NACHTMERRIE EN MUZIEK

dylan-parijs

Bob Dylan lijkt in zijn nieuw werk, Murder Most Foul, muziek als een mogelijkheid te zien om uit de nachtmerrie van de recente geschiedenis te kunnen ontwaken. Die hypothese roept bij mij nogal wat denkbeelden en associaties op. Ik laat ze hier als toevallig opgeraapte steentjes en schelpen op dit geschreven pad neervallen, als een Klein Duimpje verloren gelopen in de bloedhete straten van Laredo. Of was het Nuevo Laredo? Een Klein Duimpje onderhevig aan de blues.

In een nachtmerrie kijken duizenden toe op een tragische gebeurtenis, maar geen stervende ziel ziet iets. Alleman, Jan zonder Vrees, Judge Priest, Julia Dixon en Rhett Butler waren erbij; ze stonden dicht bij het podium, maar niemand onder hen ving van wat dan ook een glimp op. Het leek of deze toeschouwers – en wij met zijn allen, die het van ver maar op de voet volgden – blind geboren waren. In zekere zin doofstom. Niet moeilijk om zo je weg te verliezen. Te verdwalen, strompelend van paradijs naar hel, als in de nachtmerrie van een kamer vol donkere spiegels.

Uit enkele akkoorden en een eenvoudige melodie komen handen tevoorschijn; het zijn die van John, Paul, George en Ringo. Kijk hoe ze je nu vasthouden, meisje, hoe ze je de zo gemiste warmte schenken. Komm gib mir, gib mir. Een lang ogenblik lang omhelzen de vier jongens je. Nee, niet zijzelf, hun stemmen doen dat.

Een heel eind daarvandaan, in het verre Amerika, waar de paarden in onze dromen veel ruimte vinden voor hun galop, verandert een akelige lange zwarte limousine in een troostende melodie, vanuit de ziel in de richting van de hemel gezongen. Het geluid van de fatale schoten op de president wordt een zotte dans van Junior Walker & the All Stars. Shoot ‘em ‘fore he run now do the jerk baby do the jerk now. Vrijheid is niet langer iets om na te streven, als het dat al ooit was. Vrijheid is bedrog, mijn zoon. De enige echte vrijheid is de dood, verklaart Bob Dylan in zijn lied. Dat wisten de joden in de concentratiekampen maar al te goed. Rook naar de hemel. Another word for nothing left to lose, jongen.

De dag dat John Fitzgerald Kennedy stierf overleed ook de New Frontier. Talking stopped, someone shouted, what / I ran out to the street. Wat kun je in deze nachtmerrie nog doen voor je land? Heb je nog wel een land? Tenzij een land van duizend deuntjes en duizend dansen. Het land dat Patti Smith al bezong toen zij nog maar een wat schriele rijzende ster was. Het zorgeloze land dat Christophe Kenner in New Orleans aan de vooravond van de koningsmoord bedacht. New Orleans, het enige koninkrijk dat de Amerika heeft gekend, met de Zulu King dansend in de straten genaamd St. Claude en Dumaire, met de Voodoo Queen Marie Laveau en met de lekkere Lady Marmalade. Getcha, getcha ya, ya, da, da. Getcha, getcha ya, ya, here. Het land waar je in goede en kwade dagen over de grond rolt van het lachen. New Orleans, een heel ander rijk dan dat van de eenzame ster en de onheilspellende olievelden. Waar Lyndon B. Johnson het daglicht en JFK de ultieme duisternis zag. Waar Bob Wills nog steeds de koning is.

Met kleine Susanna in de cinema genaamd Texas Theatre in Dallas vind je maar tijdelijk vermaak. Het is niet veel meer dan een vlucht in een camera obscura, zoals die van Lee Harvey Oswald. Wat je nodig hebt zijn liedjes, gekke liedjes, mooie liedjes, wonderlijke liedjes. Ook al duren ze niet lang. Kijk maar naar het levenslied genaamd Patsy Cline. Een korte wandeling na middernacht, een beetje gek gedoe, maar de ochtend haalt ze niet. Buddy Holly, Otis Redding, zovele anderen. Ze halen de dageraad niet. Zij brachten soelaas maar redden het zelf niet. Jimi Hendrix, Duane Allman, Janis Joplin, Alan Wilson. Je kent de namen. Mozart, Schubert. Brandon DeWilde, die van Shane, vriend van de cowboy engel Gram Parsons. Luister nog een keer naar In My Hour Of Darkness.
Tommy is doof, stom en blind. Hij hoort je niet en ziet je niet. Nog zo een. Een andere koningin, mishandeld, niet uit New Orleans afkomstig, zit aan de acid. Haar door Pete Towshend aangereikt. De man in de witte katoenen overall, uitvinder van muzikaal gestotter, erfgenaam van de vuilnismannen, van surfende vogels. Het zijn maar woorden, mijn vriend, wees gerust. Het is nog altijd geen echte muziek. Nu hoor je opeens het wild geraas van Shots, opnieuw en opnieuw, in een oud lied van Neil Young. De aarde is nu bijna een wilde hemel. Bif Bang Pow!

Niemand bevindt zich ver van het graf. Het einde is altijd in zicht. Veel verder dan zes mijl is het niet. Zo dacht Hank Williams erover. Misschien nog een geluk dat een dode Kennedy geen gedachten heeft. Als hij die toch had, zouden het er wellicht over vers fruit en rotte groenten zijn, wormen, pulpfictie.

Wat dacht je van de dithyramben van Nietzsche, van zijn antichrist, zijn Dionysos, zijn geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek? Hem is het niet om de zuivere schoonheid te doen maar om kunst die onthult. Zie je de naakte waarheid? Onmogelijk, dat kan niet. Nu gaat alles zo hard trillen dat het zwart voor de ogen wordt. Zie je Nietzsches Mansion on the Hill? Je hebt niet goed gekeken. Het is een gesticht in Bazel. Hoor je de leugens die zijn zuster Elisabeth over hem vertelt? Luister er niet naar. Luister naar zijn muziek. Hoe hij zijn piano te lijf gaat. Het lijkt wel John Cale, John Cage, John Lennon, een Beatle. Heeft een piano een lijf? Een lijf dat naar de eeuwigheid rijkt.

Mooie liedjes duren niet lang? Bob Dylan denkt daar, geloof ik, anders over. De moderne ridder Wolfman Jack, de Ideale DJ, wijst de weg. Elke single die hij zinderend en sidderend de aardedonkere of vollemaanverlichte nacht instuurt biedt troost. Zelfs het eenvoudigste akkoord heft de tijd op en schudt het hart wakker.

In Junior Parker’s Mystery Train zien we nog steeds de betreurde doden zitten; zie je ze naar ons wuiven, Martin Luther King, Robert Kennedy, Malcolm X, Curtis Mayfield, Frances Farmer, Sister Rosetta Tharp en Casey Jones? Er zitten nog veel meer reizigers in deze trein. Hobo’s, zwervers, swingende troubadours, componisten, parels van zangeressen, prinselijke zangers, muzikanten, hun koffertjes vol tekstvellen en partituren, vol demo’s en dromen. De mysterieuze trein die we zo goed herkennen is de trein van de lust die eeuwigheid wil. Kopen we een kaartje om daarmee samen aan deze nachtmerrie te ontkomen?

jimmorrison-graf

Foto’s: Martin Pulaski, Parijs. Boven: Bob Dylan, onder Jim Morrisons graf.

AFSCHEID VAN DAVID ROBACK

david roback

David Roback is dood. Ik heb hem nooit gekend, nooit een noemenswaardig interview met hem, nooit een diepgravend artikel over hem gelezen. Het lijkt erop dat hij in woord noch beeld wilde worden gevat, dat hij op geen enkele manier in de belangstelling wilde staan. David Robacks leven is voor mij een mysterie en waarschijnlijk is dat voor veel mensen die van zijn muziek houden net zo. Daar is niets mis mee: goede muziek is goede muziek. Wat wij over de toevallige levensomstandigheden van een muzikant of componist – of van een kunstenaar in het algemeen – vernemen zou niets mogen veranderen aan onze appreciatie van hun creaties.

