EEN GELUK EN EEN ONGELUK

AMERICAN FRIEND 1

Ik ben opnieuw in een periode aangekomen waarin ik aansluiting zoek met mijn verleden. Ik wil te weten komen wie ik ben en waar ik vandaan kom. Terwijl Orpheus zegt dat je niet mag omkijken. Of wil je je muze misschien verliezen? Koortsachtig blader ik in mijn dagboeken en andere oude notities, op zoek naar hoe ik vroeger was, hoe wij vroeger waren. Toen we jong waren, maar vanuit het heden gezien vaak heel wat ouder leken. Bijna verrast besef ik hoezeer ik veranderd ben, hoe mijn levenswijze veranderd is. En tegelijk zie ik ook wel dat ik nog altijd dezelfde ben, dat de kern van mijn wezen ongewijzigd is gebleven.

Dit is een dagboeknotitie uit 28 november 1978. Ik was toen achtentwintig.

Maandagochtend uit Lanaken vertrokken. Ellendige treinreis, behalve de kerktoren van Tienen. Toen ik die zag viel de tijd opeens stil. De trein en de medereizigers waren er niet meer – er was iets anders, iets dieps, dat slechts aan gene zijde van de woorden bestaat of niet bestaat. Een gelukservaring? Daarna weer dezelfde ellende van het reizen: kou, misselijkheid, enzovoorts. Ik lees Hamlet – om te vergeten wat er rondom me gebeurt, maar dat gaat niet, de letters verspringen, de woorden wijzen me op mijn miserabele conditie.
Om twee uur ’s middags thuisgekomen, naar het stempellokaal gewandeld en dan in bed gegaan.  ’s Avonds weer opgestaan om Der Amerikanische Freund van Wim Wenders te gaan zien.  Eindelijk nog eens een geloofwaardige film die vanuit onze tijdsgeest is gemaakt. Een van de leidmotieven is een lied van de Kinks :

There’s too much on my mind
And there is nothing I can say
There’s too much on my mind
And there is nothing I can do
about it –

Jonathan Zimmermann (Bruno Ganz) zingt het een drietal keer. Voor Wim Wenders is de muziek meer dan mooie achtergrond. De songs maken deel uit van het verhaal. Je zou ze gemoedsbeelden kunnen noemen. Naast the Kinks is er Bob Dylan. Op het einde van de film horen we Ripley (Dennis Hopper) mompelend zingen: I pity the poor immigrant.
Nicolas Ray is een mooie oude man. Hij bezit de waardigheid van een oude kunstenaar die zichzelf niet verraden heeft, maar je ontdekt ook verbitterde trekken om zijn mond en een cynische blik in zijn ogen: hij is ontgoocheld door het leven.
Der Amerikanische Freund is een film van onze generatie. Niet door het verhaal, afkomstig van Patricia Highsmith, maar door de sfeer, de kleuren. De uitzichtloosheid. Ik krijg het er koud van, voel de hopeloosheid en verbittering van het hoofdpersonage, de zieke Zimmermann. Flow river flow, flow to the sea. De beste exemplaren van deze generatie gaan ten onder aan teveel nacht. Eenzaamheid die ze niet kunnen verwoorden. Verwarring en geen vooruitzicht, geen uitweg. Ze vluchten naar de zee om te sterven op het strand. Want daar waar het licht wordt, houdt het leven op. Het strand is de grens. Verder kun je niet meer. Waar de golven op breken, blijven ook deze mensen als wrakken achter. We wisten het al, dat het strand de grens is, dat hadden Truffaut en Ferreri al duidelijk gemaakt, onder meer in hun films Les 4OO coups en Dillinger e morto.

Ik vraag me af waar Nicholas Ray nu mee bezig is. Maakt hij nog films? Het laatste wat ik van hem ken is 55 Days of Peking, een mislukking (omdat hij zich moest schikken naar de wil van zijn producenten). Heeft Ray het voorbeeld van Rimbaud gevolgd? Zijn rol in Der Amerikanische Freund lijkt een allusie op diens zelf gewilde ballingschap, of is dat te ver gezocht? De schilder en vervalser  Derwatt (Nicholas Ray) is duidelijk nog in leven, maar voor hoe lang nog? In het ware leven heeft Nicholas Ray, vooral bekend van Rebel Without a Cause, de helft van zijn tijd hier op aarde zijn zin kunnen doen: zijn heel persoonlijke oeuvre filmen. De helft van zijn leven: dat is niet weinig.

