IN AIX-EN-PROVENCE

Atélier de Cezannne. Foto: MP

Aix-en-Provence, zondag 22 juli 1979

Gisterenmiddag, na een schietgebed voor de heilige Sara en de drie Maria’s, dan toch uit Saintes-Maries-de-la-Mer kunnen vertrekken. Met de bus tot Arles, daarna de trein naar Marseille. De treinreis was een genot en daardoor zelfs wat te kort. Meestal verdiep ik mij tijdens zo’n reis in een boek, nu keek ik door het raam, gefascineerd door het snel veranderende landschap. De vlakte maakt plaats voor heuvels, bossen, rotspartijen.
Kunnen bomen ontroeren? De hoge, kaarsrechte cipressen alom deden dat bij mij zeker wel. Ik noteerde vlug enkele woorden, het begin van een gedicht, maar hield er meteen mee op want ik wilde niets missen van wat daar zo zonverlicht zichtbaar was. Overigens zou ik Goethes woorden over de cipressen in de Giardino Giusti in Verona nooit kunnen overtreffen. [1]

In Marseille een oponthoud van ongeveer een uur. Dan een lokale trein naar onze bestemming, Aix-en-Provence, waar we omstreeks zes uur zijn gearriveerd. Op camping Chanteclerc, dichtbij Cours Gambetta, een eind buiten de stad, kregen we gelukkig nog een plaatsje. Vanuit onze tent kijken we uit op een klein zwembad en op de Montagne Sainte-Victoire, de berg van Paul Cézanne, in het Oosten. Toen we in Chanteclerc aankwamen was het al volop feest. Belgen, Nederlanders en enkele Fransen vierden broederlijk en zusterlijk de Belgische nationale feestdag. Na de ervaring met de cipressen was dit een bevreemdend schouwspel. In België heb ik me al altijd een outsider gevoeld, nu werd ik dat, heel even toch, in het kwadraat. Sommigen hadden zich verkleed, er werd uitbundig gedanst en gezongen. Kort voor middernacht was het gedaan met de geforceerde nationale trots. Enkele Nederlandse punks die zin hadden om nog te gaan dansen in een discotheek in de stad, vroegen ons om met ze mee te gaan. Senga had er wel oren naar, maar we beseften allebei dat we te moe waren. Bovendien voelden we nog altijd de nasleep van die lange, uitputtende wandeling in de hemelse hel van de Camargue.

Na het ontbijt vanmorgen hebben we het idyllisch gelegen Atelier Cézanne bezocht. Werken van de meester zijn er niet te zien, maar de plek is zeker een uitstap waard. Te bezichtigen zijn er een aantal voorwerpen die de schilder gebruikte voor zijn stillevens: flessen, melkkannen, glazen, fruitschalen, doodskoppen, tapijten, boeken. Ook kleren, wandelstokken, schildermateriaal, een schildersezel. Er is een weelderige tuin achter en naast het huis, waar je vrij in mag rondwandelen. Hier kuierde ooit Paul Cézanne, de voorloper van de modernen, de schilder die kunstenaars en schrijvers – waaronder Rainer Maria Rilke en Peter Handke – leerde zien.

Na de lunch bezochten we Ecole des Beaux Arts, voor de tentoonstelling Présence Contemporaine. Een boeiende keuze van werk van hedendaagse, vooral Franse kunstenaars. Bij sommige werken heb ik notities gemaakt. Na zoveel jaar en zonder reproducties van de werken erbij weet ik niet of ze nog veel leeswaarde hebben. Je kan ze lezen in een lang uitgevallen voetnoot hieronder. [2] De werken van Bram van Velde, Hans Hartung en Jean-Paul Riopelle waren zo opmerkelijk dat ik er geen woorden bij kon bedenken.

Nog onder de indruk van zoveel dwarse schoonheid liepen we in stilte over Cours Mirabeau, een straat die meer op een plein lijkt. Aan weerszijden platanen die er mogelijk al stonden ten tijde van de Franse revolutie. Nu was het tijd voor een glas Provençaalse wijn.

[Nachten aan de Kant 52]

Paul Cézanne, Montagne Sainte-Victoire

[1] Goethe, Reis naar Italië, vertaald door Roel Houwink p. 58.

„Diese Zweige bracht’ ich aus dem Garten Giusti, der eine treffliche Lage und ungeheure Zypressen hat, die alle pfriemenartig in die Luft stehen. Wahrscheinlich sind die spitz zugeschnittenen Taxus der nordischen Gartenkunst Nachahmungen dieses herrlichen Naturprodukts. Ein Baum, dessen Zweige von unten bis oben, die ältesten wie die Jüngsten, gen Himmel streben, der seine dreihundert Jahre dauert, ist wohl der Verehrung wert. Der Zeit nach, da der Garten angelegt worden, haben diese schon ein so hohes Alter erreicht.”
Goethe, Italienische Reise, Projekt Gutenberg.

[2] Notities gemaakt in Ecole des Beaux Arts

HENRI LE CHENIER
zwartwit, breuk, twee vlakken
zwart gebroken door witte bliksem
zwart land van scheiding door witte rivier
topografische kaart, luchtgezicht –
toeschouwer boven wolken en nevel

PAUL REBEYROLLE
nieuw gevecht van kleuren: groen, marineblauw,bruin,
zwartwit, nauwelijks begonnen geel
grenzen opgelost
de hemel mislukt

PIERRE TAL-COAT
zwart (landschap) passief verzet
zwart (landschap), niet veel meer dan niets
en toch beweging, enkele witte nevels,
witte schaduw die van links komt aanzweven,
of die terugwijkt.

GERARD TITUS-CARMEL
déambulatoire, carré n° 3
potloodtekening, fantasie –
de vier hoeken van het getekende kader
met getekende doeken omwikkeld
wat heel gewoon is, dat is geheimzinnig
het kader in het centrum
geen verwijzing geen betekenis.

PABLO PALAZUELO
labyrint
ook weer zwart met witte lijnen (korte rechte lijnen)
je herkent een bepaalde structuur: intuïtie?

GUILLAUME CORNEILLE
vrouw in het centrum
totem, tekens en kleuren van de azteken
pre-columbiaans
kleuren vooral rood, geel en groen (ik denk aan Van Gogh)
fantastische faunen
warme waanzin

ANTONIO TAPIES
kruisen in het witte vlak gekerfd

PIERRE ALECHINSKY
verrassende speelsheid, zogenaamd primitivisme
opvallend de zoete warmte van vruchten,
van nieuw leven, geboorte
het warme zoete rood.

IN DE VERTE STAAT EEN PAARD

Saintes-Maries-de-la-Mer. Foto: MP

Saintes-Maries-de-la-Mer, woensdag 18 juli 1979

Gisteren om drie uur in Saintes-Maries-de-la-Mer aangekomen. Nog steeds dezelfde afmattende hitte. Het kampeerterrein van Touring Club de France, een zandvlakte, een kleine woestijn, heeft iets van een gevangenenkamp. Ik hoor hier voornamelijk de Duitse taal, ook het personeel spreekt je in het Duits aan. Schoon en hygiënisch is het allemaal wel.

Tijdens de eerste nacht werd de aanvankelijke stilte al gauw verstoord door dronkaards en andere idioten. In de vele merendeels erg grote tenten gekreun, talloze orgasmen. Het viel me op hoe kort de stoeipartijen duurden. Liever had ik dat allemaal niet gehoord en mijn geliefde in de stille nacht lang en teder gestreeld, daar waar ze het graag heeft, en haar sweet nothings in het oor gefluisterd. Helaas onmogelijk in een strafkolonie. We lagen wakker en al gauw hoorden we motorrijders het kamp komen oprijden. Daarna hardrock, Deep Purple, Uriah Heep – of the Scorpions misschien? Het waren Duitsers, zagen we vanmorgen, in zwart leer gehuld, breed geschouderd, met op hun pezige armen tattoos van blote vrouwen. Born to be wild, maar twintig jaar te laat. Marlon Brando zou hun vandaag alleen maar uitlachen. Het is alvast duidelijk dat ons verblijf hier ons geen rust zal brengen.

Het strand van Saintes-Maries is van glooiend, golvend zand, zacht aan de voeten.

Deze middag hebben we op het strand gelegen. Je zou het zonnebaden kunnen noemen. Het zeewater was te koud om in te zwemmen. Samen het water ingaan is niet mogelijk. We zijn op onze hoede voor tasjesdieven. In een plastieken zak van platenzaak Brabo zit heel ons vermogen en mijn bril en enkele boeken. Een groot kapitaal is dat niet, maar we moeten nog wat kunnen eten en naar Antwerpen terug reizen. Libération heb ik ook mee, nog altijd een uitstekende krant, zeer geschikt om de verveling mee te verdrijven en me nog enigszins aan het bestaan van de werkelijkheid te helpen herinneren. De krant doet tevens dienst als parasol.

De muggen van de Camargue zijn gemeen. Zoemen doen ze niet, ze vallen meteen aan en voor je het weet hebben ze je gebeten. Ze zijn stukken agressiever en giftiger dan hun soortgenoten in Antwerpen. De autochtonen lachen erom. Zij kennen hun muggen en maken zich vrolijk om de arme vakantiegangers die door hun kleine beestjes worden getreiterd.

Al vroeg in een goedkoop restaurant vis gegeten en vooral koele wijn gedronken.

Boven een moeras zag ik daarna een verrukkelijke zonsondergang. Voorbij het moeras de Middellandse Zee. In de verte, zei Senga, in de verte ginds staat een paard, een wit paard. Zie je dat? De zon was bijna ondergegaan. Ja, het witte paard is nu nog rood en dra is het zwart. Onwillekeurig moest ik aan T.S. Eliot denken. En nu, nu ik zoveel jaren later deze notities herlees, weet ik nog altijd niet waarom ik dat deed. Mogelijk dacht ik aan regels uit The Four Quartets, of uit The Wasteland.

Na zonsondergang is deze landstreek op haar bekoorlijkst. De lucht wordt zachter, doordrongen van een moeilijk te definiëren parfum, maritiem en landelijk tegelijk. De hemel krijgt een donkere en tegelijk heldere blauwe kleur. Miljoenen fonkelende sterren, heel dichtbij, je lijkt er op korte tijd naartoe te kunnen vliegen. Hun schittering verlicht de hemel als een kristallen bal een balzaal. Ver weg witte sluiers, Melkwegen. Mijn boek met afbeeldingen van de sterrenbeelden heb ik thuisgelaten. Ik aanschouw een onleesbare hemel.

Terwijl het donker werd stonden we daar wat te rillen, verloren in dit gigantisch universum en toch gelukkig. Het vuur van de hemel, het water van de Middellandse Zee en de moerassen, de mariene lucht overal om ons heen en de warme aarde onder onze voeten stelden onze zintuigen danig op de proef. Het ene moment voelde alles zacht en teder aan, dan weer hard en brutaal. Ik besefte hoe de aarde onze lichamen begeerde, hoe zij naar alles wat leeft en ademhaalt verlangt. Maar dat aardse verlangen deerde mij toen niet. Ik vergat mijn vrienden, mijn zoontje, mijn vader en moeder en broer, ik vergat de mensen die het slecht met me voor hebben, ik vergat mijn honger, ik vergat de bootvluchtelingen in Azië en de hongersnood in Afrika. Ik vergat dat het leven niets waard is. Ik vergat de steen in mijn hart. Ik vergat al het afval dat de wereld overspoelt. Ik vergat mezelf en ik vergat Senga. Ik was deel van de lucht en de aarde en het water en het vuur. Ik was gelukkig.
Het wordt koud, zei Senga, laten we naar onze woning gaan. Woning, vroeg ik. Je weet wel, lachte Senga, het kamp.


[Nachten aan de Kant 50. Zomer 1979]

MOERASKOORTS

Foto: Martin Pulaski

Port-Saint-Louis-du-Rhône, maandag 16 juli 1979

Terug in Port-Saint-Louis-du-Rhône. Over een uurtje komt de bus naar Arles aan. Tijd voor wat notities in dit cahier de brouillon. Er staat ons een pijnlijke nacht te wachten in ons kleine tentje. We voelen ons koortsig en slap. Senga’s nek is vuurrood, helemaal verbrand.

Toch merkwaardig hoe vlug je je vertrouwde omgeving en je vrienden vergeet. Zeker in een bevreemdend oord als dit, dat associaties oproept met zowel westerns als sommige surrealistische taferelen van Max Ernst. Mijn leven in Antwerpen lijkt zich in een parallel universum te hebben afgespeeld. Overigens lijkt het niet alleen maar zo: ik beleefde die opwindende Antwerpse nachten werkelijk in een vacuüm. Daarbuiten leefden geen mensen, bestond geen wereld. Uit die extatische ledigheid ben ik nu ontsnapt. Waarom zou ik ze missen?

Vandaag, op de route de Napoléon te midden van uitgedroogde moerassen, leek de zon ons te zullen verzengen. Senga en ik ondergingen urenlang haar vernietigende kracht. Er waaide een hete, zanderige wind; nergens een boom of struik voor wat schaduw, wat luwte. Ooit zou in de onpeilbare verte de Middellandse zee ons verkoeling bieden, dat wisten we. Want de zilte geur waaide ons reeds tegemoet; vanwege de droogte echter zonder enige koelte. Ooit, maar wanneer en hoe ver nog?

Senga en ik zijn stadsmensen, we weten niet hoe ons te kleden in een omgeving als deze. In onze rugzakken zitten alleen maar wat lichte zomerkleren. We liepen daar beiden blootshoofds; ik droeg een korte witte short en daarop een dun katoenen hemdje met korte mouwen, gelukkig wel met een kraagje waarmee ik mijn nek kon bedekken. Senga had alleen maar een kort batisten jurkje aan, meer niet. Bijzonder sexy, maar de zon maalt niet om seks. Tussen mijn kleren en mij zit alleen maar lucht, had een uitspraak van Senga kunnen zijn, maar zo zelfbewust is ze niet. Soms lacht ze met me vanwege mijn onderbroeken. Allemaal overbodige was, zegt ze dan. Maar ach, wat zijn wij amateuristische reizigers!

Na een uur flink doorstappen, zweten en hijgen, dachten we eraan om naar Port-Saint-Louis-du-Rhône terug te keren. Maar ik wil nooit zomaar opgeven, op dat gebied kan ik koppig en volhardend zijn. En dwaas. Bovendien leek het ons onmogelijk om dat hele stuk zonder rustpauze en afkoeling terug te lopen. Zodoende vervolgden we onze moeizame weg, ook al waren we doodsbenauwd en hadden we net zo goed langs de kant van de weg kunnen gaan liggen, Nietzsches amor fati indachtig.