Het zal geen toeval zijn dat David Roback samenwerkte met vrouwen die veel meer in de kijker stonden dan hij, eerst Kendra Smith, daarna Hope Sandoval. Hoewel die twee merkwaardige zangeressen zelf ook een afkeer van schijnwerpers leken te hebben. Zo vonden de optredens van Mazzy Star, de meest populaire band van David Roback, vaak in het donker plaats. Mij overkwam het dat ik op 28 oktober 1993 in de VK in Molenbeek een concert van Mazzy Star bijwoonde zonder ook maar een glimp van de buitenaards mooie vocaliste en de begeleidende musici te kunnen opvangen. Een teleurstelling, omdat ik niet van tevoren wist dat zij in duisternis opereerden. Maar die omstandigheid ondermijnde niet de etherische schoonheid van hun songs, het wierp geen schaduw op het melancholieke gitaarspel van David Roback, verduisterde niet de sprookjesachtige tristesse van Hope Sandovals stem [1].

IMG_20200303_123911

Hoe heb ik de muziek van David Roback leren kennen? Vanaf de vroege jaren tachtig draaide ik op Radio Centraal in Antwerpen in mijn programma Shangri-La, samen met Pat G., diverse muziekgenres, gaande van alle vormen van blues en rhythm and blues, via soul en country tot psychedelica, acid rock en contemporaine gitaarrock. Hoewel Radio Centraal een underground-zender mag worden genoemd was zelfs classic rock voor ons geen taboe. (Waarom zou het ook? Wat is er mis met Reelin’ In The Years van Steely Dan, Midnight Rider van the Allman Brothers Band en Rock and Roll van Velvet Underground? ) Veel van de popmuziek van die dagen kon ons evenwel maar matig boeien. Te gepolijst, te oppervlakkig, te glitterachtig; wat ontbrak was de geest en de intensiteit van rock-‘n-roll. Veel toenmalige popsongs hadden maar één doel: zoveel mogelijk verkopen. De plaatjes dienden voor kortstondig vermaak, meer was er niet aan.

In 1983 en 1984 evenwel bereikten ons vanuit Californië de muzikale golven van wat we leerden kennen als de Paisley Underground. Doorgaans houd ik niet van dergelijke trefwoorden, maar Paisley Underground kon ermee door. Ook al omdat de bands die onder die noemer vielen tegen de tijdsgeest ingingen en teruggrepen naar een sound die voornamelijk bestond uit gitaar, orgel, bas, drums en harmonische samenzang. Ook de namen van de groepen bevielen ons zeer: Green On Red, the Rain Parade, Dream Syndicate, The Bangles, Three O’Clock, Long Ryders. Deze Californische bands speelden songs geïnspireerd door de psychedelische rock van de jaren zestig. Je hoorde de invloed van de vroege Pink Floyd, Buffalo Springfield, Velvet Underground, Love. Wij van Shangri-La waren er meteen weg van. Gelukkig had je in Antwerpen, op de Grote Markt nog wel, een platenwinkel bij wie we voor de platen van de Paisley Underground terecht konden: Brabo. Dat dat aanbod er was, was vooral te danken aan de diep betreurde Walter Geertsen, die een grote liefde voelde voor alles wat maar enigszins psychedelisch klonk.

rainparade1

Wie van de Paisley Underground-bands mijn bijzondere aandacht kreeg was the Rain Parade, een groep die wat ik narcotische folkrock noemde ten gehore bracht. Met een platenbon die ik van mijn vriend Wilfried voor mijn verjaardag kreeg, kocht ik bij Brabo Emergency Third Rail Power Trip [2], Het was een langspeelplaat die veel indruk maakte, een van de beste van dat verdoemde 1984. Bij songs als This Can’t Be Today, 1 HR ½ Ago, Carolyn’s Song  en What She’s Done To Your Mind kon je lekker wegdromen. Je werd high zonder drugs te hoeven nemen. Samen met zijn broer Steven (zang, bas) en Matt Piucci (zang, gitaar) schreef David Roback (zang, gitaar) het merendeel van de liedjes. Kort na dat debuut verliet hij the Rain Parade om zijn eigen nogal ondoorgrondelijke weg te gaan. We hoorden een tijd niets van hem maar dan kwam hij terug uit die vrijwillige ballingschap, eerst met een groepje dat Clay Allison [3] heette en korte tijd later de naam Opal kreeg. Kendra Smith, ex-Dream Syndicate bassiste, was de geweldige en zoals gezegd nogal mysterieuze zangeres van de groep. Hun album Happy Nightmare Baby verscheen in 1987 op SST. Een mooie rockplaat waar ik aanvankelijk helemaal weg van was, maar als ik ze nu beluister vind ik dat er toch wat te veel van T.Rex in zit. Hoewel de stem van Kendra Smith daar een nieuwe dimensie aan toevoegt. Eigenlijk houd ik meer van de in 1989 uitgebrachte collectie Early Recordings, waar Opal soberder, delicater klinkt. Dat houdt mogelijk verband met weer een andere zangeres, Suki Ewers, die op een aantal van de songs te horen valt.

Tussendoor was er nog een voortreffelijke langspeelplaat uitgebracht van de ‘supergroep’ Rainy Day. Daaraan werkten – of droomden – onder meer mee: Susanna Hoffs en Vicky Peterson van the Bangles, Michael Quercio van the Three O’Clock, Kendra Smith van the Dream Syndicate, Steven Roback van Rain Parade en het brein achter de plaat, David Roback. Het ging om een verzameling verstilde covers van sixties-classics, zoals I’ll Keep It With Mine (Bob Dylan), On the Way Home (Buffalo Springfield), Flying On The Ground is Wrong  (Buffalo Springfield), Rainy Day, Dream Away (Jimi Hendrix) en het wonderlijke Holocaust (van Big Star, in 1974 opgenomen, in 1978 uitgebracht). Chris Eckman schreef onlangs hoe deze elpee de oren van veel toen debuterende muzikanten heeft geopend. Velen van hen waren punks die nooit aandachtig naar Buffalo Springfield en the Byrds hadden geluisterd. Dat ze nu met deze muziek in aanraking kwamen was te danken aan de man in de schaduw, David Roback.

opal-1

Tijdens een tournee van Opal in 1987 liet Kendra Smith het opeens afweten. De folkzangeres Hope Sandoval nam haar plaats in en al gauw ontstond er een nieuwe groep: Mazzy Star. Hun eerste elpee She Hangs Brightly kwam uit in 1990. Het was een revelatie. David Roback had in Hope Sandoval zijn perfecte muzikale partner gevonden. Haar betoverende, droomachtige stem harmonieerde heel mooi met het psychedelische minimalisme van zijn gitaarspel. Het verhaal van die enigmatische elpee boordevol borderline-achtige frasen en kronkelende, donkere gitaarmotieven vertelde ik in mijn tekst ‘De blauwe bloem’. ‘She Hangs Brightly’ was, zoals je daar kunt lezen, de laatste vinylplaat die ik kocht. Tegelijk werd het een parel aan een van mijn twee kronen.

Het andere werk van Mazzy Star, So Tonight That I Might See (1993), Among My Swan (1996), Seasons Of Your Day (2013) en Still (ep, 2018), moest daar niet voor onderdoen. De songs van Hope Sandoval en David Roback zijn stuk voor stuk even tijdloos, even engelachtig erotisch, even dromerig en zacht: allemaal kerven ze genadeloos in de sterfelijke ziel van de melomaan.

Als je mij zou vragen, wat hoor jij nou het liefst van David Roback, dan zou ik eerst zeggen, ik weet het niet en vervolgens zijn (on)volledig werk nog eens beluisteren… Dat is wat ik de voorbije dagen deed. Ik probeerde niet te denken aan de tragische gebeurtenissen in Syrië, Turkije, Griekenland en elders in de wereld en me niet bang te laten maken door de massa’s nare tijdingen over de nieuwe epidemie. Ik luisterde, raakte in trance, voelde een mengeling van droefheid en geluk, vroeg me af hoe Hope Sandoval zich voelde en Davids broer Steven; ik luisterde nog meer, raakte in trance, probeerde te schrijven, deed er het zwijgen toe, in mijn hoofd en om mij heen decemberbloemen. Zo werd het maart 2020, ellendige, lege dagen, regen op Brussel, koude en stramme ledematen. Maar de troost van Taste Of Blood, Halah, Blue Flower, Be My Angel, Fade Into You, Blue Light, Into Dust, She’s My Baby, Disappear, Flowers In December, Take Everything, Look On Down From The Bridge, Spoon, In The Kingdom, Quiet The Winter Harbor, Still. Mijn antwoord op je vraag? Ik weet het nog altijd niet, vandaar deze opsomming.