Aan de uitgang van de Monty stond Jos me op te wachten. We zijn nog een koffie gaan drinken. Omdat we ziek waren – of was het alleen maar moe – hadden we elkaar niet zoveel te vertellen, of konden we niet loskomen van onze schaduw. Jos voelde zich eenzaam, dat was duidelijk. Maar tegenover die eenzaamheid stond ik machteloos. Tom Ripley beweert in Der Amerikanische Freund dat vriendschap niet mogelijk is. De ontknoping van de film bevestigt die bewering. En ik heb het beklemmende gevoel dat de afloop van de avond, het afscheid op de hoek van de Vinkenstraat, er al evenzeer een bevestiging van was.

AMERICAN FRIEND 2

GRIJS

nostalghia1

De voorbije nacht had ik niet één vriend meer, alleen maar vijanden. Ze zaten achter me aan, ze wilden mijn dood. Op het moment van mijn grootste wanhoop en diepste verdriet kwam er een zachtaardige hond op me af. Ik zag meteen dat hij beter was dan alle mensen die ik als mijn vrienden had beschouwd. Voortaan bleef hij bij me, zodat ik mijn weg vond en niet meer alleen was. En zodat ik een uitweg vond uit de donkere nacht van deze ziel. Uit het eenzame labyrint van dit verdriet.

Dat is nu vijf jaar geleden. Het leven is gaandeweg opnieuw een avontuur geworden. Zelfs na de dagen op het kruispunt net voor het schaduwrijke woud, met zoveel mogelijkheden om de weg te verliezen. Met alleen maar een hond als metgezel, en niet eens een echte, maar een metafoor. Wie had het voor mogelijk gehouden? De kleur grijs is zoveel beter dan helemaal geen kleur.

Afbeelding: Andrej Tarkovski, Nostalghia, 1983.
[“Wanneer de Russische dichter Andrej Gortsjakov naar Italië reist om onderzoek te doen naar de 18e-eeuwse componist Pavel Sosnovski, krijgt hij een depressie uit heimwee naar zijn vaderland.”]

DEVIL’S ISLAND

devils island (2)

Mogelijk werd al gedacht dat ik naar Devil’s Island was verbannen, maar dat was dan een verkeerde conclusie. Nooit eerder was ik zoveel uur per dag aanwezig dan de voorbije drie maanden. Onzichtbaar, dat wel. Aanwezig hier, aan de achterkant van mijn blog, om aan de zichtbare voorkant te werken. Na de export van Skynet – ik wil die naam niet meer horen – naar WordPress zag hoochiekoochie er niet meer uit. Het leek wel of er een stijloorlog had gewoed, een layout-revolutie. Hoewel ik me bij het woord revolutie mooiere dingen voorstel.
In zekere zin was ik dan toch naar Devil’s Island verbannen, want daar leek hoochiekoochie op, of op welke andere plek dan ook waar het niet aangenaam is om te vertoeven.

1978 teksten en op z’n minst evenveel foto’s zijn gedurende die hete zomerdagen de revue gepasseerd en werden door mij gecorrigeerd en (wat de foto’s betreft) waar nodig vervangen of verbeterd. Aan de teksten zelf is qua vorm en inhoud niets veranderd.
Hopelijk is er nu ruimte en komt er nu tijd voor nieuwe woorden, nieuwe verhalen. Voor spannende avonturen en meeslepende verzinsels, voor mysterieuze mijmeringen en ongerijmde onthullingen. Moet het? Ja, het moet.