Zover het oog reikt niets dan dor waterland. In de lucht immense meeuwen en vogelsoorten waarvan ik de namen niet ken. Sommige vogels hebben lange, sierlijke staarten. Jazeker, ik ben een stadsmens. Ook van vogels ken ik niets. Van de vier jaren doorgebracht in de bossen van Rekem is me weinig kennis van fauna en flora bijgebleven. Een bosuil zou ik nog wel herkennen. Hoog in de buitengewoon heldere lucht meen ik dezelfde witte vogels als deze die Edgar Allan Poe beschrijft in The Narrative of Arthur Gordon Pym te ontwaren. [1] Sloeg mijn verbeelding op hol?

Links van ons aan de horizon onbeweeglijk de haven met op de voorgrond drie gigantische tankschepen in een rij achter elkaar. Het is de haven van Port-Saint-Louis-du-Rhône. Hoeveel kilometer van de plaats waar wij ons nu bevinden?

We geven niet op, vervolgen onze weg, we moeten het strand bereiken. Plage Napoléon 3 km lezen we op een roestig bord. Naast de weg, links van ons, ligt bij een plas zout water een dode hond. Hij kan nog niet lang geleden gestorven zijn. Weinig vliegen op zijn kadaver. Waarschijnlijk werd hij aangereden door een of andere sadist. Of erger nog, door een onverschillige snelheidsduivel. Of heeft een inboorling hem neergeknald, dat kan ook.

Wat verderop ontwaren we in een grotendeels uitgedroogd meer eindelijk datgene waar we al zo lang naar uitzien. Het is een groep roze flamingo’s, de ware prinsen van dit betoverde rijk. In weerwil van de hitte blijven we deze wonderlijke dieren lange tijd aanschouwen.

Na ongeveer twee uur stappen onder een genadeloos brandende zon dan toch: de zee. Wat een teleurstelling. Een rommelig stukje strand en verder niets te zien, zelfs geen kiosk om wat te drinken. Het water te koud om in te baden. We moeten terug naar het stadje en dan de bus op naar Arles. Maar hoe?

Van Plage Napoléon terug naar hier hebben we een lift gekregen. Het was een rare vent, macho, Lino Ventura-type maar minder glamourous. Om maar te zeggen dat we hem niet helemaal vertrouwden. Maar tegelijk waren we toch ook blij dat we eindelijk weg waren uit dat inferno. Hij reed ontiegelijk snel. Was hij de snelheidsduivel die de hond had doodgereden? Keiharde muziek in de auto, een genre dat ik niet ken. Plaatselijke heavy metal? Een foltering voor het oor, maar alles is beter dan de zon.

De bewoners van deze moerasstreek zien er al even ongewoon uit als deze zone zelf. Ze hebben iets onbetrouwbaars, iets gevaarlijks. Ze bewegen zich enigszins log voort, als vermoeide reptielen. Hun woorden klinken drassig. Ze komen uit de zee en moeten nog wennen aan het land en aan de taal van de wat meer ontwikkelde mensen

Ik houd ermee op voor vandaag. Over enkele minuten is de bus daar. Opeens verlang ik ernaar om Altri Canti d’Amor van Monteverdi te horen. Ik denk terug aan De Goddelijke Komedie, het boek dat ik thuis heb laten liggen omdat het te zwaar was voor in mijn rugzak. Net voor we vertrokken was ik opnieuw begonnen in het derde deel, Het Paradijs.
Waar denk je aan, vraagt Senga. Ach, zomaar wat, aan Dante, aan dat rode boek dat thuis op mijn werktafel ligt, zeg ik. Aan Monteverdi. Aan onze heerlijke dagen in Florence. Maar liefje, we zijn nu in de Provence, zegt Senga. Het land van de troubadours. De dichters en zangers die Dante zo bewonderde. Ik vertel Senga wat ik me nog herinner van wat ik las over Arnaut Daniel, de Occitaanse troubadour die Dante in zijn Goddelijke Komedie bezong en die hij “il miglior fabbro” (“de beste smid”) noemde [2].

Non sai om tan si’en Dieu frems,
ermita ni monge ni clerc,
com ieu sui seleis de cui chan…

Daar is de bus, mijn dichter. Fluister me straks wat van die troubadours in mijn oor.

[Nachten aan de Kant 48. Zomer 1979]

Arnaut Daniel

[1] “Many gigantic and pallidly white birds flew continuously now from beyond the veil, and their scream was the eternal Tekeli-li! as they retreated from our vision.”

[2] Zie Dante, Goddelijke Komedie, Louteringsberg, Canto XXVI, 136-148

MISTRAL

Vincent van Gogh, Korenveld met maaier en zon, 1889

Arles, zondag 15 juli 1979

De wind is gaan liggen, waardoor het vandaag nog warmer is geworden. Droge lucht gevuld met de geur van rozemarijn, tijm en lavendel. De voorbije dagen hebben Senga en ik kennis gemaakt met de mistral. Een krachtige, felle wind uit het noorden, die alles, mens, dier en plant, naar de aarde doet overhellen. Je hebt geen verweer tegen zijn korte, nijdige stoten. Het is een natuurfenomeen dat de mensen hier in de Rhône-vallei boos maar ook nederig maakt. Niet altijd is hij een wolf die ons maar al te graag bijt; soms heeft hij een zachter karakter en lijkt hij ons zelfs te willen strelen. Een zachtaardige vrouw is de mistral dan, een tedere Maria Magdalena (die, naar wordt beweerd, in Saint-Maximin-la-Sainte-Baume, niet ver van Aix-en-Provence, zou begraven zijn). De mistral is vooral een heldere wind. Mogelijk is wat ik beschrijf mijn hoogsteigen mistrau en dwaal ik met deze woorden af van het rechte pad van de waarheid. Overigens was het de eerste keer in mijn leven dat ik een wind aangenaam vond.

Gisterochtend zag ik de mistral tijdens een wandeling buiten de stadsmuren. We liepen langs het Canal de la Vallée des Baux. Een opmerkelijk landschap, mij reeds vertrouwd door schilderijen van Van Gogh. Hier realiseer je je pas dat hij een realistisch schilder was, veel meer dan een impressionist. Zijn landschappen zijn geen subjectieve indrukken van landschappen; ze ontvouwen telkens weer de realiteit van het landschap, tegelijk het oppervlak en de ziel ervan, ze zijn het landschap en transcenderen het. Van Gogh laat de essentie van deze streek zien, al is hij zeker geen regionalist. De grillige olijfbomen onder een gele lucht, de ruisende cipressen, het verdorde gras, de korenvelden, de verwelkte zonnebloemen, de lucht erboven, het zonlicht, de beweging, de lijntjes of streepjes. Je ziet hier in deze vlakte en op de licht glooiende hellingen inderdaad overal die korte lijntjes of streepjes. Het zijn Van Goghs gejaagde penseelstreken. Opvallend zijn de vogels boven de velden: leeuweriken, zwaluwen en soorten die ik niet ken. Hun vlucht drukt de taal van de mistral uit. Konden wij toch hun tekens ontcijferen!

Na de middag zijn we met de bus op verkenning geweest naar Saintes-Maries-de-la-Mer, een pittoresk stadje aan zee, zoals de plaatsnaam al aangeeft. Ik moest aan een Spaans dorp denken, hoewel ik om politieke redenen nooit in dat land ben geweest. Ik ken het voornamelijk uit films van Luis Buñuel. Vooral is Saintes-Maries-de-la-Mer een bedevaartplaats van de zigeuners.

De rit met de bus was duur en de hitte in het voertuig was haast ondraaglijk, vooral tijdens de terugkeer naar Arles. Het uitzicht maakte echter veel goed. Het platte land van de Camargue, uitgedroogde moerassen, stieren, gracieuze wilde paarden. De zee in Saintes-Maries is mooi. Trekt ze daarom mooie mensen aan, zoals lelijke flatgebouwen en afzichtelijke shopping centra mensen met slechte smaak aanlokken? Soort zoekt soort, wordt gezegd, al wil ik me geen volkswijsheden toe-eigenen en evenmin veralgemenen. Ik zag mooie, jonge meisjes op het strand en de allerliefste kinderen. Je zou haast gaan denken: misschien komt het toch nog goed met de wereld; deze kinderen zijn zoveel vrijer dan wij ooit geweest zijn.

Ook veel hippies zag ik. Eigenaardig toch dat zij nog bestaan, helemaal het type van wat nog niet zo lang geleden de Damslaper werd genoemd. Ze liggen op het strand of in de nauwe straatjes. Ze zien er niet rijk uit, maar ze moeten toch voldoende geld hebben om hier te kunnen overleven.

De zon brandde fel in Saintes-Maries-de-la-mer. Ik ben er niet bang voor. Ik denk zelfs dat ik ervan houd.

Ik noteer deze zinnen op het gezellige, rustige terras van een hotelletje in Pont de Crau, aan de route de Crau, de baan naar Salon-de-Provence. Ik moet nu ophouden met schrijven, anders hoef ik niet meer aan wandelen te denken. We willen vandaag nog een keer de velden van Van Gogh zien; onze eigen ogen de kost geven. Dat kan ook moeilijk anders. Je kan nooit zien wat de andere ziet. Zelfs Senga en ik kijken met andere ogen.

[Nachten aan de Kant 47. Zomer 1979]

AANKOMST IN ARLES

Arles in 2018. Foto: MP

[Nachten aan de Kant 46. Zomer 1979]

In de vroege ochtend kort voor zonsopgang kwamen Martin en Senga met de trein uit Parijs in Arles aan. De lucht was bewolkt, het zag ernaar uit dat het zou gaan regenen. Wat volgt zijn uittreksels uit het reisdagboek van Martins verblijf in Arles en Saintes-Maries-de-la-mer.

Arles, vrijdag 13 juli 1979.

Het station van Arles ligt aan de Rhône. Zo vroeg in de ochtend is de stroom mooi en statig, zeker, maar er gaat ook iets sombers en triests van uit, zoals van alle grote rivieren. In The River’s Invitation, een aangrijpende blues van Percy Mayfield, komt die tristesse perfect tot uiting.

In de trein de hele nacht wakker gelegen en gezweet. Bij het vertrek uit Parijs een angstaanval en hyperventilatie. Na enkele kalmeerpillen ging het wat beter. Couchettes, dat nooit meer. Je hebt er nauwelijks plaats om je armen en benen te strekken. Zes slaapplaatsen in één benepen hok. Toch waren de medereizigers geen lastige mensen. Ze waren rustig, waarschijnlijk sliepen ze zelfs. Waarom lukte mij dat dan niet? Onder meer omdat ik er niet op vertrouwde dat we op tijd zouden worden gewekt. Hoe dom wantrouwen kan zijn. Vanwaar komt die onzekerheid? Wakker gelegen, maar wel met mijn ogen toe, dus ook niets van het landschap gezien.

Pas na zonsopgang stel je vast dat Arles een prachtig oud stadje is. Je ziet hier personages die je kent uit het werk van Van Gogh zomaar voorbij kuieren. Een bedelaar bij het Théâtre Antique komt zo uit een schilderij van de Nederlandse meester gestapt.

Toen we een tweede keer aan de Rhône kwamen, brak de zon opeens door de wolken en voelden we de Zuiderse warmte opnieuw. Dat was van mei 1976 geleden, het moment van mijn eerste onderdompeling in het licht en de geuren van de Provence. Nu hadden we net koffie gedronken in zo’n typische mok in een café op Place Lamartine. Ook de kelners daar hadden iets Van Gogh-achtigs, vooral hun ogen, die me meteen deden denken aan de melancholische blik van Docteur Gachet, die overigens niet van hier was maar in Auvers-sur-Oise, ten noorden van Parijs, woonde. Zou die kunstenaarsvriend werkelijk zo’n zwaarmoedige man zijn geweest? Ik las dat zijn doctoraatsthesis een ‘étude sur la mélancolie’ was.

Ja, toen we een tweede keer aan de Rhône kwamen toonde de rivier haar spiegelende glans, alsof zij met haar glinsterende rimpelingen onze vermoeidheid wilde verdrijven. Een vrolijke uitbundigheid overmande ons toen we bij toeval op de markt belandden. De Marché d’Arles, dichtbij het Théâtre Antique, is een kunstwerk, maar dan wel één dat leeft en zindert. De kleur van de groenten, de omvang van de bollen knoflook, de geur van de olijven, de asymmetrische vorm van de tomaten, het sensuele van de warme gele lupinebonen.

Het is gaan waaien. Is het een aankondiging van de mistral? Ik zit nu op de grond voor ons tentje. Dit kampeerterrein ligt een heel eind van het station vandaan. We zijn er op korte tijd in geslaagd om onze kleine tent op te zetten, maar nu ben ik er toch niet helemaal gerust in. Ons tentje zou best wel eens omver kunnen waaien, met deze harde wind. Senga is zich gaan wassen, daarna ben ik aan de beurt. Ik adem de rijke geuren van de Provençaalse avond in.

Arles in 2018. Foto: MP.

OP DRIFT IN PARIJS

Graf van Frédéric Chopin. Foto: MP

[Nachten aan de Kant 45]

“Mon front est rouge encore du baiser de la Reine…”
Gérard de Nerval, El Desdichado

Veel heb ik niet geslapen. Daar was ik te rusteloos voor. Pas toen ik in bed lag, begon het tot mij door te dringen dat ik in Parijs was, de stad die me samen met Londen het meest dierbaar is. Maar hoe kan ik dat weten, ik heb nog maar zo weinig van de wereld gezien. Flarden van onze conversatie in het restaurant bleven in mijn hoofd rondspoken. Flarden van de naargeestige stilte van Gabriella. Haar fascinatie voor Moby Dick, voor de witheid van de walvis. Biarritz. Tweehonderd kilometer stappen. Ik zag het kleine blinde poesje weer voor me, nu veilig bij Giuseppe. Of was dat zelfbedrog van me? Hoe meer moe ik werd hoe meer en hoe sneller allerlei beelden zich aan me opdrongen. Scènes van Delft en Transsylvanië uit Werner Herzogs versie van Nosferatu. Minder indrukwekkend dan die van Murnau, bedacht ik, maar de witte huid van Isabelle Adjani maakte veel goed. Sublieme beelden van koortsachtige, bekorende landschappen waarin Kit en Holly hun noodlot tegemoet rijden. Terrence Malicks Badlands, een hoogtepunt in de recente filmgeschiedenis. Woorden uit Un coup de dés dwarrelden in het donker van de kamer neer, als fonkelende sneeuwvlokken op een donkergrijze, onverschillige aarde. Ik dacht aan de afgrond, altijd gapend en altijd nabij. Ook hier, in het Hôtel de Lisbonne. Wij zijn schipbreukelingen van de witte zeilboot die onder de naam van Mallarmé vaart. Inmiddels was het gaan regenen. Ik hoorde de druppels op de zinken Parijse daken vallen. Zo zakte in mijn gedachten de hoge koorts en viel ik dan toch in slaap.