IMG_20200226_150045

David Roback bereikte met Hope Sandoval en Mazzy Star een eenzame en ijle top dicht bij de sterren en ver weg van de menselijke beslommeringen. In 1990 vertelde hij al aan de Los Angeles Times dat hij kunst benaderde op een Rip Van Winkle-manier. Hij luisterde niet naar zijn tijdgenoten, was nooit op zoek naar een succesformule. Rolling Stone wist hem drie jaar later ook nog te ontfutselen dat je achter die lange periodes van stilte tussen het verschijnen van nieuw werk van Mazzy Star niets moest zoeken. Wij blijven muziek maken, maar dan wel voor onszelf, zei hij. “When I’m working on music with Hope, the person that’s foremost in my thoughts is Hope. We tend to get quite caught up in just the making of the music for ourselves.” De manier waarop David Roback omging met roem en succes mag voorbeeldig worden genoemd. Hij was een outsider maar geen heremiet in de Californische woestijn. David Roback was geliefd en maakte deel uit van een gemeenschap van andere outsiders, een groepje in het duister tastende enkelingen, dromers in de vallei van de schaduw van de dood. Ontroostbaar? Op weg waarnaartoe? Naar het blauwe licht? Het antwoord is de muziek.

[1] Setlist: Mary of Silence /  Ghost Highway / Rock Section (The Colors Out Of Time cover) /  Blue Flower (Slapp Happy cover) / Halah / Give You My Lovin’ / Ride It On / Into Dust / Flowers in December / Blue Light / She Hangs Brightly / Hair and Skin / So Tonight That I Might See

[2] In de VS al in 1983 uitgebracht, bij ons in 1984.

[3] Van Clay Allison kenden wij een hele tijd maar één nummer, een cover van Elizabeth Cottons Freight Train (terug te vinden op de mooie compilatie-elpee Don’t Shoot op Zippo).

Afbeeldingen: Foto David Roback, fotograaf onbekend (via Mazzy Star facebookpagina); binnenkant cd-boekje Mazzy Star, Among My Swan; The Rain Parade, Emergency Third Rail Power Trip; Opal, Happy Nightmare Baby; cds Opal, Mazzy Star en soundtrack van de film Clean van Olivier Assayas met Maggie Cheung en muziek van onder meer David Roback).

 

 

ZERO DE CONDUITE: BEAUTIFUL THINGS

Zéro de conduite is een sfeervol, (meestal) thematisch programma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Een muzikaal evenement van ongeëvenaarde kwaliteit! Stem af op Radio Centraal 106.7 FM: uniek in het zich steeds verder uitdijende universum.
Je kunt Zéro via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere radiomakers.

Ik was niet meer in Antwerpen sinds 2 november vorig jaar. Dat was voor een aflevering van Zéro de conduite die ‘something’s wrong’ heette. Songs over wat verkeerd, onbetrouwbaar, misdadig is. De daaropvolgende weken heb ik hard gewerkt aan mijn reeks over het nachtleven in Antwerpen in de periode 1978-1982 (ongeveer). In december ben ik ziek geworden. Daarna heb ik een maand doorgebracht op een eiland, in het zonnige dorp Valle Gran Rey, voornamelijk om er te genezen.
Nu probeer ik alles wat verkeerd gaat te vergeten. Wat moeilijk is, zeker als je nog maar pas Geert Maks ‘Grote verwachtingen. In Europa 1999-2019’ hebt gelezen. Gaat in Europa en in de hele wereld niet ongeveer alles verkeerd? Niet alles. Niet het verzet daartegen, en de liefde en de vriendschap en de schoonheid. Laat dat laatste nu net het thema van deze aflevering van Zéro de conduite wezen! Ook dat thema heeft met het verkeerde te maken. Als de politieke en zakelijke wereld gaat bepalen wat schoonheid is dan is het onze opdracht om dat soort mensen van repliek te dienen. Als zij kunstenaars, en dan nog vooral de meest kritische onder hen, monddood willen maken, onder meer door geleidelijk aan subsidies af te schaffen, als zij zelfs de openbare omroep aan hun doctrines willen doen gehoorzamen, dan is het des meer onze opdracht om ons daartegen te verzetten.
Die overweging was de aanzet voor dit programma. Sommige politici pretenderen te weten wat schoonheid is. Hun namen wil ik hier niet eens noemen. Zelf weet ik helemaal niet wat schoonheid dan wel is, al heb ik er veel over gelezen en heb ik in mijn leven en in de vele steden en dorpen die ik bezocht veel schoonheid gezien. Het is mogelijk dat schoonheid is wat schoonheid is. Vanavond laat ik het aan songschrijvers, zangeressen, zangers, bands, muzikanten over om het erover te hebben. Wat niet wil zeggen dat buiten die muzikale wereld, en buiten wat deze mensen erover te vertellen hebben geen schoonheid bestaat. André Bretons ‘Nadja’ eindigt met deze enigszins raadselachtige woorden: “La beauté sera CONVULSIVE ou sera pas.” Dat zijn woorden die te denken geven. Niet voor niets citeerde een jonge Patti Smith ze op haar tweede elpee, Radio Ethiopia. Mogelijk bestaat er een verband tussen schoonheid en raadselachtigheid. Schoonheid heeft iets heftigs, zelfs als ze ingetogen, als ze stil is. In een(voorlopig) lelijke en slechte wereld is schoonheid een vorm van verzet.

Veel luisterplezier.

fallingdownamountain

All The Beautiful Things – Eels – Hombre Lobo – E aka Mark Everett – 2:22

The Sleeping Beauty – American Music Club – The Golden Age – Mark Eitzel – 3:58

We Die And See Beauty Reign – Isobel Campbell & Mark Lanegan – Hawk –  Isobel Campbell, Jim McCulloch – 2:56

Dive for the Pearl – Steve Gunn & Black Twig Pickers – Seasonal Hire – Mike Gangloff – 5:51

Hesitating Beauty – Billy Bragg & Wilco – Mermaid Avenue – Woody Guthrie – 3:06

My My, Hey Hey (Out Of The Blue) – Neil Young & Crazy Horse – Rust Never Sleeps – Neil Young – 3:48

Beautiful Change – The Innocence Mission – Befriended – Karen Peris – 2:58

Beautiful Dress – Marlon Williams – Make Way For Love – Marlon Williams – 3:31

Story Of An Artist – M. Ward – The Late Great Daniel Johnston: Discovered Covered – Daniel Johnston – 4:20

A Beautiful Thing – The Handsome Family – In The Air – Brett & Rennie Sparks – 3:37

Feeling Of Beauty – Tift Merritt – Traveling Alone – Tift Merritt – 4:02

All This Useless Beauty – Elvis Costello & The Attractions – All This Useless Beauty – Elvis Costello – 4:40

Fatally Beautiful – T-Bone Burnett – Proof Through The Night – T-Bone Burnett – 4:33

Beautiful Feeling – PJ Harvey – Stories From The City, Stories From The Sea – PJ Harvey – 4:00

Keep You Beautiful – Tindersticks – Falling Down A Mountain – Stuart A. Staples – 3:22

Beauty Lies In The Eye – Sonic Youth – Sister – Thurston Moore, Steve Shelley, Lee Ranaldo – 2:20

Beauty Trip – Television – Television –Tom Verlaine/Television – 4:23

What Goes On – The Velvet Underground – The Velvet Underground [“The Val Valentin Mix”] – Lou Reed – 4:54

Real Cool Time – The Stooges – The Stooges – Iggy Pop – 2:33

Beauty Queen – Roxy Music – For Your Pleasure – Bryan Ferry – 4:41

Beauty And The Beast – David Bowie – “Heroes” – Bowie – 3:36

Sadly Beautiful – The Replacements – All Shook Down – Paul Westerberg – 3:16

Nightswimming – R.E.M. – Automatic For The People – Bill Berry, Michael Stipe, Mike Mills, Peter Buck – 4:18

Golden Hair [Instrumental] – Syd Barrett – The Best Of Syd Barrett: Wouldn’t You Miss Me? – Syd Barrett, James Joyce – 1:50

Pretty Little Dreamer – Grey De Lisle – The Graceful Ghost –  – 2:03

Heaven – The Rolling Stones – Tattoo You – Mick Jagger, Keith Richards – 4:22

The Beauty Of The Time – The Steve Miller Band – Children Of The Future – Steve Miller – 5:24

Beautiful Is Beautiful – Moby Grape – Truly Fine Citizen – T. Dell’ara – 2:33

Country Air – The Beach Boys – Wild Honey – Brian Wilson, Mike Love – 2:22

A Beautiful Morning – The Rascals – The Very Best Of The Rascals – Brigati, Cavaliere – 2:36