OP STAPEL

2018-06-03-nice-lyon 424 (2)

Wegens de hele reddingsoperatie van mijn blog, die maar gedeeltelijk geslaagd is en mij nooit zou gelukt zijn zonder de steun van een aantal vrienden (waarvan ik er sommige helemaal niet ken), is mijn werk in het veld van de letteren nog meer verstoord dan de diensten van De Lijn. Sinds maart werk ik gestaag aan een soort van verslag van een verblijf in Valle Gran Rey op het eiland La Gomera. Dat verslag is gaandeweg een raamvertelling geworden. De reden daarvoor is dat ik tijdens onze wandelingen daar, en ook op andere momenten, door herinneringen werd overspoeld en die vaak aan A. vertelde. Zo zijn ze, bijna tegen wil en dank, in die notities terechtgekomen. Het werken aan dat reisverslag, wat haast vanzelf leek te gaan, is in mei stilgevallen. De sfeer van het eiland, het dorp en het appartement, waar we een maand verbleven, vervaagt. Omdat ik de herinneringen die toen bij me zijn opgekomen schetsmatig in notitieboekjes heb opgeschreven, vervagen zij in veel mindere mate. Hoewel de structuur van dat verslag me wat moeite kost wil ik er toch mee doorgaan. Zo valt er nog heel wat te vertellen over de mensen die in La Gomera en Valle Gran Rey wonen. Het thema van de hoogtevrees moet zeker nog aan bod komen. Er moet dieper ingegaan worden op de muziek die op het eiland wordt gespeeld en op mijn fascinatie voor de zangeres Gloria. En ik moet een plaats vinden voor de herinneringen die in de notitieboekjes staan.

Ondertussen zijn de jaren zestig (en vooral 1968 opgedoken). Ik wilde dat hele gedoe van mei ’68 nog zo vermijden. We leven toch nu? We kunnen onze herinneringen niet zomaar kiezen. Zij kiezen ons. En toch is dat jaar er nu weer in al zijn glorie en al zijn ellende. Het lijkt erop dat ik niet anders kan dan er ook over schrijven. Uiteindelijk ben ik een bevoorrechte getuige. Een overlever.

Los van de sixties werk ik aan een reeks teksten over langspeelplaten die een belangrijke rol hebben gespeeld in mijn leven. Het gaat niet over welke platen ik de allerbeste of allermooiste vind of zo. Dat is een andere invalshoek. Ook hier gaat het weer om herinneringen, veel minder om schoonheid. Voor ik naar Nice vertrok en een treinreis door Frankrijk maakte, waardoor wat ik in La Gomera beleefde nog dieper weggezonken is, had ik zes albums de revue laten passeren. Nu ik weer thuis ben wordt het stilaan tijd om aan de resterende vier te denken. Dat is werk voor de volgende dagen (of weken). En misschien schrijf ik tussendoor nog wel iets over Arles, Saintes-Maries-de-la-Mer, Henri Matisse, Jean Cocteau of de heerlijke stad Lyon? Duidelijke plannen heb ik niet. Improviseren is de boodschap. Schrijven als een vorm van free jazz, maar wel met duidelijke grammaticale regels.

Ω

Foto: Martin Pulaski, Arles, mei 2018

 

SALUT LES COPAINS

france gall 8.jpg

Zolang ik me kan herinneren heb ik van muziek gehouden. In elke straat in elke stad waar ik kwam ging ik op zoek naar melodieën. Aan de hand van mijn moeder, met vrienden, en later – liefst van al – alleen. Soms zelfs in het gezelschap van mijn vader, over een paadje wandelend door een veld ergens in Limburg. Het gekwetter van vogels, het zingen van de wind in de bladeren. Ik herinner me nog hoe de klank van dat geruis veranderde in de herfst, alsof er een akkoord bestond tussen kleuren en geluiden.

Nu zijn we in het hart van de winter en France Gall is dood. Zo herinner ik mij opeens een korte maar intense vriendschap omstreeks 1965. Florentin Vleminckx was net als ik een schipperskind en leed bovendien ook aan astma. In tegenstelling tot wat zijn naam doet vermoeden was hij Franstalig opgevoed. In die dagen voelde ik me aangetrokken tot de Franse popmuziek. Florentin was de enige jongen met wie ik over France Gall, Sylvie Vartan, Claude François en zo meer kon praten. Samen met Florentin luisterde ik naar de Franstalige programma’s op Radio Luxembourg en bladerde ik in het glossy magazine Salut les copains, met de nog altijd onovertroffen foto’s van Jean-Marie Périer. Zijn mooiste model was zonder twijfel Françoise Hardy, maar misschien bekoorde France Gall ons nog meer omdat ze er zo jong en opgewekt uitzag. Bovendien had ze met ‘Poupée de cire, poupée de son’ het Eurovisiesongfestival gewonnen! Een schitterende compositie van Serge Gainsbourg, maar wisten wij toen veel. Hij zou nog meer uitstekende liedjes voor France Gall schrijven, onder meer ‘Baby Pop’, ‘Les sucettes’ en ‘Les petits ballons’.
Mijn fascinatie voor wat yéyé wordt genoemd hield even snel op als ze begonnen was. Aan de vriendschap met Florentin kwam al gauw een einde. Bij schipperskinderen was dat niet ongewoon. Je ontmoette elkaar toevallig en even toevallig zag je elkaar nooit meer terug. Ik herinner me nu dat ik soms nog wel eens naar hem vroeg als ik met mijn moeder over die onschuldige dagen van Salut les Copains zat te keuvelen. Maar wat antwoordde ze toch ook weer? Het is meer dan een halve eeuw geleden dat ik Florentin voor het laatst zag. Nu France Gall dood is zit ik opnieuw met hem op het schip van mijn ouders naar ‘Poupée de cire, poupée de son’ op de transistorradio te luisteren. Zie je ons glimlachen?