Na een schaars ontbijt met sterke koffie spoeden we ons naar het Gare de Lyon waar we nog twee slaapplaatsen kunnen reserveren op de trein naar Marseille. Het staat nu vast: we gaan naar Arles. Vanavond om kwart voor tien vertrekken we. Voldoende tijd om een dag in Parijs rond te slenteren.

Gérard de Nerval.

In Saint-Germain-des-Prés wordt een tragikomisch stuk opgevoerd. Zowat iedereen is hier een acteur die zichzelf speelt. De hele cast doet aan overacting. De acteurs zijn zich er te zeer van bewust dat ze in theater Sorbonne spelen. In het Quartier Latin, tussen levensechte filosofen en historici. Hoewel ik mijn tekst niet ken en zelfs niet weet wie de regisseur is, heb ik het gevoel dat ik meespeel. Een kleine, korte rol – maar meer dan een figurant. Die van een naamloze wereldburger die nergens thuis is, tenzij in straten als deze, met huizen waar achter de gevels boeken worden gelezen en gedichten geschreven. Je kunt je in deze zone zonder moeite een moderne Stéphane Mallarmé, een hedendaagse Guillaume Apollinaire voorstellen. Achter de “affiches qui chantent tout haut”.

Later bezoeken we het kerkhof Père Lachaise. Een oude, mogelijke wat morbide wens gaat daarmee in vervulling. Ik vind het goed en mooi om een reis te beginnen met een nederig bezoek aan het rijk der doden.

De sereniteit en de stilte die er heersen zal ik wel nooit vergeten. De regen die zacht neervalt als een zegen van ons goedgezinde goden. De portier is een authentiek type, stokoud, gebogen, zijn stem trillend met een eerbiedig, typisch Frans pathos. Je hoort de aangeboren eerbied voor l’Histoire, les Hommes Célèbres, les Artistes, vermengd met de deemoed die zo vaak opduikt in de nabijheid van de Dood. Trots wijst hij ons op een plannetje de plaatsen aan waar zijn beroemdheden hun eindeloze slaap slapen: Edith Piaf, Frédéric Chopin, Marcel Proust, Amedeo Modigliani, de wanhopige Gérard de Nerval, Guillaume Apollinaire. Ik ben ervan overtuigd dat hij hun graven ook in de donkerste nacht nog zou terugvinden. Er ligt hier ook een zekere Jim Morrison begraven, voegt hij er nog aan toe, “un chanteur américain”, veel jongeren vragen naar hem. [1]

Bij het graf van Chopin krijgt Senga opnieuw een verschrikkelijke hoestbui. Kan dat toeval zijn? Chopin leed toch aan tuberculose? Lang sta ik te mijmeren bij het graf van Gérard de Nerval. Maar weinig van mijn tijdgenoten schijnen de schrijver van Les Chimères en van het onovertroffen verhaal Sylvie een bezoek te brengen. Worden zijn boeken nog gelezen? Wat een pijnlijk contrast met de laatste rustplaats van Jim Morrison. Wel zingt Steve Winwood een aangrijpend lied over de Parijse dichter. [2]

Graf van Jim Morrison in 2014. Foto: MP

Père Lachaise is een labyrint. Je verliest er gemakkelijk je weg en dat is niet wat je echt wilt. Er even rondslenteren, dat wel, maar toch ook weer niet té lang. Daar is later nog voldoende tijd voor. Tussen de graven zwerven opvallend veel grote, enigszins zwaarlijvige en daardoor wat traag bewegende katten rond. Ze kijken met een doordringende blik naar je, als vanuit een andere wereld. Opvallend veel van de poezen hebben een rode pels. Ik schrik als een enorme zwarte kat uit een grote houten kist opspringt. Lijken deze dieren niet op mensen? Misschien zijn zij wel reïncarnaties van sommige doden die hier begraven liggen? Ik krijg een inval voor een verhaal – een soort van fabel – dat zich afspeelt in het land genaamd La Chaise. De inwoners zijn levende doden die luisteren naar namen als Jean de La Fontaine, Gérard de Nerval, Sarah Bernhardt, Oscar Wilde en dergelijke meer. Hun graven zijn hun huizen. De levende doden kunnen vrij rondwandelen, met elkaar praten, zingen, aan politiek doen, korte films maken; ze kunnen toneelspelen, bij voorkeur stukken van Molière en Racine. Ze kunnen van gedaante veranderen. Liefst van al nemen deze illustere doden de gedaanten van katten aan. Soms, vooral op feestdagen, brengen ze de levenden aan het schrikken. Hun volgevreten buikjes schudden dan van het lachen. Zelf beleef ik al wat plezier aan het bedenken van dit eenvoudige verhaal. Maar schrijven zal ik het nooit. Ik ben geen fabelschrijver. Ik ben een surrealist. [3]

De laatste tombe waar we veel aandacht aan geven is die van Oscar Wilde. Het is de allermooiste:

                And alien tears will fill for him
Pity’s long broken urn,
For his mourners will be outcast men,
And outcasts always mourn.

Deze dode kan in vrede rusten; sommige bezoekers hebben hem nog werkelijk lief. Er brandt zelfs een kaars bij zijn tombe.

Graf van Oscar Wilde in 2014. Foto: MP

Van Père Lachaise nemen we de metro naar Ile Saint-Louis. Daar, in Square Barye, rakelen we herinneringen aan onze prille liefde op. Onze allereerste uitstap, in juli 1975, toen we nog maar twee maanden samenwoonden, was naar Parijs. Net als toen drinken we nu aan de oever van de Seine rode wijn en eten een stuk brood. Is er sinds 1975 iets veranderd? Ik ben harder geworden, minder gauw ontroerd. De Seine kan me niet meer zo bekoren, tot tranen toe bewegen, als in die tijd. Ook in onze verhouding gaat het er minder zachtmoedig aan toe. Het romantische van de verliefdheid is er nagenoeg uit verdwenen. De tijd heeft voor verwijdering gezorgd, er is meer afstand tussen ons gekomen. Maar anderzijds weet ik dat onze volwassen liefde is gegroeid, dat we ons inspannen om elkaar te begrijpen zoals we werkelijk zijn. Dat we elkaar niet langer op een romantische wijze aanbidden maar elkaar graag zien. En we passen nog altijd even goed in elkaar, vooral op dagen dat we van vuur zijn, zoals Les filles du feu van Nerval.

Bij het graf van Jim Morrison in 2014. Foto: MP

[1] In die tijd had Jim Morrison nog geen grafsteen. “Jim’s grave did not resemble that of a hero, I had been the only person to visit & it struck me very hard.” Dat schreef Nico enkele dagen na Jim Morrisons dood vanuit Parijs aan haar New Yorkse vriend Danny Fields. In de Nico-biografie van de hand van Jennifer Otter Bickerdike, You are beautiful and you are alone, waarin dit fragment uit Nico’s brief wordt geciteerd, lees ik nog het volgende: “Indeed, for his first several years in the legendary Pêre Lachaise Cemetery, the final resting place of other legendary figures such as Oscar Wilde and Edith Piaf, Morrison’s body lay in an unmarked grave.” “It wasn’t until 1981, on the tenth anniversary of his death, that he got a proper headstone and bust, created by Croatian artist Mladen Mikulin. Less than seven years later, by March 1988, the bust had been stolen.”

[2] Op de elpee When the Eagle Flies (Island, 1974) van Traffic. De tekst is van Viv Stanshall, de aan alcohol verslaafde maar erudiete zanger van the Bonzo Dog Band. Er waren maar weinig popliefhebbers die er enig idee van hadden waar die song, Dream Gerrard (sic), precies over ging. “Hippos don’t wear hats, / lobsters shriek if provoked / On long blue ribbons.”

[3] Zo zag ik mezelf in 1979. Nu al lange tijd niet meer. De realiteit is vaak zo surrealistisch dat realisme volstaat.

CONVERSATIE OVER DRANK, DRUGS EN STILETTO’S

Martin Pulaski, Parijs 2015

[Nachten aan de Kant 44]

Alles is wat het lijkt; zo lijkt het althans. Of toch niet?

In een restaurant op wandelafstand van Hôtel de Lisbonne eten we couscous royal, enigszins exotisch en betaalbaar. Het is echter vooral dorst wat we hebben. De eerste karaf koele rosé is sneller leeg dan het heeft geduurd om ze te vullen. Na een dag van grotendeels kijken naar steden en landschappen en veel zwijgen raken we nu aan de praat. We zijn dan wel weg uit Antwerpen, Antwerpen is nog niet weg uit ons.

Dat ik de voorbije weken overdreven heb met drinken en feesten, zeg ik. Al waren de nachten bij Ercola, in de Mok en Cinderella’s Ballroom opwindend, ze waren ook nefast voor zowel mijn lichamelijke als geestelijke gezondheid. Het zijn feesten van vreugde en pijn, zegt Senga. Bij Ercola heb ik me zo kunnen uitleven, ik kon maar niet stoppen met dansen. Ik moet mijn leven veranderen, zeg ik. Als dat nog mogelijk is, zegt Senga. We kunnen toch niet de weg opgaan van Gabriella en zeker niet van Jacques, zeg ik. Ja, het gaat duidelijk weer de verkeerde kant op met ze, zegt Senga. De dagen dat Jacques er was hebben we bijna niet meer met elkaar gesproken. Ze hebben waarschijnlijk al die tijd aan de morfine gezeten. Mogelijk is het maar een korte terugval. Wat was het akelig stil in hun kamer, zeg ik. Maar nu zijn ze misschien al in Arcachon. Ze zouden van daaruit een voetreis naar Biarritz maken. Hopelijk zal die onderdompeling in de natuur, of wat er nog van rest, hun goed doen. Wat ze vooral nodig hebben is rust. Tweehonderd kilometer stappen, dat zou ik ook wel willen, zeg ik. Helemaal tot aan de Spaanse grens en met rechts van ons de Golf van Biskaje om ons te verfrissen. Echt, met die zware rugzakken van ons, vraagt Senga.

Zouden we nog een halve liter rosé bestellen, stelt Senga voor. Waarom ook niet, zeg ik. Hij is lekker en ons budget kan het wel aan. Maar toch, al dat drinken, opper ik. De voorbije dagen hebben we het ook weer zo bont gemaakt, met al die vrienden van ons. Die avond voor we naar de Kant zijn gegaan hebben we met Gabriella wel een hele fles Jack Daniels leeggedronken. Jacques was er nog niet, dan is Gabriella heel wat avontuurlijker en spraakzamer, zegt Senga. Al blijft ze altijd een sfinx. En dan nog met de taxi naar de stad en daar de hele nacht margarita’s gedronken, zeg ik. Mogelijk heeft Gabriella minder last van katers dan wij, met die morfine, zeg Senga. Een dag eerder had ik dan ook nog eens met Ria in de Mok bier zitten drinken en joints roken. Ik geloof dat Ria alleen maar pils drinkt. Zoals Guillaume. Zeker geen sterkedrank. Ik weet zelfs niet meer waarover ik met Ria allemaal heb gepraat. Van alles over mij zeker, nu ik er een keer niet bij was, zegt Senga. Dan alvast niets slechts, Senga. Ik was die dag zo gelukkig met die twee elpees die je voor me had gekocht. Rust Never Sleeps is voor mij nu al een van de allermooiste platen van Neil Young. Je weet toch dat ik heb zitten wenen bij Pocahontas. Zo aangrijpend is dat nummer. En dat ik The Basement Tapes nu weer kan beluisteren, Going to Acapulco, Tiny Montgomery en de rest. Wat was er toch ook alweer met dat eerste exemplaar gebeurd, vraagt Senga. Dat ligt nog bij Peter Dekkers, samen met die mooie grote editie van Un coup de dés jamais n’abolira le hasard. Hij heeft me toen zijn Born To Run uitgeleend. Ik kende Bruce Springsteen helemaal niet, alleen de naam. Je hield niet van zijn naam, dat weet ik nog, zegt Senga. Springsteen, dat is toch geen naam voor een artiest, zei je. Ach, die vooroordelen altijd, zeg ik. Zo heb ik er in overvloed. Senga, ik ben zo blij met die platen. Ik kon gewoonweg niet leven zonder die Basement Tapes. En met Rust Never Sleeps zal hetzelfde gebeuren. Pocahontas en Powderfinger zijn nu al hoogtepunten in het werk van Neil Young. Jammer dat we Peter nooit meer hebben teruggezien sinds we uit Brussel vertrokken zijn, zegt Senga. Zoveel vrienden hebben we daar achtergelaten. Ja, maar we hebben er nu andere bijgekregen. En veel van de oude vrienden zien we wel nog. Gisteren nog Willy Boy en Giuseppe en Paul Walman. Hebben we echt een halve bak tripel leeggedronken, vraagt Senga. En een hele bak Stella, zeg ik. Het was een uitbundige avond, zegt Senga. Altijd met vrienden, zeg ik. En het mooist van al is dat Giuseppe het poesje heeft meegenomen. Je was echt wanhopig, niet? Ik had mij er zo aan gehecht, dat weet je, Martin. Ik heb er nachten niet van kunnen slapen. Wat moest er met dat hulpeloze wezentje gebeuren? We konden het toch niet naar de dierenbescherming brengen om het te laten afmaken? Niemand wilde dat poesje, als dat niet erg is. Het was ziek en misschien wel blind, zeg ik. Wie wil er nu zo’n gebrekkig diertje? Ik geloof dat het mijn moederlijke instincten waren, zegt Senga. Maar het poesje wilde zelfs niet drinken. Waarom hebben we het eigenlijk geen naam gegeven?

Ik begin behoorlijk dronken te worden van al die rosé, zeg ik. Zouden we niet beter gaan slapen? Dan kunnen we morgen nog wat van Parijs zien. Laten we het Pocahontas noemen, zegt Senga. Ik hoop dat Giuseppe Pocahontas goed verzorgt, zeg ik. Ik vertrouw hem niet helemaal, zegt Senga. Hij heeft soms iets wreeds in zijn blik. Die nochtans overwegend teder en zachtaardig is. Ik heb ook iets wreeds, zeg ik. Met mij moet niet gesold worden. Ik kan gevaarlijk zijn. Ik had een Charlie Starkweather kunnen worden.
Ik dacht eraan hoe waanzinnig het was geweest om voor we op reis vertrokken nog gauw naar de wapenwinkel op het Astridplein te lopen en daar twee stiletto’s te kopen, een zwart exemplaar voor Senga, een groen wat groter exemplaar voor mezelf. Waanzinnig ja, maar ik vond het wel heerlijk om mijn stiletto open te klikken, opnieuw en opnieuw. Een oefening voor je weet maar nooit. Toen ik nog een puber was had ik ook zo’n knipmes gehad. Ik dacht toen dat ik in de wieg was gelegd om misdadiger te worden. Maar opeens hoorde ik al die liedjes op de radio, Eve of Destruction, The Times They Are a-Changin’, I Got You Babe, je weet wel. Een bewijs voor de transformatieve kracht van muziek. Pop heeft van een rebel zonder reden een opstandeling met een reden gemaakt. Wederopstanding, het leidmotief van mijn leven. Anastasis. Maar nu opnieuw met een knipmes op zak.

