus naar Arles aan. Tijd voor wat notities in dit cahier de brouillon. Er staat ons een pijnlijke nacht te wachten in ons kleine tentje. We voelen ons koortsig en slap. Senga’s nek is vuurrood, helemaal verbrand.

Toch merkwaardig hoe vlug je je vertrouwde omgeving en je vrienden vergeet. Zeker in een bevreemdend oord als dit, dat associaties oproept met zowel westerns als sommige surrealistische taferelen van Max Ernst. Mijn leven in Antwerpen lijkt zich in een parallel universum te hebben afgespeeld. Overigens lijkt het niet alleen maar zo: ik beleefde die opwindende Antwerpse nachten werkelijk in een vacuüm. Daarbuiten leefden geen mensen, bestond geen wereld. Uit die extatische ledigheid ben ik nu ontsnapt. Waarom zou ik ze missen?

Vandaag, op de route de Napoléon te midden van uitgedroogde moerassen, leek de zon ons te zullen verzengen. Senga en ik ondergingen urenlang haar vernietigende kracht. Er waaide een hete, zanderige wind; nergens een boom of struik voor wat schaduw, wat luwte. Ooit zou in de onpeilbare verte de Middellandse zee ons verkoeling bieden, dat wisten we. Want de zilte geur waaide ons reeds tegemoet; vanwege de droogte echter zonder enige koelte. Ooit, maar wanneer en hoe ver nog?

Senga en ik zijn stadsmensen, we weten niet hoe ons te kleden in een omgeving als deze. In onze rugzakken zitten alleen maar wat lichte zomerkleren. We liepen daar beiden blootshoofds; ik droeg een korte witte short en daarop een dun katoenen hemdje met korte mouwen, gelukkig wel met een kraagje waarmee ik mijn nek kon bedekken. Senga had alleen maar een kort batisten jurkje aan, meer niet. Bijzonder sexy, maar de zon maalt niet om seks. Tussen mijn kleren en mij zit alleen maar lucht, had een uitspraak van Senga kunnen zijn, maar zo zelfbewust is ze niet. Soms lacht ze met me vanwege mijn onderbroeken. Allemaal overbodige was, zegt ze dan. Maar ach, wat zijn wij amateuristische reizigers!

Na een uur flink doorstappen, zweten en hijgen, dachten we eraan om naar Port-Saint-Louis-du-Rhône terug te keren. Maar ik wil nooit zomaar opgeven, op dat gebied kan ik koppig en volhardend zijn. En dwaas. Bovendien leek het ons onmogelijk om dat hele stuk zonder rustpauze en afkoeling terug te lopen. Zodoende vervolgden we onze moeizame weg, ook al waren we doodsbenauwd en hadden we net zo goed langs de kant van de weg kunnen gaan liggen, Nietzsches amor fati indachtig.

Zover het oog reikt niets dan dor waterland. In de lucht immense meeuwen en vogelsoorten waarvan ik de namen niet ken. Sommige vogels hebben lange, sierlijke staarten. Jazeker, ik ben een stadsmens. Ook van vogels ken ik niets. Van de vier jaren doorgebracht in de bossen van Rekem is me weinig kennis van fauna en flora bijgebleven. Een bosuil zou ik nog wel herkennen. Hoog in de buitengewoon heldere lucht meen ik dezelfde witte vogels als deze die Edgar Allan Poe beschrijft in The Narrative of Arthur Gordon Pym te ontwaren. [1] Sloeg mijn verbeelding op hol?

Links van ons aan de horizon onbeweeglijk de haven met op de voorgrond drie gigantische tankschepen in een rij achter elkaar. Het is de haven van Port-Saint-Louis-du-Rhône. Hoeveel kilometer van de plaats waar wij ons nu bevinden?

We geven niet op, vervolgen onze weg, we moeten het strand bereiken. Plage Napoléon 3 km lezen we op een roestig bord. Naast de weg, links van ons, ligt bij een plas zout water een dode hond. Hij kan nog niet lang geleden gestorven zijn. Weinig vliegen op zijn kadaver. Waarschijnlijk werd hij aangereden door een of andere sadist. Of erger nog, door een onverschillige snelheidsduivel. Of heeft een inboorling hem neergeknald, dat kan ook.

Wat verderop ontwaren we in een grotendeels uitgedroogd meer eindelijk datgene waar we al zo lang naar uitzien. Het is een groep roze flamingo’s, de ware prinsen van dit betoverde rijk. In weerwil van de hitte blijven we deze wonderlijke dieren lange tijd aanschouwen.

Na ongeveer twee uur stappen onder een genadeloos brandende zon dan toch: de zee. Wat een teleurstelling. Een rommelig stukje strand en verder niets te zien, zelfs geen kiosk om wat te drinken. Het water te koud om in te baden. We moeten terug naar het stadje en dan de bus op naar Arles. Maar hoe?

Van Plage Napoléon terug naar hier hebben we een lift gekregen. Het was een rare vent, macho, Lino Ventura-type maar minder glamourous. Om maar te zeggen dat we hem niet helemaal vertrouwden. Maar tegelijk waren we toch ook blij dat we eindelijk weg waren uit dat inferno. Hij reed ontiegelijk snel. Was hij de snelheidsduivel die de hond had doodgereden? Keiharde muziek in de auto, een genre dat ik niet ken. Plaatselijke heavy metal? Een foltering voor het oor, maar alles is beter dan de zon.

De bewoners van deze moerasstreek zien er al even ongewoon uit als deze zone zelf. Ze hebben iets onbetrouwbaars, iets gevaarlijks. Ze bewegen zich enigszins log voort, als vermoeide reptielen. Hun woorden klinken drassig. Ze komen uit de zee en moeten nog wennen aan het land en aan de taal van de wat meer ontwikkelde mensen

Ik houd ermee op voor vandaag. Over enkele minuten is de bus daar. Opeens verlang ik ernaar om Altri Canti d’Amor van Monteverdi te horen. Ik denk terug aan De Goddelijke Komedie, het boek dat ik thuis heb laten liggen omdat het te zwaar was voor in mijn rugzak. Net voor we vertrokken was ik opnieuw begonnen in het derde deel, Het Paradijs.
Waar denk je aan, vraagt Senga. Ach, zomaar wat, aan Dante, aan dat rode boek dat thuis op mijn werktafel ligt, zeg ik. Aan Monteverdi. Aan onze heerlijke dagen in Florence. Maar liefje, we zijn nu in de Provence, zegt Senga. Het land van de troubadours. De dichters en zangers die Dante zo bewonderde. Ik vertel Senga wat ik me nog herinner van wat ik las over Arnaut Daniel, de Occitaanse troubadour die Dante in zijn Goddelijke Komedie bezong en die hij “il miglior fabbro” (“de beste smid”) noemde [2].

Non sai om tan si’en Dieu frems,
ermita ni monge ni clerc,
com ieu sui seleis de cui chan…

Daar is de bus, mijn dichter. Fluister me straks wat van die troubadours in mijn oor.

[Nachten aan de Kant 48. Zomer 1979]

Arnaut Daniel

[1] “Many gigantic and pallidly white birds flew continuously now from beyond the veil, and their scream was the eternal Tekeli-li! as they retreated from our vision.”

[2] Zie Dante, Goddelijke Komedie, Louteringsberg, Canto XXVI, 136-148