Bonus Tracks (zelf beluisteren)

Itchycoo Park – The Small Faces – The Autumn Stone – Steve Marriott – 2:54

Watch The Sunrise – Big Star – #1 Record – Chris Bell, Alex Chilton – 3:45

Eleuthera – Michael Chapman – True North –  Michael Chapman – 2:50

Beautiful And Blue – Badfinger – Magic Christian Music – Tom Evans  – 2:43

Beautiful Love – Julian Cope – Peggy Suicide – Julian Cope – 3:14

Beautiful – Shack – H.M.S. Fable – John Head – 3:22

Beauty Mark – Charlotte Gainsbourg – 5:55 –  – Jarvis Cocker, Jean-Benoît Dunckel, Neil Hannon, Nicolas Godin- 3:09

Something More Beautiful – Beth Orton – Sugaring Season – Beth Orton – 3:28

Beautiful Friend – The Deslondes – Hurry Home – Cameron Snyder, Dan Cutler, John James Tourville, Riley Downing, Sam Doores – 2:59

Research, samenstelling en presentatie: Martin Pulaski
DJ: Sofie Sap

NACHTEN AAN DE KANT 14: HUISELIJKE TAFERELEN

 

Robert_Falcon_Scott_in_the_Cape_Evans_hut,_October_1911

4 januari 1979. Senga en ik zijn allebei ziek en we zitten op droog zaad. Met mij gaat het al wat beter, Senga heeft hoge koorts. Geen geld voor dokter, geneesmiddelen of drank. Bovendien is het bitter koud. Ik voel me een beetje zoals de poolreiziger Robert Falcon Scott als hij zijn allerlaatste boodschap neerschrijft. Het is echter niet de vorst die ons ziek maakt. Mijn ziekte is alvast ouder en verbetener dan de kou.
Nu er sneeuw op de daken ligt schitteren de meeuwen als witte balletdansers in een lichtgrijs decor. Of zijn het ijsschaatsers die vleugels hebben gekregen? Wat ze uitdrukken is schaarste. Uit de scherpe lijnen die de vogels trekken kun je afleiden hoe koud de lucht is. Je voelt in je eigen ledematen dat hun bloed net niet bevriest. De mensen op straat zien er veel kleiner uit dan op warmere dagen. Dik zien ze er ook uit. Magere mensen blijven in de winter liever binnen. Dan ben ik wel een uitzondering op die regel: ik ben mager en kom graag buiten als het koud is, vooral ‘s nachts. Gisteren woog ik vijfenvijftig kilo. De zon overspoelt mijn kamer met sneeuwwit licht. Buiten is het zeker tien graden onder nul. De kou bevalt mij. Een ondergesneeuwde straat. Een toegevroren kanaal. Met dikke lagen sneeuw bedekte sparren in een wit landschap. Voetsporen in de sneeuw stemmen me nog altijd droef te moede (een oude uitdrukking, maar ik vind ze hier wel gepast). En dan heb ik het nog niet over het verkeer. In naam van snelheid en efficiëntie verkiezen stedelingen grijze, modderige pap boven blanke sneeuw. Sneeuw en ijs zijn gevaarlijk, en dat moet vermeden worden. Terwijl de vuile gezouten smurrie mij pas echt gevaarlijk lijkt. Onheil voor mens en dier en plant.
Wegens de bijtende kou en de verkeersmoeilijkheden moesten we de vorige dagen niet gaan stempelen. We mochten de hele dag thuis blijven, zogezegd zitten nietsdoen. Dat we geen reet uitvoeren, daar zijn onze hardwerkende medemensen van overtuigd. Werkloos tuig, dat zijn wij. Ik geef toe dat ik dit keer niet veel gedaan heb. Mijn werkkamer op orde gebracht, wat naar de radio geluisterd (nieuwe plaat van Elvis Costello), de krant en Humo gelezen en gewacht. En nu heb ik toch al deze regels geschreven. Soms vraagt een mens zich af waar hij de energie vandaan blijft halen.

7 januari 1979. Vrijdagavond stond mijn moeder hier zomaar opeens voor de deur. Een telegram van ons had haar ongerust gemaakt, ze was onmiddellijk naar hier gekomen. Senga had op dat ogenblik erg hoge koorts (39,5), buiten was het ijzig koud (-16°), ik was hypernerveus. Het bezoek van mama maakte mij er niet rustiger op. Zij was zelf nogal in de war, onderbrak me voortdurend en begon dan over iets helemaal anders. Met als gevolg misverstanden en soms harde woorden. Van beide kanten een gebrek aan begrip. Mama verwijt me dat ik ondankbaar en gevoelloos ben, wat ik dan weer ongegrond en onrechtvaardig vind. Toch is het mogelijk dat ik hard en koel overkom, waardoor zij de indruk krijgt dat haar aanwezigheid me onverschillig laat of zelfs ergert.
Terwijl we elkaar zo verkeerd zitten te verstaan en Senga boven ligt te ijlen krijgen we eerst bezoek van Guillaume, die goddank maar even blijft. Het gebeurt maar zelden dat ik de Heer dank, en in dit geval doet het me zelfs pijn omdat ik mij in normale omstandigheden zo verheug op Guillaume zijn visites. Mama herkent Guillaume nog van die keer dat we scrabble zaten te spelen. Tegen hem is ze hartelijk. Zou ze in hem een betere zoon zien dan in mij? Daarna is het de beurt aan Anton, die ik sowieso verwachtte. Maar ik ben niet in staat hem met warmte en andere tekenen van vriendschap te bejegenen. Door al die drukte krijgt mama helemaal het gevoel dat ze een ongewenste gast is. En ze komt dan nog speciaal helemaal uit Limburg omdat ze dacht dat ik ernstig ziek was, terwijl nu blijkt dat Senga het zorgenkind is. Waarom ook hebben wij in onze telegram geschreven dat ik de grote zieke was?

Hoe kan ik mama aan het verstand brengen dat ze hier welkom is en dat we haar graag zien? Moet ik omdat zij er is mijn vrienden de deur wijzen? Iedereen is hier even welkom, familie of geen familie. En misschien is het wel waar dat ik de voorkeur geef aan vrienden, boven familieleden, en zelfs boven mijn ouders.

Mama blijft slapen. Tot één uur ’s nachts zitten we in de bruine fauteuils van de huisbaas te praten en elkaar te onderbreken. Ik laat mama zoveel mogelijk aan het woord en als ze mij iets verwijt, wat bijna de hele tijd het geval is, probeer ik mij te verdedigen. Dan begint ze meteen over een ander onderwerp om me daarover ook al verwijten naar het hoofd te slingeren. Het komt erop neer dat ik te veel geld uitgeef aan drank, dat ik te vaak op café ga, dat het hier de zoete inval is, dat mijn ‘kameraden’ van ons profiteren. Als ik dan bijvoorbeeld antwoord dat ik op café heel dikwijls getrakteerd word door mijn vrienden zegt mama dat ik een uitzuiper ben. Het is ook nooit goed. Nog een geluk dat ze mij geen uitvreter noemt, zoals dat personage van Nescio, de kerel die “je sigaren oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen opdroeg en een jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest.” [1] Voor ik ga slapen moet ik de waterleiding nakijken en de kranen toedraaien. In de kelder is het berekoud. Heel even krijg ik het gevoel dat ik in mijn eigen ijzige afgrond afdaal. Maar al gauw lig ik lekker in het warme bed naast mijn koortsige geliefde.

Zaterdagmiddag vertrekt mama. Bij het afscheid klaagt ze dat ze zo ongelukkig is en dat ze met haar eigen ogen kan zien hoe onberoerd mij dat laat en dat Senga zo ziek is laat mij ook al onverschillig en dat ze zo graag tot zondag zou blijven maar dat zij wel doorheeft dat ze hier bij ons, bij mij dus, in de weg loopt. Hoezo dan? Omdat ik, zegt zij, toen Anton gisteren voor hij vertrok liet verstaan dat hij vanavond zou terugkomen, had moeten antwoorden dat dat niet kon, omdat mama nog hier zou zijn. Ondanks die kritiek geeft ze mij toch wat geld voor de dokter. Zodra mama weg is wil ik meteen de huisarts opbellen. Geen sprake van, zegt Senga. We kunnen dat geld wel voor iets beters gebruiken. Toch heeft ze nog altijd hoge koorts.