***
In de zomer van 1980 liftten A. en ik door Frankrijk. In alle steden waar het toeval ons naartoe bracht weerklonk France Galls ‘Il jouait du piano debout’. In winkels, in bars, in restaurants. Als we een wandeling maakten over een veldweg hoorden we het in de verte door de openstaande ramen van een auto de wereld ingestuurd worden. De hemel tegemoet. Een lied voor de engelen die boven de wolken wonen. Of misschien toch niet.

 

france gall 6.jpg

*
[Il n’y a que pour la musique, qu’il était patriote
Il s’rait mort au champ d’honneur pour quelques notes
Et pour quelles raisons étranges
Les gens qui tiennent à leurs rêves, ça nous dérange

Il jouait du piano debout, Michel Berger
Het nummer is een hommage aan Jerry Lee Lewis.]

 

KWETSBARE LICHAMEN

nieuw begin, begin, 2018, dagboeknotitie, herfst, winter, 2017, ziekte, pijn, terugblik, binnen, binnenskamers, isolatie, afzondering, asociaal, vrienden, afspraken, koorts, visioenen, dromen, melancholie, troost, familie, ouders, schoonvader, agnes, moeder, broer, foto's, fotografie, sneeuw, woorden, dood, wout vercammen, guche vercammen, antwerpen, provo, kunst, kunstenaars, conscienceplein, pannenhuis, bitter, ziel, stilte, niet vergeten

Begin in weerwil van veel een nieuw begin. Maar kun je dan al je eerste notitie van het jaar aanvangen met klachten over ziekte? Sta me toe te noteren dat 2017 op gebied van gezondheid voor mij ronduit een slecht jaar was. Het kan altijd erger, en dat is het ook voor mij soms geweest. Het dieptepunt was 2011, toen ik drie maanden lang in ziekenhuiskamers verbleef (maar zelfs een septische shock heeft me toen niet klein gekregen)… Nee, zo erg was wat het kwetsbare lichaam betreft het afgelopen jaar niet. Toch waren oktober, november en december maanden van kwellingen, pijn, ongemakken en daarmee samenhangende angsten en depressie. Ten gevolge van dat fysieke en mentale onbehagen sloot ik me nog meer dan anders af voor mijn vrienden en voor elke vorm van sociaal leven. Het kostte me veel moeite om naar theater, concert of de bioscoop te gaan. Tijdens een week in Porto zat ik soms halve dagen in het appartement dat we huurden aan Praça do Marquês de Pombal, niet alleen vanwege de regen. Meerdere afspraken, in Porto, Antwerpen, Brussel, moest ik afzeggen of verplaatsen. Het ergste was misschien nog dat ik op dertig december hoge koorts kreeg, waardoor ik twee van mijn trouwste en oudste vrienden, die ons in Bredene hadden uitgenodigd voor ons traditionele samenzijn tijdens de nieuwjaarsfeestdagen, ongetwijfeld heb teleurgesteld. Maar ik was zo zwak dat ik me niet eens recht kon houden. Tot eten en drinken was ik al helemaal niet in staat. Pure ellende, ook al omdat ik me zo schuldig voelde, terwijl zo’n koortsaanval toch niet iets is waar je voor kiest.
Wat ik in dergelijke situaties probeer te doen is zoveel mogelijk troost putten uit de denkbeelden en visioenen die uit mijn koortsige roes voortkomen. De nacht van dertig december ging ik onder meer terug naar 1975, toen ik pas was gaan samenwonen met A. Haar vader was niet bepaald op me gesteld. Toen A. bij haar vader was weggegaan had hij haar gewaarschuwd dat ze binnen zes maanden, of al veel eerder, terug bij hem zou zijn. De gevoelens die ik daar toen bij had kwamen nu weer helder naar boven. Misschien ging het zelfs om gevoelens die ik toen niet heb gehad, of meteen had verdrongen? Nu voelde ik een diep verdriet. Wat had die man, mijn toekomstige schoonvader, tegen me? Waarom heeft hij me tot zijn dood nooit willen aanvaarden als zijn zoon? Mijn ouders, die toch ook niet de meest vooruitstrevende mensen van België waren, ontvingen A. meteen met open armen.
Troost putten? Terwijl herinneringen als deze me toch ook triest maken. Maar het is een verwarde en zelfs warme melancholie. De denkbeelden vloeien in elkaar over. De herinneringen aan de strenge schoonvader, mijn tedere en gastvrije moeder. Hoe toen ik nog een kind, een puber was, mijn vriendjes bij ons thuis altijd welkom waren. Mijn moeder een en al aandacht en meegaandheid, zonder zich evenwel aan ons op te dringen. Zonder onze jeugdige dromen met allerlei regeltjes en bevelen te beschadigen. Aan mijn broer die ik nooit meer zie. Ja, die verschijnt nu ook op het toneel. Wat verwijdert ons van elkaar? Ik moet zeker nog eens naar hem toe voor de oude familiefoto’s, sommige zijn wel honderd jaar oud. Of ouder. Portretten van familieleden, mensen van wie ik de gezichten niet meer herken, de namen niet heb kunnen onthouden. Of misschien wel. Dat valt nog te bezien.