Martin Pulaski, Parijs 2015

HET VERTREK (NAAR DE CAMARGUE)

Les valseuses, Bertrand Blier

[Nachten aan de Kant 43]

Na veel feestgedruis bij Ercola, een vrolijk kunstenaarscollectief in de Wolstraat, en – haast traditiegetrouw – bij Robert en Maryse in Cinderella’s Ballroom en na menig vriendenbezoek zijn we dan toch naar Frankrijk kunnen vertrekken. Naar de Camargue zijn we op weg gegaan. Dat is voor ons dat jaar een soort van bestemming, hoewel onze kennis van de regio schaars is. Alleen maar dat het een uitgestrekt moerasgebied is, weten we met zekerheid, de delta van de Rhône, en dat er wilde paarden en roze flamingo’s in het wild leven. In reisgidsen hadden we meer informatie kunnen vinden maar daar waren we tegen. We wilden ons geen toeristische bezienswaardigheden laten opdringen. Welbeschouwd weten we niet wat de hoedanigheid van ons reisdoel is. Veel meer dan een plaatsnaam, Camargue, is het niet. Hoe we ernaartoe moeten reizen is evenzeer een groot vraagteken. Het is een tijd dat we nog van verrassingen houden. Still love remains in some strong heart, keep your mind open, die woorden uit een song van Kaleidoscope, waren al lang een soort van credo voor mij.

Rond het middaguur vertrekken we uit ons hoofdkwartier in de Dolfijnstraat. Om te liften valt het weer goed mee; warm met een koele bries. Eerst tot Sint-Niklaas met een handelsreiziger, dan naar Gent met een zo te zien wat gestresseerde liefhebber van Ierland en Ierse folkmuziek. Spraakzaam is de man niet, tenzij wat die Ierse folk betreft. De Baai van Galway en Ierse folk, dat is mijn lust en mijn leven, zegt hij. De hele rit lang moeten we dat gefiedel aanhoren en een paar klaagliederen van Johnny Cash er nog bovenop. Ook een Ier? Of toch eerder van Engelse komaf? Zijn betovergrootmoeder een hoer uit Covent Garden? Zijn overgrootvader een unfortunate lad? Ik word er al gauw chagrijnig van.
De volgende halte is Kortrijk, bekend van de Guldensporenslag, al was ik daar op dat moment niet eens zo zeker van. Mogelijk was het hele verhaal over Jacob van Châtillon, Gwijde van Dampierre en Willem van Gulik, heer van de elf heerlijkheden van Sint-Servaas, wel helemaal verzonnen. Sinds ik De leeuw van Vlaanderen had gelezen had ik heel wat echte slagvelden gezien, vooral die van liefde en vriendschap. Hendrik Conscience was alleen nog maar de naam van een Antwerps plein in de nabijheid waarvan onze nachtelijke avonturen zich voltrokken. Toevallig komt daar in Kortrijk Willy Boy in zijn vrachtauto voorbijrijden. We hadden de avond tevoren in onze keuken nog Tripels met hem zitten te drinken. Tijd om wat te praten hebben we niet, hij moet dringend naar Brussel terug; leverde pas nog materiaal bij een bedrijfje ergens aan de Franse grens en liep daar vertraging op.

In Menen, net voor die grens, duurt het wachten lang. Maar altijd stopt er dan toch wel een barmhartige ziel in een deux chevaux of een Renault 4. Dit keer is de verlosser een vriendelijke maar zwijgzame jongeman. In zijn kleine rammelkar van een bestelwagen voert hij ons tot in het centrum van Parijs. De jongen is al even schuchter als wij. Hij lijkt wat op Claude Faraldo in zijn film Les fleurs du miel. Voor wie de film heeft gezien: Paul, de drankleverancier. Omdat het wagentje zo rammelt, staat de muziek erg luid. Bij songs die onze chauffeur leuk vindt draait hij de volumeknop naar rechts. Dat is onder meer het geval bij Satisfaction in de versie van Otis Redding en Venus van Shocking Blue. Well, I’m your Venus, I’m your fire, what’s your desire? Dat is ook een vorm van communicatie, en wel een die me nauw aan het hart ligt. Mijn hart overvol te wantrouwen verlangen.
We passeren Villeneuve, en dat is het ook echt, een volledig nieuwe stad, met een indrukwekkende architectuur, maar wat betekent toch cité scientifique? Hoe kon ik daarover nooit iets hebben gelezen? Als we door Arras rijden heb ik opeens een soort van visioen. Als ik op een keer Arras zal bezoeken en er door de straten slenteren, zal ik daar alles herkennen, niet alleen elk huis en elk gebouw en elke straat maar ook alle inwoners en zelfs hun huisdieren. In Arras zal ik een vrouw ontmoeten die Sarra heet. Ze drijft een theehuis en draait platen van John Coltrane, Miles Davis en Don Cherry en is helemaal weg van Waltz for Debby van Bill Evans. Ze heeft lange rode haren en lijkt sprekend op de vrouw op het schilderij I lock my door upon myself van Fernand Khnopff. Als ik weer bij mijn positieven kom voel ik me wat schuldig. Heb ik Senga in mijn visioen al niet voorgoed verlaten?

Voor de rest zie ik een monotoon landschap: het Noorden van Frankrijk. Op de radio klinkt de nieuwslezer overdreven opgelucht: “Skylab, c’est fini!”. Het ruimtestation was een onbestuurbaar projectiel geworden en verbrandt nu in de atmosfeer. Brokstukken ervan komen in de Indische Oceaan en op Australië terecht. Niemand hoeft zich nu nog zorgen te maken. Het bidden om bescherming kan ophouden, bange mensen in Afghanistan en India mogen hun grotten weer verlaten. De verkoop van de Skylabrestanten kan dra beginnen [1].

Het is nu 18.30 uur en snikheet. We naderen Parijs. De jongen vraagt waar we precies moeten zijn. Ergens in het centrum, zeg ik. En daar brengt hij ons heen, naar het hart van deze wonderlijke stad, naar de Opéra. Van de verkeersdrukte tijdens het spitsuur krijg ik meteen een astma-aanval. Maar die krijg ik klein met enkele inhalaties Berotec.

Hier staan we dan, verloren in de zonovergoten lichtstad. Besluiteloos, zoals zo vaak. Quo vadis, Senga? Naar het Quartier Latin, de enige wijk waarmee we wat vertrouwd zijn? We lopen over de Boulevard Saint-Germain en zoeken in de zijstraten naar een betaalbaar hotel. Alles lijkt te zijn volgeboekt. Het is al na achten. Een zenuwinzinking nabij nemen we een kamer in een luizig en nogal duur tweesterrenhotel: Hôtel de Lisbonne. Hoe komt het dat slechte hotels vaak naar andere steden zijn genoemd? In de kamer krijgt Senga een hevige hoestbui waarbij ze zelfs bloed opgeeft. Zou het tuberculose zijn? Na ons wat opgefrist te hebben gaan we op zoek naar een restaurant. In de Rue Jacob kondigt de schemering de nacht aan, ons vertrouwde element. Ik zou nog door een ellenlange nacht van depressie en jaren aanslepende psychoanalyse moeten gaan om in te zien dat alleen de dag verlossing brengt.

Parijs

 [1] Op 13 juli vond de Australiër Stan Thornton een paar kleine stukjes van het Skylab in Esperance.

ZERO DE CONDUITE: INSECTEN

Them!

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Stem af op Radio Centraal 106.7 fm en verruim je geest. Waarom zou je hem blijven vernauwen? Het motto van deze show isThe caterpillar hood / Won’t cover the head of you / Know you should / Be home in bed.
Je kan dit programma via streaming beluisteren. (En hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers).

Mocht ik mij alle insecten uit mijn jeugd herinneren, en alle voorvallen die ermee verband houden, en die op papier zetten, met vanzelfsprekend heel wat zijsprongen en meanderende associaties, dan zou ik al gauw voldoende materiaal hebben voor een boek, bestaande uit meerdere delen; een boek dat vast een ware bestseller zou worden. Maar ik begin er niet aan. Ik ben liever een krekel en zing – niet bepaald toonvast – mee met de songs die ik hier heb verzameld. Overigens heb ik nu ik oud en nog steeds niet wijs ben niet veel meer over insecten te vertellen. Het zijn kleine diertjes die wel eens hinderlijk kunnen zijn, die me soms flink doen schrikken – en hun aantal is groot. Veel meer valt er wat mij betreft over insecten niet te melden. Ik ben Jean-Henri Fabre niet. Ik laat dan liever de insectenkenners Tom Waits en Kathleen Brennan aan het woord: hun song Army Ants is werkelijk subliem:

“The Whirligig Beetles are wary and fast with an organ to detect the ripples
The Arachnid Moths lay their eggs inside other insects along the borders of fields
Or roads in clusters of white cocoons
The Ribbed Pine Borer is a longhorn beetle
Their antennas are half the length of their body and they feed on dead red pine
Robber Flies, with their immobile heads, inject a paralyzing fluid into their prey
That they snatch from life in mid-air
The Snow Flea’s mode of locomotion, strange and odd
With a spiny tail mechanism with hooks and a protracted tube from the abdomen
To enable moisture absorption
The female Praying Mantis devours the male while they are mating.
The male sometimes continues copulating even after the female has bitten off his head
And part of his upper torso
Every night wasps bite into the stem of a plant, lock their mandibles into position
Stretch out at right angles to the stem and, with legs dangling, they fall asleep
If one places a minute amount of liquor on a scorpion
It will instantly go mad and sting itself to death
The Bombardier Beetle, when disturbed
Defends itself by emitting a series of explosions
Sometimes setting off four or five reports in succession
The noises sound like miniature popgun blasts
And are accompanied by a cloud of reddish-coloured, vile-smelling fluid
It is commonly known that ants keep slaves
Certain species, the so-called Sanguinary Ants in particular
Will raid the nests of other ant tribes and kill the queen and then kidnap many of the workers
The workers are brought back to the captor’s hive where they are coerced into performing menial tasks
And as we discussed last semester, the Army Ants will leave nothing but your bones
Perhaps you’ve encountered some of these insects in your communities
Displaying both their predatory and defense characteristics
While imbedded within the walls of flesh and passing for
What is most commonly recognized
As human.”

Daaraan kan ik geen gebenedijd woord meer toevoegen. Veel luisterplezier!

Bobbie Gentry

Bugs – Bobbie Gentry – Ode To Billie Joe – Bobbie Gentry

Junebug Waltz – Hurray For The Riff Raff – Hurray for the Riff Raff – Alynda Lee Segarra

The Bed Bug Song – Brownie – Soul Jazz Records Presents: Calypso: Musical Poetry In The Caribbean 1955-69 – Richards

Os Grilos (Crickets Sing For Anamaria) – Marcos Valle – The Bossa Nova Exciting Jazz Samba Rhythms, Vol. 2 – Marcos Valle/Paulo Sérgio Valle

My Cricket – Leon Russell – Carney – Leon Russell

Day Of The Locusts – Bob Dylan – New Morning – B. Dylan

A Worm Is At Work – Slapp Happy & Henry Cow – Desperate Straights – Blegvad/Moore

Diet Of Worms – This Heat – This Heat – This Heat

Hey Worm! – “Little” Jimmy Dickens – Early Rock ‘n’ Roll And Rockabilly – Allison

Fly Trouble – Hank Williams – I’m Satisfied With You – Biggs/ Rose/Wilds

Human Fly – Cramps – Off The Bone – The Cramps

The Spider And The Fly – The Rolling Stones – Out Of Our Heads [USA] – Mick Jagger/Keith Richards

Flyswatter – Eels – Daisies Of The Galaxy – E

Fly On The Wall – XTC – English Settlement – Colin Moulding

I Am the Fly – Wire – Chairs Missing – Lewis/Newman

Ant Man Bee – Captain Beefheart & The Magic Band – Trout Mask Replica – Don Van Vliet

Army Ants – Tom Waits – Orphans: Brawlers, Bawlers & Bastards – Tom Waits – Kathleen Brennan

I Got Ants In My Pants – James Brown – Star Time – James Brown

The Caterpillar Crawl – The Strangers – Golden Age of American Rock & Roll – Vol 7 – Joel Hill/Ron Lynch

Caterpillars – The Handsome Family – Wilderness – Brett & Rennie Sparks

Mosquito Dance – Béla Bartók – 44 Duets For Violins On The Nyckelharpa – Béla Bartók

I’m Nature’s Mosquito – Jonathan Richman & The Modern Lovers – Home Of The Hits: The Best Of Jonathan Richman & The Modern Lovers – Jonathan Richman

Here Come The Fleas – White Noise – An Electric Storm – Vorhaus/McDonald

Maggots – Kendra Smith – Five Ways of Disappearing – Kendra Smith

Kendra Smith

Insecticide – Frank Tovey (Aka Fad Gadget) – The Fad Gadget Singles – Fad Gadget

Boris The Spider – The Who – A Quick One, While He’s Away – John Entwhistle

Black Widow Spider – Dr. John – Babylon – Dr. John Creaux

My Tiny Butterfly – Moondog – Moondog 2 – L. Hardin

Butterfly Dance – Kevin Ayers – Shooting At The Moon – Kevin Ayers

The Butterfly Collector – The Jam – The Jam Collection – Paul Weller

Butterfly Mornings – Hope Sandoval & The Warm Inventions – Bavarian Fruit Bread – Richard Gillis

Southern Butterfly – Tim Hardin – Bird On The Wire – Tim Hardin

Butterfly – Scott Walker – Scott 3 – S. Engel

Lady Bird – Nancy Sinatra & Lee Hazlewood  – Nancy Sinatra & Lee Hazlewood – Lee Hazlewood

Firefly – American Music Club – California – Mark Eitzel

Dragonfly – Shack – Waterpistol – Michael Head

Muzzle Of Bees – Wilco – A Ghost is Born – Wilco

Outro With Bees (Reprise) – Neko Case – Blacklisted – Neko Case

The Predatory Wasp Of The Palisades Is Out To Get Us! – Sufjan Stevens – Come On Feel The Illinoise! – Sufjan Stevens

Research & samenstelling: Martin Pulaski

HOOFDKWARTIER ZURENBORG

[Nachten aan de Kant 42]

Van 1977 tot 1980 woonden we in een pand in de Dolfijnstraat in de wijk Zurenborg in Antwerpen. Een fijne buurt met een mooi plein, de Dageraadplaats, een naam die me nauw aan het hart lag omdat ik het ochtendrood (Aurora) nooit méér gekoesterd heb dan in die dagen. Dat hield zeker verband met filosofie en poëzie, maar niet minder met de nachten, die mij toen zo dierbaar waren. Je weet hoe indrukwekkend een zonsopgang is als je de hele nacht bent opgebleven. Op de Dageraadplaats was toen nog een uitstekende boekwinkel en de plaatselijke slijterij viel evenmin te versmaden. Ons stamcafé was de Cereus; later tot Het Zeezicht omgedoopt. Ook Dolfijnen liggen mij nauw aan het hart, ook al omdat ze in twee van mijn favoriete songs voorkomen, The Dolphins van Fred Neil en Dolphin’s Smile van the Byrds.
Daar, in Zurenborg, ontstond het plan om ooit mijn Antwerpse nachten een tweede leven te geven. Maar dat kon ik slechts verwezenlijken door ook de dagen van werk en studie in beeld te brengen. Nu, zovele jaren later, blijkt dat er veel meer komt bij kijken dan alleen maar het reconstrueren van een specifieke tijd en plaats. Honderden dromen (en nachtmerries) en talloze herinneringen hebben sindsdien het verhaal aangevuld. In literatuur, films, muziek, kunst, op websites ontdek ik nuanceringen en nieuwe revelaties.