001 writing

Om twee uur zou Giuseppe langskomen om het schilderij Capaneus the Blasphemer van William Blake te analyseren. “O Capaneus, in het feit dat uw hovaardigheid niet wordt getemperd, ligt uw zwaarste straf: geen marteling zou beter bij u passen dan juist deze woede van u!” [2] Maar Giuseppe is niet komen opdagen. Zodoende had ik wat meer tijd om voor Leo Steculorum vier lijsten met reeksen termen over te typen. Hij stelt die vanaf volgende vrijdag tentoon in het Pannenhuis. Eén lijst waarop alle termen, één lijst waarop tijdsgebonden begrippen, één lijst waarop ruimtegebonden begrippen, één lijst waarop termen met betrekking tot maten. Leo kan zelf niet snel genoeg typen om die vier pagina’s op een week af te krijgen. Beschouw dit maar als een vriendendienst.

Zaterdagavond komt Anton me oppikken om de stad in te gaan. Hij stelt Sally, zijn nieuwe vriendin, aan ons voor. Met enige tegenzin en nogal wat schuldgevoelens, zowel jegens mama, wat nu geen enkele zin meer heeft, als jegens Senga, trek ik de deur achter me dicht. Senga zei dat ze het niet erg vond. Je bent in goed gezelschap, zei ze. Met Anton erbij zal je niets ergs overkomen. Dat weet ik nog zo niet. Bij Anton voel ik me nooit honderd procent oké. Hoewel ik toegeef dat we niet over alles wat in ons omgaat moeten praten, vind ik het toch knap lastig helemaal niets te weten over elkaars gevoelens. Soms gedraagt Anton zich toch zo geheimzinnig. Het probleem is evenwel dat ik me heel goed in hem kan vergissen. Mogelijk heeft hij de beste bedoelingen. Dat hele gedoe met mijn moeder spookte ook nog in mijn hoofd. In Cinderella’s Ballroom ben ik bijna meteen gaan dansen. Maryse draaide als altijd weer geweldige plaatjes, zelfs iets van Elvis Presley, die oude god. Anton en Sally heb ik niet meer gezien. Al dansend heb ik wat nog overbleef van dat grieperige gevoel uitgezweet. Ik voelde me al net zo sterk als die verdoemde Capaneus. Forget your sickness and dance! Forget your weakness and dance! zingt Bob Marley in Them Belly Full (But We Hungry), en dat blijkt een goede raad te zijn. Vorig jaar tijdens het concert van Robert Gordon en Link Wray heb ik dat ook al eens ondervonden.

Als Cinderella’s Ballroom de deuren sluit is er nog altijd de Gnoe. Daar zitten Guillaume Bijl en Luc Van Tendeloo, een warmhartige vriend van me en net als ik een filmminnaar, aan een tafeltje. Theo de paranoïde psycholoog, een man die ik onlangs wat beter heb leren kennen, staat aan de toog.
Hoe kun je met zo’n fils à papa optrekken, vraagt Guillaume. Hij doelt op Anton. Hij had ons van op een afstand in Cinderella’s Ballroom gezien. En Anton en ik zijn een tijdje geleden een keer samen bij hem thuis geweest. Ik weet het niet, zeg ik. Dingen gebeuren. Ik wil Anton verdedigen. Dat de zonen niet altijd hetzelfde zijn als de vaders en zo. Maar mijn pleidooi zal niet heel vurig zijn geweest ·want binnen de kortste keren liggen Guillaume en Luc met hun hoofd op tafel te snurken. Theo, die me psychologische bijstand had kunnen geven, valt nergens meer te bespeuren. Rudi, wil je een taxi opbellen? Ik moet mijn vrienden veilig thuisbrengen. Zo doe ik nog eens iets goeds. De taxichauffeur lijkt sterk op John Cazale in Dog Day Afternoon. Eerst naar de Sint-Jorispoort, mijnheer, dan naar de Lange Leemstraat en ik woon in de Dolfijnstraat. In de Lange Leemstraat kost het me heel wat moeite om Guillaume wakker te krijgen. Zelfs een zware regenbui kan hem niet deren, geloof ik. Maar kijk, nu is hij dan toch wakker.

[1] Nescio, De uitvreter
[2] Dante, De goddelijke komedie, Inferno, Canto XIV

Afbeeldingen: Robert Falcon Scott door Herbert Ponting; een vriendendienst van Martin Pulaski.

NACHTEN AAN DE KANT 11: JE KUNT NIET MEER NAAR HUIS

GB portret 001

Eind maart 1978. Guy Bleus is teruggekeerd naar Wellen. Zijn kort verblijf hier heeft me nieuwe moed gegeven. Het is goed te voelen en te weten dat je niet alleen bent in dit barre land. Het is niet zo dat wij over alles hetzelfde denken of als dubbelgangers op elkaar lijken, maar er is een duidelijke zielsverwantschap. Dat heb ik maar met enkele mensen. We leven voor een deel in dezelfde innerlijke wereld, we hebben voor een deel dezelfde passies, vooral die met betrekking tot muziek en literatuur, we kunnen elkaar begrijpen. We zijn een beetje dromende kinderen gebleven, we proberen de werkelijkheid te dromen en in die gedroomde werkelijkheid te overleven. Het is echter heel goed mogelijk dat onze levenswijze gedoemd is om te mislukken. Het komt eropaan te volharden, maar dat werkwoord laat al aanvoelen hoe moeilijk die opdracht is.

Gisteren heeft Guy bijna in een opwelling de wand van onze grote woonkamer/keuken beschilderd. Zijn bewegingen leken daarbij op die van een balletdanser. Guy had de elpee Golden Hits of the Shangri-Las opgelegd om hem tijdens zijn werk te begeleiden en te inspireren. (Of gebruik ik niet beter het woord spel voor dat bijna dansend en zo muzikaal schilderen?) Wat een sublieme songs dat toch zijn, die gouden hits van the Shangri-Las, boordevol passie, melancholie en tragiek. Speciaal was ook dat de meisjesgroep uit twee paar tweelingen bestond, Mary en Betty Weiss en Margie en Mary Ann Ganser. Onze lieveling is Mary Weiss: zij heeft de mooiste stem en ziet er als een onschuldige en dus gevaarlijke engel uit [1].
Zelfs al is er geen enkele overeenkomst met het werk van bijvoorbeeld Giotto, noem ik de wandschildering van mijn vriend graag een fresco. De sporen van I Can Never Go Home Anymore, een van de droevigste nummers van the Shangri-Las, zijn er nog duidelijk op te zien. Het lijkt wel of de muziek die woorden zelf op de muur heeft geschreven. Het is duidelijk dat de tekst, de melodie en het ritme van dat lied Guy’s belangrijkste inspiratiebron waren. De woorden die je op het fresco ziet dansen en zingen; je hoort er bastonen en een koor in, en daar bovenop de gekwelde New Yorkse stem van Mary Weiss.
Na een tweetal uren was de hele wand gevuld met niet alleen die herkenbare woorden maar ook met vreemde tekens, die niets anders zijn dan woorden uit Guy’s droomtaal, die mogelijk zijn werkelijke vocabulaire is. Hier staat nu een kunstwerk dat tegelijk de tijd aanduidt en hem overstijgt. De drie minuten en twaalf seconden van het mini-melodrama I Can Never Go Home Anymore; de maanden en jaren eenzaamheid van een moeder en een van huis weggelopen tiener; de ontroostbaarheid van allen die zich in dat verhaal herkennen. Do you ever get that feeling and want to kiss and hug her? Do it now / Tell her you love her. Don’t do to your mom what I did to mine. She grew so lonely / In the end. Angels picked her for a friend.

golden hits of the shangri-las

Een kunstcriticus zou van actionpainting kunnen gewagen. Ik zie evenwel geen verwantschap met Jackson Pollock, behalve in het fysieke aspect van de totstandkoming van het werk (of spel). I Can Never Go Home Anymore wil ik graag een brief noemen. Niet alleen omdat Guy Bleus zulke mooie brieven schrijft, kleine kunstwerken op zich, maar ook omdat er op het fresco een brief is afgebeeld en er – op mijn verzoek – een brief van Arthur Rimbaud aan Paul Demeny in is verwerkt: Car Je est un autre. Si le cuivre – s’éveille clairon, il n’y a rien de sa faute. Cela m’est évident : j’assiste à l’éclosion de ma pensée : je la regarde, je l’écoute : je lance un coup d’archet : la Symphonie fait son remuement dans les profondeurs, ou vient d’un bond sur la scène.