nieuw begin, begin, 2018, dagboeknotitie, herfst, winter, 2017, ziekte, pijn, terugblik, binnen, binnenskamers, isolatie, afzondering, asociaal, vrienden, afspraken, koorts, visioenen, dromen, melancholie, troost, familie, ouders, schoonvader, agnes, moeder, broer, foto's, fotografie, sneeuw, woorden, dood, wout vercammen, guche vercammen, antwerpen, provo, kunst, kunstenaars, conscienceplein, pannenhuis, bitter, ziel, stilte, niet vergeten

Nu ik hier in deze roes terechtgekomen ben en de woorden op dikke sneeuwvlokken zijn beginnen te lijken, een ordeloze dwarreling van niet voltrokken gedachten, verneem ik dat Wout Vercammen dood is. Ik ben sprakeloos. De woorden dwarrelen zelfs niet meer. Ze eten zichzelf en elkaar op. De eerste dode van het jaar. Wat kan ik zeggen over Wout? Dat ik hem graag zag? Het is allemaal zo lang geleden. De jaren tachtig in Antwerpen, die glansrijke periode zonder toekomst. Wout was in dat maffe theater een van de protagonisten, een van de pioniers van de nieuwe tijd, die was begonnen met de happenings van provo op het Conscienceplein. De plek waar we elkaar in de jaren zeventig en tachtig nog altijd ontmoetten. In het legendarische Pannenhuis. Nu kom ik nooit meer op dat pleintje. Er is niets meer overgebleven van toen. Alles is opgeofferd aan de vooruitgang, de groei. Het geld. Niet bitter worden, Pulaski. Wout Vercammen is dood. Ik denk aan zijn levensgezellin, Guche. Een dierbare vriendin, een zielsverwante. Een klein stuk uit mijn ziel gehapt, een groot stuk uit die van haar. Wout is dood. Stilte. Maar geen vergeten.

Afbeeldingen: familiefoto’s M.P.