De foto’s hierboven maakte ik in 1977 aan de Draakplaats. De heel bijzondere torentjes op de achtergrond hebben mij altijd gefascineerd. Ze staan naast de spoorwegberm en maken deel uit van een watervoorzieningssysteem van de spoorwegmaatschappij. Mijn model is zoals zo vaak Senga, minder bekend dan de heilige Agnes, beschermheilige van verloofde stellen, van de kuisheid, van jonge meisjes en maagden en van slachtoffers van verkrachting.

EEN NIEUWE ORDE, EEN NIEUW MIERENNEST

Mijnheer De Wever heeft een nieuwe droom, zegt hij. Maar het is een oude droom, besmet met collaboratie en nazisme; eerder een nachtmerrie. In zijn verbeelding is de confederale staat Vlaanderen een voldongen feit. Dweepten in hun kinderjaren werkelijk zoveel Vlamingen met de ‘Zuidelijken’, het leger van de Confederacy (een bond van zuidelijke Amerikaanse staten), dat vocht voor de heren die een economie gebaseerd op slavernij voorstonden? Hielden zij niet meer van de in het blauw gehulde Yankee-soldaten uit het noorden, niet meer van president Lincoln dan van John Wilkes Booth? Ik herinner mij die kinderjaren en de cinema’s waarin de westerns en de oorlogsfilms werden vertoond nog goed. De nazi’s hadden maar kort tevoren het onderspit gedolven, heel wat Belgische landverraders zaten nog in de cel. Het is waar dat in de meeste westerns uit die tijd, waarin op de voorgrond maar meestal op de achtergrond de Amerikaanse burgeroorlog woedt, weinig van die slavernij is te zien. Zwarte soortgenoten leken in het Hollywood van toen sowieso nauwelijks te bestaan. Je had als kind kunnen denken dat de officieren en soldaten van het confederale leger, de grijze uniformen, echte helden waren. Zoals je aan ‘onze’ collaborateurs dapperheid had kunnen toeschrijven omdat ze aan het oostfront ‘heldhaftig’ strijd leverden tegen de bolsjewieken, ‘die ons alles zouden komen afnemen’. In mijn omgeving echter kende ik niemand die zich met foute helden identificeerde.

Van slavernij gesproken. Wie zijn voor mijnheer De Wever in zijn reëel bestaande confederatie de slaven? Dat moeten ongetwijfeld de hardwerkende Vlamingen zijn? Want buitenlanders, ‘volksvreemden’ zijn niet langer welkom in zijn nieuwe staat. En hoe zit het in zijn rijk dan met degenen die hij als vertegenwoordigers van de slogan ‘vrijheid, blijheid’ schijnt te beschouwen? De linksen, communisten, socialisten, ecologisten, babyboomers, achtenzestigers, oude hippies, anarchisten, kunstenaars, dichters, et cetera? Waar is hun plaats in zijn staat?

Maar goed, voor de voorzitter van de NVA is de Vlaamse Staat al werkelijkheid. Nu heeft hij die nieuwe (oude) droom. Hij droomt hardop van een confederatie van de Lage Landen, de Zeventien Provinciën, een Groot-Nederland. “Mocht ik kunnen sterven als Zuidelijke Nederlander, ik zou gelukkiger sterven dan als Belg”, oppert de leider. Hij is het trauma van de val van Antwerpen in 1585 te boven aan het komen en heeft nu een grote sprong voorwaarts gemaakt naar 1919 en het verdrag van Loppem. Toen werd daar een soort van staatsgreep gepleegd waarbij vliegensvlug een regering werd gevormd die – uit schrik voor een revolutie naar het model van die in Rusland in 1917 – een aantal hervormingen moest doorvoeren om de bevolking (de arbeidersklasse) te sussen. Er kwam onder meer algemeen stemrecht voor mannen. Vrouwen telden nog altijd niet mee. Mijnheer De Wever verwijst naar Loppem als model om de confederatie buiten de Grondwet af te dwingen. Met een coup. Vandaar dat hij al zeker is van die Vlaamse confederatie.

Hoe hij zijn nieuwe droom wil verwezenlijken is onduidelijk. Met overtuigingskracht zal het hem niet lukken. Veel Vlamingen, weet ik uit ervaring, lusten de Nederlanders rauw. In een Limburgs dorp, Neerharen, noemden ze mij als jongen de Hollander – dat was niet vleiend bedoeld – omdat ik hun dialect niet sprak maar een taal die enigszins op het Algemeen Nederlands leek. Denkt hij aan nog een coup om dat Groot-Nederland te verwezenlijken?

In zijn praatje over dat Groot-Nederlandse Rijk kan hij het niet laten de bevolking weer angst in te boezemen. De reders waarschuwen hem, zegt hij, dat er inflatie zal komen en de reders, die kunnen het weten. Het spaargeld van de hardwerkende Vlamingen is nu al helemaal niets meer waard en zal smelten als sneeuw voor de zon. “En de inflatie is – ook al is ze beperkt – veel hoger dan de nul-komma-niks die je nog op je spaargeld krijgt. Alles wat daarbij komt, leidt tot een soort sneeuwbal waar de Vlaamse verworvenheden in worden afgebouwd. Alles wat de Vlaamse mier heeft bijeen gespaard. En wat mij in dit land heel bezorgd maakt, is dat we samenleven met een krekel en die er belang bij heeft dat dat gebeurt.” De krekel, dat is uiteraard de Waal, dat is de socialist, de communist, dat zijn de dwaze ecologisten met hun opengrenzenlobby, dat zijn de boomminnaars en de volgelingen van de waanzinnige Greta. De krekel kickt op inflatie, beste vrienden!
Wat een harteloze en zelfs sadistische man toch, die mijnheer De Wever, zo netjes afgeborsteld en mooi in het maatpak afkomstig uit het zonnige Tirol (waar helemaal geen krekels te horen zijn, waar de mieren hele met Vlaamse choco belegde boterhammen met zich meezeulen). Een volgende droom gaat mogelijk over de uniformen van het Groot-Nederlandse leger. Dat kan en zal Tirools zijn, of zal niet zijn. In het midden van de nationale vlag een grote bruine mier.

*

Een eerste versie van deze tekst verscheen op 22 juli op facebook met als titel Een nieuw Groot-Nederland. Als rechtvaardiging voor dat politiek stuk schreef ik: “Eigenlijk probeerde ik de aandacht af te leiden van het feit dat ik alweer geen stukje van mijn reeks De nachten heb geschreven (vanwege een koortsaanval).”

EEN SIAMESE KAT

[NACHTEN AAN DE KANT 41]

Waar waren we ook alweer gebleven? In de beste tijd en in de slechtste tijd, in de mooiste stad en in de lelijkste stad, met de liefste vrouwen en de meeste verachtelijke, met de voortreffelijkste vriend en de minst betrouwbare. Het was aan de vooravond van een reis naar de Camargue, meer bepaald naar een bedevaartsoord van de zigeuners, Saintes-Maries-de-la-Mer. Al zou hun trip geen bedevaart worden.
Keren we na dit lange oponthoud terug naar die stad aan de stroom en naar dat jaar, keren we terug naar de Nachten met een droom? In dromen krijgt de werkelijkheid andere, mogelijk wel duidelijkere contouren. Het kan gebeuren dat de dromer verneemt hoe het nu echt zat met zijn verleden en wat hem verder in dit ondermaanse nog zoal te wachten staat.

Ik zie Martin de trappen aflopen naar de Pussycat, een obscure nachtclub in een vochtige kelder. Er is een party van bijzondere en ook wel onaangename zaken aan de gang. In het clair-obscur herkent Martin enkele vrienden en kennissen. In een hoekje zit een groepje Engelsen met akoestische gitaren uit Nazareth in Pennsylvania; mannen met baarden. Ze spelen hun idee van een cover van Lucifer Sam, een wonderlijke song die Martin en mij al in 1967 wist te betoveren.

Na een lang gesprek kan Rina mijn oude vriend zo ver krijgen dat hij met haar naar bed gaat. Het voorwerp waarnaar die daad is genoemd staat in het midden van een klein vertrek dat deel uitmaakt van de club. Martin voelt zich wat ongemakkelijk omdat hij niet weet wat Rina precies van hem verwacht. Maar de gedachte dat hij met haar gaat vrijen, dat zij hier zo helemaal naakt en wellustig bij hem ligt, zij aan de linkerkant, hij aan de rechterkant, windt hem op. Zeker het gevaarlijke van die situatie geeft hem een kick; dat om het even wie hier zomaar kan binnenstappen, zelfs Sandra. Rina giechelt en schijnt te genieten. In haar blik iets triomfantelijks. Ze heeft een overwinning behaald. Tell mama what you need, gilt ze niet al te luid. Hij komt klaar, maar veel stelt het niet voor. Hij heeft zin in meer. Rina ook, zegt ze. Ze spreken af: om zo laat in café X, op een paar minuten van de Pussycat.

Het verdomde feestje loopt ten einde. Alleen de Engelsen zitten nog in hun hoek Lucifer Sam ten gehore te brengen. Sandra heeft al haar kleren uitgetrokken. Bijna helemaal naakt ligt ze op een laag tafeltje in een andere hoek van de club. Alleen haar slipje heeft ze nog om haar knieën, haar benen zijn een beetje gespreid. Om het even wie mag haar nemen, roept ze met woede in haar stem. Martin kan de pot op. Ik wil je niet meer, brult ze. Hoor je dat, ik wil je niet meer.

Wat een ellende dat mijn vriend zijn schoenen niet terugvindt. Op blote voeten moet hij zich op de vuile, glibberige vloer wagen. Overal liggen glasscherven en ander afval. Erger nog is dat hij blootsvoets onmogelijk naar dat café X kan lopen. Een portier is naar hem toe gekomen; het is genoeg geweest met dat psychodrama van hem en Sandra en Rina. Ze moeten eruit en vlug wat. Martin probeert Sandra haar slipje weer aan te trekken en slaat haar één of ander kledingstuk om en zo vluchten ze naar buiten, de warme zomernacht in.

De volgende dag (of enkele dagen later). Sandra kan hem niets maar dan ook helemaal niets vergeven. Ik voel niets meer voor je, zegt ze. Zij gaat nu schilderen bij mijnheer Z. Natuurlijk is Martin jaloers, of ze nu schildert of komedie speelt of nog iets anders doet. Ze kijkt hem uitdagend aan als ze het over dat schilderen bij die Mijnheer Z heeft. Al gauw moet hij toegeven dat ze echt schildert: hij ziet het met zijn eigen ogen. Ze werkt aan een doek van ongeveer 1,50 op 2 meter, met olieverf, alles nagenoeg zo zwart als een winternacht. Ontwaart hij in dat donker geen twee contouren van lichamen, een links en een rechts?
Als Sandra die avond thuiskomt, vraagt hij hoe dat nu zit met dat doek. Welk doek? vraagt Sandra. Dat zwarte schilderij, zegt hij. Ze weet niet waarover hij het heeft. Of doet alsof? Martin heeft me al zo vaak verteld hoe goed Sandra kan liegen. Komediespelen noemt hij dat liever.

Die vrijdag gaat Martin nog eens een kijkje nemen in de studio van mijnheer Z, gelegen in de Offerandestraat, waar ooit cinema Festa was gevestigd. In de jaren vijftig zag ik er samen met mijn ouders westerns en oorlogsfilms. Later werd de cinema gebruikt als atelier voor het vervaardigen van calicots. [1] Hij ziet de Meester en zijn leerling voor een grote, langwerpige tafel staan, Z links, Sandra rechts. En inderdaad zijn ze ook nu druk in de weer. Maar van het zwarte doek geen spoor. Wel is Sandra aan het werken aan een aquarel, niet groter dan 27 op 36 centimeter. Het is een portret van Gabriella, haar hoofd afgebeeld in een mandorla. In de vier hoeken heeft Martins geliefde waar je meestal de evangelisten aantreft vier kleine zwarte kittens geschilderd.

[1] Calicots “zijn de grote geschilderde borden aan de gevel of inkompartij van de bioscoop, waarmee de lopende films werden aangekondigd. Deze calicots werden vervaardigd op doek of panelen en steeds overschilderd, waardoor er weinig originele bewaard bleven. Voor het vervaardigen van de doeken projecteerde men een beeld op het te schilderen doek of paneel. Een oude bioscoopzaal beschikte over de mogelijkheid tot projecteren van een beeld en kreeg daarom een tweede leven als atelierruimte voor het vervaardigen van calicots.” Ann Malliet

De Festa werd ontworpen door architect Leopold Van Den Broeck.

Foto’s: Martin Pulaski

ZERO DE CONDUITE: DUISTER

Figure du monstre qui désole le Gevaudan.

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Stem af op Radio Centraal 106.7 FM en verruim je geest. Vernauwen mag ook. Het motto van deze show isI’ve been down on the bottom of a world full of lies / I ain’t looking for nothing in anyone’s eyes / Sometimes my burden seems more than I can bear.
Je kan dit programma via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers.

Piranesi, Le carceri d’invenzione

“Halverwege onze levensreis
bevond ik me in een somber woud,
want ik was afgedwaald van het rechte pad.”

Zo begint De Goddelijke Komedie van Dante, de grote Italiaanse dichter uit de 13de eeuw. De vertaling van deze versregels is van Jules Grandgagnage. Ik weet niet of ik van het rechte pad ben afgeweken maar ik ben al een heel eind verder gekomen op mijn levensreis dan de verteller in De Goddelijke Komedie. Vandaag zou een donker woud me vast bevallen, zeker een waar zoveel gebeurt als in het gedicht van Dante, en waar op het einde zoveel sterren fonkelen en liefde het hele universum doet bewegen. Hier in mijn straat gebeurt maar weinig. Aan de overkant woonde ooit een dichter, Maurice Carême. Zijn huis is nu een museum maar ik zie er nooit iemand binnengaan of buitenkomen. Nee, veel gebeurt hier niet. Gelukkig hebben we talloze werelden in boeken, films en muziek.