We denken na over samenwerking aan een project dat we voorlopig Schrifturen noemen. Het is allemaal nog niet zo duidelijk hoe we dat precies gaan aanpakken. Mijn probleem is dat ik nogal veel interessante invallen en ideeën heb, maar ervoor terugdeins om ze uit te werken. Om van mijn droom realiteit te maken. Ik vind dat we het woord Shangri-La moeten gebruiken en denk ook aan het Orgone [2] van Wilhelm Reich.

AMVK Shangri-La 001

Gisteravond zijn Guy en ik naar de Kant gegaan. Eerst naar de King Kong in de Keizersstraat, waar we bij de jukebox ruby port hebben zitten drinken. De zoete drank roept bij ons associaties op met songs die nooit zullen gaan roesten: Ruby Don’t Take Your Love To Town in de versie van George Jones; Ruby van Ray Charles; My Little Ruby van Chan Romero; Ruby Baby van Dion DiMucci; en natuurlijk Ruby Tuesday van the Rolling Stones. In de Cereus ben ik erg dronken geworden van de whisky. Hoewel ik helemaal geen muzikant ben heb ik kennelijk nogal wild piano zitten spelen. Dat heb ik in Bilzen in 1968 in het huis van Paul Vrijens ook een keer gedaan. Op de een of andere manier heb ik toen een twintigtal luisteraars wel urenlang kunnen boeien met mijn improvisaties en ‘covers’ van liedjes uit We’re Only In It For The Money van the Mothers of Invention. Gisteravond oogstte ik geen bijval. Eenmaal thuis ben ik om een mij onbekende reden woedend geworden. Guy lag reeds in bed toen hij me hoorde brullen. Hij is meteen opgestaan om te zien wat er aan de hand was. Senga zat te huilen in een van die lelijke zeteltjes van de huisbaas, een altijd lachende politieagent die hier aan de overkant woont. Senga is toch niet dood, vroeg Guy, terwijl hij nochtans goed kon horen dat ze geluid voortbracht. Met wat goede wil kon je er He Cried van the Shangri-Las in horen. Ik zat een heel eind bij Senga vandaan, op de grond bij de kolenkachel, niet langer woedend maar diep bedroefd. Guy is van oordeel dat ik een bruut ben en dat ik dat altijd zal blijven. Mogelijk omdat ik hem in Tongeren tijdens een repetitie voor mijn toneelstuk De droom eens een pianokruk naar het hoofd heb geslingerd omdat hij de rol van het lijk niet met de nodige ernst wilde spelen. Gelukkig heeft de pianokruk zijn hoofd niet geraakt. Ik was boos maar ik wist ook wel dat een echt lijk niet meer kan acteren. Als je een zwaar voorwerp naar iemands hoofd gooit moet je er altijd voor zorgen dat je ernaast mikt.

Begin april 1978. Ik ontving ik weer zo’n mooie brief van Guy Bleus. De naam Shangri-la orgonen bevalt me best, schreef hij, hierover zullen we bij mijn volgend bezoek even spreken, nu ben ik (weer!) ziek, ’n grieperige toestand met duizeligheid, weinig eetlust, moe, enz. Het tikken van deze brief valt me erg zwaar, er hangt een zekere onverschilligheid over me, zelfs i.v.m. het gedramatiseerde leven… waarschijnlijk door m’n onrustige jeugd; het ergst zijn de herinneringen die steeds kwellen; de nachten met m’n vader of grootvader in het café, en ik moest telkens vragen om naar huis te komen, en zij bleven en bleven hangen en met zichzelf… Waarom herhaalt zich alles?

En zo komen we alweer bij Henrik Ibsen’s Spoken uit. Hoe onze persoonlijke geschiedenis, ons verleden, ons elke dag blijft kwellen. Hoe herinneringen aan hoe wij ons gedragen hebben tegenover onze ouders, zoals het meisje in I Can Never Go Home Anymore tegenover haar moeder, ons met schuldgevoelens kunnen blijven opzadelen. Het doet ons beseffen hoe moeilijk het is vrijheid na te streven. Soms lijkt het erop dat we helemaal niet vrij zijn, dat we maar speeltjes zijn van het lot of van toevallige omstandigheden. Ons leven wordt op die manier een droom die wij niet zelf dromen. Of een nachtmerrie.

[1] Mary Weiss: I did purchase a gun once, a little Derringer. I bought a gun after somebody tried to break into my hotel room. There were these glass panels on the side of the door and all of a sudden I see this arm coming through. Not only was I scared to death, but there were large amounts of money in the room. You’re on the road with no protection. But, I was a little kid. I didn’t know. Back then, you could walk in anywhere and buy a gun. But the FBI came to my mother’s house and said, “Will you please tell your daughter she’ll be arrested if she gets off the plane with her gun?”
Uit: Mary Weiss Remembers… An interview that Mary Weiss gave to Norton Records’ Billy Miller and Miriam Linna in 2007

[2] Orgone was closely associated with sexuality: Wilhelm Reich, following Freud, saw nascent sexuality as the primary energetic force of life. The term itself was chosen to share a root with the word orgasm, which both Reich and Freud took to be a fundamental expression of psychological health. This focus on sexuality, while acceptable in the clinical perspective of Viennese psychoanalytic circles, scandalized the conservative American public even as it appealed to countercultural figures like William S. Burroughs and Jack Kerouac.
Wikipedia

Afbeeldingen: Guy Bleus omstreeks 1981; Golden Hits Of The Shangri-Las; Shangri-La door Anne-Mie Van Kerckhoven.

NACHTEN AAN DE KANT (10): BLOED

marc+ik-1974

Eind januari 1978. Marc Didden staat onaangekondigd voor de deur, wat niet ongewoon was: bijna niemand van ons had in die tijd telefoon. Toch was ik verrast, vooral omdat we elkaar al lange tijd niet meer hadden gezien. Ooit waren we de beste vrienden: we zaten middagen lang over muziek te praten en jasmijnthee te drinken, gingen samen naar concerten in Théâtre 140 en Vorst Nationaal, zongen liedjes van the Kinks, the Rolling Stones en Creedence Clearwater Revival wandelend in het Zoniënwoud. Nu staat Marc, ondertussen een gerespecteerd popjournalist, in mijn werkkamer met uitzicht op de winterse Zurenborgse tuintjes, nog wit van de nachtelijke vorst. Mooie kamer heb je hier, zegt hij. En waar ben je zoal mee bezig? Ik blijf het antwoord schuldig. Wat ik doe kan ik moeilijk in woorden vatten. Het is allemaal één lang onderzoek, één lang experiment, één lange droom van proza en poëzie. Met cesuren van dansen en alcohol, met uppers voor de concentratie en downers om te kunnen slapen. Hoe leg ik dat uit aan mijn oude vriend? Dit ontregelend werken op weg naar een uitweg uit het labyrint? De mythe van Theseus en Ariadne? Nee, dat is te hoogdravend. Te weinig Bo Diddley en Chubby Checker, te weinig Keep On Chooglin’.
Later zitten we op de begane grond in de immense, betegelde keuken die tegelijk ook living en dansvloer is. Deze ruimte is niet onderkelderd: je mag er met je voeten stampen en springen, dat maakt allemaal niet uit. Uit de luidsprekers Mink DeVille’s eerste langspeelplaat, Cabretta. De muziek van Willy DeVille en zijn band is zowel verleden als toekomst. Het is geen punk, het is geen new wave, maar het is zeker niet het gnoomachtig gepriegel van bands als Yes en Emerson, Lake & Palmer. Mink DeVille is rock-‘n’-roll van nu, soul van nu, rhythm and blues van nu. Hoor je die sound, Marc, dat is het werk van de onovertroffen Jack Nitzsche. Marc kent Jack Nitzsche nog van weleer, van de Phil Spector sound, van Crazy Horse. Hij was de man achter het betoverend mooie arrangement van Neil Young’s Expecting To Fly, terug te vinden op Buffalo Springfield Again. We praten over Talking Heads, Blondie, Sex Pistols, the Clash, wat we als hoopgevende ontwikkelingen in de popmuziek beschouwen. Ken je the Stranglers, vraag ik hem. Nee, zet eens op, zegt hij. Met songs als Hanging Around, Peaches en (Get A) Grip (On Yourself) vond ik Rattus Norvegicus toen geweldig. Sindsdien is mijn liefde voor dat album bekoeld. Ondertussen drinken Marc en ik Southern Comfort. Marc heeft me op een keer in een van de vele flatjes waar hij kortstondig verbleef van die zoete drank uit Louisiana laten proeven: ik was meteen verkocht. Wat hebben we toch veel van elkaar geleerd, het meeste toen we nog studenten waren aan de filmschool. Je hebt niet echt veel tijd nodig om je leven te veranderen, in goede of in slechte richting.