VREEMDELINGEN IN EEN VREEMDE STAD

verhaal, stad, steden, mysterie, dwalen, dolen, zwerven, verdwalen, dérive, alleen, elvis, conversatie, bezoek, maaltijd, bendes, gevaar, zand

Elke stad bevat meerdere steden, sommige zichtbaar, sommige onzichtbaar. In zo’n stad in een stad liep ik over straat met een plastieken tas boordevol boodschappen en haastte me naar huis. Maar waar was mijn mooi huis en waar was mijn mooie vrouw? Dat zullen we later wel zien, dacht ik, en ik vervolgde mijn weg. Het was eerder een steegje dan een straat, zag ik nu. Een donker steegje in een middeleeuwse stad, met links en rechts van mij grijze en zwarte gebouwen waarvan de gevels elkaar bijna raakten. Verderop een brede boulevard met meer licht.
Wie is toch deze man die naast me loopt, vroeg ik me af. Terwijl ik dit dacht vielen mijn haast en mijn ongerustheid van me af. Ik zag dat de onbekende man – die ik zeker wel ergens van kende – en ik vrolijk doorstapten, nieuwsgierig om ons heen kijkend naar al het betoverende dat deze mysterieuze stad te bieden had. Ik zag dat omdat ik kennelijk uit mezelf was getreden, heel even maar, en een stukje achter mezelf en die vreemde man aanliep. Wat waren we opgetogen over deze stad! Zelfs de stinkende steegjes vertederden ons en wel zozeer dat ik meteen een foto maakte: een close up van onze pretoogjes.
Ik was al lang niet meer gehaast. Waarom zou ik me haasten? Ik had geen doel, tenzij je dit drentelen zelf, deze dérive, het doel zou noemen. En een bestemming dan? Ja, daar zeg je zoiets. Wat is het verschil tussen een doel en een bestemming? Alleszins was onze stemming opperbest, maar dat vermeldde ik al. We praatten er lustig op los; a little less conversation, dat merkwaardige advies van Elvis, was aan ons niet besteed.
Een vrouw sprak ons aan. Ze nodigde ons uit voor het avondmaal bij haar thuis. Haar eetkamer bestond uit twee delen, gescheiden door een wit gordijn in balenkatoen. Het was niet duidelijk waar ik plaats mocht nemen. Ik wist namelijk niet op basis van welke criteria de tweedeling was gemaakt. Al gauw bleek dat wij onder de genodigden de enige vreemdelingen waren. De andere aanwezigen waren allemaal familie van elkaar. Ze zaten met z’n allen, zeker wel dertig, aan grote langwerpige tafels. Waar vond ik een plaats om mijn boodschappentas achter te laten? Niemand bleek zich iets van mijn beslommeringen aan te trekken. Zag iemand mij wel? Waarom was ik hier uitgenodigd? Ik had zelfs geen honger.
Het was al donker geworden toen mijn metgezel en ik in de gevaarlijke wijk van de stad belandden. Op straathoeken waakten gewapende mannen. Meerdere bendes – met elk haar eigen kleuren en kapsels – terroriseerden deze buurt. We moesten ons gauw uit de voeten zien te maken. Hier en daar waren al straatgevechten aan de gang. Soms ook een eenzame wolf met een in het maanlicht flikkerend mes. Een psycho killer?
Gelukkig was het niet ver tot de nieuwere wijk, waar de zon opkwam. Ik liep voorop. Met mijn armen gestrekt bootste ik als een kind een vliegtuig of een engel na. Het leek wel of ik kon vliegen. Ik kon vliegen! Ik zag het vanop een afstand, met mijn eigen ogen. In deze wijk is de bevolking wel erg vriendelijk, zei mijn compagnon. Ja, zei ik, dat komt door het zand. In plaats van tegels, kasseien, straatstenen, was er overal zand. We deden onze schoenen uit en voelden de warmte van het witte zand.
We waren thuis gekomen. Niet bij mij thuis maar in het appartement van mijn metgezel, mijnheer Angelo Mysterioso. Hij was meteen in een diepe slaap gevallen. Alles was nu rustig. Ik was alleen met mezelf, met mijn onnauwkeurige gedachten. Wat mistte ik onze kinderlijke gesprekken. In een kartonnen doos naast zijn bureau zag ik folders over banken, over beleggen, over beursnoteringen. Doe je aan beleggen, vroeg ik. Ja, antwoordde hij met slaperige stem. Ik was diep teleurgesteld. Wie was deze man? Niemand om bevriend mee te zijn. Ik verliet het appartement en stond opnieuw op straat in het heldere licht van de dag. Ja, ik was alleen en redelijk gelukkig. Niets kon me nu nog tegenhouden.

Ω

Afbeelding: Martin Pulaski, Jaén, 2005