Niet met Vergilius maar met songschrijvers en muzikanten als gids gaan we vanavond op zijn minst twee uur lang de duisternis in. Mochten we verdwalen kan het heel wat langer worden. Tijd is relatief.

Vaak is duisternis onheilspellend en lonkt er als de nacht gevallen is overal gevaar. Voor je het weet zit je in de val. Gisteren –  of was het eergisteren – werd in het dorp hiernaast nog een man vermoord. Zijn moeder zwaar toegetakeld. Inbrekers van de kwalijke soort. Maar tijdens een wandeling in het Ten Bospark lachte een hoogzwangere vrouw me toe, al was dat op een zonovergoten middag.

Voor duisternis hoef je niet naar buiten en ze is er ook zonder geteisem en geboefte. Je kan thuisblijven met alle lichten aan maar in je hoofd alleen maar donkere gedachten.

Echter, niet alle duister is schrikwekkend. In het donker fonkelen de lichten van lust en liefde. Lange zomernachten vol genot waar geen einde aan komt. Tijd is relatief.

Veel schaduw en duisternis werd op muziek gezet. Dit is er een bescheiden keuze uit. Veel luisterplezier.

Gustave Doré, De Goddelijke Komedie

Wait Until Dark Scott Walker – Scott 2 – Henry Mancini – 1968

Dark Lolita – Angelo Badalamenti & Kinny Landrum – Wild At Heart – Badalamenti – 1990

Dark Days – Stuart Staples – Lucky Dog Recordings 03-04 -Staples – 2005

The Dark Is Rising – Mercury Rev – All Is Dream – Donahue/Mackowiak/Mercel – 2001

Dark Neon – Wilco – Alpha Mike Foxtrot: Rare Tracks 1994 – 2014 – Jeff Tweedy  – 2014

Home After Dark – Dan Stuart – Can o’ Worms – Dan Stuart – 1995

By The Rivers Dark – Leonard Cohen – Ten New Songs – Cohen/Robinson – 2001

The Darker Days Of Me & Him – PJ Harvey – Uh Huh Her – PJ Harvey – 2004

My Dark Ages – Pere Ubu – Datapanik in the Year Zero – 1975-1977 -Ravenstine/Thomas/Krauss/Herman/Maimone – 1996

No Dark Things – Echo & The Bunnymen – Heaven Up Here – McCulloch/Pattinson/de Freitas/Sergeant  – 1981

A Forest – The Cure – Seventeen Seconds – Tolhurst/Hartley/Smith/Gallup – 1980

Darklands – The Jesus & Mary Chain – Darklands – William Reid – 1987

Heart Of Darkness – Sparklehorse – Vivadixiesubmarinetransmissionplot – Linkous – 1995

Long Black Veil – Nick Cave & The Bad Seeds – Kicking Against The Pricks – Danny Del-Marjohn Wilkins – 1986

Big Black Mariah – Tom Waits – Rain Dogs – Tom Waits – 1985

Not Dark Yet – Bob Dylan – Time Out Of Mind – Dylan – 1997

I See A Darkness – Bonnie “Prince” Billy – I See A Darkness – Oldham – 1998

Dark Road – Richard Hawley – Lady’s Bridge – Richard Hawley – 2007

Deep Dark Hole – Los Lobos – The Neighborhood –  Hidalgo/Perez – 1990

Alone In The Dark – John Hiatt – Bring The Family – John Hiatt – 1987

Dark Night – The Blasters – Testament: The Complete Slash Recordings – Dave Alvin – 1985

Dark Water – Rainer & Das Combo – Barefoot Rock With …  – Ptacek – 1994

My Daddy Walked In Darkness – Gil Bateman – Instant Garage – Hoyt Axton – 1966

Dark Was The Night – Ry Cooder – Paris, Texas – Blind Willie Johnson, arr. Cooder – 1985

Dark Night Blues – Blind Willie McTell – R. Crumb’s Heroes Of Blues, Jazz & Country – Gary Atkinson/Blind Willie McTell – 1927

Black Cat Blues – John Lee Hooker – Saga Blues: Blues From the Motor City – B. Besman/John Lee Hooker – 1949

Dark and Dreary – Elmore James & His Broom Dusters – Blues After Hours – Josea  – 1960

The Man In The Long Black Coat – Mark Lanegan – I’m Not There – Dylan – 2007

Dark Turn Of Mind – Gillian Welch – The Harrow & The Harvest – Rawlings/Welch  – 2011

When It’s Dark – Yo La Tengo – Popular Songs – Yo La Tengo – 2009

Be Dark Night – Phosphorescent – Pride – Matthew Houck – 2007

Why Spend a Dark Night With Me? – Moondog – Moondog 2 – L. Hardin – 1970


Gustave Doré, De Goddelijke Komedie

Nawoord:

Waarom geen Darkness on the Edge of Town van Bruce Springsteen, terwijl dat toch een song is die altijd al mijn hart sneller deed kloppen? Het antwoord is simpel: ik houd al lang niet meer van het gedrum van Max Weinberg. En waarom dan geen Black Angel’s Death Song van the Velvet Underground? Ik zou het niet weten.


Samenstelling en research: Martin Pulaski

REGEN

Porto, 23 oktober 2017

Vandaag hoorde je enkele verrassende woorden en een blauwe jongen zong een nieuwe melodie, zo delicaat en breekbaar, had je zoiets al eerder gehoord? En dan was er nog Willie Nelson en een telefoongesprek en zelfs een vogel, eerlijker dan duizend politici tezamen. Meer nog? Ja. Je wandelde in de regen en dacht aan liefde en vertwijfeling. Zou je de bus nemen of lopen? Je zou lopen. In de regen lopen. De zoete regen. Dezelfde regen. Dezelfde wind. Dezelfde aarde. Die van jou en mij.

*

[Kennelijk hadden de woorden van Sam Phillips’ Same Rain zich ergens in een regenachtige plek van mijn onbewuste genesteld.]

ZERO DE CONDUITE: ELEKTRONISCHE POP

Suicide

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Stem af op Radio Centraal 106.7 FM en verruim je geest. Het motto van deze show isOoh, it’s so good, it’s so good / It’s so good, it’s so good / It’s so good / Ooh, I’m in love, I’m in love / I’m in love, I’m in love / I’m in love.
Je kan dit programma via 
streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers

Vanavond begeef ik me op een terrein waar ik al geruime tijd niet zo vertrouwd meer mee ben: dat van de elektronische popmuziek. Het wordt geen historisch of chronologisch overzicht van dat genre, maar er komen wel baanbrekers als Kraftwerk, Neu!, Brian Eno, Tangerine Dream en Frank Tovey (alias Fad Gadget) aan bod. Lange tijd liet deze muziekvorm, en zeker de Duitse variant, de zogeheten krautrock, me onverschillig. Omstreeks 1977 veranderde die houding. Ik was opgehouden met Humo te lezen en ook Rolling Stone gaf ik almaar minder aandacht. Met name Humo heeft in de eerste helft van de jaren zeventig een nefaste invloed gehad op veel Nederlandstalige popliefhebbers. Een heel rijke en vernieuwende stroming in de eigentijdse muziek werd genegeerd; soms kwamen bands en muzikanten wel ter sprake maar werd er neerbuigend over geschreven. Ook ik onderging die invloed. Het komt eropaan schrijvers en recensenten te zoeken (en vinden) die je wereld openen in plaats van hem te sluiten. In New Musical Express – en later in The Face – vond ik er zo een aantal. Vanaf 1977 kon ik de kwaliteit van sommige ‘synthesizerplaten’ hoe dan ook niet langer ontkennen. Synthpop en elektronische muziek werden opwindende alternatieven voor het geluid van de inmiddels vastgeroeste rockensembles (hoewel die zelf vaak gebruik maakten van synthesizers). Het debuut van de groep Suicide, verschenen in 1977, was een baanbreker. De plaat had op mij ongeveer hetzelfde effect als een decennium eerder White Light/White Heat van the Velvet Underground. Natuurlijk was er dat jaar ook Donna Summer’s I Feel Love, met de producers Pete Bellotte en Giorgio Moroder: drie cruciale figuren. Mogelijk gaven bij mij David Bowie en Brian Eno de doorslag om het genre werkelijk opwindend te gaan vinden. “Heroes” blijft een van de geweldigste singles ooit. Ook Brian Eno’s elpee Before and After Science blijft tot op heden een hoogtepunt van muzikale inventiviteit en sublieme melancholie. Hetzelfde geldt voor Fear of Music en Remain In Light van Talking Heads.

Al gauw kon je de synthesizer niet meer wegdenken uit de alternatieve pop. Niet op de radio en niet op de dansvloer. Jammer dat de zo belangrijke Duitse pioniers als Neu! en Kraftwerk van mij nog altijd niet de aandacht kregen die ze verdienden. Even jammer is het dat ik ergens midden de jaren tachtig opnieuw Humo begon te lezen. In die periode kwam ik in de ban van Amerikaanse gitaarbands als R.E.M., Green On Red, Dream Syndicate en Rain Parade. Opnieuw kregen de synthesizer en de drummachine een slechte naam. En zo herhaalde de geschiedenis zich. Opnieuw wendde ik me tot scribenten die mijn smaak bevestigden in plaats van op zoek te gaan naar schrijvers met een open geest. Het leven is een en al herhaling. Elke dag is het weer Groundhog Day. Overigens kwam die verdomde synthpop me inmiddels de strot uit. Human League, Soft Cell, Depeche Mode en Spandau Ballet konden me gestolen worden. Maar zo ging ook de onderstroom van dat verhaal voor mij verloren.

Niet alle voor vanavond geselecteerde songs zijn zuiver elektronisch, in sommige gevallen gaat het om mengvormen, zoals bij Prince, Snatch, Grace Jones en Pink Floyd. Sommige artiesten, zoals Talking Heads, Gary Numan en Wendy Carlos kunnen tot mijn spijt niet aan bod komen. In een volgende aflevering dan maar?


Veel luisterplezier!

Donna Summer & Giorgio Moroder

The Man-Machine – Kraftwerk – The Man Machine – Hütter/Karl Bartos/Ralf Hütter

20 Jazz Funk Greats – Throbbing Gristle – 20 Jazz Funk Greats – Throbbing Gristle

Wurlitzer Jukebox – Young Marble Giants – Colossal Youth – Stuart Moxham

Whirly-Bird – Silver Apples – Silver Apples – Simeon/Stanley

The Topless Dancers Of Corfu – Dick Hyman – Moog – The Electric Eclectics Of Dick Hyman – Dick Hyman

In Heaven (Lady In The Radiator Song) – David Lynch & Alan R Splet – Eraserhead Original Soundtrack – Lynch/Ivers

Uncertain Smile – The The – 45 Rpm  – Matt Johnson

Bird Of Beauty – Stevie Wonder – Fulfillingness’ First Finale – Stevie Wonder

Let’s Go Crazy – Prince and the Revolution – The Very Best Of Prince – Prince

I Feel Love – Donna Summer – Endless Summer – Bellotte/Moroder/Summer

Cheree – Suicide – First Album – Rev/Vega

Der Mussolini – Deutsch Amerikanische Freundschaft ‎- Alles ist Gut – Delgado/Lopez/Gorl

A Touch Of Evil – Cabaret Voltaire – Red Mecca – Watson/Kirk/Mallinder

Sequent C – Tangerine Dream – Phaedra – Peter Baumann

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is residents2.jpg

The Residents

Don’t Turn The Light On, Leave Me Alone – Can – Soundtracks – Damo Suzuki

Neuschnee – Neu! – Neu! 2 – Klaus Dinger/Michael Rother

Back To Nature – Frank Tovey (Aka Fad Gadget) – The Fad Gadget Singles – Frank Tovey

Eyes In The Center – Chrome – Red Exposure – Damon Edge/Helios Creed

Information Rain – Judy Nylon & Crucial – Pal Judy – Judy Nylon

Dead Heat – Snatch – Snatch – Nylon/Palladin

Pull Up To The Bumper – Grace Jones – Private Life: The Compass Point Sessions – Grace Jones/Dano Mano/Sly Dunbar/Robbie Shakespeare

Newtown – The Slits – Cut – Arianne Foster/Paloma Romero/Tessa Pollitt/Viviane Albertine

Histoire à suivre – The Honeymoon Killers – Les Tueurs de la Lune de Miel – Vromman

Heisse Lippen – Cluster – Zuckerzeit – Roedelius

Die Bunge – Cluster & Eno – Cluster & Eno – Eno/Moebius/Roedelius

Kurt’s Rejoinder – Brian Eno – Before And After Science – Brian Eno

V-2 Schneider – David Bowie – “Heroes” – Bowie

Nightclubbing – Iggy Pop – The Idiot – Iggy Pop

Mongoloid – Devo – Q: Are We Not Men? A: We Are Devo – Gerald V. Casale

Great Balls of Fire – The Flying Lizards – Top Ten – Hammer/Blackwell

Teddy Bear – The Residents – Our Tired, Our Poor, Our Huddled Masses – Bernie Lowe/Kal Mann/Elvis Presley

Ohrwurm – Harmonia – Musik Von Harmonia – Moebius/Roedelius/Rother

Obscured by Clouds – Pink Floyd – Obscured by Clouds – Gilmour/Waters

Judy Nylon

Samenstelling, research en montage: Martin Pulaski

HEDDA GABLER VAN JAN DECORTE

Vorige week zag ik Hedda Gabler [1], Jan Decortes magistrale filmadaptatie van Ibsens gelijknamige toneelstuk, dat in 1890 in première ging en van in het begin controversieel en nihilistisch werd genoemd. De weinig bekende film uit 1978,  is getrouw aan de oorspronkelijke tekst en toch helemaal van Jan Decorte. Het is een betoverend, met weinig andere films vergelijkbaar werk. Er zijn wel raakpunten met andere filmkunstenaars, zoals Marguerite Duras, Chantal Akerman en in bepaalde opzichten met Rainer Werner Fassbinder, maar die verwantschap ondermijnt geenszins de authenticiteit van deze Hedda Gabler. De film is traag en hypnotiserend met geweldige actrices/acteurs en een camera die van elk zichtbaar ding een mysterie maakt. Gaandeweg zie je nog maar weinig verschil tussen mensen en dingen. Personages [2] worden herleid tot gebaren, hun woorden zijn duidelijk en schaars, er vallen veel stiltes. In de dialogen lijken tussenwerpsels even veel belang te hebben als substantieven.