1978-1980-AURORA 1 001 (2) renee strubbe

Een dag later heb ik met mijn moeder Scrabble gespeeld. Ik ben nog gauw een spel gaan kopen in de boekwinkel op de Dageraadplaats. Terwijl we daar geconcentreerd zaten te spelen, de van Dale bij de hand, stonden Guillaume en Renée opeens in de kamer. Senga, die niet graag speelt, had hen binnengelaten. Als Guillaume er is lijkt de reusachtige ruimte minder groot. Hij heeft présence, zal ik maar zeggen. Guillaume is haast meteen familiair met mijn moeder. Moeders laten hem niet onberoerd. Hij is niet zo’n wereldvreemde kunstenaar, iemand die zich superieur voelt aan gewone mensen. Hij is zelf een gewone mens en tegelijk ook heel ongewoon. Hij neemt de mensen zoals ze zijn en behandelt iedereen gelijk. Zo werd het stilaan donker.

Als ik worstel met mijn ideeën en denkbeelden, als ik mijn gedachten niet goed uitgedrukt krijg, zie ik soms plotsklaps Maldoror, het personage uit Lautréamont’s De zangen van Maldoror, voor me. Om middernacht duikt ergens in Parijs, aan de Bastille of de Madeleine, opeens een omnibus op. Het lijkt alsof hij van onder de grond tevoorschijn komt. Er zitten mensen bovenop met onbeweeglijke ogen als dode vissen. De omnibus, die zich haast om de eindhalte te bereiken, verslindt de afstand en ratelt over keien. Hij snelt voort. Maar hardnekkig achtervolgt hem een vormloze massa, te midden van wolken stof. Ik houd zo van die tekst, van zijn ritme, zijn beweging. Soms maakt hij me woedend, want staat hij daar niet te schitteren als wat? Als een perfecte metafoor van mijn, van onze machteloosheid? Die van ons allen hier aanwezig, wij die met onze bijna dode vissenogen door het lot worden meegesleept.

Een week later zitten we in de Lange Leemstraat in het appartement van Renée en Guillaume te praten en te drinken, één oog op de televisie gericht, soms twee ogen. Of acht. Sommigen noemen het de treurbuis, maar voor ons, Senga en mij, is het een magische doos: wij zullen ons pas in 1984, het jaar van Big Brother een toestel aanschaffen. Ook vanavond projecteert Guillaume weer enkele van zijn home movies. Na die goed gevulde en gemoedelijke avond wandel ik met Senga naar Cinderella’s Ballroom. Ik schrijf zoveel liever Cinderella’s Ballroom dan Cinderella, ook al moet ik er meer toetsen voor aanslaan en wordt zo de mogelijkheid groter om meer typefouten te maken. Om over de slijtage van het klavier van mijn laptop nog maar te zwijgen.

In Cinderella’s Ballroom tref ik opnieuw Marc, nu samen met zijn vriendin Denise. Hij bekijkt me nogal argwanend, vind ik. Wat doet hij hier? Waarom blijft hij niet in Brussel? Dit is toch ons territorium? Wij zijn die mensen met de bijna dode vissenogen. Ach, jongen toch, je wordt nu toch wel wat paranoïde. Dat zullen die pillen zijn. Rustig maar. We hebben allemaal van die ogen.
Een uur of zo later zie ik Luc Deleu een drankje bestellen. Dat is wel heel vreemd. Toen ik nog in Brussel woonde met mijn gezinnetje en filosofie studeerde was hij een goede vriend. Wat ziet hij er slecht uit. Vissenogen zo dood als een pier. Een schim van zijn vroegere zelf. Maar dat zal ook wel een vertekening zijn. Wat is er toch met me aan de hand? Te veel met mijn neus in moeilijke boeken gezeten en dan ook nog eens dat gezwoeg aan Stasis, die supermoeilijke tekst. Giuseppe blijft maar herhalen dat ik eenvoudiger moet schrijven. Met van die ingewikkelde teksten zal ik nooit succes hebben, zegt hij keer op keer. Je moet zo schrijven dat gewone mensen je ook kunnen lezen. Maar ik ga er tegen wil en dank mee door [1]. Luc Deleu is bij het leger. Dat verklaart veel over zijn uiterlijk. Waarom is hij geen gewetensbezwaarde? We moeten brullen om ons verstaanbaar te maken. De platen die Maryse draait brengen je in een roes maar maken verbale communicatie onmogelijk. Je komt hier niet om te praten. Bovendien lijkt het erop dat Luc en ik al vreemden voor elkaar zijn geworden. En waar zijn Marc en Denise nu? Al vertrokken, zegt Senga.

Op de dansvloer breekt een gevecht uit. Senga en ik moeten ingrijpen. Een punk is een andere punk aan het wurgen. Ondanks de luide muziek hoor ik de fijne botjes in zijn strot al kraken. Ik ga naar de twee jongens toe en probeer de wurger weg te trekken. De andere punks, allemaal in zwart leer (ik in wit pak in Firenze in de lente van 1976 ‘gekregen’ van een New Yorkse advocaat), gaan even opzij staan [2]. Maar dat duurt niet lang. Oppassen nu, of ik krijg zelf klop. In een oogwenk zijn er wel tien punks slaags geraakt. Rip him to shreds. Ze slaan elkaar in het gezicht. Het bloed spat tegen de vuile muren. Het is zo erg dat Maryse zelfs de muziek afzet. Vijf seconden ongeveer, waarna het helse ballet opnieuw in beweging komt. De omnibus ratelt voort over de keien, achtervolgd door een vormloze massa die nu opeens geluid voortbrengt, ik hoor duidelijk twee woorden: NO FUTURE.

lautreamont

[1] Tot ongeveer 1984. Dan wordt het op literair gebied enkele jaren heel stil, maar dat is een andere geschiedenis.
[2] Punk is een geestesgesteldheid, meer dan een imago. Je hoeft geen uniform te dragen om toch punk te zijn. Punks zijn individualistisch, niet communistisch, geen massamensen. The New York Dolls waren punks zonder zich in leer te hullen. Er zijn heel wat voorbeelden, ik ga ze hier niet opsommen. Alleen Blondie nog even noemen.

Afbeeldingen: Met Marc Didden in Oostduinkerke, 1974; Renée Strubbe; Isidore Ducasse alias Comte de Lautréamont.

NACHTEN AAN DE KANT (8): ZONE

The Lost Weekend - Still #2

Op 1 januari van datzelfde jaar stond ik voor onze deur met een mondharmonica in mijn rechterhand. Dat was toch mijn huissleutel? Bezat ik magische krachten, wilde ik Sonny Boy Williamson – die tijdens het spelen zijn instrument min of meer inslikte – overtreffen? Een ding is zeker, ik raakte binnen en vond de weg naar mijn bed waar ik veel later met bevende handen wakker werd, een evenbeeld van Ray Milland in de film Lost Weekend. Melk, ik moest dringend melk drinken.

Na dat pijnlijke ontwaken herinnerde ik me nog maar weinig van mijn miserabele en wonderlijke eindejaarsnacht. Pas toen Senga mij over een paar voorvallen had verteld trok de mist wat op. Senga zei dat ik veel had gedanst en dat ik een voorkeur had gehad voor kleine meisjes. Ze bedoelde niet dat ik pedofiele neigingen had gehad, ze had het over de gestalte van de meisjes. Klein maar wel voldoende volwassen om tequila te mogen drinken. Ik had geen last gehad van mijn gebruikelijk schroom of terughoudendheid, zei ze. Voor Senga had ik maar weinig aandacht gehad, ging ze verder. Terwijl je er nochtans zo sexy uitzag, zei ik. Wat is dat met mij, dat ik zo’n mooie vrouw heb en me soms toch heel sterk aangetrokken voel tot andere meisjes? Tequila en peppillen werken die demonische begeerte dan ook nog eens in de hand.