Bijna twee uur heb ik als lichamelijk verlamd maar innerlijk in volle beweging zitten kijken tot het ontstellende hoewel van in het begin aangekondigde einde van Hedda Gabler.

Ongeveer in het midden van de film, niet zo toevallig daar, verbrandt Hedda Gabler blad na blad met lucifers een belangrijk manuscript van Ejlert Løvborg, schrijver en alcoholist. Ze werpt de brandende pagina’s één voor één in de open haard. Maar zoals zoveel dingen gaat ook dat spelletje haar vervelen en werpt ze wat overblijft van Ejlerts levenswerk in zijn geheel in het vuur. Ik voelde deze scène in elke zenuw. Het was een lang uitgesponnen moment van zowel pijn als plezier. Pijn die voortkomt uit mededogen; kinderlijk plezier van vuurtje spelen. Wat Hedda aan het vuur toevertrouwde had wel eens een manuscript van mezelf kunnen zijn. Ik zou het verbranden uit zelfhaat, Hedda doet het uit verveling. Of is het uit alles verterende woede?

“Ik heb in dit stuk eigenlijk geen zogenaamde problemen aan de orde willen stellen. Hoofdzaak is voor mij geweest om mensen te tekenen, stemmingen en lotgevallen van mensen op basis van bepaalde maatschappelijke verhoudingen en denkbeelden.”
Henrik Ibsen in een brief van 4 december 1890 aan Moritz Prozor.

Aan het begin van de film geen geschreven titels: Jan Decorte leest ze voor, zoals Godard soms doet. Hoe vreemd dat zijn stem na al die jaren nog steeds hetzelfde klinkt. Zou dat bij mezelf ook zo zijn, terwijl ik toch denk dat ik in alles veranderd ben, zeker in mijn stem ben ik dat, denk ik.

De lange stiltes die tot nadenken stemmen en observatie aansporen. Ga je van nog langere stiltes niet dood? Nee, natuurlijk niet want hoe meer stilte hoe meer er te horen valt en hoe duidelijker de contouren worden van wat wordt uitgesproken. Goede articulatie van een pijnlijk mooi Nederlands. Waarom horen we nog maar zelden onze taal zo speels en toch afgemeten klinken? Het gemompel van een Marlon Brando blijft ons hier bespaard [3].

 De kostuums, de kapsels en het decor: van armoede betekenisvolle rijkdom maken. De claustrofobische ruimte, het snakken naar licht, naar een uitweg. In afwachting daarvan speelt Hedda Gabler mind games, van een heel ander, wreder kaliber dan die van John Lennon.

Ik vertel het verhaal niet na. Veel om het lijf heeft dat niet. Je vindt de korte inhoud onder meer in Wikipedia en in De zomer beschrijf je best op een winterdag, een keuze uit de brieven van Henrik Ibsen, uitgegeven in de reeks privé-domein.

In een andere cruciale scène zitten op de achtergrond Jørgen Tesman, de echtgenoot van Hedda, en Thea, de vriendin van Ejlert Løvborg, auteur van het verbrande manuscript, pogingen te doen om de tekst weer samen te stellen, orde te scheppen in een chaos van losse blaadjes, en te typen.

Op de voorgrond lijkt ondertussen rechter Brack, vriend des huizes, een spannend verhaal te vertellen. Het is een soort van mise en abyme; je zou je kunnen voorstellen dat hij het toneelstuk Hedda Gabler luidop aan het verzinnen is, terwijl zijzelf daar toch naast hem zit te luisteren. Je hoort onder de woorden door het geratel van de schrijfmachine. In werkelijkheid onthult Brack hoe Ejlert aan zijn eind is gekomen. Hedda Gabler zit nu gevangen in het door haarzelf ontworpen labyrint. Er is maar één uitweg.

Jan Decorte heeft doorheen de jaren samen met Sigrid Vinks baanbrekend en tegendraads theater gemaakt. Het blijft echter jammer dat er niet meer films van hem gekomen zijn. Ik denk dat er in hem een groot filmregisseur verscholen zat en nog altijd zit. Maar “you can’t have your cake and eat it”, zo wordt gezegd.

*

[1] op avilafilm.be

[2] Ibsen vond alle personages in Hedda Gabler belangrijk, ook de meid Berte. In een brief aan Kristine Steen van 14 januari 1891 schrijft hij het volgende: “Jørgen Tesman, zijn oude tantes en de meid Berte, die al lange tijd in dienst is, vormen tezamen een eenheid. Ze delen dezelfde manier van denken, dezelfde herinneringen, eenzelfde levensvisie. Voor Hedda zijn ze een vijandelijke en vreemde macht, die zich tegen het diepste van haar wezen richt. Daarom moeten zij in de voorstelling onderling harmoniëren.” Kristine Steen was een vriendin van Ibsen uit hun Bergense tijd.

[3] Geen kwaad woord over Marlon Brando, maar dat is weer een ander paar mouwen.

DONKERE KAMERS

Dit ben ik in de Lamorinièrestraat in Antwerpen. Agnes maakte de foto in 1980 of 1981. Maar wie ben ik en – vooral – wie was ik? Blijft er nog iets over van de jonge man van toen? Zeker, ik heb mijn herinneringen, maar zijn die betrouwbaar? Het zouden net zo goed verzinsels kunnen zijn, iets wat ik mezelf voorhoud, een verhaal. Ik weet nog waarom ik die bril kocht maar niet waar. Ik weet ook wie mijn haren knipte. Maar hoe was ik op het idee gekomen om ze blond te maken? En waar komen dat lelijke lichtblauwe truitje en dat nauwelijks zichtbare overhemd vandaan? En wie was die Agnes van me, wat zei ze toen ze de foto nam en – vooral – wat dacht ze? Graag zou ik willen weten welke kleren ze aanhad, of ze al dan niet gemaquilleerd was, welke schoenen, misschien was ze blootsvoets. En wat was de aard van dat fototoestel? Wij hadden toen helemaal geen camera, dus was hij van iemand anders. Mogelijk van mijn broer. Maar wie was mijn broer, waar kwam hij vandaan, enzovoort. Waarom bezat ik zelf geen fototoestel? Ik maakte erg graag foto’s en had op het Ritcs (de filmschool in Brussel) geleerd hoe je het moest doen. Ik was vertrouwd met de donkere kamer. Vandaag lijkt het erop of heel mijn leven zich in donkere kamers heeft afgespeeld.

DUIZEND-EN-EEN BIBLIOTHEKEN EN CINEMATHEKEN: OVER JEAN-CLAUDE CARRIÈRE EN BULLE OGIER

Bulle Ogier.

Jean-Claude Carrière is op negentachtigjarige leeftijd overleden. In Libération schreef Anne Diatkine over de begenadigde auteur dat de mensheid met hem niet één biblitoheek verliest, maar duizenden “en toutes langues et sur tous les continents, en particuliers indiens, africains, et les terres sud-américaines.” [1]
Jean-Claude Carrière werkte mee aan tientallen scenario’s van gedenkwaardige films, waaronder La Piscine en Borsalino van Jacques Deray, Taking Off van Milos Forman, The Unbearable Lightness of Being van Philip Kaufman, Die Blechtrommel van Volker Schlöndorff, La chair de l’orchidée van Patrice Chéreau, Retour à la bien-aimée van de helaas vergeten regisseur Jean-François Adam, Danton van Andrzej Wajda, Birth van Jonathan Glazer, Das weisse Band van Michael Haneke, L’Ombre des femmes van Philippe Garrel. Voorts werkte Carrière gedurende negentien jaar samen met Luis Buñuel en was hij co-auteur van zijn belangrijkste films, waaronder Belle de Jour, Le Journal d’une femme de chambre en Cet obscur objet du  désir. Hij assisteerde de Spaanse regisseur bij het optekenen van diens schitterende autobiografie Mijn laatste snik.

Jean-Claude Carrière schreef misdaad- en horrorverhalen, publiceerde een encyclopedie van stommiteiten [2], bundelde gesprekken die hij had met de Dalai Lama (Tenzin Gyatso) onder de titel  La Force du bouddhisme : Mieux vivre dans le monde d’aujourd’hui en was de vaste dramaturg van Peter Brook, een van de invloedrijkste theaterregisseurs van de 20ste eeuw. Samen creëerden zij de epische vertelling  Mahâbhârata [3]; het oorspronkelijk werk telt 12.000 bladzijden [4] . Dat zijn lang niet al zijn verwezenlijkingen, maar deze opsomming geeft je vast een idee van ’s mans interesses en activiteiten. Voldoende reden om in het middelbaar onderwijs enige aandacht te geven aan deze merkwaardige renaissance man.

Enkele dagen voor ik het nieuws van Jean-Claude Carrières dood vernam, had ik toevallig nog Le charme discret de la bourgeoisie gezien, de film van Luis Buñuel waarvoor Jean-Claude Carrière eveneens mee het scenario bedacht. Ik was al een poos ondergedompeld in J’ai oublié, de meeslepende autobiografie van Bulle Ogier, die onze geliefkoosde actrice samen met Anne Diatkine te boek stelde (ook toevallig?).  Ondanks de betreurenswaardige situatie waarin wij in ons privéleven verzeild zijn geraakt, genoot ik van deze lectuur. Door de vrolijke stijl, die sterk contrasteert met het tragische leidmotief (als ik het zo mag noemen), de dood van haar geliefde dochter, de veelbelovende actrice Pascale Ogier, is dit boek een sterk tegengif tegen de beklemmende ervaring die het lezen van De jaren van Annie Ernaux voor me was. Ik zou De jaren een andere titel geven, De ontgoocheling, of De ontnuchtering of iets dergelijks. Beide autobiografische werken bestrijken dezelfde periode in onze recente geschiedenis. Ernaux blijft daarbij veilig binnen de grenzen van Frankrijk en de wereld van de politiek, het entertainment en het consumentisme. Ogier heeft veel aandacht voor de Parijse (sub)cultuur, maar ook voor de rest van de wereld, al heeft zij vooral oog voor kunstenaars, in de eerste plaats theater- en filmmakers. Een aantal van hen krijgen een ereplaats, al gaat de meeste aandacht naar haar dochter en naar haar man Barbet Schroeder. Over Schroeders avonturen in Los Angeles, onder meer het maken van Barfly, een film over een episode in het leven van dichter Charles Bukowski, dist Bulle Ogier hilarische verhalen op.  Ook wie van het werk van Marguerite Duras, Jacques Rivette en Werner Schroeter houdt komt aan zijn of haar trekken.

J’ai oublié heeft mij zin gegeven om alles wat ik het voorbije jaar op Netflix – en andere streaming-diensten – heb gezien, meteen te vergeten. Wat was de cultuurwereld die Bulle Ogier beschrijft rijk in vergelijking met de opgewarmde, smakeloze kost die ons nu wordt voorgeschoteld. Naast de films waar de Franse actrice een rol in speelde en die in haar autobiografie ter sprake komen, herinner ik mij tientallen, mogelijk honderden andere films uit de jaren zestig en zeventig – en voor een deel de jaren tachtig – die opnieuw en opnieuw kunnen bekeken worden en blijven verrassen. Het hele oeuvre van Pier Paolo Pasolini (met als hoogtepunten Medea en Teorema), van Bernardo Bertolucci (Laatste tango in Parijs blijft zijn meesterwerk); films van Jean Eustache (La maman et la putain, Mes petites amoureuses); Marco Bellocchio (I pugni in tasca, La Cina è vicina ); Jacques Rivette (alles); Glauber Rocha (Terra em Transe, Antonio das Mortes); Rainer Werner Fassbinder (alles); Werner Schroeter (blijft er naast Malina nog iets over van zijn werk?); Daniel Schmid (La Paloma, Violanta); André Delvaux (Rendez-vous à Bray, Belle); de jonge Federico Fellini; Michelangelo Antonioni (La Notte en al zijn andere films); Jean-Pierre Melville; Eric Rohmer; de jonge François Truffaut; Stanley Kubrick; Nicholas Ray (In a Lonely Place, Party Girl); Nicolas Roeg (Performance, Walkabout, Bad Timing); Andrzej Tarkovski; Satyajit Ray; Ingmar Bergman; en natuurlijk Luis Buñuel. Dit is een korte en spontaan neergeschreven lijst. Je zal ongetwijfeld begrijpen wat ik bedoel. Of net niet. Los daarvan raad ik iedereen die interesse heeft voor de twintigste-eeuwse Europese cultuur deze autobiografie ten stelligste aan. Het is evenwel ook een melancholisch boek, wat de titel al aangeeft. Oud worden is geen kinderspel.

Peter Brook en Jean-Claude Carrière.


 [1] “Jean-Claude Carrière est mort lundi, à 89 ans, et ce n’est pas une bibliothèque que l’humanité perd, mais des milliers, en toutes langues et sur tous les continents, en particuliers indiens, africains, et les terres sud-américaines. L’énigme est sans résolution : Jean-Claude Carrière, né le 17 septembre 1931 dans la petite paysannerie de l’Hérault – «dans une maison sans livres» a-t-il écrit – était susceptible de se passionner pour tout. Etre captivé par un détail glané dans la rue, une démarche, un accent, un fragment de conversation surpris qui donnait du grain à moudre à son imagination et provoquait immédiatement une ébauche de récit.”
Anne Diatkine, Libération

[2] Dictionnaire de la bêtise et des erreurs de jugement, Guy Bechtel en Jean-Claude Carrière, Robert Laffont, 1965

 [3] À la recherche du Mahâbhârata, carnets de voyages en Inde avec Peter Brook 1982-1985, Éditions Kwok On.

[4] “Daarna zijn we ‘la grande lecture’ begonnen: je hebt ongeveer een jaar nodig om de Mahabharata volledig te lezen. Peter Brook las in het Engels, ik in het Frans. Waar die twee vertalingen contradicties vertoonden hebben we – met de hulp van een professor – naar de Sanskriet-versie teruggegrepen. Een volgende stap was zeer belangrijk: de gezamenlijke lezing van Peter Brook en mezelf, met de hulp van Marie-Hélène Estienne. Die lezing heeft zo’n acht à tien maanden geduurd. Wij lazen elke dag en stopten bij die passages die ons interessant leken, of die noodzakelijk waren binnen het verloop van het verhaal. Omgekeerd ook bij die verhalen die ons overbodig leken, die door het basisverhaal dat ons verteld was overlapt werden. Tijdens die tweede lezing zijn we al beginnen schrappen: een aantal secundaire verhalen is geëlimineerd omdat we ons vooral op de grote ‘verhaalstroom’ wilden concentreren.” Jean-Claude Carrière in een vraaggesprek met Alex Mallems, in  Etcetera, 1985-10, jaargang 3, nummer 12, p. 15

WAAR WAREN WE GEBLEVEN?

Martin Pulaski, Brussel, 1975

Waar waren we gebleven? Het was een ochtend in het begin van juli in het jaar 1979. Ik deed de deur open van onze woning in de Dolfijnstraat, gelegen in de Antwerpse wijk die nog steeds Zurenborg heet. Ik dacht dat ik op dat ogenblik akelige witte vogels uit een van die fantastische verhalen van Edgar Allan Poe hoorde schreeuwen, hun vleugels wel een meter breed, maar bij nader inzien bleek het geluid op te stijgen uit onze schimmelige kolenkelder, voor mij grotendeels onbekend terrein, al wist ik wel dat er geen kolen te vinden waren. In een donkere hoek trof ik vier kleine kittens aan.
We stonden toen op het punt om al liftend naar de Provence af te reizen. Onze rugzakken en ons kleine zilverkleurige tentje, als de uitrusting van stuntelige ruimtereizigers, stonden klaar voor de reis.

Terwijl ik aan het nadenken was over hoe ik verder zou gaan met mijn verhaal, of ik ook van die reis verslag zou uitbrengen, terwijl die toch helemaal niets te maken heeft met het nachtleven in Antwerpen, of dat ik meteen zou doorgaan met de geschiedenis van Gabriella, en ik mocht die kleine poesjes niet uit het oog verliezen, toen greep de realiteit in. Al was mijn kroniek toch ook de realiteit, of liever: ooit was dat alles realiteit geweest.

Want op 13 januari werd Agnes – in mijn verhaal noem ik haar Senga, de naam die zij destijds zelf zo graag gebruikte – wakker met pijn in de borst en ademnood. We dachten meteen aan covid-19 en waren danig in paniek. Omdat ik chronisch ziek ben vreesde ik ook voor mijn eigen lot. We konden ofwel naar de spoed gaan hier in het nabijgelegen ziekenhuis, of de ambulance bellen, die haar dan naar datzelfde ziekenhuis zou voeren, of we konden eerst onze huisarts raadplegen. Omdat bij covid-19 enkele uren meer of minder niet veel verschil maken, dachten we, besloten we om eerst naar de huisarts te gaan. Ook al omdat het kleine ziekenhuis hier in de buurt geen van ons beiden erg bevalt. Bovendien is het Franstalig, wat voor Agnes niet zo’n groot probleem is: zij is tweetalig. Maar toch verkiezen we het UZ in Jette, weliswaar hier ver vandaan. De huisarts sloot covid-19 uit, het was iets nog veel ernstigers, ze had dringende verzorging nodig. Ze had longoedeem, te weinig zuurstof, een veel te snelle hartslag. Ze moest meteen naar het UZ Brussel. Daar werd inderdaad longoedeem vastgesteld en hartfalen. Een dag later bleek het om een beschadiging van de mitralisklep te gaan, een van de drie hartkleppen. De nagenoeg definitieve uitspraak kwam er op 20 januari. Agnes’ hartfalen is van zo’n ernstige aard dat een openhartoperatie nodig is, of, in het allerbeste geval, een operatie via een kleinere opening (Minimaal Invasieve Mitraalklep Chirurgie, heet zoiets in medische termen). Het voordeel van de tweede ingreep is een kleinere holte in de borstkas. Welke ingreep het wordt vernemen we op 27 januari. Nog twee dagen.

Vorige donderdag is Agnes naar huis mogen komen. Onze levens hebben op 13 januari een wending genomen die ik zelfs niet in de ergste nachtmerries heb kunnen voorvoelen. Maar een nachtmerrie houdt opeens op, het echte leven gaat door. Een leven dat doorgaat, dat betekent niet alleen tragiek maar ook mogelijkheden. Een zee van mogelijkheden, om met Patti Smith te spreken, de eeuwige optimist. Agnes heeft de moed en de kracht om in elk opzicht beter te worden. Ze wordt beter.

Intussen blijft het wachten op het lot van de poesjes en hoe het met Gabriella verdergaat. Maar dat is allemaal al gebeurd en nu is nu. Ooit neem ik de draad weer op. Liever vroeger dan later.

DE VOLKOMEN BLEEKHEID VAN SNEEUW

DIE ZOMER zagen we Gabriella opfleuren. Senga en ik werkten inmiddels allebei bij de Filosofische Kring Aurora en hadden het behoorlijk druk met de redactie van het tijdschrift en het voorbereiden van literaire middagen en avonden. ’s Avonds aten we vaak met zijn drieën in de grote keuken beneden. Na de maaltijd voerden we gesprekken, een beetje zoals destijds in de Artanstraat in Schaarbeek, maar rustiger en redelijker. Soms las ik ontwerpen van teksten of gedichten voor. Ik haalde boeken uit de rekken, we lazen elkaar fragmenten voor van Knut Hamsun, Thomas De Quincey, Peter Handke en hele stukken uit De keisnijder van Fichtenwald van de toen bij ons bewonderde Nederlandse schrijver Louis Ferron.
We beluisterden de nieuwste elpees, voor zover ons budget ons de aankoop ervan toestond. Gelukkig was er ook nog de discotheek in de Lange Nieuwsstraat, die een voortreffelijk aanbod had. Gabriella bleef zoals in de Brusselse tijd van Nico en the Velvet Underground en van Patti Smiths Horses houden, wat niet vloekte met de punkrock en new wave en zelfs niet met albums als Darkness On The Edge Of Town, waar wij toen de voorkeur aan gaven. Geregeld hoorde je in het Dolfijnhuis de elpees Desertshore, met daarop aangrijpende nummers als My Only Child en Abschied, en The Marble Index [1], met No One Is There en Frozen Warnings. Na al die jaren bleef ik een pleitbezorger van de platen van Syd Barrett en Alexander Spence, waardoor wie bij ons geregeld op bezoek kwam vertrouwd werd met hun merkwaardige, hoogst originele songs.

Soms kwam Gabriella even in mijn werkkamer binnen om naar onze boeken te kijken. Op een dag trof ze in een stapeltje nieuwe aanwinsten in mijn kamer een Nederlandse vertaling van Moby Dick aan. Ze raakte gehecht aan de roman van Herman Melville, vooral aan het hoofdstuk over het witte van de walvis. Voor mij is dat een van de hoogtepunten uit de wereldliteratuur. Het was meer dan wat ook het witte van de walvis dat mij deed verbleken. Mogelijk herkende ze de bleekheid van haar eigen huid, met de volkomen blankheid van sneeuw, in die beschrijvingen. Hield ze ook niet zo van de laatste bladzijden van Edgar Allan Poes The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket?

Kort na Gabriella’s verhuizing naar de Dolfijnstraat waren we met zijn drieën in de Monty, een zaaltje op het Zuid, gaan kijken naar de thriller Looking for Mr. Goodbar van Richard Brooks, met Diane Keaton als Theresa Dunn, een borderline-lerares op zoek naar seksuele kicks. Dat was haast een net zo beklemmende belevenis, vooral het brutale einde, als het zien van Le locataire. Weer thuis vroeg ik me af of het een goed idee was geweest. Al kon ik de verbluffende acteerprestatie van Diane Keaton, de cinematografie van William Fraker en de nagenoeg perfecte soundtrack maar niet uit mijn hoofd zetten. Een meer bedwelmende en minder ontregelende ervaring was Bob Dylans film Renaldo and Clara. Voor Gabriella was het de eerste keer; ze was onder de indruk. Van de concertfragmenten bejubelde ze vooral de uitvoering van When I Paint My Masterpiece, mogelijk mede door de verwijzing in dat lied naar een verblijf van de verteller in Brussel. Van de fictieve scènes prefereerde ze die waarin de raadselachtige hoofdpersonages Renaldo, Clara en The Woman In White elkaar het leven moeilijk maakten. Na die filmmarathon keerden we naar huis terug om een hapje te eten en een tequila sunrise te drinken. Bob Dylan had ons dorst doen krijgen en onze levenslust aangewakkerd. Hoewel het al voorbij middernacht was wilden Senga en Gabriella toch nog de stad in. Zodoende namen we een taxi naar de Cinderella om ons met z’n drieën in de wereld van de punks onder te dompelen. Zodra Police and Thieves in de versie van the Clash weerklonk haastten we ons naar de dansvloer. Later, op adem komend aan de toog, trof ik Ria Pacquée daar aan. Ze zei dat er een party was in de King Kong en stelde voor om daar naartoe te gaan. Dat deden we. Maar wat in hemelsnaam deden we in de King Kong? Dansten we op tafels, vochten we met ingebeelde leeuwen, zongen we met zijn drieën of vieren People Get Ready?

Hoewel ik er toch geregeld binnenliep herinner ik me vandaag even weinig van de King Kong als van Louis Ferrons De keisnijder van Fichtenwald. Een psychiatrische instelling, sadistische nazi’s, Heinrich Von Kleist en zijn Penthesilea, dat is het ongeveer voor het boek van Ferron. Voor de King Kong zijn de herinneringsresten nog schaarser, een bal met Raymond van het Groenewoud, een optreden van Joy Division (waarover ik alleen maar iets las), een of andere toneelopvoering. Hoe zag de ruimte eruit, waren er meerdere zalen, moest je entree betalen, was er een balie? Welk publiek kwam er over de vloer? Vast niet hetzelfde als in Cinderella’s Ballroom. Onlangs zag ik een foto van Robert, de baas van die roemruchte club aan de Stadswaag. Niemand zou het in die tijd aangedurfd hebben hem baas te noemen. Op de foto staat hij achter de toog. Hij kijkt wat verrast, een beetje boos zo lijkt het wel. Links van hem een kleine witte ventilator, rechts een groen metalen kistje en wat elpees, waaronder Funhouse van the Stooges. Het leek een beeld uit een droom. Na veertig jaar heb ik mij van Robert en van de Cinderella een geheel andere voorstelling gemaakt. Ook mijn herinneringen aan Gabriella, hoe ze was, hoe ze bewoog, haar stemgeluid, zijn vervaagd. Wat maakt dat ik me nu afvraag of wat ik hier noteer niet eerder verzinsels zijn dan een weergave van werkelijk gebeurde voorvallen. Wat benijd ik schrijvers als Eric de Kuyper, met hun glasheldere herinneringen. Of zouden zij alleen maar goed onderlegd zijn in het verzinnen van allerlei geloofwaardige details? Beschikken zij over dagboeknotities waarin alles wat ze meemaakten haarfijn staat beschreven? In mijn dagboeken bijna niets van dat alles: het zijn grotendeels klachten over mijn gezondheid en notities over boeken en films en een aanzienlijk aantal herinneringen aan dromen.

Op een van die zomeravonden was er visite van Eddy D., de man van De man in de rups. We zaten net te luisteren naar Stateless, een elpee van Lene Lovich die ik van Senga cadeau had gekregen. Haar single Lucky Number was in die dagen een hit. Ik was een beetje bang dat het niet goed zou klikken tussen Gabriella en mijn vriend, omdat zij nogal asociaal was en soms verbaal agressief werd. Maar dat viel best mee, ook later in de rumoerige Cereus, waar L.S. nog even probeerde roet in het eten te gooien, wat hem niet lukte, omdat we ons niet lieten provoceren. Eddy luisterde met aandacht naar de meanderende invallen van Gabriella, woorden die meestal weinig met onze gespreksonderwerpen spoorden maar er op een moeilijk verklaarbare wijze toch bij aansloten. In mijn dagboek lees ik dat in onze conversatie sprake was van de fenomenen torus en tokamak.

Ik was tevreden. Senga en ik hadden de juiste beslissing genomen. Ook de avond van Walter Van Rooys tentoonstelling in het Pannenhuis was er een van plezier en euforie. Walter was opgetogen over de opkomst en de interesse, mijn vrienden waren in een opperbeste stemming. Samen met Guillaume Bijl en Ria Pacquée dronken we Duvels en discussieerden we over Diane Keaton, Truman Capote en In Cold Blood. We zongen mee met Lucky Number en I Think We’re Alone Now van Lene Lovich. Dat laatste was helemaal geen new wave maar een cover van een hippieliedje van Tommy James & the Shondells. In het Pannenhuis mocht dat nog: er waren geen vaste regels. Wel vonden Greta en Toulouse het prettig als je je rekening betaalde. Al vrij snel werd de sfeer diffuus en zaten we, samen met Gabriella’s zus Lena, die nu ook in Antwerpen woonde, in de Muze, daarna in de Mok – en opeens stond ik alleen aan de toog van de Kroeg, het bruine café op de hoek van de Wolstraat en het Conscienceplein waar ik in december 1968 de allereerste keer Beggars Banquet had gehoord, wat een haast mystieke ervaring was geweest.

Vroeg in de ochtend kwam ik thuis, flink beschonken. Plotsklaps hoorde ik een vreemd geschreeuw, van vogels dacht ik eerst, ik zag ze al voor me, grote witte vogels, hun vleugels wel een meter breed. Kwam het geluid echt wel van buiten, waar op dit uur al het zichtbare de bleekheid had van sneeuw? Nee, het geschreeuw steeg uit onze kleine kolenkelder op. Met een nieuwsgierigheid die mijn tegenzin overwon ging ik de trap af. Het was er donker en rook er naar schimmel en zwammen. De grond was bedekt met rottende planken. Het geschreeuw bleek uit de donkerste hoek te komen. Na wat wennen aan de duisternis kon ik vier piepkleine kittens ontwaren. Waar was de moederpoes naartoe?

[Nachten aan de kant 40.  Juni-juli 1979]

*

[1] De titel is afkomstig uit het gedicht The Prelude van Williams Wordsworth:
And from my pillow, looking forth by light
Of moon or favoring stars, I could behold
The antechapel where the statue stood
Of Newton, with his prism and silent face,
The marble index of a mind forever
Voyaging through strange seas of thought, alone.

Foto’s: boven, Martin Pulaski; onder, Diane Keaton, fotograaf onbekend.

Devriese

Stukjes van nu en columns van vroeger

ViLT

ViLT : Elke Dag Verse Lyriek

hotfox63

IN MEMORY EVERYTHING SEEMS TO HAPPEN TO MUSIC -Tennessee Williams

Marjon werkt.

Pijn en poëzie op de werkvloer.

Pierewit

Verschijnt nu en dan weer niet.

reddend zwemmen

weblog van rob van essen

KOTSEN OP WOENSDAG

ALLE ANDERE DAGEN BEN IK BEST OKÉ

Aanlegplaats

thuishaven voor blogs vol literair talent

Johan De Crom

Politieke meningen, prozaïsche strelingen

ME

Ik vertel je wat ik zie & ik zie wat ik je vertel

(Botho) Straussian

composition/Neue Musik, noise, techno, field recording

Dichtertje

EEN MANIER VAN KIJKEN...

Boekenwulf

Lezen, een open deur naar een betoverde wereld - François Mauriac

HOOCHIEKOOCHIE

kroniek van een kamertjeszondaar

deintro.wordpress.com/

Uw introductie in muziek

bijgekleurd

een wereld in zwart en wit is ook maar grijs