Om middernacht of later vertrek ik naar de Zone. Als ik daar verblijf zie ik geen mensen meer, alleen schimmen in beweging, kleurenexplosies, lichtschakeringen. Ik hoor ritme, rumoer, lage tonen, gefluister dat als fluweel aanvoelt, gestamel. De contouren van een gezicht, handen die gesticuleren. Mijn blik gaat omlaag, ik zie witte enkels, rode laarsjes, dan gaat hij hoger, het oh yeah van de Junior Murvin tegemoet, tot aan de borsten, de hals, de kin van een meisje dicht bij me. Een seconde de blik in haar ogen. Fellere kleuren, veel wit. Altijd afstand tussen mij en het meisje. We komen elkaar niet nader. Een glimlach, misschien. En toch ook Eros die via de vloer aan de danspartner wordt doorgegeven, elektrische schokjes. Via klank dring je binnen in de andere. Je wordt er één mee.
Al na één glas tequila wordt mijn identiteit vloeibaar, etherisch. Ik ben niet langer mezelf maar wordt ook geen andere. Ik ben de Zone geworden. Dat geheel waar ik deel van uitmaak heeft evenmin een vaste vorm. Als iemand dan weggaat zie ik het niet. Mogelijk is het dat wat ik wil vermijden. Omdat ik niet verdraag dat iemand weggaat doe ik er veel voor om dat niet te zien.

Waar waren we? Het was een party met veel tequila. Waar waren we geweest, wat hadden we gedaan? Terwijl ik van de melk dronk vertelde Senga me dat ze naar me toe was gekomen om me te zeggen dat ze naar huis wilde. Ze was moe, het was al na middernacht. Maar ik heb Senga toen niet gezien en niet gehoord. Blijf jij nog hier, vroeg ze. Ja, ik blijf nog, zei ik, vertelde Senga me. Ga jij maar naar huis, ik vind het niet erg, zei ik, aldus Senga. Senga was teleurgesteld, boos. Ze had dezelfde tequila gedronken als ik. Ik herinner me niets van haar woorden, van mijn woorden.
Opeens zie ik een scène weer voor me. Ik hoor Guillaume en Renée zeggen dat ze goed voor me zullen zorgen en me heelhuids thuis zullen brengen. Het komt allemaal in orde. De tequila party, ik herinner me nu veel reggae, is afgelopen. De vrienden zakken af naar de stad, de kant zeggen ze in Antwerpen. We waren niet weggegaan uit Zurenborg, herinner ik me nu. Al leek alles erop dat ik in een ander land was geweest. Jamaica? Haïti? Ja, de vrienden gaan weg. Ik wil mee, maar moet dringend plassen. Al die tequila, er komt maar geen eind aan. Iedereen zal nu wel weg zijn. Ik blijf alleen achter. Gelukkig heb ik een vriendin met mededogen: Renée heeft op me gewacht. We lopen samen over de Dageraadplaats, waar Senga zich achter een boompje heeft verscholen. Ze is dan toch niet haar huis gegaan. Ze staat me te bespioneren… Het duurt even voor ik haar in het oog krijg. Ze zal willen nagaan hoe trouw ik wel ben. Woedend loop ik naar haar toe. Midden op de Dageraadplaats maken we een scène. Zo’n ruzie tussen twee geliefden duurt wel wat: inmiddels zijn de vrienden vertrokken. Ga maar naar de Cereus, zegt Senga. Renée en Ria zitten daar. Ik geloof er geen woord van maar loop er toch naartoe. Daar, in ons stamcafé, bel ik alle taximaatschappijen op die Antwerpen rijk is. Niet een taxichauffeur is bereid om tot Zurenborg te komen. Het is oudejaarsnacht. Daar is Johnny Pappas. Ik vraag hem of hij niet meegaat naar de stad. Nee, dat wil hij niet. Hij gaat nooit meer naar de stad. Nooit ofte nooit meer, zegt hij. De kant, zegt Johnny Pappas. De duistere kant, dat zeggen ze er in Antwerpen niet bij. Johnny Pappas had eerder op de avond bij Guillaume en Renée thuis margarita’s voor ons gemixt, vertelt Senga me.
Als er geen taxi komt ga ik te voet, zeg ik. Ik loop door de Rolwagenstraat. In deze toestand zal ik niet ver komen, besef ik. En geen enkele taxi te zien. Ik ga in het midden van de straat lopen om een auto tegen te houden. Die zak rijdt gewoonweg door. Geen genade. Op het laatste moment spring ik opzij. Net niet omver gereden. Dat spel herhaal ik een drietal keer, tot er dan toch een taxi voor me stopt.

Get into the car
We’ll be the passenger
We’ll ride through the city tonight
See the city’s ripped backsides
We’ll see the bright and hollow sky
We’ll see the stars that shine so bright
The sky was made for us tonight

11 7b_edited3

Ik neem nog een flinke slok heerlijk koele melk en zucht eens diep. Je ziet er niet gezond uit, zegt Senga. Nee, dat geloof ik best, zeg ik, maar ik heb toch zin om lekker met je te vrijen. Ik voel me zo geil. Ik ook, zegt Senga, ik heb ook zin. Ik herinner me dat ik in de Wolstraat uit de taxi stap. De plaats waar ik moest zijn, maar dat dringt niet meteen tot me door. Ik loop een andere straat in en dan nog een en nog een. Onderweg haal ik mijn mondharmonica uit mijn jaszak en beeld me in dat ik Sonny Boy Williamson ben en ik Nine Below Zero kan spelen, niet beter dan hij maar ik kom in de buurt. Dan sta ik pal voor De Gnoe, het café dat ik zocht, toch? Guillaume omhelst me als eerste: hij is zo blij dat ik toch nog gekomen ben. Renée zit te slapen, haar blonde hoofd op een grote ronde tafel. Ria staat kringetjes te dansen.
Nu ben ik ook aan het dansen. Af en toe haal ik bier en praat dan even met de twee barmannen. De ene heet Rudi, zegt Rudi, de andere daar dat is Jan. Ik begrijp dat Rudi niet veel tijd heeft, het is druk in De Gnoe. Guillaume, die nu naast me aan de toog staat, gaat die twee grieten daar versieren zegt hij. Grieten, dat wordt in Antwerpen gezegd, het is niet denigrerend bedoeld geloof ik. In het begin dacht ik dat ze het over vis hadden.
Weer op de dansvloer met Ria. We proberen rock-‘n-‘roll te dansen, wat door mijn gebrek aan ervaring geen sinecure is. Vlot, dat wel, maar het probleem is dat ik in de ene richting draai en Ria in de andere. Wil jij niet liever leiden, Ria? Vanaf dan gaat het beter, gaat het zelfs goed: ondanks de drank, de vermoeidheid, het late uur dansen we als… dansers. Dat was goed hé, zegt Ria. Nu kan er dit jaar niets meer mis gaan, zeg ik. 1978, zegt Ria.

Ach, die bitterzoete kroegen vroeg in de ochtend, de toog, de tafels, de stoelen, de vloer, de mouwen van mijn jas nat van het bier. Mijn dwaze dronkenmanspraat. Zwijgen zou beter zijn. Er gewoon maar zijn. Vind je niet? Niets tegen je zeggen. Met wie sta ik te praten? Wie ben je ook alweer? Renée schrikt wakker. Zouden we niet eens naar huis gaan, zegt ze.
Met zijn vijven, Renée, Guillaume, Ludo Mich en Frieda – die boven de Unic aan de Dageraadplaats wonen – nemen we een taxi. Zul je je weg wel vinden vraagt Frieda als we uitstappen. Natuurlijk, de Dolfijnstraat is maar een boogscheut van hier, een worp met een dobbelsteen. In de Dolfijnstaat, daar zoek ik de dolfijnen op. In nog te schrijven woordenboeken. Morgen, overmorgen, als de tijd gekomen is. Als Ludo en Frieda de deur achter zich toetrekken haal ik mijn mondharmonica uit mijn jaszak. Natte mouw verdomme. Een solsleutel. Daar is de zon. Gedaan met de nacht.

Afbeeldingen: Ray Milland in The Lost Weekend van Billy Wilder; Senga in 1977.

Titel: ik heb de titel gewijzigd omdat deze verhalen niet alleen maar over café Het Pannenhuis gaan, wat aanvankelijk wel de bedoeling was. En het blijft mijn intentie om over de mensen die ik daar ontmoette te schrijven. Dat ga ik zeker doen, ze verdienen dat. Maar wat daaraan voorafging had meer aandacht nodig dan ik dacht. Zodoende.

The Passenger is een song van Iggy Pop en Ricky Gardiner uit de elpee Lust For Life, verschenen in 1977.